Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven
Part 11
Onze tegenwoordige grappenmakers steken hunne geestigheden op het huwelijk niet meer in zoo'n dubbelzinnig kleed. En zij laten de gevoelens van teederheid, die de echtgenooten jegens elkander koesteren, ook niet pas aan het licht komen bij zulk een tragische gelegenheid als een bevalling die den man gelijkertijd tot vader en weduwnaar maakt. Zij laten de vaders, die op het punt staan schoonvader te worden, hun kroost, dat klaar staat den weg op te gaan van alle huwbaar vleesch, nog op het laatste oogenblik waarschuwingen toevoegen als deze: Mij dunkt, jelui moesten maar niet al te veel drukte maken niet jelui trouwen?--Waarom niet, vader?--Nou, na het trouwen zullen jullie spektakel genoeg hebben.
En als de trouwlustige door iemand van ondervinding zoo is voorbereid, dan loopt hij alle kans even later een vriend te ontmoeten die het groote nieuws heeft vernomen en hem de hand drukt met de woorden: Kerel, dit is een van de gelukkigste dagen van je leven!--En als hij dan, in de meening dat de vriend zich in den datum vergist, zich haast de zaak recht te zetten met een: Ho wat, je bent nog wat te vroeg, ik trouw pas morgen,--dan krijgt hij wellicht dit hoopvolle antwoord: Pardon dat weet ik, en daarom juist is 't vandaag een van de gelukkigste dagen van je leven.
Natuurlijk waardeert onze vriend het grappige in zulk een antwoord en beloont den grappenmaker met een vroolijken lach. Misschien stemt hij quasi met de opvatting, in de felicitatie van zijn vriend opgesloten, volkomen in en antwoordt hij hem met een kwinkslag die daar uitdrukking aan schijnt te geven. Maar in werkelijkheid dringt er niet het minste besef van de werkelijkheid die hem wacht door in zijn brein, beneveld als het is door den roes der aanstaande huwelijksvreugden. Van alle voor redelijke en gezonde redeneering ontoegankelijke menschen is een bruidegom wel de dikst-schedelige domoor, op wie al wat verstandig is afstuit als een aansporing tot waarheidsliefde op een diplomaat. Het moet zelfs wel gebeuren, dat zulk een benevelde bruidegom over zijn voorgenomen huwelijksstap met welmeenende vrienden die hem alsnog zoeken te weerhouden, gaat discusseeren en hen tracht tot zwijgen te brengen met wijzigheden als deze, dat volgens het algemeene zeggen een getrouwd man langer leeft dan een ongetrouwd man. Een argument, dat zelfs een middelmatig geestig grappenmaker kan pareeren met den tegenzet, dat het leven den getrouwde alleen maar langer voorkomt, omdat hij zich als regel zit te vervelen. Een bruidegom, die door meewarige vrienden bijna bewogen was de trouwerij tenminste nog wat uit te stellen, en alleen nog aarzelde omdat hij zich herinnerde eens gehoord te hebben dat het ongeluk aanbrengt als een huwelijk wordt uitgesteld, werd van dit noodlottig bijgeloof genezen door de verklaring, dat uitstel van trouwen geen ongeluk aanbrengt als je het maar lang genoeg uitstelt
Maar zulke voor rede vatbare schepselen zijn er onder de ongetrouwden al heel weinig, onder de mannelijke bijna niet een en onder de vrouwelijke heelemaal geen. Naar het schijnt komt altijd de mannelijke helft van een getrouwd paar altijd het eerst tot bezinning en tot het inzicht van de dwaasheid, die er is begaan. Zoo komt het dan dat vrouwtje-lief, nog geheel en al in wittebroodsstemming, man-lief teeder vraagt: Wanneer heb je het eerst gemerkt dat je van me hield? en dan ten antwoord krijgt: Toen ik merkte dat ik kwaad werd als ze zeiden dat je een dom schaap was.--Zijn ten slotte beiden tot het besef gekomen van de droeve werkelijkheid, dan worden er over en weer bekentenissen gedaan als deze: Ik vond dat je er allerdwaast uitzag toen je mij ten huwelijk vroeg.--Toch kan ik er onmogelijk zoo dwaas hebben uitgezien, als ik in werkelijkheid was.
Wil men weten, waarin dan toch al dat dwaze, zotte etc. van het huwelijk bestaat, dan kan men dat weer het duidelijkst geformuleerd vernemen van de grappenmakers, die zich niet ophouden met zwaar-op-de-handsche vertoogen, maar op smakelijke wijze toebereid en ook voor de zwakste magen licht-verteerbaar geestelijk voedsel verstrekken. Doen wij maar weer een greep.
--Droeg hij zijn ongeluk als een man?--Ja, hij gaf van alles de schuld aan zijn vrouw.
Dame tot zeekapitein: Aardig toch, dat haast alle schepen vrouwennamen hebben. Waarom zou dat toch wezen?--Ik denk, mevrouw, omdat het optuigen zooveel kost.
In welke verbinding vroeg de professor in de scheikunde op het examen lost goud het snelst op?--In het huwelijk, antwoordde de voor zijn jaren en ondanks zijn geleerde studiën al bijzonder verstandige student.
Zelfs, neen vooral uit kindermonden kan men kennis en begrip omtrent huwelijks-lief en -leed--vooral van het laatste--opdoen. Hoor maar: Kom hier, Jan, moeder en ik zijn het erover eens, dat je 'n flink pak slaag verdient.--Ja, dat is het eenige waarover u en moeder het altijd eens zijn. En dan dit stukje tafelkout tusschen moeder en achtjarig dochtertje, in het bijzijn van papa: Mama, de dame, die mij elken middag in het park brood laat geven aan de zwaantjes, is die niet even goed getrouwd als u?--Dat zal wel kind.--Maar waarom komt er dan nooit bij haar een officier op de bank zitten zooals bij u?
Zijn, naar men ons wil doen gelooven, de verschrikkingen van den huwelijksstaat al zoo gruwelijk en bar, nog erger is het gesteld bij een tweede of nog verder huwelijk. Ongelukkig degene, zoo klinkt de plechtige waarschuwing reeds uit de grijze oudheid ons toe, bij monde van den dichter Eubulides, de leermeester van Demosthenes en zoo bekwaam, dat hij dezen de letter r kon leeren uitspreken--driewerf ongelukkig degene die voor de tweede maal trouwt. Dengeen die voor het eerst trouwt, treft geen verwijt. Hij weet nog niet waaraan hij zich blootstelt. Maar hij die voor de tweede maal een vrouw neemt, weet bij ondervinding welk een afschuwelijke plaag zulk een schepsel is. Dat wetende begeeft hij zich nogmaals in dezelfde ellende. Neen, voor zulk een dwaas zijn geen verzachtende omstandigheden te pleiten en hij heeft al wat hem onvermijdelijk overkomen zal volop verdiend.
Volgens Antonius de La Salle is een huwelijk met een vrouw, die al eenmaal gehuwd is geweest maar weduwe is geworden, het vreeselijkste, wat op huwelijksgebied den man overkomen kan. "Als een jong, onbedorven jonkman, een weduwe trouwt, dan is het met zijn geluk op aarde gedaan; zijn leven zal nog slechts een ondragelijke kwelling zijn, waaronder hij ten slotte zal bezwijken. De weduwe heeft bij haar eerste man de noodige ondervinding opgedaan om den tweede te drillen en van den eersten dag af zal haar eenig streven zijn haar man onder den duim te krijgen. Toegeeflijkheid maakt haar nog heerschzuchtiger, verzet staalt haar strijdlust en vuurt die aan--de arme jonge man moet zwichten of bezwijken--tegen haar taaie volharding, die den strijd nooit opgeeft, zal hij op den duur niet bestand zijn, te minder wijl zij reeds een leerschool doorloopen heeft en hij nog onnoozel en onwetend is.
Bij dezen stand van zaken schijnt het meer dan raadselachtig, dat er nog altijd dag aan dag huwelijken gesloten worden, evenals het raadselachtig schijnt dat niet alle huwelijken op een goeden dag maar kort en goed worden ontbonden. Maar, wat in het huwelijksgedoe het waarschijnlijkst lijkt, gebeurt juist andersom. Het huwelijkscijfer neemt eer toe dan af, en wat ontbinding van den huwelijksband betreft, doet zich nog het extra onbegrijpelijke verschijnsel voor, dat als een der partijen den weg opgaat van alle vleesch, de overblijvende weduwnaar of weduwe een groot vertoon maakt van rouw en diepe droefenis. Maar de grappenmakers zijn er dan weer als de kippen bij om in zulke gevallen de echtheid van die droefheid in verdenking te brengen. Zij herinneren dan oogenblikkelijk aan antwoorden als dat wat iemand kreeg die een troostelooze weduwe trachtte te troosten: Ach, zuchtte zij, alleen de hoop op een spoedig wederzien hiernamaals houdt mij in het leven.--En zij verwijzen naar wijze spreuken als deze: Wat menige weduwe het diepst betreurt is minder dat zij haar man verloor, dan dat ze hem telaat verloor. Of als deze: Hevig weenende weeuwtjes nemen het eerst een anderen man--nat weer is het best om over te planten. Of wie liever in dichtmaat geïnformeerd wil zijn, duwt men deze diepzinnige regelen van den ouden Lafontaine onder den neus:
La perte d'un époux ne va point sans soupirs; On fait beaucoup de bruit, et puis on se console. Sur les ailes du Temps la tristesse s'envole; Le Temps ramène les plaisirs. Entre la veuve d'une année Et la veuve d'une journée, La difference est grande; on ne croirait jamais Que ce fût la même personne; L'une fait fuir les gens et l'autre a mille attraits: Aux soupirs, vrais ou faux, celle-là s'abandonne; C'est toujours même note et pareil entretien; On dit: qu'on est inconsolable; On le dit, mais il n'en est rien.
Maar, we hebben het over het huwelijk en niet over wat na het huwelijk gebeurt. Geven wij dus nog even het woord aan een paar meer philosophisch aangelegde grappenmakers.
"Ik wil wel eens wat van het huwelijk zeggen, aldus een Fransch schrijver der 18e eeuw, Ch. Rivière-Dufresny (in: Petit voyage dans le grand monde) maar het blijkt heel moeilijk dat te doen op een wijze die iedereen naar den zin is. Degenen, die in het huwelijk minder aangename ervaringen hebben opgedaan of er geen belang in stellen, zullen verrukt zijn als ik er een beetje den spot mee drijf, maar de wittebroods-echtgenoot zal me medelijdend ter zijde leggen en meewarig uitroepen: Och arme man, als je in mijn plaats was, zou je zulken onzin niet uitkramen. Houd ik een ernstig betoog over de narigheden van het huwelijksleven, dan beschuldigen alle trouwlustigen mij, dat het er mij om te doen is hun den eenigen hemel op aarde tegen te maken. Welken toon moet ik dan toch aanslaan, op welke manier moet ik over het huwelijk schrijven? Ik ben er verlegen mee.
Ik zal maar den stijl van een reisverhaal kiezen, en dan constateer ik om te beginnen, dat het huwelijk een land is dat alle andere landen bevolkt. De burgerij is er vruchtbaarder dan de adel; dat komt wellicht daar van daan, dat de groote heeren zich liever bij hun buren amuseeren dan thuis. Het huwelijk maakt iemand in den regel een ander mensch,--neen wacht nog even met uw bijval, huwelijksvereerders, ik bedoel dat zoo: het huwelijk maakt vaak van een vroolijk, geestig man een botterik, van een verliefde een beul, en zoo voort. Soms ziet men ook het omgekeerde, soms wordt een beul als hij trouwt een zachtmoedig schaap, en van een ezel weet een vrouw met wat geest bijna een dragelijk mensch te maken.
Waarom trouwen de menschen? Om verschillende redenen; de een uit hartstocht, de ander uit overleg en berekening; deze trouwt zonder te weten wat hij doet, gene omdat hij niet meer weet wat te doen. Dan zijn er ook heel wat mannen voor wien de trouwerij een afleiding en een verzetje is, zooveel als een geneesmiddel tegen de verveling; eerst houdt de keus van een vrouw ze bezig en schenkt ze wat afleiding; dan komen de bezoeken, de onderhandelingen, de feestelijkheden en de plechtigheden; maar na de laatste plechtigheid is de aardigheid er volkomen af en vervelen ze zich nog erger dan tevoren.
Huwelijksland heeft nog dit eigenaardige dat de vreemdelingen er met alle geweld heen willen, terwijl de bewoners snakken de grens over te komen. Men kan er ook over de grens worden gezet--dat heet dan echtscheiding. Maar de natuurlijke weg om er uit te komen is het weduwschap. Bij de echtscheidingsverbanning uit het Huwelijksland krijgt gewoonlijk de vrouw de schuld, maar dikwijls is het de schuld van den man dat de vrouw schuld heeft, zoodat hij dan ook in zoo'n geval zeer terecht achter zijn rug nog uitgelachen wordt ook".
George Sand zegt (in: Jacques): Het huwelijk is, volgens mij, een der meest barbaarsche instellingen. Ik twijfel er niet aan, dat het zal worden afgeschaft, zoodra het menschdom een weinig verder gevorderd is op den weg van gerechtigheid en redelijkheid; en dat er voor in de plaats zal komen een band die menschelijker is en even sterk, zoodat er kinderen kunnen geboren worden zonder een menschenpaar voor het leven aan elkander vast te ketenen. Maar de mannen zijn nog te lomp en de vrouwen te laf om het juk af te werpen--voor een troep wezens, waarvan de eene helft gewetenloos en de andere helft karakterloos is, zijn nu eenmaal zware ketens noodig.
En in hetzelfde werk legt ze Jacques de volgende woorden tot zijn geliefde in den mond:--Als we gaan trouwen zal men je een eed in den mond leggen, waarmee je zweert dat je nooit een ander zult liefhebben dan mij en dat je mij in alles gehoorzaam zult zijn. Het eene is een ongerijmdheid en het andere een laagheid.--Waarom moeten we dan trouwen?--Omdat de tirannie van de maatschappij ons geen anderen weg openlaat elkander te bezitten.
Volgens sommigen heeft iedere vrouw, die een man het leven wil redden, daarvoor alleen maar ongetrouwd te blijven.
Alles bij elkaar genomen mogen wij het wel voor een uitgemaakte zaak houden, dat trouwen een zeer dom en onnoozel ding is en dat er maar een ding ter wereld nog dommer is, en dat is: ongetrouwd te blijven.