Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Part 46

Chapter 463,731 wordsPublic domain

In enkele paleizen zijn de schilderijen in het gunstigste licht geplaatst. Er zijn zelden zooveel op ééne plaats, dat er de aandacht door afgetrokken of het gezicht beneveld wordt. Gij ziet ze zeer op uw gemak, en wordt zelden door veel menschen gestoord. Er zijn tallooze portretten van Titiaan, Rembrand en Van Dijk; hoofden van Guido, Domenichino en Carlo Dolci, verschillende onderwerpen van Correggio, Murillo, Raphaël, Salvator Rosa en Spagnoletto. Vele van deze zouden inderdaad moeielijk te hoog, of genoeg geprezen kunnen worden; zoo teer en bevallig, zoo vol edele zielsverheffing, zuiverheid en schoonheid zijn ze.

Het afbeeldsel van Beatrice di Cenci, in het paleis Berberini, is eene schilderij die bijna onmogelijk is te vergeten. Van onder de uitmuntende zachtheid en schoonheid van het gelaat schijnt er iets uit, dat mij bezielt.

Ik zie het nu nog, zooals ik dit papier of mijne pen zie. Het hoofd is los in wit linnen gehuld, terwijl het blonde haar onder de plooien uitkomt. Zij heeft zich plotseling naar u toegedraaid; en er flikkert eene uitdrukking in hare oogen--hoewel zij zeer teer en liefelijk zijn--alsof zij zich tegen de woestheid van een plotselingen schrik of verstrooiing verzette en op hetzelfde oogenblik de zege had behaald; en er niets dan eene hemelsche hoop, eene edele smart en eene eenzame, aardsche hulpeloosheid overbleef.

Eenige overleveringen verhalen, dat Guido het geschilderd heeft in den nacht vóór de voltrekking der doodstraf; eenige anderen beweren, dat hij haar portret uit het geheugen schilderde, nadat hij haar op weg naar het schavot gezien had. Ik wil gaarne gelooven, dat zij, juist als gij haar op zijn doek geschilderd ziet, het hoofd, bij het eerste gezicht van de bijl, te midden van het gedrang naar hem wendde, en in zijn geest een blik drukte, dien hij den mijnen heeft wedergegeven, als had ik te midden der menigte aan zijne zijde gestaan. Het paleis der schuldige Cenci, dat eene geheele wijk der stad bederft, zooals het daar staat en bij stukken in puin valt, bezat in mijne verbeelding diezelfde uitdrukking, welke in zijne akelige poort en in zijne donkere, dicht gemuurde vensters lag, en zijne doodsche trappen op en neder zweefde, en uit de duisternis van zijne spookachtige galerijen groeide. De geschiedenis staat, door de hand der natuur zelve geschreven op het gelaat van het stervende meisje, in de schilderij te lezen. En o! wat jaagt zij, door die enkele toets, de zwakke wereld op de vlucht (in plaats van zich met haar te vermaagschappen), die voorwendt, dat zij, krachtens armzalige, te voren afgesproken bedriegerijen, met haar verbonden is.

Ik zag in het Palazzo Spada het standbeeld van Pompejus; het standbeeld, aan welks voet Cesar viel. Een ernstig, ontzaglijk beeld. Ik verbeeldde mij er een dat uitvoeriger was, van de hoogste verfijning: vol keurige toetsen; en zich minder duidelijk voordoende, in de benevelde oogen van iemand, wiens bloed juist er voor wegvloeide, zich vormde tot zulk eene strenge majesteit als dit beeld bezat, toen de dood zijn opwaarts gewend gelaat kwam bekruipen.

De uitstapjes in de nabuurschap van Rome zijn betooverend en zouden hoogst belangrijk zijn, al ware het maar door de veranderende gezichten, die zij van de woeste Campagna opleveren. Maar iedere duim gronds en elke richting is belangrijk door historische gebeurtenissen en natuurlijke schoonheden. Daar ligt Albano, met het liefelijke meer, en den met bosschen bedekten oever, en met zijne wijngaarden, die zekerlijk sedert de dagen van Horatius niet verbeterd zijn en thans ternauwernood zijne lofrede rechtvaardigen. Daar ligt het vuile Tivoli, met de rivier Anio, die hier haar loop verandert en van eene hoogte van tachtig voeten naar beneden stort. Met zijn schilderachtigen tempel der Sibylle, boven op eene rotspunt: met zijne kleine watervallen, die in de zon schitteren en flikkeren; en een groot hol, dat u somber aangaapt, waar de rivier een vreeselijken sprong neemt en naar beneden, onder sombere rotsen, voortschiet. Daar is ook de Villa d'Este, verlaten en vervallen, te midden van boschjes van droefgeestig uitziende pijn-en cipresseboomen, waar het lusthuis in staatsie schijnt te liggen. Vervolgens is er Frascati, en op de steilte er boven zijn de bouwvallen van Tusculum, waar Cicero leefde, en schreef, en zijn geliefkoosd huis versierde (eenige brokstukken er van kunnen thans nog daar gezien worden), en waar Cato werd geboren. Wij zagen het in puinhoopen liggende amphitheater op een grauwachtigen naren dag, toen de schrale Maartsche wind woei en de verspreide steenen der oude stad om den eenzamen heuvel verspreid lagen, even verwoest als de asch van een reeds lang uitgedoofd vuur.

Op zekeren dag wandelden wij met ons drieën naar Albano, veertien mijlen er vandaan; vurig verlangend er heen te gaan langs den ouden Appiaanschen Weg, sedert lang vervallen en met gras begroeid. Wij vertrokken ten halfacht uur in het open veld (Campagna). Gedurende twaalf mijlen gingen wij klimmende voort, over eene onafgebroken reeks heuveltjes en hoopjes steenen. Graftomben en tempels, die omvergeworpen en voorovergevallen waren; kleine brokstukken van kolommen, friezen en voetstukken; groote blokken graniet en marmer; in puin stortende bogen, met gras begroeid en vervallen; bouwvallen genoeg om er eene groote stad van te bouwen, lagen rondom ons verspreid. Somtijds zagen wij losstaande muren van deze brokstukken door de schaapherders op den weg opgericht; somtijds werden wij verhinderd onzen koers te volgen, door een dijk tusschen twee hoopen van gebroken steenen; somtijds bemoeielijkten de brokstukken zelve, die van onder onze voeten voortrolden, ons het voortkomen; maar het waren altijd bouwvallen. Nu eens volgden wij het spoor van een stuk van den oude weg, boven den grond, dan weder door gras bedekt, alsof dat zijn graf ware; maar de geheele weg bestond uit bouwvallen. In de verte richtten vervallen waterleidingen hare reuzenschreden door de velden; en iedere windvlaag, die naar ons toekwam, bracht, gelijktijdig, vroeg ontloken bloemen en grassoorten, op mijlenlange hoopen puin, in beweging. De ongeziene leeuweriken boven ons, die alleen deze akelige stilte verstoorden, hadden hunne nesten tusschen puinhoopen; en de trotsche herders, in schapevellen gekleed, die nu en dan uit hunne slaapholen zuur naar ons zagen, huisden te midden der puinhoopen. Het gezicht van de verwoeste Campagna aan een zijde, waar zij het vlakst was, bracht mij eene Amerikaansche prairie in het geheugen; maar wat is de eenzaamheid van eene streek, waar nooit menschen gewoond hebben, vergeleken bij die eener woestenij, waar een machtig geslacht de indruksels zijner voetstappen heeft achtergelaten op de aarde van waar het verdwenen is; waar de rustplaatsen hunner dooden, evenals hunne dooden zelven, in puin gevallen zijn, en waar het gebroken uurglas van den tijd slechts een hoop nietig stof is! Toen wij langs dien weg tegen zonsondergang terugkeerden, en uit de verte naar den weg zagen, dien wij in den ochtend waren gegaan, had ik bijna een gevoel (evenals zag ik haar op dit uur voor het eerst) alsof de zon nimmer weder zou opgaan, maar dat zij dien avond voor de laatste maal hare stralen schoot op een in puin gevallen wereld.

Naar Rome bij maanlicht terug te keeren is zulk een dag naar behooren te eindigen. De nauwe straten zonder voetpaden, en waar in iederen donkeren hoek hoopen vuilnis en mest gestopt zijn, vertoonen eene zoo sterke tegenstelling, in hare nauwe ruimten en in hare morsigheid en duisternis, met het ruime plein voor eenige trotsche kerk, op welks midden een obelisk, met hieroglyphen bedekt, ten tijde der keizers uit Egypte aangevoerd, vreemd rondziet op het zonderlinge tafereel er rondom, of soms een oude pilaar, waarvan het vereerde beeld is omvergeworpen, en die een Christenheilige onderschraagt: Marcus-Aurelius, die plaats maakte voor Paulus, en Trajanus voor St. Petrus. Vervolgens zijn er de groote gebouwen, opgericht van den roof uit het Coliseum, die de stralen der maan, evenals bergen, onderscheppen; terwijl zij hier en daar vrijelijk door gebroken bogen en gescheurde wallen schijnt, evenals het leven uit eene wond ontvliedt. De kleine stad van ellendige huizen, door muren omringd, en gesloten door poorten met hekken voorzien, is de wijk, waarin de Joden elken avond worden opgesloten zoodra de klok acht uur slaat--eene ellendige plaats, dicht bevolkt en met onaangename uitwasemingen gevuld, maar waar het volk ijverig is en geld verdient. Wanneer gij over dag door de nauwe straten gaat, ziet gij ze allen aan het werk: op het voetpad, nog vaker dan in hunne donkere en smerige winkels; oude kleederen opknappende en handel drijvende.

Toen wij uit deze dikke duisternis in het heldere licht der maan kwamen, zagen wij de fontein van Trevi, die een honderdtal stralen opspoot, over nagebootste rotsen rolde, en zich voor oog en oor zilverachtig voordeed. In den kleinen, nauwen doorgang der straat achter eene hut, met flikkerende lampen en boomtakken versiert, bemerkt men eene groep somberziende Romeinen, gezeten om hunne koperen ketels met heete soep en gestoofde bloemkool, mooten gebakken visch en flesschen wijn. Wanneer gij den scherp vooruitstekenden hoek om zijt, hoort gij een zwaarmoedig geraas. De voerman houdt plotseling op en neemt zijn hoed af, op het zien van een wagen, die langzaam voortrijdt, voorafgegaan door een man, die een groot kruis draagt, door een fakkeldrager en een priester, die al zingende voortschrijdt. Het is de lijkwagen met de lichamen der armen, om ze in het kerkhof, buiten de muren, te begraven, waar men ze in eene soort van put werpt, welke dezen avond met een steen zal bedekt worden en gedurende een jaar gesloten blijven.

Maar hetzij ge op uw tocht langs de obelisken, kolommen, oude tempels, schouwburgen, huizen, portieken of forums gaat, het is vreemd te zien, hoe ieder brokstuk, zoo vaak 't mogelijk was, in eenig ander nieuw gebouw is gemengd geworden en geschikt gemaakt om tot eenig nieuw doel te dienen--een muur, een woonhuis, eene korenschuur, een stal--een gebruik, waarvoor het nimmer bestemd was, en waarmede het allerellendigst overeenstemt, wanneer het er mede verbonden is. Het is nog vreemder te zien, hoeveel puinhoopen der oude fabelleer, hoeveel brokken van verouderde legenden en eeredienst hier vermengd zijn met den dienst der christelijke altaren: en hoe rijk in vele opzichten het ware en valsche geloof in eene monsterachtige vereeniging zijn saamgesmolten.

Van eene zijde der stad, van waar men het uitzicht heeft over de wallen, vormt eene gedrukte ingedrongene piramide (de begraafplaats van Cajus Cestius) een ondoorschijnenden driehoek in het maanlicht. Maar voor een Engelsch reiziger dient zij ook om het graf aan te duiden van Shelley, wiens asch hier in de nabijheid in een klein tuintje rust. Nog dichter bij, bijna door haar overschaduwd, ligt het gebeente van Keats [41], wiens naam, "op het water is geschreven," dat op een kalmen Italiaanschen avond schitterend in het landschap glinstert.

Men vooronderstelt, dat de Heilige Week in Rome voor alle bezoekers zeer aanlokkelijk is; maar behalve hetgeen er is te zien op Paaschzondag, zou ik diegenen, welke naar Rome gaan, in hun eigen belang aanraden op dien tijd er vandaan te blijven. De plechtigheden zijn over het algemeen van de vervelendste en lastigste soort; de hitte en de volksmenigte bij elke van deze drukt u op pijnlijke wijze; het geraas, het gewoel onder de verwarring maken u geheel verstrooid. Wij hielden op, deze vertooningen na te jagen, toen ze nog pas in den aanvang waren, en zochten weer onze toevlucht bij de puinhoopen. Maar wij mengden ons in het gewoel, om ons deel te hebben van het voornaamste dat er te zien was; en wat wij zagen, wil ik u beschrijven.

Des Woensdags zagen wij weinig in de Sixtijnsche Kapel; want toen wij er aankwamen had de menigte, die ze belegerde, haar tot de deur toe gevuld en stroomde tot in de naast bijgelegene halle, waar de menschen worstelden en elkander verdrukten en wederkeerig uitscholden, en telkens, als er eene bezwijmde dame uitgedragen werd, grooten oploop maakten, alsof ten minste vijftig menschen hare ledige standplaats konden innemen.

In het portaal der kapel hing eene dikke gordijn, en aan die gordijn waren een twintigtal lieden, welke er het dichtst bij stonden en verlangden het Miserere te hooren zingen, voortdurend, elk van zijne zijde, bezig haar heen en weder te trekken, opdat zij niet naar beneden zou vallen en den klank der stemmen dooven. Het gevolg er van was, dat zij de grootste verwarring veroorzaakte en zich als eene slang om de onbedachtzamen scheen te winden. Dan eens werd eene dame er in gehuld en kon er niet uit los komen. Dan weder werd de stem van een halfgesmoorden heer er van binnen uit gehoord, die verzocht dat men hem er uit zou laten. Nu eens worstelden er, evenals in een zak, twee ineengestrengelde armen, zonder dat iemand kon zeggen aan welk geslacht die behoorden. Dan weder werd ze met een oploop geheel binnen de kapel gevoerd, evenals een uitgespreid zeil. Nu kwam zij den anderen weg uit, en sloeg in de oogen van een der Zwitsersche garde van den paus, die juist op dat oogenblik was aangekomen om orde te houden.

Daar wij er niet ver vandaan zaten, tusschen twee of drie heeren uit het gevolg van den paus, die zeer verdrietig waren en de minuten telden--zooals misschien Zijne Heiligheid ook deed,--hadden wij beter gelegenheid om dit zonderlinge vermaak te beschouwen dan om het Miserere te hooren. Somtijds hoorden wij eene verheffing van klagende stemmen die zeer roerend en treurig klonken en wegstierven in eene reeks van diepe tonen; maar dit was ook alles wat wij hoorden.

Op een anderen tijd werden de relieken in de St.-Pieterskerk tusschen zes en zeven uur des avonds ten toon gesteld, en dit was treffend, daar de hoofdkerk duister en somber, en er veel volk in was.

De plaats naar welke de relieken, een voor een, gebracht werden door drie priesters, was een hoog balkon nabij het hoofdaltaar. Dit was het eenigste gedeelte in de kerk, dat verlicht was. Daar branden altijd honderd en twaalf lampen bij het altaar, en behalve dat, twee groote waskaarsen bij het zwarte beeld van Sint Pieter, maar dit beteekent niets in zulk een groot gebouw. De somberheid, en over het algemeen het wenden van de aangezichten naar het balkon, en het nedervallen der ware geloovigen op de steenen, wanneer schitterende voorwerpen, evenals schilderijen of spiegels, opgebracht en ten toon gesteld worden, deed eene goede uitwerking; in weerwil van de zeer ongerijmde wijze, waarop zij ter algemeene stichting werden opgeheven, en de groote hoogte, van waar zij vertoond werden, die men eerder berekend zou achten om de zalving te verminderen, welke uit eene volle overtuiging van hunne echtheid moet ontspringen.

Des Donderdags gingen wij den paus zien, die het sacrament uit de Sixtijnsche Kapel overbracht, om het in de Capelle Paolina, eene andere kapel in het Vatikaan, te plaatsen;--eene plechtigheid, die ten zinnebeeld verstrekt van de begraving van den Zaligmaker vóór zijne opstanding. Wij wachtten gedurende een uur in de groote galerij, met eene groote menigte volks (waarvan drie vierden Engelschen waren), terwijl zij weder het Miserere in de Sixtijnsche Kapel zongen. De beide kapellen kwamen op de galerij uit, en de algemeene aandacht bepaalde zich op het nu en dan openen en sluiten der deur van de ééne, naar welke de paus zich ten laatste begeven zou. Geene dezer ontsluitingen vertoonde iets verbazenders dan een man op eene ladder, die eene groote hoeveelheid kaarsen aanstak; maar bij elke nieuwe opensluiting was er een verschrikkelijke oploop naar de ladder en naar dien man, welke, naar 't mij voorkomt, iets weghad van een charge der Engelsche zware ruiterij te Waterloo. De man viel echter niet naar beneden, en ook niet de ladder, die aanleiding gaf tot de vreemdsoortigste potsen van de wereld onder de menigte,--te midden van welke zij door den man heengedrongen werd, toen al de kaarsen opgestoken waren, en eindelijk op eene zeer wanordelijke wijze tegen den muur van de galerij werd opgehangen, even voordat de opening der andere kapel en het begin van een nieuw gezang de nadering van Zijne Heiligheid verkondigde. Bij deze crisis schaarden de soldaten der garde, die de menigte in alle soorten van vormen geduwd hadden, zich langs de galerij; en de processie naderde, tusschen de twee door hen gevormde rijen.

Daar waren eenige koorzangers en eene groote menigte priesters, die twee aan twee wandelden en die (ten minste de priesters, die er goed uitzagen) hunne brandende kaarsen zoodanig droegen, dat het licht eene goede uitwerking op hunne gelaatstrekken deed; want de kamer was donker. Zij, die er niet goed uitzagen, of geene lange baarden hadden, droegen hunne kaarsen zooals het uitkwam en gaven zich over aan geestelijke bespiegelingen. Ondertusschen was het gezang zeer eentonig en akelig. De processie trok langzaam voort naar de kapel, en het gegons der stemmen duurde nog voort en kwam nader, totdat de paus zelf verscheen, gaande onder een wit satijnen verhemelte en met beide handen het overdekte sacrament dragende; kardinalen en kanunniken, in menigte om hem geschaard, maakten eene schitterende vertooning. De soldaten der garde knielden, toen hij voorbijging; al de toeschouwers bogen; en zoo ging hij in de kapel. Het wit satijnen verhemelte werd aan de deur van hem afgenomen, en in plaats daarvan eene wit satijnen parasol over zijn arm, oud hoofd gedragen. Nog eenige weinige paren vormden de achterhoede en gingen ook in de kapel. Toen werd de deur der kapel gesloten en alles was gedaan; en iedereen snelde hals over kop weg, als gold het leven of dood, om iets anders te zien, en te zeggen, dat het de moeite niet waard was.

Ik geloof, dat het meest door het volk geliefde tafereel, en waarbij ook de grootste menigte menschen tegenwoordig waren (behalve dat van Paaschzondag en Maandag, voor alle klassen van het volk toegankelijk), was, toen de paus de voeten wiesch van dertien mannen, die de twaalf Apostelen en Judas Iscariot moesten voorstellen. De plaats, waar deze godvruchtige dienst verricht wordt, is eene der kapellen van de St.-Pieterskerk, die voor deze gelegenheid was opgesierd; alle dertien zaten op ééne rij, op eene zeer hooge bank, en zagen er uit als waren zij in het geheel niet op hun gemak, daar de oogen van, de hemel weet hoeveel, Engelschen, Franschen, Amerikanen, Zwitsers, Duitschers, Russen, Zweden, Noormannen en andere vreemdelingen, gedurende al dien tijd, onafgewend naar hunne gezichten staarden. Zij zijn in het wit gekleed, en tot hoofddeksel hebben zij eene stijve, witte muts, evenals eene groote Engelsche bierkan zonder handvat. Elk heeft een ruiker, zoo groot als eene kleine bloemkool, in de hand; en twee er van droegen bij deze gelegenheid brillen; die toen ik mij de karakters herinnerde, welke zij moesten vervullen, naar het mij voorkwam een grappig toevoegsel bij de kleeding waren. Men had het karakter nauwkeurig in aanmerking genomen. Sint Johannes werd voorgesteld door een jong mensch van een innemend voorkomen. Sint Petrus door een ernstig, oud man, met een krullenden, bruinen baard; en Judas Iscariot door zulk een verschrikkelijken huichelaar (ik kon evenwel niet bespeuren of de uitdrukking op zijn gelaat wezenlijk of kunstmatig was), dat indien hij, de rol van den persoon geheel vervullende, ware weggeloopen en zich had opgehangen, alles volmaakt zou zijn geweest.

Daar de beide groote loges, voor de dames bestemd, bij dit schouwspel eivol waren, en er volstrekt geene kans was ze nabij te komen, snelden wij met eene groote menigte mede, om bijtijds aan de tafel te komen, waar de paus in persoon deze dertien bedient. Na eene vreeselijke worsteling aan de trap van het Vatikaan, en verschillende persoonlijke botsingen met de Zwitsersche garde, stormde de gansche menigte in de kamer. Het was eene lange galerij, met witte en roode draperieën behangen, met eene andere groote loge voor dames, (die verplicht zijn zich voor deze plechtigheden in het zwart te kleeden en zwarte sluiers te dragen), en eene koninklijke loge voor den koning van Napels en zijn gezelschap. De tafel, gedekt als voor een bal-souper, en die versierd was met gouden beeldjes van de wezenlijke Apostelen, stond op eene verhevenheid aan eene zijde van de galerij. De nagebootste messen en vorken der Apostelen waren aan de zijde van de tafel gelegd, die het dichtst bij den muur was, zoodat men ze zonder verhindering kon beschouwen.

Het midden der kamer was vol vreemde heeren, die op verbazende wijze opeengehoopt waren. De hitte was zeer drukkend en het gedrang somtijds verschrikkelijk. Het was op het hoogst, toen het volk van de voetwassching kwam binnenstormen, en toen was er zulk een geschreeuw en getier, dat een gedeelte der Piemonteesche dragonders de Zwitsersche garde kwamen verlossen en helpen om het oproer te doen bedaren.

De dames waren bijzonder woest in hare worsteling om plaatsen. Eene dame van mijne kennis werd in de dames-loge door eene gespierde matrone om de middel gepakt en uit hare plaats getrokken; en eene andere dame (op de achterste bank in dezelfde loge) maakte zich plaats, door de dames, die voor haar zaten, met eene groote speld te prikken.

De heeren, die om mij stonden, waren bijzonder nieuwsgierig om te zien wat op de tafel stond; en een Engelschman scheen met de geheele zielskracht van zijn aard het besluit genomen te hebben om te ontdekken of er eenige mosterd was. "Bij Jupiter! daar is azijn!" hoorde ik hem tot zijn vriend zeggen, nadat hij een onnoemelijken tijd op de teenen had gestaan en van alle kanten gedrukt en gestooten was geworden. "En er is olie! Ik zag ze duidelijk, in fleschjes! Kan eenig heer, die daar vooraan staat, ook mosterd op de tafel zien? Mijnheer, ge zult me verplichten! Ziet gij ook een mosterdpot?"

De Apostelen en Judas, die zich lang hadden doen wachten, verschenen nu op de verhevenheid en werden voor de tafel, op ééne rij geschaard, met Petrus voorop; en het gezelschap kon ze vrij langen tijd aanstaren, terwijl twaalf er van eens duchtig aan hunne ruikers roken, en Judas--die zijne lippen zeer duidelijk bewoog--een inwendig gebed scheen te doen. Vervolgens verscheen de paus, in een scharlaken kleed, en op zijn hoofd een wit satijnen kapje dragende, te midden van een stoet kardinalen en andere dignitarissen (grootwaardigheid-bekleeders), en nam een klein gouden lampet, waaruit hij een weinig water over een van Petrus' handen stortte, terwijl iemand van het gevolg eene gouden kom; een tweede een fijnen handdoek; een derde Petrus' ruiker hield, welke hem gedurende de plechtigheid afgenomen werd. Dit volbracht Zijne Heiligheid met aanmerkelijke vlugheid, aan iederen man in de rij (ik bemerkte, dat Judas bijzonder verlegen was met deze inschikkelijkheid), en toen begonnen alle dertien te dineeren. Het gebed werd door den paus voorgedragen. Petrus was voorzitter.