Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875
Part 9
Wandelen wij even de stad in, al duurt onze wandeling maar kort, en al mag ze juist niet opwekkend heeten, daar ons overal de sporen van verval en achteruitgang zullen tegenkomen. Niet verre van de haven staat de voormalige groote kerk, die hoewel onvoltooid--haar ontbreekt het koor--toch een merkwaardig monument van gothische bouwkunst is, en oorspronkelijk een der fraaiste kerken van geheel Zeeland was. Het eerwaardige gebouw, van grijsachtigen steen opgetrokken, werd ten jare 1348 gesticht en aan Onze-Lieve-Vrouwe toegewijd. Na de omwenteling van 1572 van hare altaren, beelden en sieraden beroofd, werd de kerk in 1686 een prooi der vlammen, die alleen de buitenmuren lieten staan. Zij werd echter weder hersteld en voor de predikdienst ingericht; maar in het begin dezer eeuw, nadat zij door het bombardement van 1809 zeer geleden had, eerst door de Engelschen en daarna door de Franschen als militair hospitaal gebruikt. Na de restauratie van 1813 werd het jammerlijk gehavende en misvormde gebouw eerst tot een bedelaarswerkhuis, later tot een bergplaats en militair magazijn ingericht. Uit handen van het departement van oorlog is het vervolgens in die van het departement van financiën overgegaan, en behoort thans nog tot de domeinen van den nederlandschen staat. Het is wel noodig, dat ge deze laatste bijzonderheid niet uit het oog verliest, als ge dit eerbiedwaardig monument van den kunstzin en de eerbiedige vroomheid der voorgeslachten aanziet; dit monument, thans welhaast tot eene ruïne geworden, en inwendig door allerlei betimmeringen volstrekt onherkenbaar. Men zeide mij, dat het domeinbestuur van voornemen was, de kerk, die tot niets meer dient, voor afbraak te verkoopen. Natuurlijk: dat is het eenvoudigste en meest praktische middel om zulke oude gebouwen op te ruimen en er nog wat van te halen op den koop toe! Aan eene restauratie der kerk, die toch niet onmogelijk zijn zou, denkt natuurlijk niemand. Zulk eene restauratie zou trouwens geld kosten, en geld mag men voor dergelijke zaken immers niet uitgeven. Voor spoorwegen, kanalen, havens; voor het droogmaken van plassen; voor het bouwen van met bespottelijk kwistige weelde ingerichte scholen:--nu ja, daarvoor moet op geen tonnen gouds gelet; maar voor het herstel en behoorlijk onderhoud van monumenten van vaderlandsche kunst en geschiedenis, die niet meer voor een of ander praktisch doel bruikbaar zijn--ziet ge, daarvoor is elke gulden te veel. En dan heeft men nog den mond vol van den kunstzin onzes volks! Van de regeering zwijg ik: zij zou zoo niet durven en niet kunnen handelen, indien zij niet de overtuiging had, althans in dit opzicht, inderdaad de vertegenwoordigster der openbare meening te zijn. Misschien zullen zich stemmen verheffen tegen den verkoop der kerk, en zal deze dan achterwege blijven: maar wat zal er dan gewonnen zijn? Men zal het gebouw eenvoudig laten staan, zooals het is; tot het eindelijk zoo bouwvallig is geworden, dat aan geene restauratie meer te denken valt, en dan--dan wordt het gesloopt.
Ik trachtte de aandacht van mijn vriend zooveel mogelijk van deze zoo gruwelijk mishandelde kerk af te leiden, om voor den vreemdeling althans deze schande te verbergen, en voerde hem naar de ruime marktplaats, waarop het stadhuis staat, mede een monument van gothische architectuur, schoon tot een later tijdperk behoorende. Het is een fraai gebouw, dat met zijn sierlijken toren een zeer goeden indruk maakt. De voorgevel prijkt met zeven beelden van Heeren en Vrouwen van Veere uit het geslacht van Borsselen. Ook inwendig is het stadhuis der bezichtiging waardig. In de voormalige vierschaar hangt boven eene antieke schouw--op zich zelve een meesterstuk van beeldhouwkunst--eene groote schilderij, voorstellende de vloot, waarmede Willem III in 1688 naar Engeland overstak. In een ander vertrek kunt ge een portret ten voeten uit zien van denzelfden Vorst, in zijn staatsiekleeding als Koning van Groot-Brittanje.--Maar vergeet niet, eer ge de vierschaar verlaat, die drie fraai bewerkte metalen vuisten te bezien, waarvan de eene een bijl omklemd houdt. Wat ze beduiden? Naar men zegt, zijn zij ten geschenke gegeven door de drie personen, wier namen nog op het metaal te lezen zijn, en die, ten jare 1546, wegens een of ander vergrijp, werden veroordeeld om hunne handen door den beul te zien afhouwen. Zij werden begenadigd; maar moesten nu, ten teeken van dankbaarheid waarschijnlijk, deze metalen handen der stede ten geschenke geven: het zijn dus een soort van ex-voto's. Aldus luidt het verhaal, waarvan ik de waarheid niet kan bevestigen.
Wel zoo bezienswaardig als deze metalen vuisten, en zelfs als de metalen deurknoppen met het wapen en naamcijfer van Willem III, hoe fraai overigens ook van bewerking, is de inderdaad prachtige beker van verguld zilver, door Maximiliaan Van Bourgondië aan zijne stad Veere geschonken, en nog steeds op het raadhuis bewaard. De beker was oorspronkelijk het eigendom van Maximiliaan Van Egmond, Graaf van Buren; het verheven beeldwerk, waarmede hij prijkt, stelt dan ook twee episoden uit het veel bewogen leven van dien edelman voor: zijn overtocht over den Rijn, op den 15den September 1546, om zich met zijne vendelen bij het leger des Keizers te voegen; en de daarop gevolgde gevangenneming van den Keurvorst van Saksen. Op de binnenzijde van het deksel prijkt, in email, het wapen van den Graaf van Buren; dat van Maximiliaan Van Bourgondië is op den voet des bekers aangebracht; terwijl het schild, waarop het beeldje boven op het deksel leunt, het wapen der stad vertoont. Het latijnsche opschrift langs den rand vermeldt den overtocht over den Rijn door Maximiliaan van Buren. De kolossale beker, niet minder dan zeven-en-vijftig duim hoog, in uitnemenden renaissance-stijl bewerkt, is een waar kunststuk, waarop Veere trotsch mag zijn, en dat het trouw heeft te bewaren als eene herinnering aan vroegere betere dagen.
Maar nu hebben wij ook alles gezien, wat Veere bezienswaardigs heeft, en kunnen ons naar buiten begeven, om daar, in de frissche, eeuwig jonge natuur, te bekomen van den treurigen indruk, door het gezicht dezer kwijnende stad op het gemoed gemaakt. "Eene gestorven stad", zeide mijn vriend, toen wij de vervallen veste verlieten.--"Laat ons hopen, eerlang eene weder herlevende stad", antwoordde ik.
IX.
Vrouwepolder is geen onaardig dorp, te midden eener vruchtbare streek gelegen, en weleer beroemd wegens een Lieve-Vrouwebeeld, dat in hooge eere stond. Keizer Sigismund, vergezeld van den Graaf-Hertog Willem VI, toog zelfs, ten jare 1416, naar deze plaats ter bedevaart; en een-en-twintig jaar later verscheen in Vrouwepolder nog een andere vorstelijke pelgrim: de groote tegenstander van Willems beroemde en rampspoedige dochter, Hertog Filips van Bourgondië.
Doch deze tijden zijn sinds lang voorbij. Verdwenen is het hoog vereerde beeld Onzer-Lieve-Vrouwe, en geen pelgrim richt meer zijne schreden naar het haar gewijde heiligdom. Toch is het heden druk en levendig genoeg in het dorp. Wat wonder: het is er kermis. Ik geloof bijna, dat er in den zomer schier geen dag, stellig geen week voorbijgaat, of er is hier of daar in Zeeland kermis. De kermis te Vrouwepolder gelijkt natuurlijk op iedere andere zeeuwsche dorpskermis. 't Zijn de gewone vermaken: koekhakken, ringrijden, dansen, zingen en drinken, vooral drinken:--want zoolang hij niet half beschonken is, schijnt er voor den nederlandschen boer geene ware vreugde denkbaar. En de vrouwen geven daarbij maar al te dikwijls den mannen niets toe.
Wij treden de herberg binnen: ter wederzijde van een nauwen bedompten gang zijn de deuren van twee kamers, de eene de gelagkamer, de andere een soort van danszaal. Aangelokt door het gekras van een schorre viool en een brommende contrebas, treden wij de danszaal binnen. Twee muzikanten zitten op stoelen, boven op eene groote tafel geplaatst; de talrijke toeschouwers vormen een dichten kring rondom de dansers, aan wie ongeveer een ruimte van vier voet in den omtrek is vrijgelaten. Onwillekeurig plooit zich een glimlach om den mond van mijn reismakker. Op iemand, die de weelderig hartstochtelijke, zoo uitdrukkingsvolle, echt plastische dansen van het Zuiden--eene wezenlijke en zeer sterk sprekende gebarentaal--kent, moet dan ook deze vertooning een zeer eigenaardigen indruk maken. Hoe onbeschrijflijk plomp, onbevallig en karakterloos zijn die bewegingen; men kan het dezen lieden aanzien, dat aan hun onbehagelijk op- en nederspringen alle bezieling ontbreekt; dat er hier in de verte geen sprake is van uitdrukking van gevoel of hartstocht, maar eenvoudig van eene physieke beweging, die de zinnen op eene of andere manier aangenaam kittelt. De nauw beperkte ruimte is dan ook volkomen voldoende voor onze dansers, wier zwaarmoedige, plompe bewegingen waarschijnlijk de meest gepaste uiting zijn voor hunne kalme vreugde.
Wij zetten ons neder in een hoek, in de schaduw, tegenover de vensters. Ons geheele voorkomen, ons reisgewaad, doet ons als vreemdelingen kennen; bovendien is het mijn vriend duidelijk genoeg aan te zien, dat zijn wieg niet stond tusschen den Dollard en de Schelde. Aller blikken zijn dan ook voor een poos op ons gevestigd, maar niemand bemoeit zich verder met ons. Eene boerin van zekeren leeftijd, naast mij op de bank gezeten, schuift alleen een weinig op, om eenige ruimte tusschen ons te laten.
Het is bijkans stampvol in de zaal, en nog voortdurend stroomen er nieuwe gasten, mannen en vrouwen, binnen. Ter wederzijde van den wijden schoorsteen, zoo wat vier voet boven den grond, bevinden zich tegen den wand een paar planken, waarop gewoonlijk het vaatwerk, borden, schotels, staat gerangschikt; nu hebben eenige mannen zich daarop nedergezet. Onder den schoorsteen zelven staat een bank, waarop verscheidene personen plaats hebben genomen; de ruimte tusschen de banken is geheel ingenomen door jongelieden van beiderlei kunne.
Een vrouw, als eene bedelaarster uit Brussel gekleed, met een paars katoenen schoudermantel met kap, en met de hairen uit haar slordige muts hangende, zingt een lied, waarbij haar man haar accompagneert. Eene andere vrouw, reeds bejaard en dronken, met een vuurrood gezicht en purperen jeneverneus, vraagt, met belachelijke en vaak onkiesche gebaren, een aalmoes.
Vlak tegenover ons zitten twee aardige paren: de eene jonkman ziet er zeer knap uit, en zijn meisje is bepaald mooi: dat is dus in den regel; de andere jonkman is leelijk en zijn meisje is verre van mooi: ook dat is dus natuurlijk. En wat niet minder natuurlijk is, is dat het leelijke meisje knipoogjes geeft aan den mooien jongen; en ook dat het mooie, maar arme meisje, steelsgewijze uitlokkende blikken werpt op den leelijken, maar rijken jongen.
Een paar bedelaars treden het vertrek binnen. Wij hebben zoo even een hunner aan den voet van een boom zien zitten, zich houdende of hij verlamd was. Hij heeft eene vrouw bij zich, die een klein kind op den arm houdt.
Die lieden zingen: dat wil zeggen de man balkt, de vrouw jankt, het kind schreeuwt en spartelt met armen en beenen; dat alles onder een oorverdoovend geraas van pratende en lachende en schreeuwende stemmen, van rinkinkende glazen, van stampende voeten en op tafel slaande vuisten. Inmiddels gaan ook de schorre viool en de brommende contrebas ongestoord haar gang.... Daar weerklinken buiten zware voetstappen, en de frissche lachende stemmen van jonge meisjes. Zij komen binnen, klauteren op de tafels, en gaan, vlak tegenover ons, met den rug naar de vensters, zitten, alzoo het toch al niet te overvloedige licht onderscheppende.
Onze zangers laten zich niet afschrikken: zij heffen een nieuw lied aan, dat algemeen bekend en zeer in den smaak schijnt te vallen: althans het halve gezelschap, vooral de jonge meisjes, zingen mede en herhalen in koor het refrein. Inmiddels wordt het rumoer al grooter, en wijkt ook de zekere beschroomdheid, die de boeren aanvankelijk van ons verwijderd hield. Mijn vriend teekent haastig eenige schetsen, portretten van boeren en boerinnen, en toont die aan de verbaasde menigte. Nu is weldra de slagboom geheel opgeheven. De boeren presenteeren ons parfait amour, een zeer geliefkoosde drank, en laten zich door ons op wijn en brandewijn trakteeren.--Altijd door dat eindelooze gezang, waarvan het mij onmogelijk is de woorden te verstaan; steeds luidruchtiger en woeliger wordt het om ons heen.... Daar dringt, half worstelend, een nieuwe groep mannen de kamer in. Het schreeuwen en joelen wordt nu zoo oorverdoovend, dat de zangers het opgeven. Een overwinnaar bij het ringrijden wordt in zegepraal door zijne makkers naar binnen gedragen: hij moet trakteeren. De jonge man is half dol: hij laat zich op den grond vallen, springt weer op, draait als een tol in het rond, gestikuleert met armen en beenen, deelt rechts en links klappen, stompen en schoppen uit; en wordt eindelijk door zijne joelende, schreeuwende makkers de kamer weer uitgeduwd, onder luid handgeklap en daverend gestamp!
Na hun vertrek begint het gezang op nieuw. Maar eensklaps bezwijkt een der planken nevens den schoorsteen, waarop eenige mannen zich hebben nedergezet. Onder luid gejubel rollen zij op en over elkander op den grond en op de tafel.... Het gezang gaat maar altijd voort; het rumoer neemt hand over hand toe.... Wij hebben er nu genoeg van, en gaan naar buiten.
Het is hier wellicht de plaats om iets te zeggen van de zeeuwsche taal, die wij daar zoo even, in de druk bezochte dorpsherberg, in al hare zuiverheid en in enkele verscheidenheden harer uitspraak, hebben gehoord.
Even als de zeeuwsche eilanden, door ligging en geaardheid van bevolking, den geleidelijken overgang vormen tusschen Holland en Vlaanderen, zoo is ook het zeeuwsch een overgang, een middenterm, tusschen het hollandsch en het vlaamsch, nu eens meer naar het eene, dan meer naar het andere zweemende, naar gelang van de meer noordelijke of zuidelijke ligging. Een Hollander, die zeeuwsche boeren met elkander hoort spreken, zal in den beginne zeer veel moeite hebben om hen te verstaan: niet zoozeer, omdat zij woorden gebruiken, die hem vreemd zijn,--want het getal der uitsluitend zeeuwsche woorden is niet zoo bijzonder groot;--maar om de eigenaardige wijze, waarop zij de woorden uitspreken. De Zeeuwen laten namelijk de woorden zooveel mogelijk in elkander vloeien, en spreken op een zeer bijzonderen, half zingenden toon, die eenigermate herinnert aan het dialekt der bewoners van de hollandsche zeedorpen, maar toch geheel anders klinkt.
Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de zeeuwsche tongvallen, die natuurlijk niet overal hetzelfde klinken, is het niet uitspreken van de letter h. De meeste echte, ouderwetsche Zeeuwen, vooral ten platten lande en in de kleinere steden, spreken de h letterlijk nooit uit, en zouden dit waarschijnlijk ook niet kunnen. Een oude eenvoudige zeeuwsche boer beschreef mij eens de letter h als de groote a, en kon het, ondanks zijne wanhopige pogingen om dien vreeselijken klank uit te spreken, niet verder brengen dan tot een ch-klank. Geregeld hoort ge dan ook de Zeeuwen, in onderling gesprek, gewagen van uus, and, ebben, oornblazer en dergelijke, met trouwe weglating, altijd en overal, van die fatale h. Het meest komische is echter, wanneer pedante, ongeletterde Zeeuwen op hunne manier mooi willende spreken, zich inspannen om de h toch uit te brengen, en die dan plaatsen voor woorden, waar zij niet behoort. Zoo zullen zij u verzekeren, dat er de heer van de eeren mee gemoeid is; of wel u spreken van de hengelen in den emel en de haren op den hakker. Ook zal het eener hollandsche huisvrouw niet zoo gemakkelijk vallen, als zij, op de vraag aan haar zeeuwsche meid, of deze het kruideniersboekje ook gezien heeft, ten antwoord krijgt: 'k et ni-j-at, zoo aanstonds te begrijpen, dat deze snel achtereen gesproken woorden beteekenen: ik heb het niet gehad.
Verder spreken de Zeeuwen, evenals de Friezen, de Vlamingen en andere nederlandsche stammen, de hollandsche ui als u en de ij als lange i uit, schoon ook met eenige afwijkingen. Huis wordt huus of eigenlijk uus; tuin wordt tuun; kuif, kuuf; lijf, liif: vijf daarentegen niet fiif, als in het friesch, maar vuuf; pijp, niet piip, maar pupe, wat niet zeer fraai klinkt. Evenmin kunnen hollandsche ooren behagen scheppen in de uitspraak van de a, die doorgaans als een zware oa, of wel, in andere streken van Zeeland, als blatende ae klinkt. Daarentegen maken de Zeeuwen zeer duidelijk onderscheid tusschen de zachtlange en de scherplange o en e, welke laatsten zij als tweeklanken uitspreken: bij voorbeeld twèë. Deze eigenaardigheid draagt veel bij tot de vloeiende zangerigheid der taal, die, hoe vreemd en ongewoon somwijlen, volstrekt niet onbehagelijk klinkt.
Boven zeide ik reeds, dat, voor zoover ik daarover oordeelen kan althans, het getal uitsluitend zeeuwsche woorden, die in andere nederlandsche dialekten niet gevonden worden, zeer beperkt is, beperkter althans dan een vreemdeling op het eerste gehoor wel meenen zou, omdat zeer bekende woorden dikwijls door de uitspraak en den eigenaardigen tongslag moeilijk te herkennen zijn. Zulke eigenaardig zeeuwsche woorden, die ge zonder verklaring niet begrijpen kunt, zijn bij voorbeeld: guus, guês, kind, kinderen; kelf, zindelijk; puutjes, kinderhandjes; daken, aanstonds. Zeeuwsch, meen ik, is ook het eigenaardig gebruik van het woord ongevoelig, in uitdrukkingen als deze: i was d'r wàt ongevoelig over, hetgeen beteekent, hij was er zeer gevoelig over, hij was er zeer door geërgerd. Op Zuid-Beveland, dat zich in menig opzicht, vooral door het sterke vlaamsche element in zijn dialekt, van de andere zeeuwsche eilanden onderscheidt, kunt ge iemand zijn spijt over iets hooren betuigen met de uitdrukking: ik ben er broaf ongevoelig over.
Woorden als puut voor kikvorsch, weeg voor houten wand, bepaaldelijk eener schuur, stute voor boterham, kuus voor zuiver, zindelijk, vele (vedel) voor viool, zijn niet alleen zeeuwsch, maar zijn ook in Vlaanderen en in sommige provinciën van ons vaderland algemeen in gebruik. Vreemder schijnt mij de uitdrukking kachel voor veulen; misschien is dit woord met guil, gaul, paard, verwant.
Om den lezer een denkbeeld te geven van de eigenaardige zeeuwsche taal, weet ik niet beter te doen dan uit het welbekende Dialecticon van den heer Winkler de gelijkenis over te nemen van den verloren zoon, en wel in den tongval van het platte land van Zuid-Beveland, waar het oud-zeeuwsche dialect zich misschien nog het best in stand heeft gehouden. Zij luidt aldus.
Dir was is 'n man, die twèë zeuns a'.
En den jongsten (op Walcheren zegt men joenksten) van ulder (hen, elders in Zeeland hulli) zei tegen z'n voader: voader, gee miin m'n possie van 't goed, da' m'n toekomt. En i verdèëlden 't goed.
En ni lange naedien, a' den jongsten zeune alles bi mekaore epakt a', is 'n vort ereisd nir 'n land, varre van ier, en dir eit 'n al z'n goed deur ebrocht en i leefden baldadig.
En as 'n alles op eteerd a', kwam d'r in dat land 'n gròòten oengersnòòd, en i begost ok gebrek te liën.
En i giing èëne en i prezenteerden z'n zelven bi 'n boer van dat land, en die stierden 'm nir z'n land om de verkens te wachten (hoeden).
En i verlangden z'n buuk te vullen mit de verkenskost, mer gin mens gaf ze 'm.
En as 'n z'n ersens bi mekaore a', zeit 'n bi z'n eigen: oe vee' errebeiers van m'n voader ae d'r bròòd, en ik vergae ik van den oenger.
Ik za' ik nir me voader toe gae, en 'k za' tegen z'n zegge: voader! 'k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe.
En ik bin ni mir wæærd om je zeune t' èëten; mææk me mer gelike mit èën van j'n errebeiers.
En i stong op en i giing nir z'n voader. En as 'n d'r nog varre van dææn was, zag z'n voader 'm, en i kreeg innerlikken medeliën mit z'n, en i liep nir z'n toe, en i viel om z'n ales (hals), en i kost' 'm.
En den zeune zei tegen z'n voader: voader! 'k ae zonde edae tegen den emel en tegen joe. En ik bin ni mir wæærd om je zeune t' èëten.
Mer den voader zei tegen z'n knechs: æælt ier 'n best pak kleeren, en lææt 'm dat an doeë, en geeft 'n riink an z'n anen (anden, handen) en schoenen an z'n voeten.
En briingt 't vette kalf en slacht 't; dan zu' me ete en plazier ouë.
Want ier me zeune was dòòd, en i is weer levendig eworre; i was verlore en i is evonde. En ze begosten plazier t' ouën.
En z'n ouste zeune was in 't veld; en as 'n vrom (weerom) kwam en kort bi uus kwam, oorden i 't geziing en gespriing.
En i riep èën van de knechs bi z'n, en i vroeg wat 'r omgiing.
En die zei tegen z'n: je broer is vrom ekomme, en je voader eit 't gemaste kalf eslacht, uut blischap, dat 'n 'm wee' gezond t' uus ekregen eit.
Mer i wier kwææd, en i wou ni in uus komme. Toen giing z'n voader nir z'n toe, en i schooiden d'r om (drong er op aan).
Mer i zei tot antwoord tegen z'n voader: kiik! ik ae' noe a' zòò vee' jæær voe' j' ewerkt, en 'k ae' altiid edae da' je me belast eit, en j' eit me nooit is niks egeve, zelfs gin boksje voe' m' eslacht, om ok is mit m'n kammeraas plazier t' ouen.
Mer noe die zeune van je t'uus ekommen is, die je goed mit oeren verkwanseld eit, noe ei je voe' ziin 't vette kalf eslacht.
En i zei tegen z'n: kind! ji bin altiid bi me, en al wat a' 'k ae', dat is 't joeë.
Dir om b' oorden ji ook blië te weze; want ier je broer was dòòd en i is wee' levendig eworre; i was verlore en i is evonde.
Wij mogen Walcheren niet verlaten, zonder ook een, zij 't ook maar vluchtig bezoek te hebben gebracht aan Arnemuiden, vroeger eene vermaarde koopstad aan den mond der Arne, met eene voortreffelijke reede, maar tegenwoordig een vervallen stedeke, door visschers bewoond, wier huizen gedeeltelijk op en tegen de duinen of liever terpen zijn gebouwd. Er is hier niet veel te zien, maar de krachtige, goed gebouwde bevolking der stad verdient wel de aandacht.
De kleeding der vrouwen gelijkt op die in de naburige dorpen, maar gaandeweg grijpt hierin eene verandering plaats, die juist geene verbetering mag worden genoemd. De mannen, bijna zonder uitzondering visschers, dragen des Zondags een ruim geplooide, blauw flanellen kiel, die in den wijden zwarten broek wordt gestoken. Deze broek prijkt met twee groote zilveren knoopen of stukken. Op het hoofd dragen zij een pet met gebogen klep, die tamelijk op één oor wordt gezet. Het is een flink, handig slag van volk, dat zijne onafhankelijkheid op prijs stelt; ook op hen is het oude spreekwoord toepasselijk: goed rond, goed zeeuwsch.
Ook Arnemuiden heeft, als zoo menige zeeuwsche stad, in vroeger tijden veel door overstroomingen geleden: tegenwoordig is, door de sterke aanslibbingen, dat gevaar wel geweken, maar de haven der voormalige koopstad is tevens voor groote schepen ontoegankelijk geworden. Doch in vervlogen dagen kwam er ook voor Arnemuiden meer dan eenmaal een bange ure, als het scheen of de opgeruide golven van het Sloe haar zouden verslinden, en de weeke bodem, waarop de stad was gebouwd, sidderde en dreunde bij den geweldigen aanval der wateren, en ieder oogenblik op het punt scheen, in de kokende diepte te verdwijnen. Voorwaar, niet zonder reden draagt een gedenkpenning uit de zestiende eeuw deze bede tot opschrift: Salva nos, Domine, nam perimus. Behoed ons, Heer, want wij vergaan!