Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven
Part 10
Men is om toch maar aan een toonbare verklaring te komen, zelfs gaan wroeten in allerlei allang overleden talen. En de Duitsche taalgeleerde Erckhoff heeft uit het Keltisch het woord bach te voorschijn gehaald, en dit tot den oorsprong van het woord bakvisch verklaard. Dat bach beduidt jong en ook klein en wordt als voorvoegsel van allerlei andere woorden gehecht; bakvisch zou volgens die afleiding weer neerkomen op jonge visch.
Verrukkelijk poëtisch zijn de naieve, dikwijls met bijgeloof vermengde middeltjes waarmee verliefde bakvischjes het raadsel of hij haar bemint tot oplossing en klaarheid trachten te brengen. Knoopen aftellen, madeliefjes uitpluizen, wat niet al. En dat acht geven op de teekens van verliefdheid. Draagt hij de heele week de das, die zij Zondags zoo mooi vond, dan heeft zij zekerheid. Als hij al de eigenschappen zegt te vereeren, die zij zegt te bezitten, dan wordt de zekerheid nog grooter. Zet hij in haar aanwezigheid herhaaldelijk zijn denkbeelden over vrijen en trouwen uiteen, met de stellige verklaring dat hij nooit trouwt, onderwijl oplettend welk effect dat op haar heeft, dan weet zij dat een aanzoek aanstaande is. Zoo is er in de wereld der verliefden een ingewikkeld systeem van zwijgend spreken, van gedachtenlezen, telepathie, gebarentaal, heel een occulte wetenschap van teekensuitlegging, van schijnbeelden die werkelijkheid zijn en werkelijkheden die droombeelden schijnen, kortom van allerlei geheimzinnigs. En dat alles omdat de eene partij schuw is te vragen voor hij eenig houvast heeft omtrent het antwoord, en omdat de andere partij haar ongeduld moet maar niet kan bedwingen om te weten of zij zal worden gevraagd. In beide gevallen de eigenliefde in strijd met de liefde en besluiteloos wat te doen en daarom maar dwaas doend.
De liefde is behalve poëtisch, ook rechtvaardig. Wie denkt dat het minnen alleen is weggelegd voor de mooie meisjes en de knappe jonkmans, heeft het precies mis. Er is geen potje zoo leelijk of het vindt z'n dekseltje wel. Als er geen invloeden, aan het minnen van nature vreemd, in het spel komen, schikt zich dat van zelf. Met een verwonderlijke, automatische regelmaat schikt ten deze soort zich bij soort. Niemand, in hoe sterke mate ook wat men noemt leelijk, hoeft in Liefdeland te wanhopen. Er is kans voor ieder en hoop voor allen. Dat weten de minder en heelemaal niet mooien trouwens zeer wel, vandaar dat men nooit hoort dat er zich een om reden van lichamelijke leelijkheid verdaan heeft. Er zijn zelfs wel, die blij zijn leelijk te zijn, daar leelijk te leven zooveel makkelijker is dan mooi te leven. Eén zoo'n leelijke jonge dame is daarover zelfs aan het schrijven gegaan en heeft medegedeeld, met de noodige schimpscheuten aan het adres van zusters, die in het tegenovergestelde geval verkeeren, waarom ze blij is dat ze leelijk is. Zij met haar kleur van een smeerkaars hoeft zich niet te bekommeren over haar teint; hoeft nooit bang te zijn te eeniger tijd te zullen hooren: zeg, die is er ook niet mooier op geworden; is ontheven van de beslommeringen van poederkwast en handspiegel, van de manipulaties met cold cream, haarkleursel, stijve handschoenen, te nauw schoeisel, kinbanden; zij behoeft niemand te beliegen inzake haar leeftijd, geen Marie Antoinette-houding te cultiveeren, geen magere kost te eten uit vrees voor vetaanzetting; en geen harer getrouwde vriendinnen behoeft benauwd te zijn dat zij gevaarlijk zou kunnen worden voor manliefs dierbare zielsrust. Zij heeft dus minder ongemakken en minder vijandinnen. Zij die hiervan niets begrijpen, weten blijkbaar niet welke zware zorgen mooi-zijn baart. De leelijke komt niet in de tragische positie van den ezel, die rondom zich hoopen hooi vond en toen van honger omviel vóór hij tot een besluit had kunnen komen welken hoop hij zou opeten.
Zoo heerscht er dan in het rijk der minnende zielen geluk en tevredenheid, waarvan de spotters, omdat er niets te spotten valt, maar karikaturen maken. Wat hun zaak is, en wat geen enkel paar ooit weerhouden heeft noch ooit weerhouden zal, zich onder Amor's leiding met volle teugen te laven aan de eeuwige bronnen van Venus en Priapus.
VIII.
HUWELIJKSVREUGDEN.
Het huwelijksgeluk is als een porceleinen vaas op den neus van een dronken mandarijn die niest--aldus een spreekwoord der Chineezen!
Het huwelijk is een zotternij die men met z'n tweeën begaat en met z'n drieën of meer moet boeten--zegt Shakespeare.
In den geest dezer uitspraken van een groot volk en een groot man gaat het maar door, alle tijden en alle literaturen door. Als de mannen over het huwelijk gaan spreken of schrijven dan hoort men niet anders dan wanhoopskreten.
Ik heb in mijn leven met drie groote plagen te kampen gehad, zegt Socrates: de spraakkunst, de armoede en een vrouw. De eerste ben ik te boven gekomen door studie en de tweede door gewoonte, maar het huwelijk heeft me tot dezen dag toe belet mij te bevrijden van de derde.
Het huwelijk, klaagt Philemon, is een gevangenis, waaraan niets moois is dan de poort door welke men naar binnen gaat.
Uit zulke klaagliederen, indien ze meer zijn dan dichterlijke ontboezemingen, blijkt vooral dit duidelijk: dat de vrouw de kunst verstaat haar rechten te handhaven. Een aanzienlijk percentage van al dat huwelijkswee bestaat uit teleurstelling en gekwetste majesteit van den man, die wel in theorie de vrouw tot een ondergeschikt minderwaardig wezen kan degradeeren, maar in de practijk maar al te vaak haar mindere blijkt.
Trouwlustige jongelui deden Socrates denken aan visschen die dartelen vóór het net van den visscherman. Men dringt en verdringt elkaar om er bij te komen, en de ongelukkigen die er in raken spannen zich vruchteloos in om er weer uit te komen.
Eigenaardig is bij dit alles, dat vrouwen zich lang niet zoo ongunstig over het huwelijk uitlaten, noch over de mannen, als de mannen dat doen over het huwelijk, of over de vrouwen, of over beide.
O vrouwen,--exclameert Philemon in een vertwijfeling, die geen hoogen dunk geeft van zijn tact in den omgang met vrouwen noch van zijn geluk bij de zwakke en schoone sexe,--het is beter u naar het graf te leiden dan naar het altaar. Zulk een koddig vertoon van sexueele wanhoop roept onwillekeurig de vos in herinnering, die de onbereikbare druiven te zuur vond.
Pythagoras antwoordde degenen, die hem vroegen hoe hij zijn dochter ten huwelijk had kunnen geven aan een van zijn grootste vijanden: Ik was er van overtuigd, dat ik hem met geen mogelijkheid beter kon treffen en hem meer verdriet kon aandoen en narigheden berokkenen, dan door hem te laten trouwen. Want iets ergers is er niet op de wereld.
Van het huwelijk weet men alleen kwaad te zeggen. Een der tallooze beschuldigingen, die men het ten laste legt is deze, dat het huwelijk kort en goed liefde buitensluit. Op de vraag: Kan tusschen getrouwde menschen ware liefde bestaan? luidde in 1174 het antwoord van een minnehof, bij monde van de comtesse de Champagne gegeven, als volgt:
Wij verklaren en verzekeren, dat de ware liefde tusschen twee personen, die door het huwelijk verbonden zijn, niet tot haar recht kan komen. Want zij die minnen behooren elkander toe uit vrijen wil en om niet, uit eigen innerlijken aandrang, maar in het huwelijk is dat alles een verplichting, daar moet men, daar heeft men zich bij contract verbonden elkander niets te weigeren.
In zijn "Lof der Zotheid" verkondigt Erasmus de meening, dat in het huwelijk en bij alle verhoudingen tusschen man en vrouw de zotheid voorzit. "De zotheid zit voor bij het huwelijk. Het huwelijk, naar ge wellicht maar al te goed weet, is een verbintenis die alleen ontbonden kan worden door den dood. Groote Goden!.... wat zouden er weinig huwelijken worden gesloten, als de minnaar zoo verstandig was van te voren eens na te gaan wat zijn schatje, dat zoo lief schijnt, zoo zacht, zoo onschuldig, eigenlijk voor een schepseltje is". Maar, zoo ongeveer gaat Erasmus voort, men is te verblind en te zot om dat te doen en alleen door die zotheid komen er huwelijken en blijven de eenmaal gesloten huwelijken voor beiden een verbintenis voor het leven. "De Zotheid gaf Jupiter den volgenden raad: "Heer, geef den man een vrouw. De vrouw is een onhandelbaar en zot soort dier, ik geef het volmondig toe; maar ze lijkt zacht en lief en beminnelijk". Jupiter deed aldus. Het is dus de Zotheid die mannen en vrouwen tot elkander heeft gebracht".
Mahieu, een Fransch dichter uit de 13e eeuw, meer bekend onder den naam Mathéolus le Bigame, heeft in een bijtend-sarcastisch gedicht van circa vijfhonderd regels met het huwelijk afgerekend. Gezegde dichter was tweemalen getrouwd geweest en hij betitelt zichzelf bij wijze van zelfkastijding voor zijn domheid met velerlei scheldnamen. Zijn eerste vrouw vergelijkt hij bij de Scylla, men begrijpt dus dat de tweede zijn Charybdus was. Het huwelijk zelf komt er natuurlijk niet genadiger af. Onder meer noemt hij het een vagevuur voor het zondige vleesch, een martelaarschap enz. Ten slotte verschijnt hem God de Heer en openbaart hem de goddelijke bedoelingen met het huwelijk: Om de zondaars (blijkbaar alleen de mannelijke!) te verbeteren was een enkel vagevuur niet voldoende, er moesten er meer zijn en het huwelijk is daar een van. En wie tweemaal gehuwd was, dien wacht in het paradijs dubbele heerlijkheid, als een die veel heeft geleden.
De anonieme wijsheid der naamlooze menigte, neergelegd in spreuken en spreekwoorden, ziet het huwelijk en de vrouwen al precies zoo als de groote denkers ze zeggen te zien. De vrouwen hooren graag goeds vertellen van de vrouwen in 't algemeen en kwaads van een vrouw in het bijzonder, vooral als die tot hare kennissen behoort.... Zegt men een vrouw dat ze een slecht karakter heeft, ze zal het spoedig kunnen vergeven en vergeten, maar zegt men haar, dat ze groote voeten heeft, ze vergeeft het nimmer.... Een vrouw geeft wel toe dat ze mooi is geweest, maar niet dat ze leelijk is.... Er groeit veel onkruid in vrouwenschoenen.... Alle meisjes zijn lief en goed--maar waar komen dan toch al die kwade wijven vandaan?.... Een vrouw kan niet dulden dat een ander kwaad spreekt van haar man, dat kan ze zelf wel af.... Even pessimistisch is dit soort volkswijsheid in haar uitspraken omtrent het huwelijk en dat men daarbij ook zin heeft voor geestigheid blijkt uit volgende proeven: Dat het huwelijksleven veel aangename zijden heeft, wie zal het ontkennen? hoogstens een getrouwd man.... Hoe verbaasd zijn vele mannen en vele vrouwen over de domheid van hun wederhelft, die ze zichzelven hebben uitgezocht.... Als een man en een vrouw trouwen gaan eindigt hun roman en begint hun geschiedenis.... Het eenige verschil dat er vaak bestaat tusschen onwettig en wettig samenleven is, dat in het eerste geval de man de vrouw heeft genomen zonder zich te bekommeren om de bruidsgift en in het tweede geval de man de bruidschat in ontvangst heeft genomen zonder zich te bekommeren om de vrouw....
Volgens de Beaumarchais is het huwelijk van alle kluchten de ernstigste; het kan echter ook zijn dat hij het zoo gezegd heeft: het huwelijk is van alle ernstige dingen het zotste. Mademoiselle de Sommerey is een der weinige schrijfsters die het opneemt voor de andere sexe. Zij beweert ergens: Vele mannen bedriegen hun vrouwen, maar bijna alle vrouwen bedriegen haar mannen en het ergst doen het de zoogenaamd onnoozelen. En elders verklaart zij: heel weinig vrouwen houden van haar man, doch er zijn maar weinig mannen die niet gehecht zijn aan hun vrouw.
Er zijn ook denkers en schrijvers geweest, die de reden van dezen eigenaardigen stand van zaken hebben trachten op te sporen en die ons de vruchten van hun zoeken gelukkig niet hebben onthouden. Louis Desnoyers vond deze oorzaak: Dat een man geen liefde meer vindt bij zijn vrouw heeft hij dikwijls alleen hieraan te danken dat hij haar man is; was hij nog alleen maar haar aanbidder, zij zou hem aanbidden. Blondel beweert: Wie zijn geliefde trouwt verandert goeden wijn in zure azijn. Adrien Dupuy komt tot deze conclusie: Lui die elkaar het vurigst bemind hebben voor hun trouwen, zijn het onverschilligst voor elkaar in het huwelijk. En weer een ander leeraart: Het huwelijk is een roman tot op de dag dat men het boek opent--de voorrede is gewoonlijk heel amusant, maar ze is altijd kort en belooft veel te veel. Behalve om geld, verklaart Romainville, wordt er ook veel getrouwd uit verveling en dat zijn in den regel nog de kwaadste huwelijken niet.
Hoe komt men er dan toch toe te trouwen, als het met het huwelijk zoo'n misère is? En wat is het dan toch voor booze geest die al die huwelijken maakt zoo als ze zijn? Ook op deze zeer redelijke vragen krijgen wij vele, en zeer scherpzinnige antwoorden, die echter het gebruikelijke gebrek hebben, dat ze ons niet veel wijzer maken. Zoo vernemen wij van P. L. Stahl: Men preekt de jongelui aanhoudend voor dat ze inzake het huwelijk hun verstand moeten gebruiken, maar als ze hun verstand gebruikten zouden ze dan trouwen? Men kiest zich geen man of vrouw, men treft elkander--drie kwart van alle huwelijken komen op rekening van het toeval.
Iets verder komen wij met het antwoord van Petit-Senn, tenminste wat de vrouw betreft. Deze, zegt hij, is het alleen te doen om wat meer vrijheid; zij haakt naar den huwelijksband, in de hoop dat die haar bevrijden zal van de menigte banden, die haar als vrij meisje binden. Met andere woorden, de vrouwen binden zich om vrij te zijn, en om te kunnen doen wat zij willen verbinden zij zich tot onderwerping.
Is het dan wonder, dat bij zulk een paradoxaal uitgangspunt het zaakje moet tegenloopen en dat het heele huwelijk volgens het woord van Commerson dikwijls niet anders is dan een onwelluidend koor van tweestemmig gekijf overdag en tweestemmig gesnork des nachts?
Weer een stapje nader tot wat helderder inzicht in deze dingen komen wij met deze uitspraak van Sharon Turner: Voor iedere vrouw is het woord echtgenoot synoniem met vijand, tiran, dwingeland, en zij behandelt haar man dienovereenkomstig. Als dit waar is, dan heeft ook Jousky gelijk, als hij zegt, dat de grootste fout van het meerendeel der mannen jegens hun vrouw deze is, dat zij haar hebben getrouwd.
Er zijn weinig vrouwen zoo volmaakt, dat zij haar man niet minstens eenmaal per dag reden geven zich te beklagen, dat hij getrouwd is en vrijgezellen te benijden. Aldus La Bruyère, die elders deze ontboezeming slaakt: Ik begrijp niet hoe een man, die zich laat beheerschen door zijn humeur, die niet de minste moeite doet om zijn gebreken te verbergen, die gierig is, zijn uiterlijk verwaarloost, niet van toegeeflijkheid weet, hatelijk is, ongezellig, koud, stroef en stom, hoe zoo'n man denkt, dat zijn jonge vrouw bestand zal zijn tegen de ondernemingen van een vurigen minnaar, die tegen haar te velde trekt met al wat een vrouwenhart en een vrouwenoog kan bekoren--uiterlijk schoon, sierlijken dos, vriendelijkheid, wellevendheid en vleierij!
Een en ander waarmee een verstandig mensch zijn voordeel kan doen, zit er ook in de volgende overweging. Er zijn op de wereld enkel maar getrouwde lieden en ongetrouwde. De eersten zijn ten opzichte van de tweeden in het defensief, want zij hebben een vrouw te verdedigen; de ongetrouwden niets hebbende te verliezen, zijn ten opzichte van de getrouwden altijd in het offensief. De getrouwde lieden vormen een afzonderlijke kaste, die men de maatschappij noemt waartoe men alleen toegang krijgt door te trouwen. De ongetrouwden vormen niets, dan alleen maar de wereld der vrijgezellen. De vrijgezellen hebben vrijen toegang bij de getrouwden, maar de getrouwden hebben geen vrijen toegang bij de vrijgezellen--deze zijn dus wel vrijer, heeten waarschijnlijk daarom juist vrijgezellen. Welke fatsoenlijke vrouw gaat op bezoek bij een vrijgezel? Maar er is meer. De getrouwden worden aangemerkt als serieuze menschen, de vrijgezellen daarentegen verdenkt men van alle mogelijke lichtzinnigheden. Er is geen instelling die zoo bespot wordt en toch zoo in eere is als het huwelijk. Het is een heilige instelling! roept de gehuwde, en hij heeft ergens in de stad in een stille straat zijn maîtresse. Alle nette menschen trouwen te eeniger tijd en alle menschen drijven den spot met het huwelijk, zoowel de getrouwden als de vrijgezellen. Volgens sommigen is het met het huwelijk als met het leger: niemand is er van vrijgesteld, maar geen sterveling hoeft er zijn leven in te slijten. Men wil elkaar grondig leeren kennen vóór het huwelijk; dat blijkt ondoenlijk, men geeft het op, en hoopt elkaar grondig te leeren kennen nà het huwelijk; ook dat blijkt onmogelijk--de een heeft voor den ander geheimen, houdt dit verborgen, verzwijgt dat..... en de wereld vervolgt haar loop. Resumé: het is goed te trouwen en het is wijs er niet aan te beginnen.
Er zijn toch ook nog vrouwen, die niet zoo heel erg met het huwelijk zijn ingenomen. Lady Blessington oordeelt er over als volgt: Hoeveel lieden ontmoet men niet elken dag, die wel vereenigd leven naar het lichaam, maar hopeloos gescheiden naar den geest! Welk een monsterachtige vereeniging is dat dan niet, en hoezeer zijn degenen, die zoo zijn verbonden, te beklagen. In vroeger tijd bond men een vermoorde wel vast aan zijn moordenaar. Maar dat was minder wreedaardig, alleen hierom reeds, wijl er slechts één was, die deze duivelachtige kwelling had te verduren, terwijl in het huwelijk er twee hetzelfde lijden hebben te dragen.
Het is een zeer zeldzaam verschijnsel, zegt Mademoiselle de Sommery, een vrouw, die werkelijk het geluk uitmaakt van haar man. Weinig vrouwen houden van haar man, en de meeste mannen hebben te veel dingen aan het hoofd om zich veel te bekommeren om hun vrouw.
De vrouwen, meent Madame Romieu, vinden maar heel zelden haar geluk in het huwelijk en elders haar geluk te zoeken is haar verboden. Het huwelijk zet haar tusschen twee of meer afgronden.
"De eeuwen door, zegt Madame de Casamajor (in: Pathologie du Mariage) is het huwelijk het onderwerp en het thema geweest van tallooze sprookjes, novellen, vertellingen, romans, van kluchten, blijspelen, drama's en zelfs van wijsgeerige verhandelingen. Van dat alles zou men een heele bibliotheek kunnen vormen. En de stekelige opmerkingen en schimpscheuten, de aphorismen en paradoxen, die tegen het huwelijk zijn uitgedacht, vormen een arsenaal vol projectielen.
En dat huwelijk, zoo aanhoudend van alle kanten aangevallen, staat nog altijd ongeschokt overeind. Dat bewijst de levenskracht van die instelling. Maar die onophoudelijke aanvallen bewijzen ook, dat het geen volmaakte instelling is.
En op welke gronden, om welke redenen valt men het huwelijk zoo aan? Om tallooze redenen. Een daarvan is deze: De vrouw is den man gehoorzaamheid schuldig. Waarom?
De soldaat gehoorzaamt den korporaal, de korporaal den sergeant, de sergeant den officier, en zoo voort, wijl ieder in den hoogeren graad een aannemelijke reden vindt voor zijn gehoorzaamheid.
De klerk gehoorzaamt den chef, omdat deze een functie bekleedt, die grooter bekwaamheid veronderstelt.
De leerling gehoorzaamt den onderwijzer, omdat de onderwijzer weet wat den leerling onbekend is.
De zoon gehoorzaamt den vader, om gelijksoortige redenen.
Maar waarom moet de vrouw den man gehoorzaam zijn? Is zij bij geval de mindere in rang, en hij de meerdere? Heeft hij bekwaamheden, die zij niet bezit? Weet hij meer dan zij? Staat hij in een of ander opzicht boven haar?
En nog iets. Iedere soldaat kan korporaal, sergeant enz. worden. Een klerk kan opklimmen tot chef, de leerling wordt zelf meester, en de zoon wordt op zijn beurt vader. Niets belet hem, die eerst gehoorzaamd heeft, naderhand zelf te bevelen. Maar de vrouw kan nooit een hoogeren rang bereiken. Zij moet altijd blijven gehoorzamen.
Waarom? Er is daarvoor maar één reden te geven: de man is de sterkste en hij heeft de wetten gemaakt.
De vrouw wordt voor haar gehoorzaamheid beloond met bescherming door haar man... naar letter en geest van de wet. Maar in onzen beschaafden tijd wordt de vrouw nog maar door één enkele geslagen en dat is door haar wettelijken beschermer!...."
Voor een goed huwelijk, meent Alphonse le Sage, moet de man stom zijn en de vrouw blind. Huwelijken, zoo zucht weer een ander, worden in den hemel gesloten, dat is mogelijk, maar dat bewijst dan alleen, dat men ook in den hemel knoeien kan en vlug maar slecht weet te werken. Christus is voor zijn kerk maar eenmaal gestorven, maar wij getrouwde mannen doen het elken dag weer voor onze vrouwen.
Zoekt ge een vrouw? vraagt Thomas Morus. Dan zijt ge in den toestand van iemand, die een greep moet doen in een zak met slangen, waaronder zich één aal bevindt. Wilt ge den greep wagen? Zeker, het is niet onmogelijk dat ge de aal te pakken krijgt, maar ge begrijpt dat ge honderd-, ja duizendmaal zult misgrijpen en telkens uw hand terugtrekken met een nieuwe wonde.
De eerste de beste vrouw, zeide paus Sixtus V, die haar man nooit reden heeft gegeven tot klagen, zal ik canoniseeren.
Het is bij vrouwen, die al eenigen tijd getrouwd zijn bijna regel, naar Michel de l'Hospital de schoone sexe verwijt, dat ze thuis en voor haar man zich heel weinig bekommeren om haar uiterlijk voorkomen. Bijna geen spoor van vrouwelijke ijdelheid is meer bij haar te ontdekken--zij verwaarloozen zichzelf. (Fig. 195). Dat is dan een teeken dat ze zich ook weinig meer bekommeren om haar man. Laat zulk een vrouw eens bezoek zijn te wachten of bezoek hebben af te leggen, een bal of andere feestelijkheid willen bijwonen--onmiddellijk keert de zorg voor het uiterlijk voorkomen terug, onmiddellijk is ze weer het ijdele pronkzieke wezentje van vroeger, dat geheel in het verzorgen van haar uiterlijk opgaat en alles doet wat in haar macht is om er goed uit te zien. De sieraden komen weer voor den dag, het kleed wordt met de meeste zorg gekozen, enz. enz. De reden daarvan? De bewondering van haar man is haar onverschillig geworden, streelt haar ijdelheid niet meer, maar de bewondering van anderen, van vreemden of bekenden, is nog streelend voor haar. Hoe ze zich thuis ook verwaarloost, waar vergelijking met andere te wachten staat, daar wil ze niet achterstaan, maar uitblinken en schitteren.
Als humoristen, die ernstig genomen willen worden, zoo over het huwelijk denken, dan is het geen wonder, dat de eigenlijke grappenmakers, als zij over deze interessantste aller menschelijke instellingen loskomen, het dikwijls gewoon-weg bar maken en een beeld geven van het huwelijk, dat de meest trouwlustigen zeker zou afschrikken, als de menschen in dit opzicht nog voor rede en redelijkheid, voor inkeer en beterschap, vatbaar waren. En de verstandige menschen--wier aantal naar met reden mag worden gevreesd altijd nog één minder bedraagt dan het laagst denkbare minimum dat de wijsgeeren plegen te stellen--moeten daarbij wel onwillekeurig de verzuchting slaken, dat het huwelijk toch wel een komische zaak moet zijn, dat de grappenmakers er zoo onnoemelijk veel grappen uit weten te halen.
Dat lieve leventje begint al minstens bij Erasmus en Rabelais. De laatstgenoemde vertelt ons van zijn held Gargantua. Deze verloor zijn vrouw, toen ze beviel van Pantagruel. En om nu te laten uitkomen, dat Gargantua al net over het huwelijk dacht als andere getrouwde mannen, stelt hij het zoo voor, dat gezegde Gargantua in de verbouwereerdheid over die tegelijkertijd intredende positie van weduwnaar en vaderschap in de war raakte of hij voor zijn fatsoen nu bedroefd moest zijn over het verlies van zijn vrouw of verheugd over de geboorte van zijn zoon. Hij verloor zoo geheel en al zijn hoofd te midden van al die drukte dat hij zich vergiste en zich verblijdde over den dood van zijn vrouw en weeklaagde over de geboorte van zijn zoon.