Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875
Part 12
Het is geheel avond geworden, als wij daar aankomen. Een enkele lantaarn werpt hier en daar, op de eenzame straat, een treurig, onzeker licht. Op de markt, waar de massa der groote kerk zich spookachtig en schemerend tegen den donkeren hemel afteekent, dezelfde duisternis. Uit de sociëteit Van ongeneuchten vrij, de oude schuttersdoelen, klinkt ons muziek tegen en straalt een helder licht. Daar een poosje gerust en gepraat, eer wij in ons logement inkeeren en krachten verzamelen voor eene nieuwe wandeling, ditmaal in andere richting.
Thans gaat de tocht in westelijke richting, naar de kleine dorpen 's Heer-Hendrikskinderen en Wissekerke, en van daar naar het meer aanzienlijke 's Heer-Arendskerke. Naar de legende wil, zouden deze dorpen gesticht zijn door drie broeders, Hendrik, Wisse en Arend; de eerste, overleden zijnde voor het nieuwe dorp was verrezen, werd de stichting door zijne kinderen volbracht. 's Heer-Arendskerke is van de drie verreweg het aanzienlijkste. Wij treden hier eene vrij armelijke woning binnen, en zien, tot onze groote verbazing, dat de wanden der woonkamer behangen zijn. Gelukkig is dat nog niet algemeen ten platten lande, al begint deze mode ook meer en meer in zwang te komen. 't Is niet te loochenen: langzamerhand verdwijnen ze, die sobere, schilderachtige binnenhuizen, met hun frissche en gedempte tonen, hunne helder witte, of wel met hout beschoten, of ook met blanke en blauw beschilderde tegeltjes bekleede wanden; zij verdwijnen langzamerhand, om plaats te maken voor leelijke, smakelooze papieren behangsels; zij gaan denzelfden weg als de mooie vilten hoeden der mannen en de karakteristieke sieraden der vrouwen. Het nieuwe kanaal en de spoorweg zullen weldra, ook hier, de zoo hoog gewaardeerde eenvormigheid in kleeding en voorkomen, in manieren en levenswijze, doen zegevieren.
Nog een kleine tijd--en deze schilderachtig uitgedoste boeren zullen zich alle moeite geven, om zooveel mogelijk op de stedelingen te gelijken. Dan begint er eene periode van overgang, een middentoestand tusschen de oude en de nieuwe mode, waarin de wansmaak oppermachtig heerschen zal:--dat is de tijd der gemeene petten, der afschuwelijke lange jassen. Dan zullen langzamerhand de schitterende dolle kermissen verdwijnen, of althans wat aan die kermissen gloed en kleur geeft: de weelderige kleederdracht der vrouwen en meisjes, het goud van haar kapsel, het zilver van haar schoenen; en ook de fluweelen kleederen der mannen:--in één woord, verdwijnen zullen de schoonheid, de harmonie, de kleur. En wanneer dan een kunstenaar dit rijke land bereizen zal, en de oude kleederdrachten wil zien, dan zal hij zijne schreden moeten richten naar de uitdragerswinkels, waar de tooi van het oude Zeeland, in een hoek weggeworpen, vergeten zal liggen.
Ten zuiden van 's Heer-Arendskerke ligt Heinkenszand, een dorp, grootendeels door Katholieken bewoond, wier aantal in dit westelijk deel van Zuid-Beveland vrij aanzienlijk is. Dit onderscheid van geloofsbelijdenis is ook merkbaar in de kleeding. Ge ziet hier geen paarsche of blauwe wambuizen, tenzij dan voor de boeren in heelen of halven rouw. De geliefkoosde kleuren zijn hier purper en scharlaken, met groote gele bloemen. Somwijlen zijn de boeren geheel in zijde of satijn gekleed, en doen zij u denken aan sommige oostersche kleederdrachten. De vrouwen dragen nog den zoogenaamden herderinnehoed uit het laatst der vorige eeuw, eveneens met zijde gevoerd.
Op de zeeuwsche dorpen, met name in die van Zuid-Beveland, vindt men doorgaans nog gezelschappen van jongelieden, die een soort van gilde, het jonkmansgilde of gilde der jeugd, vormen. Dit gilde heeft zijn eigen bestuur, zijn hoofdman, zijn secretaris, zijn bode, zijn eigen reglementen en strafbepalingen. Om lid te kunnen worden, moet men eerst voor de nationale militie geloot hebben. De nieuw aangenomene betaalt een entreegeld van negentig cents; welk bedrag tot een gulden twintig cents wordt opgevoerd, wanneer de nieuweling geen liedje zingen kan. De opneming in het gilde staat ongeveer gelijk met de toekenning van het burgerrecht in de gemeente. Wanneer een jonkman uit eene andere gemeente de hand van een meisje uit het dorp vraagt, dan wachten de leden van het gilde hem op aan de deur van de woning zijner beminde, en vragen van hem een vergoeding van vijf-en-zestig centen, zoo hij jonkman is, en drie gulden, zoo hij reeds vroeger gehuwd is geweest.
Het gilde viert ook zijn eigen feesten, die doorgaans met de dorpskermis samenvallen. Dan wordt in de herberg een rijk versierde kroon van groen en bloemen opgehangen, de kroon der jeugd genaamd; dan vergaderen zich daar de jonkmans met hunne meisjes, allen met bloemen versierd, en wordt er gegeten en gedronken, gezongen en gedanst naar hartelust. Deze gilden en de schuttersgezelschappen werden vroeger op geen enkel dorp gemist; en nog tegenwoordig zijn zij op de meeste plaatsen in stand gebleven, al begint ook hier en daar de vorm eenigszins te veranderen.
Onder de eigenaardigheden van het zeeuwsche landschap en het zeeuwsche landleven behoort ook de meekrapcultuur, die aan duizende handen werk verschaft, zoowel bij het aanplanten der meekrapkiemen, als bij het uitgraven der diep in den grond doorgedrongen wortels. Na het uitdelven, worden de wortels naar de meestoven gebracht, waar zij gedroogd en gestampt worden, en vervolgens ter verdere bewerking aan de garancine-fabrieken afgeleverd.
In den herfst, als de wortels rijp zijn geworden, trekken iederen morgen troepen veldarbeiders, tien tot twintig personen sterk, naar het veld. Aan het hoofd van zulk eene bende gaat de voorman, de aanvoerder of chef der bende; daarop volgt de neusman (nevenman); achter hen komen de volgers. De bende wordt met hoorn- of trompetgeschal tot den arbeid opgeroepen; en al blazende loopt de hoornblazer vooruit. Op het veld gekomen, wordt de bende, naar zekere regelen, voor het verrichten van den arbeid verdeeld. Het werk vordert groote spierkracht, maar wordt toch van den morgen tot den middag voortgezet, met een half uur tusschenpoozen, halfschof geheeten, waartoe het sein weder met den hoorn gegeven wordt; de arbeiders eten dan hun stute, boterham, en hervatten weldra weder het werk. 's Middags en 's avonds, bij het gaan en komen, laat telkens de muziek zich hooren.
Wekelijks ontvangt elk lid der bende eene zekere som, naar verkiezing, in afkorting op zijn loon. Is eindelijk het werk geheel afgeloopen, dan gaat de voorman met den landheer afrekenen, en doet vervolgens rekening en verantwoording in eene vergadering, die te zijnen huize wordt belegd, en waarbij aan ieder zijn gerechte deel wordt uitbetaald. Natuurlijk wordt dan, voor gemeenschappelijke rekening, een maaltijd aangericht, waarop de bierkruik lustig rondgaat.
Somwijlen gebeurt het wel, dat de arbeid op het veld eensklaps door een kluchtig tooneel wordt afgebroken. Daar klinkt uit de verte, op spottenden toon:
Mèëdelver, lange spae, Laet je 'anden wat dichter gae!
Dadelijk worden de spaden in den grond gestoken, en enkelen uit de bende jagen den spotter na, die het natuurlijk uit al zijn macht op een loopen zet. Weet hij een schuilhoek te bereiken, waar hij moeilijk te vinden is, dan wordt de jacht zoo veel te ijveriger en hartstochtelijker voortgezet. Meenen de vervolgers, dat hun man zich in een huis heeft verscholen, dan doorzoeken zij dit van onder tot boven: niemand mag, naar oud gebruik, hun den toegang weigeren. Is eindelijk de schuldige gevonden, dan wordt hij naar het veld gevoerd, waar intusschen de achtergeblevenen een diepen kuil hebben gegraven. Voor dien kuil gebracht, wordt den gevangene de keus gegeven, daarin tot den hals te worden begraven, of zich vrij te koopen met een pint jenever of brandewijn. Daar de heele zaak doorgaans slechts een grap is, betaalt de gevangene zijn pint, zijn losprijs, en wordt dan dadelijk in vrijheid gesteld. Is hij daartoe echter ongezind, dan wordt hij onverbiddelijk in den kuil gestopt, dien de meedelvers rondom hem weer aanvullen en vaststampen, zoodat hij in die houding, alleen met het hoofd boven den grond, een geruimen poos het werk mag aanzien. Voorwaar, een eigenaardige straf, die aan oud-germaansche zeden herinnert.
Jammer, dat deze meekrapcultuur, die voor Zeeland van zoo overwegend belang is, en met hare karakteristieke gebruiken en gewoonten kleur en afwisseling in het vaak zoo eentonige landleven brengt, dreigt ten onder te gaan. Men heeft immers het middel gevonden om de vroeger onmisbare meekrap door eene andere kleurstof, van eenvoudiger en goedkooper bereiding, te vervangen. Mocht dit werkelijk het geval blijken te zijn, dan is de meekrapteelt onherroepelijk veroordeeld, tenzij men ook een middel vinde, om met goed gevolg den strijd tegen dezen nieuwen mededinger te kunnen volhouden. Of door den ondergang dier cultuur duizende gezinnen broodeloos worden, beteekent niets: geen enkele fabriekant zal zich, door overwegingen van dien aard, ook maar een enkel oogenblik laten weerhouden om zich de goedkooper verfstof aan te schaffen, zoo ras hij die krijgen kan. Wie weet, misschien nog weinige jaren, en de vroolijke hoorn der meekrapdelvers zal niet meer door de dorpen en over de velden weerschallen; niet langer zal, van tusschen de struiken of achter de boomen, het spottende refrein den delvers in de ooren klinken:
Mèëdelver, lange spae, Laet je 'anden wat dichter gae!
--Dan zal er geen prettige, jolige jacht meer zijn, om den spotter op te vangen en naar oud recht te straffen; geen lustige maaltijd meer, als het welverdiende loon voor den arbeid ontvangen is;--niets van dat alles meer. Misschien zal dan de meedelver in een fabriek arbeiden, en zijn dagen slijten in verstikkende of bedorven atmosfeer, tusschen stampende en snuivende en steunende machines, met het eeuwig eenerlei harer afgepaste bewegingen, tot hij zelf half in eene machine veranderd is. En zoo zal weder een der trekken van het oude leven zijn uitgewischt, om vervangen te worden door.... ja, door wat? Laat ons, tegen hoop, hopen door iets beters, ook al is nog geen enkel teeken te bespeuren, dat zoodanige uitkomst doet verwachten.
Wij vertoefden eenigen tijd te Heinkenszand, waar wel het een en ander is, dat artistiek gestemde gemoederen kan aantrekken, al ware het slechts de kalme, idyllische natuur.
Wij zaten des middags rustig neder in de voornaamste herberg, en keuvelden met de beide lieve dochters van de kasteleinesse, die bezig waren het koperwerk blinkend te schuren, zoodat ge, om de technische uitdrukking te gebruiken, er uw muts in opzetten kondt. Het dorp was doodstil; allen waren aan den maaltijd. Eensklaps hoorden wij geweerschoten.
"Wat is dat?
--"O, daar wordt een jong gezel doodgeschoten," antwoordt lachende de jongste dochter, terwijl zij met haar moeder en haar zuster naar de deur der herberg loopt.
Inderdaad, daar ging een bruiloftsoptocht voorbij.
De bruid en de bruidegom wandelden aan het hoofd van den vrij langen stoet. Daarop volgden de vader en de moeder:--de vader ernstig, de moeder in tranen. Achter hen kwamen de gehuwde bloedverwanten, en eindelijk een luidruchtige troep van jongelui, die onophoudelijk geweer- of pistoolschoten afvuurden. Van tijd tot tijd werden bovendien door de jongsten zwermen afgestoken.
Wij volgden den blijden stoet. Wij gingen met hen de trouwkamer op het raadhuis binnen; daar werden eenige artikelen der wet voorgelezen, eenige vragen gedaan en stilzwijgend met een hoofdknik beantwoord, eenige handteekeningen verzameld. Toen stond de burgemeester op en sprak op officiëelen toon:
"In naam der wet verklaar ik u gehuwd."
Dat de man nu nog eene meer of min treffende toespraak hield, was louter zijner goedwilligheid te danken: hij had kunnen volstaan met deze officiëele verklaring. Want op deze indrukwekkende wijze wordt, naar de tegenwoordige zede, de heiligste en voor het leven meest gewichtige verbindtenis gesloten. Kan het dorder, doodscher, minder hartverheffend? In zulk een oogenblik, waar het de volle persoonlijkheid, in hare diepste beteekenis geldt, daar wordt soms alleen gesproken in naam der wet, niet van een of anderen persoon, tot wien het harte kan uitgaan, voor wien daar in het gemoed een snaar trillen kan, die wijding geeft aan eene overigens onbeteekenende handeling, maar in naam eener abstractie, vertegenwoordigd door een stuk papier. Och, dat ieder ambtenaar van den Burgerlijken Stand bij het sluiten van een huwelijk daaraan gedachtig mocht wezen en een woord van ernst en opwekking overhad voor hen, die aan den ingang staan van een zoo gewichtige toekomst!
Maar vergeten wij het tooneel voor ons niet.
Zoodra de burgemeester de sakramenteele woorden gesproken heeft, neemt de bruid de hoofdnaald, de groote gouden plaat, die zij van links naar rechts op het voorhoofd droeg, en verplaatst die naar de andere zijde, ten teeken dat zij nu vrouw is geworden.
Van het raadhuis begaf de stoet zich naar de kerk, waar de inzegening van het huwelijk door den predikant zou plaats hebben: eene in ons land vrij algemeene en zeer loffelijke gewoonte; een stil maar welsprekend protest van het volksbewustzijn, van de christelijke conscientie, die met die burgerlijke handeling alléén geen vrede heeft, maar ook den godsdienst zijn recht geeft bij de ernstigste en heiligste daad des levens.
De bruiloft werd, als gewoonlijk, in een der vertrekken van de herberg gevierd: eene antieke kamer, schilderachtig bij uitnemendheid, zooals men er nog velen in Zeeland vinden kan. Boven het hoofd der bruid hing eene fraaie kroon van groen en bloemen en gekleurd en uitgeknipt papier. De kroon verbeeldde een kruis, door bloemen omwonden: zinnebeeldige voorstelling van het huwelijksleven met zijn vreugden en smarten, zijne blijdschap en beproevingen. Deze kroon was door de jonge meisjes van het dorp vervaardigd.
De gasten, vooral ook de jongelui, stroomden in menigte toe, om deel te nemen aan den maaltijd, waarbij het aan geen krentenbrood, geen kalfs- en varkensvleesch, geen rijst met krenten mag ontbreken, en evenmin aan bier en wijn en allerlei likeuren. Zelfs begint in dit opzicht de weelde tegenwoordig al vrij ver te gaan, en kunt ge bij boerebruiloften fijne wijnen op tafel vinden.
Op het oogenblik dat wij de feestzaal binnentraden, was een der gasten, geheel in het zwart fluweel gekleed, waarschijnlijk de dichter van het dorp, bezig, met eene brommende stem, eenige verzen voor te dragen, waarbij hij nu en dan door het orchest, bestaande uit een viool en een fluit, werd geaccompagneerd. De vader van den bruigom lachte en verkocht aardigheden: de moeder der bruid scheen door de poëzie, die toch volstrekt niet tot de verhevenste soort behoorde, tot tranen geroerd. Overigens heerschte er aan tafel eene opgewekte stemming, die steeds vroolijker en luidruchtiger werd. Natuurlijk wordt de bruiloftsmaaltijd door een dans gevolgd: een eigenaardige uitspanning, nadat men tot oververzadiging gegeten en gedronken heeft.
Voor wij Zuid-Beveland verlieten, wenschten wij een kort uitstapje te maken naar Noord-Beveland. Wij lieten ons overzetten naar Kortgene, en wandelden vandaar naar Wissekerke, het voornaamste dorp van het eiland, dat met de daartoe behoorende gehuchten en heerlijkheden, ruim vijf-en-twintig honderd inwoners telt. Het landschap op Noord-Beveland verschilt niet van dat van Zuid-Beveland: dezelfde vruchtbare, zorgvuldig bebouwde streken; akkers, boomgaarden, weilanden. Het tegenwoordige Noord-Beveland is eerst na den grooten vloed van 1532 ontstaan. Bij die gelegenheid werd het gansche eiland overstroomd en totaal verwoest, in die mate, dat er zes-en-zestig jaren moesten verloopen, eer men weder met de bedijking en droogmaking aanving. De thans bestaande dorpen, al dragen zij ook dezelfde namen als die, welke toen door de wateren werden verzwolgen, zijn toch allen na dien tijd gebouwd, naarmate het uit de golven getogen land weder bewoonbaar en bewoond werd.
Eenige uren zijn voldoende om het eiland te leeren kennen; nog den eigen avond keerden wij naar Zuid-Beveland en Goes terug.
XIII.
Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen, ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd; en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen, waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt; evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.
Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen, die hem getroffen hadden. "Gijlieden zijt toch een aristokratisch volk," zeide hij eens tegen mij, "en Voltaire had wel ongelijk met zijn canaux, canards, canaille."
--Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?
--Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt, daaraan ontbreekt het u niet.
--Verklaar u nader.
--Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote en kleine kringetjes, waarvan de toegang onverbiddelijk gesloten blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap, lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.--Gij weet, vervolgde mijn vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving, als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk, in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.
--Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn."
Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, dat Weledelgeboren Heer klonk uitermate dwaas, toen ik het overzette in Sieur bien noblement né!--"Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn reismakker.--Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel aan bijna ieder fatsoenlijk man.--Zoo; ik wist niet, dat men bij u te lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?--Een graaf voert bij ons den titel van Hooggeboren, hautement né; een baron, dien van Hoogwelgeboren, haut et bien né"....." Maar ge begrijpt, dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand aan te spreken dan het eenvoudige Mijnheer, dat ge zoowel tegenover den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.
Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.
Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen, met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware, massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.