Schetsen uit Napels en Omgeving De Aarde en haar Volken, 1909
Part 3
Bij dergelijke processies kunt ge alles nauwkeurig opnemen, zonder dat iemand uw blik te profaan zal vinden; integendeel, de deelnemers zijn er ten hoogste mee vereerd.
Een mijner vrienden wilde een kiekje nemen van het heiligenbeeld van St. Antonius v. Padua, dat in processie werd rondgedragen. Alle pogingen, om dit ongemerkt te verrichten, mislukten--dra hadden de dragers van het beeld hem met zijn camera bespeurd. Maar het hinderde niets; blijde, dat hun beeld zóó door een vreemdeling op prijs werd gesteld, hielden zij halt, maakten eenige ruimte en de opname kon rustig geschieden. Daarna renden zij met hun schutspatroon verder, om het voorste gedeelte van den optocht weer in te halen.
Het doen van geloften is hier bijzonder in zwang.
Wanneer een Napolitaansche vrouw ziek is, belooft zij aan haar beschermheilige, _zichzelf_ een nieuwe japon te bestellen, zoodra zij hersteld is. Moeilijk kan haar man haar dan later weigeren naar de modiste te gaan, want het is toch nu haar heilige plicht. Is de ziekte ernstig, dan doet soms de heele buurt mede, tal van buurvrouwen gaan zich ook nieuwe japonnen beloven. Houdt gij van een grasgroen wandelcostuum met gele linten, dan moet ge de gelofte doen aan St. Anna. Wie verzot is op een witte japon, met zwarte omslagen wende zich tot de Madonna del Carmine; voor een zwarte japon kieze men zich de Madonna Addolorata als beschermheilige. De genezing wordt ook wel verkregen door aan S. Ciro, den patroon van Portici te beloven, op zijn eerstvolgenden naamdag daarheen een uitstapje te maken. Manlief gaat dan ook maar mee, al is hij minder geloovig, want het vuurwerk en de muziek zijn er zoo mooi... [6]
_Het Zoölogisch Station_. Juist in het midden der Villa Nazionale, het heerlijke park langs den zeeoever in het westen van Napels staat een groot wit gebouw, dat op de Golf uitziet met ruime loggia's in Pompeiaansch rood. Het is bijna geheel verscholen tusschen palmen, oleanders, eucalyptusboomen en steeneiken (lecci) met hun rotsachtige schors. In Napels staat dit "paleis der dierkunde" bekend als Acquario, een benaming die slechts voor een deel van het geheel geldt. In 1874 door dr. Anton Dohrn gesticht, was de instelling betrekkelijk klein gehuisvest, maar met den reusachtigen groei der wetenschap breidde ook het station zich uit, zoodat er thans links en rechts van het oorspronkelijke gebouw twee uitgestrekte vleugels, onderling verbonden door galerijen en loopbruggen, zijn bijgekomen.
Voor den niet-dierkundigen reiziger is slechts het eigenlijke aquarium van belang. Wij gaan op de binnenplaats een donkere koele zaal binnen, waar de muren grootendeels uit spiegelglas bestaan. Daarachter ziet ge de dieren- en plantenwereld van de Golf in al haar verscheidenheid, levend in het lichtgroene bijna phosphoresceerende water met zilverwitte luchtbellen. Zeesterren in schitterende steenroode en violette kleuren kruipen met hun duizenden voetjes traag langs het glas, nu en dan een arm omkrullend, zeekomkommers liggen bewegingloos op den rotsachtigen bodem. Verderop gaande ziet ge inktvisschen in verschillende soorten, metaalachtig van huid waarover nu en dan plotseling donkere vlekken heenstrijken als de schaduw van een wolk over het weiland. Eén der grootere soorten, de Octopus of Achtarmige Inktvisch gelijkt met zijn lange slangvormige armen op een afzichtelijken Medusa-kop. De Napolitaan is er echter niet bang voor; het vleesch is voor hem een lekkernij. Vooral in de volksbuurten wordt de inktvisch onder den naam van Calamajo (= inktpot) gekookt in stukken te koop aangeboden. De visschers in hun barca vangen hem 's avonds, door hem met fakkels te lokken; zoodra hij binnen hun bereik is gekomen, pikken zij hem op. In waterkruiken, aan een lang touw gebonden, en gedurende eenigen tijd in zee neergelaten, vestigt de inktvisch soms zijn verblijf en moet dit met den dood bekoopen, wanneer de kruiken later opgehaald worden.
Maar gaan wij verder. In een andere afdeeling zien wij de veelkleurige visschen bont dooreen zwerven, happend naar nauwelijks zichtbare schaaldiertjes of plukkend aan groote lappen zeewier. Reuzenkreeften met lange sprieten en tal van pooten marcheeren met plotselinge rukjes over den bodem of pluizen met hun vinnige scharen de een of andere tritonslak uit elkaar.
Aan loenskijkende haaien geen gebrek. Het is een lust de vlugge en sierlijke bewegingen van deze bij uitstek goede zwemmers te zien.
In een ander bekken heerscht een diepe rust, het is alsof wij een perk van vreemdsoortige bloemen zien, lange buizen, waaruit veelkleurige straalsgewijze armpjes ontluiken. Het zijn kokerwormen, die kalm de voorbijzwevende prooi afwachten. Zoo ge een enkele beweging in het water maakt, is het schouwspel als door een tooverslag veranderd. Weg zijn de schitterende kleuren en ge ziet slechts een woestenij van grauwwitte kalkbuizen, waarbinnen de bewoners zich teruggetrokken hebben.
Wij zullen niet wachten tot de vangarmen zich weer uitgestoken hebben, maar loopen door naar het bassin van de zoogenaamde glasdieren, heerlijke kunstvormen der natuur, in doorschijnendheid soms wedijverend met Venetiaansch kristal. Een Venusgordel zweeft voorbij met parelmoerkleurige trilhaartjes, gevolgd door een keten van Salpen, wier hart men door den lichaamswand ziet kloppen; een opaalkleurige kwal sleept, zich rhythmisch samentrekkend, haar fijne neteldraden zwierig achter zich aan. De uiterst teere bewoners van deze afdeeling moeten helaas dikwijls door nieuwe vervangen worden, daar zij spoedig beschadigd worden of sterven.
Thans hebben wij slechts een klein gedeelte gezien van het eigenlijke zoölogisch station, want op de bovenverdiepingen zijn de talrijke laboratoriën. In het midden is de bibliotheek, één der volledigste op dierkundig gebied in de geheele wereld. De wanden zijn versierd met schoone fresco's van Von Marees, Italiaansche landschappen en zeegezichten met bronskleurige visschers in hun zwaar bedrijf.
Van alle landen komen de dierkundigen hier de rijke fauna van de Golf bestudeeren, de zeedieren van het zuidelijke klimaat, van zand- en rotsbodem, van diepzee en strand.
De Nederlandsche regeering beschikt hier over een werktafel, die zij van tijd tot tijd met boven allen lof verheven mildheid aan een dierkundige ter beschikking stelt.
Maar genoeg hierover. Wij kunnen echter nog geen afscheid van het Aquarium nemen zonder een bezoek gebracht te hebben aan de osteria van Vicenzo Bifulco in de Via del Molo, een der nauwe trapsteegjes der Via Roma. Het is bijna een krot, waar tal van werklieden achter een glas wijn de politiek zitten te bespreken. Het binnentreden van vreemdelingen baart allerminst opzien; de oude Vicenzo weet wel dat zijn zaak in Baedeker met een sterretje wordt vermeld. De wijn kost er bijna niets en is er voortreffelijk. Maar het vreemdelingenboek trekt het meest onze belangstelling, want de inhoud is zeer merkwaardig. Ge leest er ontboezemingen en handteekeningen van groote dierkundigen tusschen de zotste parodieën op de wetenschap, afbeeldingen van de zonderlingste diervormen, die in gegist druivensap kunnen ontstaan, maar nergens op onze planeet te vinden zijn. En al bladerend lezen wij met instemming een variatie op de eerste regels der Divina Comedia:
Midden op den weg onzes levens Bevond ik mij....... in een goede herberg.
_De Golf van Pozzuoli_. Dwars door den hoogen bergrug, die in den Capo Posilippo uitloopt vormt een tunnel (de Grotta nuova) de verbinding tusschen de beide Golven, die van Napels en Pozzuoli. Een breede verkeersweg voor wagens tusschen het tramspoor en een voetpad wordt schamel verlicht door enkele electrische booglampen. Het wagengeratel weerklinkt zóó intens onder het gewelf, dat men elkaar nauwelijks kan verstaan. Aan het uiteinde van den tunnel ligt het gehucht Fuorigrotta ("buiten de grot") in denzelfden stijl of liever even stijlloos gebouwd als Napels. Het is alsof de huizen van de stad Napels tegen den Posilippo opgedrongen, door de grot heen naar buiten zijn gepuild, om een rustiger bestaan te leiden aan de Golf van Pozzuoli. Stil is het hier nog niet; men struikelt er bijna over de kinderen, daar de meeste gezinnen er een 6 à 8 tellen. Maar geen nood, zooals hun ouders hen hier overal vertroetelen, hen op armen en schouders dragen, hen voortdurend kussen, zelfs als ze ondeugend zijn, zoo ziet men het weinig elders; en een schotel maccaroni is er nog wel voor ieder kind. Zelfs vindt men te Napels in kinderrijke gezinnen nog dikwijls aangenomen kinderen. En in de laatste rampvolle dagen van Calabrië en Messina zijn weer voorbeelden te over, hoe zelfs arme soldaten zich het lot van de ouderlooze kinderen aantrekken. Soms als een kind in een Napolitaansch gezin sterft, wordt in het vondelingenhuis door de ouders een plaatsvervanger gezocht, die onder den naam van figlio(a) della Madonna zijn pleegouders, zooals zij gelooven, geluk zal aanbrengen.
's Morgens vroeg komen de oudere meisjes uit Fuorigrotta naar de stad om in de fabrieken te werken. De Villa Nazionale biedt dan een bijzonderen aanblik met al die vroolijke groepjes. Zie ze daar gaan in druk gesprek, blootshoofds, een enkele bloem soms in de blouse gestoken, in hagelwitte zindelijke japonnetjes, en coquet den waaier bewegend. Vele dragen haar badcostuum in een matje gerold bij zich om, vóór zij aan den arbeid gaan, eerst nog een poosje bij Santa Lucia te zwemmen.
Van Fuorigrotta voert een lange stoffige weg door de Phlegreïsche Velden naar Bagnoli en verder langs de klippen naar Pozzuoli, een verkleinde uitgave van Napels. Maar hier staat alle arbeid, alle handel stil. De armoede viert hier hoogtij. Alles, groot en klein, dringt zich aan den vreemdeling op, om hem als gids te dienen. In koor roepen zij u de bezienswaardigheden toe, zij houden u gezelschap terwijl ge door de straten dwaalt, kortom ge geniet hier plotseling een ongewenschte populariteit. Een opgeschoten jongen op bloote voeten onder ons gevolg had het hoogste woord: "La Solfatara, l'Anfiteatro, il Serapeo" hij zou ons er voor 2 lire heen geleiden. Maar ziende, dat hij geen succes had, begon hij zelf af te dingen, 1 lire, 1/2 lire, ten slotte voor 2 soldi. Toen wij hem eindelijk vroegen, ons voor dien prijs bij een guardia municipale [7] te brengen, was hij als weggeblazen.
Er valt niets rustig te bekijken. Want al jaagt de custos uw gevolg weg, het is slechts om zelf des te ongestoorder om "maccaroni" te vragen.
Het Serapeum is de bouwval van een oude markthal, de custode beschrijft het echter als een tempel van Serapis. Drie zuilen trekken er terstond uw aandacht, en niet zonder reden. Zij staan met de basis in het water en op manshoogte, bij allen op de zelfde plaats boven de wateroppervlakte, vertoonen zij de bekende ronde gaten van boorschelpen, m.a.w. er is een tijd geweest, dat dit gedeelte der zuilen zich vroeger onder den zeespiegel bevond. De vulkanische bodem rijst en daalt er nog steeds, al zijn de verschillen thans slechts gering. Geregeld wordt dit van staatswege gemeten. Rondom den bouwval zijn kleine huisjes ingericht tot kostelooze zwavelbaden voor het volk. Wij bevinden ons hier midden in een streek, waar het vulkanisme menschelijkerwijs gesproken in zijn laatste stadium is. Vooral de Solfatara geeft daarvan getuigenis, een vulkaan in zijn laatste stuiptrekkingen. Wie het heerlijke panorama van het klooster Camaldoli gadeslaat, zal Pozzuoli omringd zien van een groote menigte kraters, ronde gaten, waarvan de bodem en wanden thans met liefelijke wijngaarden begroeid zijn. Zóó moet de Vesuvius er uitgezien hebben vóór de uitbarsting die Pompeï verwoestte.
Onder al die kraters is de Solfatara de eenige, die er doodsch en dor uitziet; de wanden zijn geel gekleurd door zwavel en asch. Van Pozzuoli uit bereikt men haar na een half uurtje wandelens bergopwaarts tusschen de wingerden. Na onze lire geofferd te hebben treden wij binnen. Tal van "geautoriseerde" gidsen dringen zich weer aan ons op. Zij beloven ons belangwekkende proeven te vertoonen en voorspellen ons groote gevaren zonder hun geleide. Dit alles doet ons besluiten, ons de medewerking van een gids te verzekeren, na eenig gekibbel over den prijs.
De bodem van den krater, waarover wij loopen is klaarblijkelijk van gestolde lava. Sommige gedeelten, waar nieuwe gaten zijn ontstaan, worden omgeven door bosjes verdroogde planten en doen u, ondanks de hitte, denken aan de wakken van onze Hollandsche ijsvlakten. De bodem klinkt er hol, wanneer gij een grooten steen neerwerpt. Uit de gaten (fumaroli) stijgen fluitend allerlei gassen op. Met een fakkel steekt de gids deze in brand en tot op grooten afstand om u heen bollen thans zware witte rookwolken omhoog; slechts zoolang de brandbare voorraad gassen strekt. Aan den rand van de Solfatara is een opening, de bocca grande [8] waar de gassen met zulk een kracht doorbreken, dat de fijne asch een borrelend geluid maakt als van kokend water. Wanneer de Vesuvius in werking is, houdt dit op, om weer te beginnen als de Vesuvius tot kalmte is gekomen; wel een bewijs, dat beide vulkanen onder den grond met elkaar in verbinding staan. De gids raapt tal van veelkleurige steenen op en radbraakt een menigte scheikundige benamingen, voor iedere kleur een andere. Ik geloof, als het radium tot hem doorgedrongen was, dat hij het u hier zou aanwijzen. Als aandenken wikkelt hij u een paar steenen in een stukje krantenpapier met de verzekering dat het arsenicum is, een hoeveelheid groot genoeg om geheel Napels te vergiftigen.
Hier wordt de van ouds beroemde Pozzolaansche aarde gewonnen, een cement, dat de oude Romeinsche bouwwerken zoo goed voor ons bewaard heeft. Ook thans nog wordt deze zwartgrijze bouwstof in Napels veel gebruikt.
Het Amphitheater is voortreffelijk bewaard. Het gebouw heeft den vorm van een ellips, wier langste as ruim 190 M. lang is en de kortste as ± 144 M. Vooral treffen ons de groote onderaardsche ruimten, die hun licht ontvangen door groote vierkante gaten in de Arena. In de hallen onder de schuinoploopende zitplaatsen zijn groote stallen. Eén dezer is in een kapel herschapen gewijd aan St. Januarius (S. Gennaro) die hier den marteldood vond en wiens bloed nog ieder jaar te Napels aan de kook raakt.
In de Arena hadden onder keizer Nero beroemde gladiatorengevechten plaats, waarbij Nero zelf in het strijdperk trad. De grootste attractie van het theater moeten wel de zeegevechten geweest zijn, als de Arena door lange buizen met water gevuld werd. Maar steeds weer nieuw en vol bekoring is het uitzicht, boven van de zitplaatsen, over de golf van Baia en kaap Miseno. Dat men hier nog oog kon hebben voor barbaarsche gevechten te midden van dit natuurschoon!
_Paestum_. Voor een bezoek naar Paestum, het Posidonia der Ouden, nemen wij den trein die om 8 uur 's morgens uit Napels vertrekt. Dicht langs den zeeoever, door diepe kloven van de lavastroomen aan den voet van den Vesuvius, langs Pompeï, en dan door het nauwe groene dal van Cava dei Tirreni naar Salerno. Al is het een treno direttissimo, toch gaan wij niet snel. Het is merkwaardig, in hoeveel schakeeringen het tempo van den trein is omschreven. Van treno direttissimo, neemt de snelheid af tot treno diretto, dan accelerato (versneld) tot eindelijk den treno omnibus, die als een slak voortkruipt, en in de meening verkeert, dat ge aan ieder klein huisje langs den weg het middagmaal gebruiken zult en iederen boom en hekje nauwkeurig wilt opnemen.
Bij Salerno heeft de trein juist het dal verlaten. Plotseling wordt nu de kust vlak, het gebergte is ver op den achtergrond teruggeweken. Nu gaat het gedurende 1 1/2 uur door een eenzame verlaten vlakte; hier en daar een eucalyptusboom met hangende bladeren, een moeras, een geel maisveld, vlakten met grijs-groene Affodillen (het voedsel der afgestorvenen in de onderwereld [9]) en stekelige Acanthus, wier bladeren het prachtig motief vormden voor de Corinthische kapiteelen. In de eenzaamheid verschijnen soms plotseling groote kudden van zwarte buffels met hoogen, bultigen rug. Slechts zelden een armoedig huisje, de vensters afgesloten door dun muskietengaas; boven de deur twee koehoorns ter afwering van het booze oog en--groote goden!--van dieven.
Eindelijk zijn wij in Paestum; het station bestaat slechts uit een klein huisje, ook weer door gaas aan alle kanten afgesloten. Eenige honderden schreden, en wij treden door de Sirenenpoort den stadsmuur binnen, die opgebouwd is uit vierkante steenblokken zonder kalk. Maar wij vinden binnen deze muren geen levendig verkeer, geen wagengeratel, geen kooplui die er hun waren aanprijzen. In de 6e eeuw v. Chr. was hier een bloeiende stad. Maar langzaam kwam de moordende malaria haar muren binnengeslopen. De bevolking trok zich meer en meer in het verre gebergte terug en thans staat er nog een enkel arm boerderijtje, welks bewoners ternauwernood aan de gevreesde koortsen ontkomen.
Van de vroegere grootheid zijn er nog enkele getuigen, drie statige tempels; de grootste is de tempel van Neptunus (Poseidon), daarnaast de Basilika en op eenigen afstand de Cerestempel. Over hen zijn 25 eeuwen heengegaan, de eeuwen van Romeinschen bloei, van ontstaan van het Christendom, van den riddertijd, van de groote revoluties en veldslagen. Gij gevoelt u hier in een gewijde sfeer en met eerbied nadert ge den trotschen Neptunustempel, na het Parthenon te Athene het schoonste Grieksche bouwwerk. Een goudgele soort kalksteen vormt de grondstof. Uit reusachtige blokken zijn de zuilen opgebouwd, slank van vorm, van onderen breed, van boven smal. Op de platte Dorische kapiteelen rusten de daklijsten en vóór en achter een driehoekig fries. Kijkt ge in den tempel naar boven, dan ziet ge als dak den helderblauwen hemel. Van het geheel gaat een onbeschrijfelijke bekoring en stemming uit. Bij onze nadering vliegt een zwerm raven, in hun rust gestoord, onder luid gekras weg en is weldra verdwenen. Hier en daar kronkelt zich een slangetje of hagedisje met ritselend geluid tusschen de geschroeide planten om zich snel te verschuilen. Voor den tempel ligt de basis van een altaar. Ge ziet in uw verbeelding het volk er voor verzameld; de priesters in lange slepende gewaden brengen een offerande en de zwarte rook kronkelt langs den tempelgevel omhoog ter eere van Poseidon, den zeegod, die in de nabijheid is.
Maar thans niets meer van dat alles. Een paar boerenkindertjes zijn genaderd, armoedig gekleed. Ge kunt de malarialijdertjes onder hen aanwijzen, met hun blauw-witte gelaatstint en hun koude rillingen in de gloeiende zon. "Wel kleine meid, waar is je vader?"--"In Amerika, signore."--"En je moeder?"--"Moeder ligt langen tijd te bed met koorts."--"En wie werkt er nu voor den kost?"--"Mijn broer van 15 jaar, maar hij heeft ook de koorts." Het kind zelf droeg polsmofjes als voorbehoedmiddel tegen de ziekte. Maar vroolijk en opgeruimd waren ze toch allen, die jongens en meisjes van 5 tot 13 jaar.
Nadat zij ons een weinig door den meegebrachten mondvoorraad hadden heengeholpen steeg hun vroolijkheid tot uitgelatenheid. Ongevraagd begon een kleine broekeman de tarentella te dansen, eerst een beetje ingehouden, maar daarna zich met volle aandacht inspannend. De golvende bewegingen van het lenige ventje, het knippen met de vingers boven het hoofd, riepen voor mijn gedachten het bronzen beeldje van den dansenden faun uit Pompeï; zou een zijner voorouders dit den onbekenden kunstenaar geïnspireerd hebben? Heerlijk land, waar nog steeds de modellen van kunstwerken uit de oudheid te vinden zijn, een blinde bedelaar met den kop van een Homerus, een jonge vrouw met het strenge profiel van Pallas Athene onder een helm van blonde haren, een boer met den ruigen puntbaard en de grove trekken van een satyr, een visschersjongen met de voeten van den Apollo van Belvedere, een marskramer het evenbeeld van den Seneca uit het Nationaal-museum.
Wij moeten thans Paestum verlaten, want hoe betooverend het schouwspel ook moge zijn, als de zon achter de stille tempels in zee wegduikt,--dan is het er gevaarlijk in de schemering, wanneer de malariamuggen op roof uitgaan en u dreigend om de ooren gonzen.
De reis gaat terug met een treno omnibus. In een klein stadje stapt een escorte zwaar geboeide gevangenen in (het was Zondag) onder geleide van eenige carabinieri. Ternauwernood kunnen de eerste bij hun boeien nog den mondvoorraad dragen, bestaande uit een flesch wijn, een stuk brood, een tros druiven en wat vijgen, alles in een doek tot een bundeltje geknoopt.
Na 5 uur sporens komen wij te Napels terug, diep onder den indruk van het geziene en onder een laag stof, die ons zwarte kringen om neus en oogen teekent.
AANTEEKENINGEN
[1] Geheim misdadig genootschap.
[2] Witte avond.
[3] Zwarte avond.
[4] Mijnheer, gooi een stuiver in zee.
[5] Geheel goud, mijnheer.
[6] Grant, Stories of Naples and the Camorra.
[7] Politieagent.
[8] Groote mond.
[9] Homerus.
End of Project Gutenberg's Schetsen uit Napels en Omgeving, by G. J. de Groot