Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven

Part 2

Chapter 23,758 wordsPublic domain

In de ondoordachte waardeering der groote massa wordt de sexueele lyriek hooger gesteld dan de erotische humor. Toch levert diezelfde groote massa den erotischen humorist juist de stof voor zijn in- en uitvallen--zij is zijn altijddurend model, zij verkarikatuurt ieder oogenblik het sexueele leven in al zijn uitingen. Maar die massa is te kortzichtig en te onnadenkend, om in die photografiën haar eigen beeld te herkennen. Ieder ziet in die karikaturen wel den buurman, niet zichzelf. Men geeft gaarne toe, dat zoo en zoo door anderen wel wordt gehandeld, maar dat men zelf ook zoo doet, dezelfde dwaasheden begaat dat komt maar bij weinigen op. De instemming, die de erotische humor dan ook vindt bij de groote massa, en die in haar beste uitingen bestemd is, althans strekken kan, tot haar leering en haar sexueele opvoeding, berust gewoonlijk louter op leedvermaak. En den sexueelen humorist zelf, hoe gaarne men zich ook met zijn producten vermaakt, schat men toch niet bijzonder hoog.

Een feit is het, dat de sexueele humor licht ontaardt in pornografie, gemakkelijk daartoe overhelt. Maar haar eigenlijk wezen is dit niet. Het gansche sexueele leven is van nature als overgoten met humor. Elk zijner uitingen heeft voor den kritischen waarnemer haar komische kanten. Die weer te geven zoo ze zich vertoonen, is natuurbeschrijving.

Natuurbeschrijving voornamelijk van het niet-meer-natuurlijke, om niet te spreken van het onnatuurlijke. Want wel is er in het onvervalscht-natuurlijke liefdeleven veel zachte en liefelijke humor, maar stof voor spot, voor ironie en sarcasme biedt het nooit. Dat doet echter het liefdeleven dat beheerscht wordt door een of andere beschaving altijd. In dat liefdeleven, massaal overzien en de natuur trouw gebleven uitzonderingen buiten rekening gelaten, is alles valsch en onecht en onwaar, alles vorm en schijn, comediespel en berekening. Alles wat zich in het dusgenaamde liefdeleven der beschaafde menschen afspeelt, provoceert den spotlust, lokt als uit om er den draak mee te steken. Dit geldt van alle standen der samenleving, van de hoogste tot de laagste. Bij allen is het liefdeleven tot een dwaze karikatuur geworden. Gelijk vanzelf spreekt in verschillende richting en vooral ook hierbij blijkt weer, in welk een mate het liefdeleven wordt beheerscht door de stoffelijke omstandigheden, gelijk in dit werk aanhoudend is betoogd.

De algemeene eigenaardigheid van het sexueele leven onder deze of gene beschaving is een voor ieder dichterlijk gemoed onuitstaanbare nuchterheid, een geestelooze practische zin. Wie zich in zijn geslachtsleven nauwgezet gedraagt naar de voorschriften der beschaving waaronder hij leeft, die vertegenwoordigt de kleurlooze nuchterheid in de elfde macht. Uit het beschaafde geslachtsleven is alle natuurlijke poëzie weggenomen. Het is het afwerken van de droge agenda der huishoudelijke vergadering eener vereeniging waarvan allen slechts fatsoenshalve lid zijn. Dit alles geeft hooger gestemde gemoederen ergernis en die ergernis uit zich in spot, en die spot is gewoonlijk waar, niet slechts voor het afzonderlijke geval, dat voor het oogenblik naar voren wordt gebracht, maar voor het karakter van het geheel.

In het algemeene geslachtsleven van het beschaafde deel der menschheid is nagenoeg niets wat eerbied kan inboezemen, niets wat teedere gevoelens wakker roept, niets wat de heilige geestdrift aannemelijk maakt, die de dichterlijke waarnemer daaruit zegt te putten. De verheven-dichterlijke bezinger van het onbezingbare liefdeleven der beschaving leeft in een zelfgeschapen droomwereld van onwezenlijkheid, of hij is eenvoudig een simulant. Want in werkelijkheid is bedoeld liefdeleven grof en plat, kleurloos triestig, en wegens zijn onwaarheid, zijn maskers en zijn schijn alleen nog maar waard er op te schimpen en het te verguizen en te hoonen door het prijs te geven aan den lachlust.

Dit is een der zijden van wat wij gemakshalve samenvatten onder de algemeene benaming: erotische humor. Hij heeft er tallooze. In den vorm, waarin wij dezen humor zooeven schetsten, is hij een uiting van ergernis over het ontbreken van natuurlijken humor en hij bedient zich diensvolgens bij voorkeur van bijtend sarcasme--elk zijner uitingen is een schrijnende zweepslag, een tergende schimpscheut, een handvol hoon naar de geslachtelijke zeden. Van dien aard zijn tal van humoresken in beeld, welke in dit deel zijn opgenomen.

In onze taal is wel Multatuli de literaire vertegenwoordiger bij uitnemendheid van dit genre. Waar hij van de sexueele zeden en de geslachtelijke opvattingen van zijn tijd komt te spreken, heeft hij daarvoor niet anders dan spot en schimpend sarcasme. "In den beginne was deugd... niemendal. Men was deugdzaam, zoolang er niemand sprak over deugd. Want de natuur van den mensch was goed. De moeder had haar kindje lief. Men zei: hoort moeders, ge moet uw kinderen beminnen. Als van toen af 'n moeder heel lief was voor haar kindje, dacht dit al heel gauw: "je moet wel, men heeft het je gelast". 't Lag in de natuur, dat er hartelijkheid geboren werd uit den omgang tusschen de geslachten. Dit was ook 't geval bij de ganzen die samen hun jongen bewaken. Maar bij de ganzen is 't zoo gebleven omdat er niemand was die 't hun voorschreef. Kortom.... de deugd verdween na 't spreken over de deugd, zooals de stilte verdwijnt door geschreeuw over de stilte. Men maakte deugden, die in de plaats kwamen van deugd. En die gemaakte deugden veranderden met de seizoenen, ja bij de week. Wat heden deugd was, werd morgen ondeugd en omgekeerd. Wie vandaag de deugd omhing van verleden jaar zou uit de mode wezen, en worden aangezien voor verkeerd geboren. Wie zich kleedt in de deugd van de toekomst wordt uitgefloten als Wagner's muziek te Parijs. De hoofdzaak is, dat men zich omhangt met de deugden van den dag. Wie dit goed in acht neemt is modern, deugend, deugdzaam".--"De kuisheid bestaat niet. 't Is de toepassing van een der vele manieren waarop men zuinigheid verheft tot 'n principe, en deugd maakte uit de duurte der levensmiddelen. In den beginne.... waren alle kinderen onecht en 't kwam niemand in den zin, een meisje te verachten omdat ze moeder was. 't Zou geweest zijn alsof men boos werd op een bloem, wijl ze zich verstout had over te gaan van knop in bloem. Dit bleef zoo tot er schraalte kwam aan voeding. Men beduidde de jonge meisjes, dat ze te zorgen hadden voor 't onderhoud van hare kinderen. Zij namen daaruit aanleiding vooraf te informeeren, of de kandidaat-vader 'n beklanten winkel had. Velen zeiden ja, en soms was 't ook zoo. Maar er waren er, die in weerwil hiervan toch geen zorg droegen voor hun kinderen. Zij hielden zich als wisten zij van niets, wanneer deze of gene jonge moeder hen uitnoodigde om de zorgen voor 't gezin met haar te deelen. Om deze ontkenning voor te komen, stelde men vast, dat er huwelijken zouden gesloten worden, en dat ieder die vader worden wou, dit eerst moest verklaren. Hierin... ligt wel iets goeds. Maar niet goed is het dat men 't deed voorkomen alsof 'n meisje, dat iemand geloofde op z'n woord, zonder die openlijke verklaring, minder braaf was dan 'n ander".--Onder zijn tallooze sarcasmen en schimpscheuten op sexueele opvattingen citeeren wij hier nog de ontboezeming, die hij het "deugdzame" meisje in den mond legt (bij wijze van navraag naar haar Japanschen minnaar), om te laten uitkomen welke begrippen er al zoo bestaan omtrent deugd: "M'nheer, wil u aan die gele heeren vragen, of 't waar is, dat hun knecht in zijn land 'n beklante winkel heeft? En of ik er op rekenen kan dat-i behoorlijk voor me zal zorgen? Want ik ben niet zoo mal als Grietje, die loopt te bedelen met 'r kind zonder vader... want ziet u op me fatsoen ben ik gesteld. En om nou 'n goeien dienst te verliezen, voor ik zeker ben da 'k niet zal rondloopen als Grietje, die nergens terecht kan omdat ze geen eerlijk meissie is..."

In deze soort humor der groote denkers is altijd bitterheid, minachting en verontwaardiging. Het beleedigd esthetisch gevoel grijpt naar het middel der satirieke polemiek, naar dat van den verguizenden spot, naar elk middel dat den vijand--den sexueelen misstand--maar kan prijsgeven aan verachting. Het werpt zich met hartstocht, met woede op de grauwe kleurloosheid, op de onteerende berekeningen en de ontwijdende overleggingen, op al de karikaturen, schijnheiligheden en misvormingen van het geslachtsleven, zooals dat onder den invloed der dusgenaamde beschaving de regel is. En de typen, die vooral dezen humor zonder vroolijkheid, deze sarcastische bitterheden uitlokken, dat zijn de Droogstoppels van beiderlei sexe, waarvan het in de beschaafde wereld wemelt. In dezen sexueelen humor ligt veelal dramatiek.

Zooveel als de tegenovergestelde richting in den erotischen humor is die, welke met een beminnelijk glimlachje de aandacht vestigt op de kleine onoprechtheden, onhandigheden, teleurstellingen en komische verdrietelijkheden in het verkeer der sexen. Aan dezen vorm van sexueelen humor is de neiging om te moraliseeren, met een lach om de lippen te onderrichten, niet vreemd, ofschoon moeilijk valt te zeggen,

of deze neiging hem van nature eigen is. Nooit slaat deze vorm den toon aan van den fellen spot, er klinkt geen hevige verontwaardiging uit op, hij stelt niet onbarmhartig aan de kaak, is zelden recht op den man af persoonlijk, maar geeft bij voorkeur met eenige rake lijnen een min of meer scherpe aanduiding van het komisch geval, dat hem voor het oogenblik frappeert en tot spreken dringt. Zoo als bijvoorbeeld in den volgenden uitval:

Aan een beroemde vrouw werd eens gevraagd, waarom zij niet getrouwd was, en of zij aan het huwelijksleven niet de voorkeur gaf. Het antwoord luidde: Ik heb drie wezens om mij heen, die zoo ten volle een man vervangen, dat ik niet in het minst naar een echtgenoot verlang. Naar eenige opheldering gevraagd, zeide de dame: Ik heb een hond, die den heelen morgen bromt en gromt, een papegaai, die den heelen middag vloekt en tiert, en een poes, die alle avonden tot diep in den nacht uit is. Alles bij elkaar heb ik dus zoo goed als een man.

In dier voege karakteriseert deze soort van erotische humor gewone toestanden, zooveel als de kleine gebreken en de dagelijksche zonden in het samenleven der sexen. Het eigenlijk terrein van deze soort van erotische humor zijn de alledaagsche onhebbelijkheden, tekortkomingen en dwaasheden, die zoo algemeen zijn, dat ze nauwelijks meer als zoodanig worden opgemerkt. Zij wijst die dwaasheden enz. aan en zij mag daarvan het resultaat verwachten, dat hier en daar een nog niet geheel verharde een oogenblik tot nadenken wordt gebracht. Nooit grijpt zij daarbij naar het middel van den bijtenden spot, nog minder naar dat van het vlijmend sarcasme. Maar des te meer bedient zij zich van geestige gevatheid, die niet zelden tegelijkertijd verre perspectieven in het gebied van het zieleleven ontsluit. Zooals in het volgende staaltje van Turksche erotische humor:

Een vrouw liep te wandelen en bemerkte dat zij gevolgd werd door een man, die nu eens dicht naast haar kwam en bewonderend tot haar opkeek en dan weer achter haar aanliep. Toen de vrouw meende zekerheid te hebben dat de belangstelling van dien man inderdaad haar gold, bleef zij staan en wendde zich tot hem met de vraag: Waarom loopt u zoo om mij heen?--Ik vind u zoo mooi, dat ik het oog niet van u kan afwenden, was het antwoord.--Zoo mooi ben ik toch niet; mijn zuster, die daar aankomt is veel mooier.--De man keek om en zag een oudje aan komen strompelen. Glimlachend zeide hij toen:--Waarom houdt u me voor den gek?--Omdat u mij ook voor den gek houdt. U kon uw oog niet van mij afhouden, zoo mooi was ik. Maar toch keek u onmiddellijk naar die andere.

De modellen, die deze soort humor vooral de stof moeten leveren voor haar grappen en aardigheden, zijn de altijd-blauwtjes-loopende ongeluksvogels in de liefde, de onhandige minnaars, de bijdehandjes, de minzieke oude snoepers, de oude vrijsters, de onder-de-plak-zitters of pantoffelhelden, de betrapte echtbrekers, de sexueel-brave Hendrikken enz., enz., behalve dan nog de schoonmoeders en de mode.

Over het geheel zoekt deze soort sexueele humor alleen te vermaken. Zij gaat niet diep, laat zich niet in met de groote problemen van het leven der sexen, stelt de dingen tegelijkertijd komisch en onschuldig voor, maakt belachelijk en vergoelijkt tevens, en is door dit gemis aan diepte en aan grooten hartstocht de erotische humor bij uitnemendheid voor de groote meerderheid, die het immers evenzeer ontbreekt aan diepe gevoelens en groote hartstochten. Zij is uiterlijk veelkleurig en innerlijk ideaalloos-grauw. Zij glimt en glinstert als fosforglans zonder vuur of gloed. Deze sexueele humor valt dan ook algemeen in den smaak. Zij doet even lachen en daarmee uit. Zij gaat in de eene noch in de andere richting wat men noemt te ver. Zij blijft binnen de grenzen der geijkte betamelijkheid en zij doet de oogen geen pijn door te fel licht. Zij doet gelooven dat eigen zwakheden aller zwakheden zijn en schenkt zoodoende het verkwikkend bewustzijn dat men in elk geval niet minder is dan de rest.

Van dit soort erotische humor is dan ook ten alle tijde alle literatuur, die op niet meer dan een eendags-bestaan mag hopen, doortrokken, evenals de dagelijksche conversatie van de praatgrage menigte, die meer lust dan stof heeft tot praten. Het gebied bij uitnemendheid van deze geslachtshumor zijn de dusgenaamde Zondagsbladen, stuiversbladen, geïllustreerde bladen en al dergelijke periodieke eendagsvliegen.

Een verdere hoofdvorm van den erotischen humor is de ontledende, de analyseerende, die door de maskers en door den schijn heendringt, het ware wezen van al dat schijnschoon blootlegt en er het belachelijke van in het licht stelt. Deze vorm bedient zich beurtelings van alle ten dienste staande middelen. Elke vondst, die hij, gewapend met loup en lancet, in het gebied van het sexueele leven doet, prepareert hij op de manier, die er hem het geschiktst voor dunkt. En altijd is het eindresultaat van zijn ontleden en indringen in het wezen der verhoudingen tusschen de sexen, dat er als regel in het liefdesgedoe niets verhevens is, hoe romantisch het zich ook voordoet, en hoe dichterlijk en verheven het zich ook aanstelt. Deze soort van erotische humor ziet in elke uiting van het geslachtsleven sexueel egoïsme, of zucht om voordeel te trekken uit een sexueele machtspositie. Zij ziet in het geslachtsleven het kleine, het komediespel, het bedriegelijke, al die tallooze zwakheden, die men onder allerlei maskers angstvallig zoekt te verbergen. Voor haar is de liefde bijvoorbeeld allerminst blind, maar integendeel een scherpziende woekeraarster, die op elke mogelijke wijze haar voordeel zoekt te doen en sluw en geslepen elke geslachtelijke machtspositie weet te benutten,--als een voorzichtige rekenaarster, die altijd op den beganen grond blijft en geen oogenblik vergeet naar zich toe te rekenen.

Een eigenaardig kenmerk van deze soort van geslachtshumor is, dat zij zoo gaarne een wijsgeerigen toon aanslaat, zich met voorliefde uitdrukt in niet al te dagelijksche termen, er van houdt het air aan te nemen van den boven de massa ver verheven diep-vorschenden denker, die de dingen van alle kanten pleegt te bezien en vooral te doorzien. In de bevindingen van zulke erotische onderzoekers vlamt niet de diepe ergernis of de felle verontwaardiging van den hoogvoelenden gevoelsmensch, die zich door de grauwe werkelijkheid op het pijnlijkst voelt beleedigd, wiens gewonde ziel tegen al dat minderwaardige en inferieure in het sexueel verkeer in titanisch verzet komt en die voor den smaad, zijn esthetisch ideaal aangedaan, wraak neemt door gal-bitter sarcasme en venijnige ironie te spuwen. Maar nog minder verwaardigt zij zich tot de onschuldig-oppervlakkige grappen van den erotischen humor der groote menigte. Zij vindt de eene soort te eenzijdig en de andere te onbeduidend. Zij zoekt--de waarheid. Men zou haar kunnen noemen wetenschappelijke humor, en in elk geval beschouwt zij zichzelf als zoodanig.

Het geliefkoosde middel waarvan zij zich bedient om hare vondsten en resultaten tot gemeen-goed te maken, is de geen tegenspraak duldende orakelspreuk. Zij formuleert gaarne zeer afdoend uitziende aforismen. Zij ontleedt, gaat tot de kern, dringt door tot het wezen der dingen--beweert dat tenminste. Zij blijft daarbij, zooals aan haar karakter van wetenschappelijkheid betaamt, onbewogen, hartstochtloos. Zij constateert alleen, zij is de nijvere bij, die sexueele wijsheid opspoort en die aan de domme wereld aanbiedt als een kostbaar geschenk. Zij stelt er blijkbaar minder prijs op, dat men haar uitspraken houdt voor diep-doorvoeld, dan wel voor diep-doordacht.

En inderdaad moet worden toegegeven, dat in deze soort sexueele humor zeer veel bruikbaars is te vinden, dat strekken kan om het inzicht in het wezen van het geslachtsleven te verhelderen. Eigenlijk schijnt zij zelden te bedoelen, als humorist op te treden. Uiterlijk ziet zij er veelal zeer deftig, degelijk en gedegen uit. Dat zij niettemin als humor werkt, is vermoedelijk hieraan toe te schrijven, dat het geslachtsleven, als het niet opzettelijk in verheven of tragische verpakking wordt gestoken, eigenlijk altijd min of meer humoristisch werkt. Zoo komisch en humoristisch is het geslachtsleven, dat, hoe men het wendt of keert, nagenoeg altijd een komische of humoristische zijde boven komt. Zelfs de verheven en de tragische voorstelling van het sexeleven doen dikwijls komisch aan. En menige bladzijde erotische humor is dan ook vermoedelijk niet geschreven om humoristisch effect te krijgen, en menige zeer komisch aandoende sexueel-wijze spreuk is ongetwijfeld oorspronkelijk bedoeld als hoog-ernstige geslachtskritiek.

Zoo bijvoorbeeld Mantegazza in zijn boutades op de platonische liefde. Wat is platonische liefde? zoo vraagt hij en hij geeft haar prijs aan den spot met den volgenden stortvloed van hekelende formules waarvan elke volgende weer een nieuwe dwaze zijde van dit troeteldroombeeld der erotische lyriek blootlegt:

De platonische liefde is een onding, een hersenschim; zij heeft nooit bestaan en zal ook nooit bestaan.

De platonische liefde is een valsche vlag, die een verdachte lading dekt.

De platonische liefde is een vervalscht document, bestemd om contrabande weg te smokkelen.

De platonische liefde is een valsche sleutel om te komen waar men niet wezen mag.

De platonische liefde is een masker voor geslachtelijke onmacht.

De platonische liefde is een contradictio in terminis; zij is de kwadratuur van den cirkel.

De platonische liefde is de honderdste variant op de fabel van den vos, die de druiven waar hij niet bij kon, te zuur vond.

De platonische liefde is de onoprechtste manier om te zeggen: ik wil wel maar ik kan niet.

De platonische liefde is een dubbele leugen, waaraan geen der beide leugenaars geloof slaat.

De platonische liefde is het eerste stadium eener groote liefde of het laatste eener kleine liefde, maar nooit de liefde zelf.

De platonische liefde is een bezworen overeenkomst tusschen partijen, met het verzwegen voorbehoud zoo gauw mogelijk meineedig te worden.

De platonische liefde is de gelofte van den zeeman tijdens het noodweer, die hij geen oogenblik denkt na te komen.

De platonische liefde is de vinger, die de gelegenheid biedt de heele hand te nemen.

De platonische liefde is een schijngevecht tusschen twee die niet vechten kunnen en bang zijn bloed te zien.

De platonische liefde is een bisdom in partibus infidelium, als men geen parochie te vergeven heeft.

De platonische liefde is de metaphysica van de liefde.

De platonische liefde is de lompste parodie op den mooisten, grootsten en gloeiendsten menschelijken hartstocht.

De platonische liefde is een leeuwtje van gips, een bordpapieren tijger, een boeman of een trekpop voor kinderen.

Voor zoodanige conclusies--n.l. dat het allemaal larie is--schijnt de wijsgeerige ontleder van het sexeleven een sterke voorliefde te hebben. In elk geval vindt ook hij, evenals de sarcastische pessimist en de luchtig-oppervlakkige pessimist in het leven der liefde wel veel zots, dwaas en belachelijks, maar weinig schoons. En dat weinige schoone is dan volgens zijn oordeel meestal nog slechts schijn en komedie. Hij wordt daarover echter niet boosaardig, kwaadaardig of giftig zooals de pessimist, noch minder maakt hij er zich vroolijk over zooals de optimist, maar hij blijft deftig en gewichtig in zijn rol van wijsgeerig waarnemer, en draagt vooral zorg, zich niet al te eenvoudig uit te drukken. Het valt niet te ontkennen, dat de pessimist, met zijn door wraakzucht gescherpten blik, duidelijker de dagelijksche werkelijkheid ziet; zelf diep geërgerd schept hij er vermaak in te ergeren, en dit doet hem de taal vinden die hem succes waarborgt. Niemand verstaat dan ook in die mate als de pessimist, ook op dit gebied, de kunst dat wat hem ergert, te overstelpen met smaad en het prijs te geven aan bespotting en aan hoongelach. De wijsgeerige humor daarentegen is zelden concreet, maar blijft bij voorkeur in de wolken van het abstracte. Hij verschaft algemeene formules, die men naar willekeur kan toepassen ... op den buurman. Hij houdt u niet den spiegel voor, maar wapent u met machtspreuken en dogma's die er veelal uitzien als treffende waarheden.

Was ist der Kern der Mannesliebe? Die Sinnlichkeit. Und letzter Grund der Weibertriebe? Die Eitelkeit.

Aldus orakelt Lessing.

Paul Bourget hoont: Maagdelijns zonder onschuld, ziedaar het schitterendst product onzer beschaving. De vroegere barbaren, die in veroverde streken geweld pleegden, lieten daar onschuldige meisjes zonder maagdelijkheid achter. Men moet toegeven dat wij de methode verfijnd hebben.

Onuitputtelijk is vooral de wijsgeerig-erotische geestigheid der mannen bij het beoordeelen van de vrouwen. In het geestig en frappant formuleeren van de zwakheden der vrouw, in het literair-smakelijk toebereiden van diagnosen van moreele vrouwenkwalen viert het mannelijk vernuft zijn grootste triumfen. De gewoonte, zijn beoordeelingen van de vrouw te kruiden met geestigheden en humor schijnt den man zoo eigen, dat hij het zelfs niet nalaten kan als hij van haar spreekt op een manier, die blijkbaar voor ernstig wil doorgaan. Zelden komt de vrouw anders uit zijn handen te voorschijn dan als een met komische zonden potsierlijk uitgedoscht beminnelijk wanschepsel. (Fig. 39).

De vrouwen, oordeelt Honoré de Balzac (in Petites misères de la vie conjugale) zijn erger dan de jezuïeten. De meest jezuïetische jezuïet onder de jezuïeten is duizendmaal minder jezuïet dan de minst jezuïetische vrouw, daaruit kan men opmaken hoe jezuïetisch de vrouwen zijn. Zij zijn zoo jezuïetisch, dat de ergste jezuïet er geen denkbeeld van heeft, hoever hij in jezuïetisme beneden een vrouw staat. Er zijn duizend manieren om jezuïetisch te zijn, en de vrouw is zulk een handige jezuïet, dat zij jezuïetisch kan zijn zonder dat men het merkt. Zelden, maar in elk geval toch wel eens een enkele maal, kan men een jezuïet bewijzen, dat hij een jezuïet is; maar probeer maar eens een vrouw te bewijzen, dat zij jezuïet is. Als ge het probeert, dan bewijst ze u in een ommezien, dat niet zij een jezuïet is, maar dat gij zelf een jezuïet zijt.

"De vrouwen, zegt Dohm, bedienen zich van leugens zooals de stier zich bedient van zijn horens".

"Men leert de vrouwen het liegen, schrijft Flaubert, niemand zegt ze ooit de waarheid, en krijgen ze de waarheid eens toevallig tegenover zich, dan schrikken ze als van iets ongehoords".