Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 6
"Gebruik makende van de ondervinding, die ik in de andere gevallen op had gedaan, liet ik verscheiden onderdeelen der vroeger gevolgde methode na, en begon dadelijk met de vingerspraak. Ik nam daarom verscheidene voorwerpen, die korte namen hebben, zooals sleutel, [1] kop, kroes enz., en met Laura tot medehelpster ging ik zitten, nam zijn hand, legde die op een dier voorwerpen en maakte dan met mijn eigen hand de letters sleutel. Driftig bevoelde hij mijn handen met de zijnen, en daar ik de beweging herhaalde, probeerde hij het, naar men zien kon, om insgelijks de beweging mijner vingers na te bootsen. In een minuut of wat gelukte het hem, die beweging met zijn eene hand te voelen, en de andere uitstekende, probeerde hij om ze na te doen, het uitproestende van lachen als hem dit gelukte. Laura was daarbij tegenwoordig en nam er zelfs zooveel deel in, dat ze er zenuwachtig van werd. Die twee kinderen leverden inderdaad een zonderling schouwspel op: haar gezicht was hoogrood en teekende gejaagdheid, en zoo dicht waren hare vingers tusschen de onzen gestoken, dat zij er elke beweging van volgen kon, zonder ze echter in de beweging te hinderen, terwijl Olivier er opmerkzaam bij stond, met zijn hoofd een beetje op zij, zijn gezicht omhoog, zijn linkerhand in de mijne en met de rechterhand uitgestoken. Bij iedere beweging mijner vingers teekende zijn gezicht de uiterste aandacht; angstige verlegenheid sprak er uit wanneer hij die bewegingen ten uitvoer legde; meende hij het echter te kunnen doen, dan kwam er steelsgewijze een glimlach voor den dag, maar zoodra hij er geheel en al in geslaagd was en voelde dat ik op zijn hoofd tikte en Laura hem hartelijk op zijn rug sloeg en in haar blijdschap maar niets anders deed dan op en neer springen, dan, dan barstte hij in een schaterlach uit.
"Hij leerde meer dan een half dozijn letters in een half uur en scheen in zijn schik over de vorderingen die hij maakte, ten minste over de pluimpjes die ik hem gaf. Dan begon zijn aandacht te verflauwen, waarop ik met hem spelen ging. Het was duidelijk, dat hij bij dat alles tot dusverre alleen de beweging mijner vingers nagebootst en zijn hand op den sleutel, het kopje als anderzins, wat ook bij de les behoorde, gelegd had, zonder het geringste begrip van 't verband tusschen het teeken en het voorwerp zelf.
"Toen hij het spelen moe was, nam ik hem weer aan tafel, en op staanden voet was hij gereed om weer aan 't nabootsen te gaan. Het duurde niet lang of hij leerde de letters voor sleutel, pen, pin maken; en daar ik zorgde, dat het voorwerp zelf gedurig in zijn hand kwam, merkte hij ten laatste het verband, dat ik tusschen teeken en voorwerp wenschte vast te stellen. Dat bleek hieruit, dat, als ik de letters pin of pen of kop of sleutel maakte, hij aan 't uitzoeken ging van 't daarop betrekking hebbende voorwerp.
"Het besef van dit verband ging niet vergezeld van die schitterende flikkering van verstand en dien gloed van blijdschap, waardoor zich het heerlijk oogenblik onderscheidde toen Laura voor 't eerst deze ontdekking deed. Toen legde ik al de voorwerpen op de tafel, en mij een beetje met de kinderen verwijderde, plaatste ik Olivier's vingers in de verschillende positiën om sleutel te spellen, waarop Laura heenging en het voorwerp bracht: dit scheen de kleine jongen erg prettig te vinden, althans hij was toen zeer aandachtig en glimlachte. Ik liet hem toen de letters brood maken, en in een wip ging Laura weer heen en bracht hem een stuk: hij rook er aan; bracht het aan zijn lippen; richtte zijn hoofd met een veelbeteekend gebaar op; scheen een oogenblik na te denken, en begon toen luidkeels te lachen alsof hij wou zeggen: "Zoo, zoo! nu begrijp ik wat die letters eigenlijk beteekenen."
"Nu was het duidelijk, dat hij èn leeren kon èn leeren wou, met andere woorden dat hij de geschiktheid, de vatbaarheid bezat, om onderwijs te ontvangen, en er van zijn kant niets anders dan volhardende opmerkzaamheid vereischt werd. Vandaar dan ook dat ik hem aan een kundig onderwijzer toevertrouwde, volstrekt niet twijfelende of hij zou wel snelle vorderingen maken.
Wel mag deze heer dat een heerlijk oogenblik noemen, toen daar een uitzicht op haar tegenwoordigen toestand, hoe verwijderd toen ter tijd dan ook, voor 't eerst de verdonkerde ziel van Laura Bridgman bestraalde. Zoolang als hij leeft, zal de herinnering aan dat oogenblik hem een bron zijn van rein, onverstoorbaar geluk; ja zelfs dan wanneer de avond van zijn edel, nuttig leven aangebroken is, zal diezelfde herinnering hem niet minder helder bestralen.
De genegenheid, die tusschen deze twee--de onderwijzer en de leerling--bestaat, is even ver van alle gewone etiquette en ontzag verwijderd als de omstandigheden, onder welke ze ontstaan en gevoed is, onderscheiden zijn van de alledaagsche gebeurtenissen des levens. Hij peinst nu over middelen om haar hooger kennis mee te deelen, en haar zoodoende eenig denkbeeld te geven van den grooten Schepper van dat heelal, waar zij zich, hoe donker en stil en reukeloos het voor haar ook moge zijn, zoo diep en zoo hartelijk in verlustigt.
Gij die oogen hebt en niet ziet, en ooren hebt en niet hoort, gij die als de huichelaars uw gezichten mismaakt om voor de menschen den schijn aan te nemen alsof gij vast; leert gij gezonde vroolijkheid en zachtaardige tevredenheid van deze doofstomme en blinde! Heiligen van eigen fabrikaat met uw sombere gelaatstrekken, dit kind dat niet zien en niet hooren en niet spreken kan, het zal u lessen kunnen geven die gij wel zult doen van op te volgen. Laat haar arm handje zachtjens op uw harten liggen; want wie weet of er in die heelende aanraking niet iets ligt dat gelijkt op de aanraking van den Grooten Meester wiens voorschriften gij verdraait, wiens lessen gij verknoeit, van wiens liefde en medegevoel met de geheele wereld niet een onder u in zijn dagelijksch leven zooveel af weet als verscheidene van de slechtsten onder die gevallen zondaars, tegenover wie gij alleen scheutig zijt met uw prediking van hel en verdoemenis!
Toen ik opstond om de kamer te verlaten, vloog een allerliefst kind van een der oppassers naar binnen om zijn vader goedendag te zeggen. Op dit oogenblik maakte een kind met oogen, onder al die van 't gezicht beroofden, bijna een even pijnlijken indruk op me als de blinde jongen in 't portaal gedaan had, twee uur geleden. O! hoeveel helderder en dieper blauw, hoeveel schitterender en rijker dan 't te voren geweest was, was het schouwspel daarbuiten in tegenstelling met de duisternis van zoo menig jeugdig leven daarbinnen!
Te Zuid-Boston gelijk het genoemd wordt, vindt men verscheidene gestichten van liefdadigheid dicht bijeen, waarvan de inrichting volkomen aan 't doel beantwoordt. Een daarvan is het krankzinnigen-gesticht van den Staat, dat op bewonderenswaardige wijze bestuurd wordt volgens die verlichte beginselen van zachtmoedigheid en vriendelijkheid, welke voor twintig jaar erger dan kettersch zouden geweest zijn, doch thans met zoo'n gelukkig gevolg in ons eigen armen-gesticht te Hanwell in toepassing gebracht zijn geworden. "Openbaar een begeerte om zelfs in krankzinnigen eenig vertrouwen te stellen," zei de dokter, die in 't gesticht woont, toen wij de galerijen doorgingen en de patiënten zich vrijelijk om ons heen bewogen. Van degenen die, na getuige te zijn geweest van haar gevolgen, de wijsheid dezer grondstelling toch ontkennen of betwijfelen, gesteld dat er de zoodanigen nog gevonden worden--van hen nu kan ik alleen dit zeggen, dat ik hoop dat ik nooit opgeroepen zal worden om als gezworene zitting te nemen in een commissie van onderzoek, waarin zij betrokken zijn; want louter op grond daarvan zou ik hen voor krankzinnig durven verklaren.
Elke zaal in dit gesticht heeft den vorm eener lange galerij of zaal, waarin de slaapvertrekken der patiënten aan weerszijden opengaan. Hier werken zij, lezen, kegelen en vermaken zich met andere spelen; en als het weer niet toelaat, dat ze in de open lucht eenige beweging nemen, dan brengen ze er gezamenlijk den dag door. Doodbedaard, en precies alsof het zoo behoorde, zaten de doktersvrouw en nog een dame met een paar kinderen onder al die zwarte en blanke krankzinnige vrouwen. Deze dames waren beminnelijk en schoon; en 't was niet moeielijk, met een enkelen oogopslag te bespeuren, dat zelfs haar tegenwoordigheid te dezer plaatse een allerweldadigsten invloed uitoefende op de patiënten om haar heen.
Met haar hoofd tegen den schoorsteenmantel zat een oudere dame, met een zeer deftig voorkomen en van hoogst beschaafde manieren, die zoo opgeschikt was als Madge Wildfire zelve. Vooral haar hoofd zat zoo vol stukjes gaas en katoen en papier, en wat niet al meer, dat het veel weghad van een vogelnest. Zij schitterde van valsche juweelen, droeg een prachtigen gouden bril, die ontwijfelbaar echt was, en liet, toen wij nader kwamen, met sierlijken zwaai op haar schoot een oude smerige krant vallen, waarin zij stellig een verslag moet gelezen hebben van haar eigen voorstelling aan een of ander buitenlandsch hof.
Met opzet ben ik in deze bijzonderheden getreden, omdat deze dame ons een staaltje op zal leveren van de wijze waarop de dokter het vertrouwen zijner patiënten wist te winnen en te behouden.
"Deze dame," zei hij tegen me, terwijl hij me meteen bij de hand nam en de aangedirkte figuur heel beleefd naderde, zonder haar achterdocht door den geringsten blik of de geringste fluistering, of wat dan ook, op te wekken,--"deze dame is de vrouw des huizes, m'nheer. Het is haar eigendom. Niemand anders heeft hier iets te zeggen. Zooals u ziet, is 't een groote inrichting, een inrichting die een talrijk personeel vereischt. Zij leeft, naar u wel merkt, op den deftigsten voet. Zij is vriendelijk genoeg, mijn bezoeken te ontvangen, en mijn vrouw en familie hier te laten wonen, waarvoor we, 't is eigenlijk overbodig dit te doen opmerken, haar ten zeerste verplicht zijn. Zij is buitengemeen hoffelijk, gelijk u wel bespeurt,"--op dit gezegde boog zij heel genadig--"en zal me zeker wel het genoegen toestaan, u aan haar voor te stellen: een heer uit Engeland, mevrouw: pas uit Engeland aangekomen na een zeer stormachtigen overtocht: m'nheer Dickens,--de vrouw des huizes!"
Met de grootste deftigheid en onderscheiding wisselden wij de eerbiedigste complimenten, en gingen toen verder. De overige krankzinnige vrouwen schenen (niet alleen in dit geval, maar in al de andere, uitgenomen haar eigen) heel goed te begrijpen, dat hier comedie gespeeld werd; althans ze hadden er niet weinig schik in. Op dezelfde wijze werd ik op de hoogte gebracht van den verschillenden aard hunner krankzinnigheid, en verlieten we iedereen in de beste luim. Langs dezen weg wordt er met betrekking tot den aard en omvang hunner hallucinatiën niet alleen het onbepaaldste vertrouwen tusschen dokter en patiënt tot stand gebracht maar men kan licht nagaan dat de geneesheer zoodoende de eerste de beste gelegenheid van helderheid kan aangrepen, om hun de verstandsverbijstering, waar ze onder gebukt gaan, onder 't ongerijmdste en belachelijkste licht te plaatsen.
In dit gesticht zit ieder patiënt alle dag met een mes en vork aan tafel; en in hun midden zit de heer, van wien ik zoo even heb meegedeeld op wat voor menschkundige wijze hij zich van zijn taak kwijt. Bij elk diner is 't alleen de zedelijke invloed die de heftigste krankzinnigen weerhoudt, om de rest de strot af te snijden; maar de uitwerking van dien invloed is tot een volstrekte zekerheid geworden, en, zelfs als dwangmiddel, laat staan als geneesmiddel, honderdmaal doeltreffender bevonden dan al de dwangbuizen, kettingen en handboeien, die de onwetendheid, het vooroordeel en de wreedheid sinds de schepping der wereld uit hebben gevonden.
In de werkzaal kan ieder patiënt even frank en vrij met zijn gereedschappen omgaan als was hij goed bij zijn verstand. In den tuin en aan de boerderij werken zij met schoppen, harken en schoffels. Voor hun pleizier wandelen, loopen, visschen, schilderen en lezen zij; ook rijden zij uit in expresselijk voor dat doel gemaakte wagentjes om een luchtje te scheppen. Zij hebben onderling een naai-vereeniging om kleeren voor de armen te maken, die vergaderingen houdt, en besluiten neemt, zonder dat men daarbij zijn vuisten of zakmessen gebruikt, gelijk dit wel eens op vergaderingen van niet-krankzinnigen plaats vindt; kortom alles gaat daar ordelijk en fatsoenlijk zijn gang. De prikkelbaarheid, die zij anders tegen hun eigen vleesch, kleeren en meubelstukken aan den dag zouden leggen, vindt in deze bezigheden een behoorlijke afleiding. Ze zijn opgeruimd, bedaard en gezond.
Eens in de week is er bal, waar de dokter en zijn familie, met het geheele vrouwelijke en mannelijke personeel, een werkzaam deel aan neemt. Dansen en marschen worden er bij de opwekkende tonen eener piano afwisselend uitgevoerd; en nu en dan verplicht deze of gene heer of dame (van wiens geschiktheid men zich vooraf overtuigd heeft) het gezelschap door iets te zingen; doch dit zingen ontaard nooit, bij een teedere ontknooping, in een gegil of gejank, waar ik, rond opgebiecht, wel eenigszins bang voor was. Op een vroegtijdig uur komen zij allen voor deze festiviteit bijeen; om acht uur worden er ververschingen rondgediend, en om negen uur stapt men weer op.
Van 't begin tot het einde heerscht daar een hoogst fatsoenlijke en hoogst beschaafde toon. Dien toon nemen zij allen van den dokter over; nu, er dient dan ook gezegd te worden, dat hij zich als een echte lord Chesterfield onder 't gezelschap weert. Evenals dit met andere bijeenkomsten van dien aard het geval is, leveren ook deze danspartijtjes dagen lang een vruchtbare stof van conversatie onder de dames op; en de heeren snakken er zoo erg naar, bij deze gelegenheden uit te blinken, dat zij soms betrapt zijn geworden, dat zij in hun eentje hun passen bestudeerden, louter en alleen om onder 't dansen een meer gedistingeerde figuur te slaan.
Het ligt voor de hand, dat een voorname bedoeling van dit stelsel is, ook zelfs onder zulke ongelukkige personen een betamelijke achting voor zich zelven in te prenten en aan te moedigen. Iets van denzelfden geest predomineert bij al de inrichtingen van Zuid-Boston.
"Daar hebt ge bij voorbeeld het Werkhuis. In die afdeeling, welke gewijd is aan de ontvangst van oude of op andere wijze hulpbehoevende armen, zijn deze woorden op de muren geschilderd:
/# Het volgende is wel waard, dat men er notitie van neme:
"ZELFBEHEERSCHING, RUST EN VREDE ZIJN ZEGENINGEN." #/
Er wordt niet als vaste regel aangenomen dat zij, die daar zijn, slechtgezinde en gemeene menschen moeten wezen, voor wier duivelsche oogen men noodzakelijkerwijs met dreigementen en strafbepalingen voor den dag moet komen. Zoodra zij maar een voet over dezen drempel zetten, komt men hen met dit zacht beroep op hun eergevoel tegen. Alles binnenshuis is zeer eenvoudig en net, zooals het behoort, maar niettemin met het oog op rust en gemak ingericht. Het kost niet meer dan elk ander plan van inrichting, maar veronderstelt zooveel deelnemende belangstelling in degenen, die door den drang der omstandigheden verplicht zijn, daar een onderkomen te zoeken, dat het hen al dadelijk aanspoort, om dankbaar te wezen en zich goed te gedragen. In plaats van over groote, lange, meer voor vagebonden dan voor menschen geschikte zalen te zijn versnipperd, waar een soort van magere ingevallen wezens, die menschen moeten heeten, den geheelen dag mogen druilen, lamenteeren en bibberen, is het gebouw in afzonderlijke vertrekken verdeeld, waarvan elk zijn aandeel licht en lucht heeft. Hierin nu woont de betere soort armen. In de begeerte om deze kamertjes gemakkelijk en netjes in te richten, hebben zij een drangreden om hun wilskracht te oefenen en hun eerzucht min of meer te bevredigen. Ik herinner me niet, dat ik er een gezien heb of 't was zindelijk en net; daarbij had ieder kamertje een paar bloempotten op de vensterbank, of wat potten en pannen op de plank, of wat gekleurde platen achter glas aan den gewitten muur, of misschien, een houten klok achter de deur.
De weezen en jonge kinderen zijn in een belendend gebouw, dat wel van 't zoo even vermelde is afgescheiden, maar toch tot de Inrichting zelve behoort. Sommigen zijn zulke kleine schepseltjes, dat de trappen van lilliputsche afmeting zijn, berekend naar de kleine stappen die zij kunnen zetten. Dat men hier met piepjonge en zwakke kindertjes te doen heeft, heeft men insgelijks in acht genomen bij de keuze der stoelen, die inderdaad als curiositeiten mogen gelden, en er uitzien als meubelstukken van een armeluitjes poppenhuishouding. Ik kan mij verbeelden hoe onze Poor Law Commissioners (de Commissarissen der Armen-wet) zich er vroolijk over zullen maken, als ze merken dat deze stoelen armen en ruggen hebben; maar daar smalle ruggegraten van ouder dagteekening zijn dan hun inbezitneming van de vergaderzaal op Somerset House, zoo vond ik voor mij, dat zelfs deze voorzorg van een goedhartigheid getuigde, die wel verdiende, opzettelijk te worden vermeld.
Ook hier deed het me bijzonder veel pleizier, opschriften op den muur aan te treffen, die als van louter zedekundigen aard, gemakkelijk onthouden en verstaan konden worden, bij voorbeeld: "Hebt elkander lief!"--"God herinnert zich het geringste schepsel;" en meer van dien aard. De boeken en bezigheden dezer kleintjes waren op dezelfde verstandige wijze naar hun krachten berekend. Toen wij deze lessen nagekeken hadden, zongen vier kleuters van meisjes (waarvan er een blind was) een klein liedje over de lieve Meimaand, dat mij evenwel, zoo allersomberst was de inhoud, doelmatiger zou zijn voorgekomen, al men 't op onze Engelsche Novembermaand gezongen had. Maar dat tot daartoe. Zoodra dat liedje uit was, gingen we hun slaapkamers in oogenschouw nemen op de bovenverdieping, waar alles niet minder voortreffelijk was ingericht dan beneden. En nadat ik opgemerkt had, dat de onderwijzers tot een klasse behoorden en zich door een karakter onderscheidden, alweer in behoorlijke overeenstemming met den geest der inrichting, nam ik afscheid van de kindertjes met een luchtiger hart dan ik van arme kindertjes tot dusverre ooit afscheid genomen had.
Met het Werkhuis is ook een gasthuis verbonden, dat in de beste orde verkeerde, en waar, het doet me pleizier dat ik zeggen kan, verscheidene bedden onbezet waren. Het had evenwel één gebrek, een gebrek dat trouwens aan alle Amerikaansche binnenvertrekken gemeen is: de aanwezigheid namelijk van den eeuwigen, vervloekten, verstikkenden, rood heeten duivel van een kachel, waarvan de adem de zuiverste lucht onder den hemel zou bederven.
In deze zelfde buurt zijn er twee inrichtingen, voor jongens. De eene wordt de Boylston-school genoemd en is een toevluchtsoord voor verwaarloosde en behoeftige jongens, die geen misdaad begaan hebben, maar volgens den gewonen loop van zaken al heel gauw deze betrekkelijke vereerende hoedanigheid zouden verliezen, werden zij niet bijtijds van de hongerige straten opgenomen en hier naar toe gestuurd. De andere inrichting is een Verbeterhuis voor jeugdige misdadigers. Beide zijn onder één en 't zelfde dak, maar de twee klassen van jongens komen nooit met elkaar in aanraking.
Wat hun persoonlijk voorkomen betreft, zien de Boylston-jongens, gelijk men licht kan nagaan, er veel voordeeliger uit dan de anderen. Toen ik ze kwam bezoeken, waren zij in hun schoolkamer, en beantwoordden nauwkeurig, en zonder boek, vragen als de volgende; waar Engeland ligt? hoe ver het van Amerika af ligt? hoeveel inwoners het telt? hoe zijn hoofdstad heet? wat voor regeeringsvorm het heeft? en zoo voorts. Ook zij zongen een liedje van den boer die zijn zaad zaait, en zongen ze bij voorbeeld deze woorden: "'t is zoo dat hij zaait," of "zoo draait hij zich om," of "zoo klapt hij in zijn handen," dan voegden zij er de noodige gesticulaties bij, iets wat van den eenen kant toonde, dat zij er zelf des te meer schik in hadden, en hen van de andere zij gewende, om te zamen op betamelijke manier werkzaam te wezen. Zij schenen een voortreffelijk onderwijs te hebben genoten, en niet minder goed gevoed te worden, want, wat dit laatste betreft, nooit in mijn leven zag ik een troep jongens met dikker wangen en gezonder buiken dan zij.
De jeugdige misdadigers hadden voor een groot deel niet zulke pleizierige gezichten; ook waren er in deze inrichting nogal wat jonge kleurlingen. Ik zag hen eerst aan hun werk (mandenmaken en fabriceeren van hoeden van palmbladeren), naderhand in hun school, waar zij gezamenlijk een loflied op de vrijheid zongen, een dwaas, en, naar men denken kon, eer verbitterend dan opwekkend onderwerp voor gevangenen. Deze jongens zijn in vier klassen verdeeld, ieder met een eigen nommer, dat op hun arm gemerkt is. Komt er een nieuweling, dan wordt hij in de vierde klasse gezet; het staat dan aan hem, om zich door vlijt en goed gedrag tot de eerste op te werken. Het doel van dit gesticht is, den jeugdigen misdadiger door een vastberaden maar vriendelijke en oordeelkundige behandeling te verbeteren; zijn gevangenis tot een plaats van loutering en verbetering, niet van verontzedelijking en bederf te maken; hem dezen indruk te geven, dat er maar één pad is, het pad van noeste vlijt, dat hem ooit tot geluk kan leiden; hem te leeren hoe dat pad moet betreden worden, bijaldien zijn voetstappen tot dusverre nog nooit dien weg hebben ingeslagen; en hem naar dien weg terug te lokken als zijn voeten het spoor bijster mochten geraakt zijn; in één woord, hem aan 't verderf te ontrukken en hem aan de maatschappij terug te geven als een boetvaardig en nuttig lid. Het gewicht van zulk een inrichting, in ieder opzicht en ook uit het oogpunt van menschlievendheid en maatschappelijk nut beschouwd, vereischt geen verder betoog.
Een andere inrichting sluit den catalogus. Het is het Verbeterhuis van den Staat, waar de gevangenen geen woord mogen spreken, maar althans dezen troost en deze zedelijke opbeuring smaken, dat ze elkaar mogen zien en te zamen mogen werken. Dat is het verbeterd stelsel van gevangenistucht, dat wij in Engeland ingevoerd hebben, en dat al sinds ettelijke jaren gunstig onder ons werkt.
Als een nieuw en niet onbevolkt land heeft Amerika in al zijn gevangenissen het eene groote voordeel, dat het in staat is, nuttigen en winstgevenden arbeid voor de gevangenen te vinden; terwijl bij ons het vooroordeel tegen gevangeniswerk natuurlijk heel sterk is, en bijna onoverkomelijk, wanneer eerlijke menschen, die de burgerlijke wetten niet overtreden hebben, maar al te vaak gedoemd zijn, vergeefs naar werk te zoeken. Zelfs in de Vereenigde Staten heeft het beginsel, om den arbeid van veroordeelde misdadigers met den vrijen arbeid te doen concurreeren, wat natuurlijk ten nadeele van laatstgenoemden uit moet vallen, al vrij wat tegenstanders gevonden, en 't schijnt niet, dat deze tegenstand met de jaren verminderen zal.