Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
DE SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD
DOOR
D. Ph. VAN VLOTEN ELDERINCK.
MET 212 AFBEELDINGEN IN DEN TEKST EN 40 LOSSE PLATEN.
DE HUMOR IN HET GESLACHTSLEVEN.
GEBR. GRAAUW.
AMSTERDAM--HAARLEM--WELTEVREDEN.
Was ist der Kern der Mannesliebe? Die Sinnlichkeit. Und letzter Grund der Weibertriebe? Die Eitelkeit.
LESSING.
I.
EROTISCHE HUMOR EN EROTISCHE LYRIEK.
Het liefdeleven van den mensch wekt volstrekt niet alleen naar verheven gedachten, dichterlijke stemmingen, romantische mijmeringen en wat dies meer zij. Het is ook een onuitputtelijke bron van humor. Behalve jubelende hoogliederen en dwepend gedroom inspireert het ook spotzucht, die met al dat mooie, schoone en liefelijke den draak steekt en het heele geslachtsleven stempelt tot een mengsel van dwaasheid en onzin, een grappig kluchtspel vol vermakelijke zotheid en komische domheden. En ook inspireert het geslachtsleven hekelende, schimpende satire en hoonend, verguizend sarcasme. Voor den een vol verheven tragiek, is het voor den ander een blijspel.
En niemand heeft hier ongelijk. Met dit voorbehoud, dat de komische, spotlustige opvatting van het zoet geheim van het minnen ons dichter brengt bij de meest gewone dagelijksche werkelijkheid, dus bij het tastbare en concrete, dan de nevelig-onbestemde lofzangen van verheven dichterzielen dat doen. Laten we zeggen, dat de eerste den regel weergeeft en dat die anderen zich verdiepen in de uitzonderingen. Beide overdrijven--de erotische lyriek overdrijft de denkbeeldige grootschheid, de erotische humor vergroot de wezenlijke kleinheid van het geslachtsleven.
De romantici en de dichters verdiepen zich bovendien vaker in de scheppingen hunner eigen phantasie, dan dat ze ons werkelijk bestaande uitzonderingen doen kennen. Daarentegen geven de erotische humoristen in woord en beeld--waartoe 99 procent van het menschelijk geslacht behoort--ons de dagelijksche, overal om ons heen waar te nemen werkelijkheid te zien. Wat zij ons voorhouden is concreet leven, zij het veelal in groteske overdrijving. De erotische humor geeft met scherpziende oogen acht op 's menschen zwakheden in zijn sexueel leven, en geeft die ter tuchtiging over aan de onbarmhartigste van alle rechters--de lachers. De erotische humor werkt niet met de loftrompet, maar met de roskam.
Het liefdeleven heeft, wie zal het ontkennen, voor het kritisch oog meer komische kanten dan zulke, die "verheven" aandoen. Als regel althans. Liefde is ten slotte bezwijken voor den drang der natuur, die wil dat de sexen tot elkander komen en die hen daartoe verlokt en omkoopt met genot. Wie liefheeft zoekt, bewust of onbewust, dat genot en met genot is het komische, vroolijke en humoristische van nature nauwer verwant en meer vereenigbaar dan het poëtisch verhevene, welks wezen bestaat in het tragische en huiveringwekkende. En komisch is allereerst de naïeviteit, waarmee de mensch daarbij zichzelf om den tuin leidt. Terwijl toch het oppervlakkigste zelfonderzoek den verliefden mensch in een ommezien zou leeren, wat de ondergrond is van zijn hartstocht en waar het op uit zal loopen, doet hij daarbij toch gaarne quasi-gewichtig, of hult zich met zorg in een wolk van hoogdravende poëzie. Ieder, die met kritisch oog verliefden gadeslaat, moet hen wel dwaas vinden. Hij ziet in het heele dartele spel der vrijage een tactische kunst--zooals prof. Van der Vlugt ("Gids" 1895) het noemt--met duizend regelen en conventiën, met voorpostenschermutselingen, loopgraven en tegen-mijnen, een komische strijd van bedekte aanvallen, waarbij de partij die schijnbaar aanvalt eigenlijk reeds volkomen een krijgsgevangene is van de partij, die zich schijnbaar tegen den aanvaller te weer stelt. En verliefden zien ook zeer wel de dwaasheden van andere verliefden. Alleen voor eigen dwaasheid hebben zij geen oog.
De afstand tusschen de verhevenste liefde en het belachelijke is maar een stap. De gedachte aan het onvermijdelijk slot van het zoo hooggestemde lied, moet wel een glimlach op de lippen brengen, juist door de tegenstelling tusschen die ingebeelde bovenaardsche heerlijkheid en dat zoo prozaïsche besluit.
Het komische van het liefdeleven ligt in zijn eeuwige tegenstelling tusschen schijn en wezen. Liefde schijnt alles te schuwen wat naar waarheid en echtheid zweemt.
In de liefde is ieder mensch van nature komediant. Een verliefd mensch is altijd in nagenoeg elk opzicht onwaar. Hij verbergt gebreken, veinst deugden, slooft zich af om een gunstige meening omtrent zich te vestigen, en begaat daarbij tallooze domheden en onhandigheden. Want hoewel van nature in de liefde komediant, is hij er toch maar een van den tienden rang. Zoo is het bij de verliefdheid, en zoo is het in elke andere betrekking en verhouding met een sexueelen achter- of ondergrond. Het geheele geslachtsleven is een strijd van schijnbewegingen, hinderlagen en krijgslisten. Men betreedt dit gebied niet anders dan gemaskerd. Men geeft zich nagenoeg nooit zoo men is, maar men speelt een rol. Als een meisje door een jonkman wel wil worden gekust, dan ontvlucht zij hem. Dat ontvluchten is lokken. Als de vrouwen--van het jonge meisje af tot de al bejaarde dame toe--zich kleeden naar de mode, die voor haar is uitgedacht om er verleidelijk uit te zien, dan geven zij daarvoor honderden redenen op, behalve de ware. Het schijnt dat de liefde, om gelukkig te kunnen maken, een zeker beminnelijk bedrog noodig heeft, dat dan meestal voor negentig percent uit zelfbedrog bestaat. Als een paar elkander goed heeft leeren begrijpen, dan is het beiden veelal meteen duidelijk, dat er niets anders overblijft dan te scheiden. Zoozeer heeft de liefde illusies noodig. Als een man een vrouw prijst om haar schranderheid, dan is dit een bijna zeker teeken dat zij op het punt staat de door hem gewenschte domheid te begaan. In het huwelijk is doorgaans van beide partijen diegene de meerdere, die zich openlijk het minst doet gelden. De vrouw bijvoorbeeld weet den man in den regel te leiden waarheen zij wil en daarbij zich voor te doen of zij leidzaam volgt. Natuurlijk spelen in de liefde geldzaken nooit een rol; ieder trouwt alleen uit liefde, en ieder wil alleen om zich zelf worden genomen, en dan liefst door een millionair of een millionairsdochter.
In de liefde is ieder zwak en dom, maar toch wil hij sterk en verstandig schijnen. Daaruit vloeit een oneindigheid van komische situaties voort. En door niets in kunst of literatuur worden deze zoo scherp en drastisch, zoo zonder genade, blootgelegd als door de karikatuur en in de komisch-erotische literatuur. Zij leeren ons de tallooze belachelijke zijden der onderdanen van koning Cupido kennen en zij toonen ons, onbarmhartig maar waar, elk dier onderdanen in zijn bijzondere belachelijkheid. Als zoodanig zijn zij bijna te beschouwen als een noodzakelijk, een gezond tegenwicht tegen de te sentimenteel-romantische opvatting van het sexueele leven. Zij bewaren er de menschheid voor het zelfbedrog te ver te voeren, drukken haar met lachend gezicht, maar niettemin met ijzeren hand, van tijd tot tijd eens met den neus op de werkelijkheid neer. Dat zij daarbij ook wel overdrijven is hun goed, artistiek recht. Zij beletten de menschen daardoor geestelijk om te komen in onwezenlijkheid en zich ten slotte te gaan verbeelden, dat al die buitensporige bovenaardschheid der liefde echt en wezenlijk is, dat b.v. elke verliefde een soort heilige zou zijn en al zulke dingen meer. De echte poëzie, die er in de liefde kan zijn, loopt daardoor geen gevaar--de spotters kunnen niet de illusie verstoren, maar slechts den schijn der illusie.
De hyperdichterlijke en de kluchtig-prozaïsche opvatting der liefde houden de algemeene voorstellingen omtrent het liefdeleven eenigszins in evenwicht. De eerste heft die voorstelling op de duizelingwekkende hoogten van het abstract-schoone, de laatste haalt ze uit de wolken weer naar den beganen grond van het plat-concrete. Tezamen geven zij het liefdeleven te zien in zijn beide eindpunten, waar man en vrouw eenerzijds stralen in übermenschelijke heerlijkheid, anderzijds rondwriemelen in moraallooze genotzucht. Beide eindpunten zijn daarbij op te vatten als de uitzonderingen in het liefdeleven. Gaande van het eene eindpunt in de richting van het andere ontmoet men halverwege den norm, het gewone, de alledaagsche werkelijkheid, die evenver verwijderd is van de glanzende bergtoppen van het verheven schoone als van de duistere holen van het louter-liederlijke, evenver van den Olympus met zijn wonderen als van het bordeel met zijn uitvaagsel.
Tusschen de poëtische en de humoristische opvatting van het leven der sexen bestaat dit verschil, dat de laatste maar een greep behoeft te doen in het werkelijke leven, volgens het recept vervat in den uitval van het "lustige personage" uit Goethe's Faust:
Greift nur hinein in's volle Menscheleben! Ein jeder lebt's, nicht vielen ist's bekannt, Und wo ihr's packt, da ist's interessant.
De dichterlijke opvatting heeft daarentegen weinig meer tot haar beschikking dan hoogdravende beeldspraak. In de verbeeldingswereld die zij schept, raakt zij zelf, de gids en voorlichtster, meestal dadelijk het spoor bijster en doolt dan zoekend en vragend naar den rechten weg hulpeloos rond. Een typisch voorbeeld daarvan is F. H. van Leent's variant op Van Beers' lofzang op Het Licht:
Liefde! Wat zijt gij? Hoogten der Hemelen, Diepten der zeeën, Antwoordt mij--antwoordt mij-- En gij, o mijn ziel, Zeg mij: Wat is Liefde?
De donder woedde--de storm is voorbij! 't Azuur des hemels tintelt weer Door gouden stralen besprankeld! Schitterend rijst de zon in het Oost, En in de hoogten der Hemelen, En in de diepten der zeeën Weerklinkt de blijde lofzang der Schepping. Ook in den zang van den Vlasvink Ruischt het: o Zeg het mij, o zeg het mij: Wat is Liefde?
De dag heeft zijn taak volbracht, En een lieflijk schemerduister heerscht; De vogelen dekken zich met hunne vleugelen; De bloemen sluiten zich en geuren niet meer; Ook het moede menschenkind Vlijt zich neder en slaapt.... Zij komt! Zij komt!--de Godin der nacht Betreedt haar rijksgebied Millioenen Engelenoogen waken-- Waken over de sluimerende Aarde, En aan Gods vaderboezem rust het menschdom Door Liefde's armen omstrengeld! Slechts Zefiers fluisteren in 't lommer: Zeg het mij, o zeg het mij: Wat is Liefde?
Als 's levens stormen ons teisteren, Alles gaat voorbij--alles sterft, Gij, o Liefde, zijt eeuwig! Aan den oever der Eeuwigheid Drukt de levensmoede grijsaard De bevende hand zijner gade, En in den doodsnik ruischt het nog: "Ik heb U lief! vaarwel tot wederziens!"
Hoogten der Hemelen, Diepten der Zeeën, Antwoordt mij--antwoordt mij-- En gij, o mijn Ziel, Zeg mij: Wat is Liefde?
Zulke lofzangen zijn als een zoekend rondtasten in een gedroomde wereld, welks schoonheden men in de verbeelding ziet en toch niet ziet en waarin men ronddwaalt, vragend en zuchtend om wat reëels, iets tastbaars, ter motiveering van de opzettelijke opwinding en het enthousiasme, dat men zich opdringt. Het is of men er Faust in hoort zuchten om meer werkelijkheid in de zelf geschapen geheimzinnigheid, die men niet los wil laten, waar men niets van weet te zeggen en waar men toch van wil spreken, met het gevolg dat men om het onwaarschijnlijke te vullen met iets wezenlijks, de toevlucht neemt tot het geheimzinnige. Het onbekende wordt te hulp geroepen om de duisternis op te klaren, en wat men bij zulke pogingen zou mogen verlangen is, dat ze werden aangeboden met als motto Faust's eerlijke bekentenis: Ich hab' mich der Magie ergeben, dass ich nicht mehr, mit sauerm Schweiss, zu sagen brauche was ich nicht weiss.
De humoristische opvatting der liefde daarentegen bedient zich in hare uitingen altijd van feiten, zij verdiept zich niet in bespiegelingen, schept geen denkbeeldige wereld, beproeft geen adelaarsvluchten, maar haalt haar stof uit de werkelijkheid, zij behoeft hare vondsten niet aan te bieden met voorzichtige vraagteekens, ze presenteert ze met vrijpostig-dartele uitroepteekens. Zij vraagt niet, maar weet. Wijl ze meer waar is, is ze steeds zekerder van haar zaak. Haar phantasieën worden steeds op het eerste gezicht zonder meer erkend als mogelijkheden. Hoe koddig en komisch de situatie ook is, die ze ons opdischt, niemand twijfelt aan de waarschijnlijkheid. In het komische acht men in het liefdeleven alles mogelijk. En dat wijl men dagelijks om zich heen het liefdeleven zich zoo ziet afspelen. In het liefdeleven overheerscht het komische, niet het verhevene of het romantische. Ieder ziet en kent het liefdeleven in zijn komische zijden, wijl de komische zijden de regel zijn. Weinigen zien of kennen het liefdeleven in zijn verheven openbaringen. Want, deze zijn de zeer zeldzame uitzonderingen. Daarom worden komische voorstellingen van het liefdeleven begrepen, als stukken werkelijkheid erkend en dienovereenkomstig gewaardeerd.
Voor de komische opvatting van het liefdeleven is niets heilig dan het komische, zij acht zich daartoe gerechtigd, o. a. op grond van den stelregel dat alles wat waar is noodzakelijk ook goed moet zijn. Door dien regel geleid weet ze van geen verschooning. Elke denkbare phase in het leven der sexen heeft voor haar tallooze kluchtige, koddige, vroolijke kanten en ze legt die zonder erbarmen bloot. En zij kan zich daarbij steeds bij voorbaat verzekerd houden van de instemming en de toejuiching van het overgroote meerendeel der menschen. Dit moedigt haar natuurlijk nog aan. En zoo is er eenvoudig niets in de bonte verscheidenheid van feiten, verschijnselen en phantasieën in het gebied van het liefdeleven, wat haar geen stof heeft kunnen opleveren voor kluchtige, koddige, vroolijke of satirieke voorstellingen. Als zij ons de schepping der vrouw en de sexueele verhouding van het eerste menschenpaar volgens de Mozaïsche legende, op hare wijze wil voor oogen stellen, dan stijgt ze niet zooals de dichterlijke opvatting, hoog uit boven de voorhanden gegevens, doet die gegevens ook geen geweld aan, maar houdt daar integendeel met voorbeeldige nauwgezetheid aan vast, en laat de komische zijde dier legende op het scherpst uitkomen door ze bijvoorbeeld een twaalfjarig Jodenjongetje te laten weergeven als volgt: "Het Adam gezien, alle beeste hebbe zich daar een vrouwtje; hettie het niet onder zich kenne houë, hettie geroepe: "O! God! ik bin zoo vervelend!" hettie als gedwonge, hij mot ook een vrouwtje hebben. Het God um late slape, hettum een rip uit zijn heup genome, is der een vrouwtje van gekomme. Is Adam wakker geworre, hettie Eva gezien, hettie gezeit: "Van wie ben je?" Het Eva als maar geen antwoord gegeve; is um op eens na binne geschote, hettie gezeit: "Ik weet ut al! Jij bint Eva." Binne ze same gaan speule in de tuin, is der een slang gekomme, het teuge Eva gezegd: "Over wat eet jij niet van die boom?" Het Eva geantwoord: "Om toch niet! noh! maak nou geen Schtoez, ja ik wil daar dood!" Het de slang weer gezeg: "Och! het is nietes! het God zoo maar derom gezeit! een gheintje!" Het Eva hard gaan wegloope, het de slang der teruggeroepe en an der laatte zien, het ze van de appel gegete, het ze geroepe: "O wa' smaakt dat fijn! Adam za'k gezond blijve, proef ook eens!" Het Adam geproef, hebbe ze gezien datte ze geen kleere anhadde, datte ze heelemaal nakend binne, hebbe ze der eige geschaamd, binne der gaan verschuile achter een boom. Is God gekomme: "Adam, waar zijt gij?" Het Adam geen antwoord durreve geve. Het God nog is gekomme: "Adam, waar zijt gij?" Hettie nog geen antwoord durreve geve. Het Eva gezegd: "Adam, hoor je niet? der wordt an je geroepe!" Het Adam geroepe: "O God, ik kan ut niet hellepe. Eva het gezeg as dat ik er van ete mos. Het Eva gezeg, de slang het der verleidt. Is God woeiend geworre, en als maar staan te vloeke, en gezeg: "Heb ik je daarvoor in mijn tuin late spele! der-uit!" Hettie an de slang gezeg: "Jij zal altijd kruipe op je buik," en an Eva: "jij zal altijd ziek zijn," en teuge Adam: "Jij zal als maar zweete als je je boterham eet."
In zijn soort is deze poging om een gegeven humoristisch voor te stellen voorzeker beter geslaagd dan de meeste uitbarstingen van literaire geestdrift. Het is verder een typisch voorbeeld van de methode, door de humoristische opvatting van het sexueele leven in den regel toegepast: zij ontdoet de dingen van alle quasi-verheven onbegrijpelijkheid en laat het al of niet waarschijnlijke van het geval op het scherpst uitkomen, redeneert niet, maar laat zien. Zij werkt drastisch op de lachspieren, maar niet minder op het begrip. Want zij is waar, huldigt en vereert onbewust waarheid en werkelijkheid, en wanneer de dingen, zooals ze die ons zien laat, meestal in esthetischen zin niet mooi worden gevonden, dan ligt daarin geen verwijt aan haar opgesloten, maar een verwijt aan de waarheid en de werkelijkheid. Dat de werkelijkheid niet mooi is, is niet de schuld van wie dat constateert. Zij ontdoet de dingen van de heilig-sentimenteele sluiers, die men er omheen werpt, en die moeten doen gelooven aan eigenschappen en hoedanigheden, die wel schoon schijnen, doch het gebrek hebben van niet te bestaan.
De esthetisch-verheven opvatting van het liefdeleven hult alles wat dat leven betreft in een waas van dwepende sentimentaliteit en wekt voorstellingen, die in het werkelijke leven niet worden teruggevonden. Zij flatteert de werkelijkheid naar de grillen harer phantasie, wat misschien haar recht is, doch eischt dan eerbied voor die misvormde werkelijkheid en brandmerkt gaarne de wezenlijke werkelijkheid met het teeken der minderwaardigheid, waartoe zij zeker niet gerechtigd is. Werkelijkheid is natuur en de natuur weet beter wat noodzakelijk en goed is, dan de menschelijke phantasie dat weet. Wat noodzakelijk is en goed, dat is juist datgene wat is--niet de droomwereld der dichters, maar de werkelijkheid.
Men kan, meent de dichter, desnoods den lezer een bruidsvertrek, maar niet de slaapkamer eener maagd binnenleiden. De poëzie mag er zich nauwelijks wagen, het proza kan er slechts ontwijden. Wat nog maagdelijk is, moet verborgen blijven. Het is het inwendige eener nog gesloten bloem; het is iets teeders, omringd door schaduwen; het is het heilige der heiligen eener nog gesloten lelie, dat niet aanschouwd mag worden door het oog, zoolang het nog niet is aanschouwd door de zon. De vrouw in de knop is heilig en haar rustplaats is een heiligdom. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot; die hemelsche halve naaktheid, die schuw is voor zichzelve; de blanke voet, die in een muiltje vlucht: die hals, die zich voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; dat hemd, dat daarbij over den blooten schouder wordt getrokken om dien te verbergen voor een krakend meubelstuk, of voor een passeerend rijtuig; al die geknoopte banden, die geregen veters, al die huiveringen en rillingen van koude en van schaamte, heel die kuische schuwheid van alle bewegingen, die onrust waar niets is te vreezen, die allengs zich voltooiende kleeding, stuk voor stuk, als opvolgende wolkjes van den dageraad--het betaamt niet, dat alles te aanschouwen, noch het te schetsen. Het is reeds te veel het aan te duiden. Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van een meisje, dan voor het opgaan eener ster. De zekerheid van te kwetsen moet hier den eerbied nog verhoogen. Het dons van de perzik, het waas van de druiven, het kristal van de sneeuw, de vleugels van den vlinder, dit alles is minder teer dan deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is nog slechts een lichtende droom, zij is nog geen beeld. Haar rustplaats is een der gewijde plaatsen in de verborgenheden van het ideaal. Een onbescheiden blik kwetst en ontwijdt. Aanschouwing is hier ontheiliging. Een Oostersch sprookje zegt, dat de roos wit is geschapen, maar dat zij van schaamte rood is geworden, toen Adam haar bij het ontluiken een oogenblik aanschouwde. Voor meisjes en bloemen betaamt het beschroomdheid te gevoelen, wijl ze eerbiedwaardig zijn.
Van die heiligheid van het maagdelijk bed is den erotischen humorist niets bekend. Hij haast zich integendeel daar zijn opvatting tegenover te stellen. En hij kleedt die bijvoorbeeld in als volgt:
Den avond van den zesden dag, even na de schepping van de vrouw uit Adam's ribstuk, had men in den hof Eden een oudachtig heer kunnen hooren mompelen in zijn baard: "De schilderij is wel aardig, maar er mankeert nog een passende lijst aan, en nu het werk is begonnen, dient het ook te worden voltooid." En toen had men dien ouden heer haastig wat planken kunnen zien bijeenscharrelen, en daarvan iets knutselen, waarin men al heel gauw een soort ledikant zou hebben herkend. Dat ledikant had echter niets van den stijl Empire, evenmin iets van den stijl Hendrik II, maar was zuiver gehouden in een duizendmaal ouderen stijl--als het nog eens wordt teruggevonden, zal men het vermoedelijk in een museum te kijk zetten als een der oudste voortbrengselen van vóór-zondvloedsche of zesde-dag-Edensche kunst. En toen het zaakje klaar was, riep de oude heer: "Hier jij, kleine, dat is nu jouw troon! Evenals de hemel gemaakt is voor de wolken, de oceaan voor de koraalriffen, zoo is het bed geschapen voor de vrouw. Daar zal je heerschen en triomfeeren en gebieden, meesteres zijn en koningin, daar zal de man je slaaf zijn, alle eeuwen door". En Eva prevelde woorden van dank en nam de les ter harte. Het schijnt, dat zij ten volle tevreden was met deze schikking en zij, evenals alle dochteren Eva's na haar, heeft naar die woorden gehandeld en van haar bed haar troon weten te maken, van waar zij heerschte als autocratisch gebiedster. Zoo werd en bleef dit de plaats waarheen welke Eva ter wereld ook zich nooit begaf zonder genoegen en die zij nooit verliet dan met tegenzin; de plaats waar zij het beste deel van haar leven sleet; de plaats, waar zij volkomen vrij was van haar wel onmisbare, maar toch ook zoo tirannieke bondgenoote, de mode; de plaats waar haar pudeur mocht insluimeren, terwijl haar coquetterie meer dan bleef waken.
Zoo herstelt de humoristische opvatting van het liefdeleven weer het evenwicht in de algemeene voorstelling der sexueele dingen. Waar de verheven-dichterlijke opvatting zich stelt op onbereikbare hoogten boven de werkelijkheid, daar daalt de erotische humorist dikwijls lager dan de werkelijkheid. Zijn voorstellingen zijn in den regel doortrokken van gloeiende zinnelijkheid, terwijl in de ontboezemingen der erotische lyriek veelal een element is van onzinnelijkheid en dwepende ascese. Intusschen is de erotische humorist in zijn gloeiende zinnelijkheid echt, eerlijk en waar, terwijl de erotische lyricus zwelgt in opgewonden, overspannen oogenbliksstemmingen, die hij in de praktijk van het leven wellicht het volgende moment al weer verloochent en te schande maakt.