Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Part 4

Chapter 43,913 wordsPublic domain

Het is een mooie stad, en 't kan niet missen, zoo komt het mij althans voor, of ze moet op alle vreemdelingen een gunstigen indruk maken. De woonhuizen zijn meerendeels groot en sierlijk; de winkels buitengewoon goed; en de openbare gebouwen fraai. Het State-house (het gebouw waar de staten bijeenkomen) is gebouwd op den top van een heuvel, die bijna van den waterkant af, eerst trapsgewijze, en daarna zeer steil boven den grond uitsteekt. Van verre vindt men een groen veld, de Common genaamd. De ligging is mooi, en van den top af gezien, levert de geheele stad met haar omstreken een bekoorlijk panorama op. Behalve tal van gemakkelijke kamers bevat het gebouw twee fraaie zalen, in een waarvan het Huis der Vertegenwoordigers van den Staat, in de andere de Senaat zijn zitting houdt. De zaken, die ik hier zag behandelen, worden met onberispelijken ernst behandeld en met het grootste decorum, en waren zeker wel berekend om aandacht en ontzag in te boezemen.

Er valt niet aan te twijfelen of de verstandelijke ontwikkeling en meerderheid van Boston is te danken aan den krachtdadigen invloed der hoogeschool van Cambridge, die maar een mijl of vier van de stad afligt. De hoogleeraren dier universiteit zijn geleerde en veelzijdig begaafde heeren; ja zijn, zonder dat ik een enkele uitzondering zou weten op te noemen, van die mannen welke iedere maatschappij in de beschaafde wereld tot sieraad en tot eer zouden verstrekken. Verscheidene deftige burgers, die in Boston en in de omstreken wonen, en ik geloof, dat ik hier zonder vrees voor vergissing gerust mag bijvoegen, de meesten van hen die daar aan de een of andere fatsoenlijke betrekking verbonden zijn, hebben op deze zelfde school hun opvoeding genoten. Welke de gebreken van Amerikaansche hoogescholen ook mogen zijn, ze verspreiden geen vooroordeelen; fokken geen domperianen of fiemelaars; laten er zich niet mee in om de begraven asch van oude bijgeloovigheden op te delven; steken nooit een staak tusschen het volk en zijn vooruitgang; sluiten niemand om zijn godsdienstige meeningen uit; en toonen vooral, uit hun geheelen cursus van studie en onderwijs, dat zij een wereld erkennen, en een wijde wijde wereld ook, die buiten de muren der college-zalen ligt.

Het was me een bron van onuitsprekelijk genoegen, de bijna onmerkbare, maar niettemin zekere uitwerking na te gaan, die deze inrichting op de smalle gemeente van Boston uitoefende; en telkens en telkens weer te bespeuren hoe die inrichting den smaak en de begeerten veredeld had, hoe door haar de innigste vriendschap ontstaan was, wat al ijdelheid en vooroordeel zij uit den weg geruimd had. Het gouden kalf, dat men in Boston aanbidt, is een dwerg, vergeleken bij de reusachtige kalverenbeelden, die opgericht zijn in andere deelen van dat groote handelskantoor, dat daar aan gindsche zij van den Atlantischen Oceaan ligt, en de almachtige dollar verzinkt tot iets, dat vergelijkenderwijs onbeduidend mag heeten, onder een geheel Pantheon van betere goden.

Ik geloof dan ook in alle oprechtheid des harten, dat de openbare inrichtingen van liefdadigheid in deze hoofdplaats van Massachusetts der volmaaktheid zoo nabij komen als wijsheid, welwillendheid en menschelijkheid, in haar hoogsten graad van ontwikkeling, zulke instellingen zou kunnen maken. Nooit in mijn leven trof me de aanschouwing van geluk, onder omstandigheden van ontbering en ellende, in die mate als toen ik deze instellingen bezocht.

Het eigenaardige en aantrekkelijke van al dergelijke inrichtingen in Amerika is, dat de Staat ze òf geheel en al onderhoudt òf bijspringt, en dat zij (bijaldien ze noch het een noch het ander noodig hebben) in allen gevalle één lijn trekken met den Staat en zoo in den vollen nadruk des woords volksinstellingen mogen heeten. Met het oog op 't beginsel en zijn strekking om 't karakter der arbeidende klassen te verheffen of neer te drukken, ben ik overtuigd dat een openbare instelling van liefdadigheid oneindig beter is dan een bijzonder gesticht, met welke rijke fondsen dit laatste ook begiftigd moge zijn. In ons eigen land, waar 't eerst in den laatsten tijd in den smaak der besturen is gevallen, om meer dan gewoonlijk acht te slaan op de groote massa der bevolking of haar bestaan als voor verbetering vatbare schepsels te erkennen, zijn particuliere instellingen van liefdadigheid ontstaan, die, zonder voorbeeld in de geschiedenis der aarde, onder de ellendigen en bedroefden onzer maatschappij onberekenbaar veel goeds hebben gesticht. Maar aangezien het burgerlijk bestuur er part noch deel aan heeft, zoo ontvangt het ook niet het geringste deel der dankbaarheid, die zulke inrichtingen noodzakelijkerwijze moeten inboezemen; en aangezien het al bitter weinig bescherming of hulp verleent buiten 't geen van dien aard in 't werkhuis en de gevangenis wordt aangetroffen, zoo is het alles behalve onnatuurlijk, dat het in 't burgerlijk bestuur eer een streng meester ziet, die klaarstaat om te kastijden en te straffen, dan een vriendelijk beschermer, die goedertieren is en waakzaam in het uur van nood.

De grondstelling dat uit het kwade het goede geboren wordt, wordt ten sterkste bevestigd door deze inrichtingen thuis, gelijk de verslagen van 't Prerogatieve Office in Doctors' Commons (college van civilians of rechtsgeleerden in Londen) in overvloed uit kunnen wijzen. De een of andere schatrijke oude heer of dame, die dik in behoeftige bloedverwanten zit, maakt, volgens een matige berekening, iedere week een nieuw testament. De oude heer of dame, die nooit, zelfs niet in den besten tijd des levens, bijzonder uitblonk op 't punt van goedigheid en scheutigheid, is nu van top tot teen vol kwalen en pijnen; vol inbeeldingen en grillen; vol zwaarmoedigheid, wantrouwen, achterdocht en landerigheid. Oude testamenten te vernietigen en nieuwe te verzinnen, is eindelijk en ten laatste de eenige bezigheid van zoo'n erflater of erflaatster; en bloedverwanten en vrienden (waarvan sommige klaarblijkelijk zijn grootgebracht geworden om een groot deel der nalatenschap te erven, en, met het oog daarop, van de wieg af opzettelijk verleerd hebben om zich op de een of andere nuttige zaak toe te leggen), deze nu zijn zoo dikwijls en zoo onverwachts en zoo kort maar bondig van de lijst geschrapt, en er weer opgezet, en er weer van geschrapt, dat de geheele familie, tot den versten achterneef toe, bij voortduring in een koortsachtigen toestand wordt gehouden. Eindelijk wordt het duidelijk dat de oude dame of heer niet lang meer zal leven; en hoe duidelijker dit wordt, des te duidelijker bespeurt de oude dame of heer, dat iedereen tegen hun armen ouden stervenden bloedverwant samenspant; weshalve de oude dame of heer een anderen laatsten wil maakt--ditmaal stellig den laatsten--dien in een chineesch porseleinen trekpot wegmoffelt en den volgenden dag sterft. Dan komt het uit, dat de geheele nalatenschap verdeeld is onder een half dozijn liefdadige inrichtingen; en dat de overledene en opgestapte erflater of erflaatster louter uit spijtigheid heel wat goeds in de hand gewerkt heeft, en dat ten koste van een onmetelijk bedrag van lagen hartstocht en ellende.

Het Blinden-Instituut te Boston of zooals de officieele titel luidt "the Perkins Institution and Massachusetts Asylum for the Blind," wordt bestuurd door een college van commissarissen die daaromtrent jaarlijks een verslag uitbrengen aan de corporatie. De behoeftige blinden van dien Staat worden kosteloos opgenomen. De blinden uit den naburigen Staat Connecticut, of uit de Staten Maine, Vermont of New Hampshire, worden alleen toegelaten onder borgstelling van den Staat, waar zij respectievelijk toe behooren, of, bij gebrek daarvan, dienen hun vrienden zekerheid te geven aan 't gesticht voor de betaling van ongeveer twintig pond voor de verpleging en 't onderwijs van 't eerste jaar, en tien pond voor 't tweede jaar. "Na het eerste jaar," zeggen de commissarissen, "zal er met iederen pupil een rekening-courant geopend worden; hij zal gedebiteerd worden voor de kosten zijner verpleging die een bedrag van twee dollars per week niet zullen te boven gaan"--ongeveer vijf gulden--"en gecrediteerd zal hij worden voor 't bedrag dat de Staat of zijne vrienden voor hem betaald hebben; ook voor hetgeen hij meer verdient dan zijn kostgeld bedraagt, zoodat al wat hij meer verdient dan één dollar per week, voor hem zelf zal zijn. Met het derde jaar zal 't bekend zijn of zijn verdiensten meer bedragen dan 't kostgeld voor zijn verpleging; zoo ja, dan zal 't aan hem staan, om te blijven en zijn loon te ontvangen, al dan niet. Zij, die niet in staat blijken te zijn, om de kosten van hun onderhoud te bedruipen, mogen niet langer blijven; daar 't niet wenschelijk is, de inrichting in een soort van aalmoezeniershuis te veranderen of andere dan werkbijen in den korf te houden. Zij, die wegens lichaamsgebreken of zwakte der zielsvermogens niet werken kunnen, kunnen dan ook geen leden zijn van een nijvere vereeniging; en kunnen beter verzorgd worden in gestichten die voor zwakken en zieken opgericht zijn."

Op een zeer mooien wintermorgen ging ik deze plaats opzoeken; ik had een Italiaanschen hemel boven mij en de lucht was aan alle kanten zoo helder en klaar, dat zelfs mijn oogen, die niet van de beste zijn, de kleinste lijnen van afgelegen gebouwen heel goed onderscheiden konden. Gelijk de meeste andere openbare inrichtingen in Amerika van dezelfde soort staat ook het Blinden-Instituut een mijl of twee buiten de stad op een even liefelijke als gezonde plek, en is een luchtig, ruim en mooi gebouw. Het is gebouwd op een hoogte, die de haven beheerscht. Toen ik een oogenblik aan de deur stil bleef staan en merkte hoe frisch en vrij het geheele tooneel was--wat glinsterende bellen er op de golven tintelden en ieder oogenblik naar de oppervlakte opborrelden alsof de wereld daar beneden evenals die daarboven schitterde van 't zonnelicht en de volheid van haar glans uitstortte,--toen ik, van 't eene zeil naar 't andere kijkende, ten laatste een schip op zee gewaar werd, een klein wit glinsterend stipje, het eenige wolkje aan 't stille, diepe en ver zich uitstrekkend azuur,--en, me omdraaiend, een blinden jongen zag, die zijn gezicht naar dien kant keerde alsof hij eenig gevoel in zich had van die heerlijke ruimte,--toen gevoelde ik een soort van smart, dat de plaats zoo bijzonder licht moest zijn, en rees er een vreemde wensch bij me op, dat ze om zijnentwille donkerder mocht wezen. Natuurlijk was dat maar een kortstondige opwelling en louter verbeelding, maar niettemin gevoelde ik 't diep, o zoo diep.

De kinderen waren aan hun dagelijksche bezigheden in verschillende kamers, behalve een stuk of wat, die al vrijaf hadden en nu speelden. Hier draagt men niet eenerlei kleeding zooals in vele inrichtingen; en om twee redenen was ik daar zeer blij om. Ten eerste, omdat ik zeker ben dat niets dan onzinnige sleur en gedachteloosheid ons verzoenen kan met de livreien en kenteekenen, waar we thuis zoo dol veel van houden. Ten tweede, omdat de bezoeker bij ontstentenis van deze dingen ieder kind in zijn of haar eigen karakter met zijn of haar ongeschonden individualiteit kan zien, zonder dat dit karakter verloren gaat in een sombere, leelijke, eentonige herhaling van 't zelfde nietsbeteekenende kleedingstuk, iets dat werkelijk een zaak van hoog gewicht is. De wijsheid om, wat hun voorkomen betreft, zelfs onder de blinden een beetje onschuldige fierheid aan te moedigen, of de grillige ongerijmdheid om, gelijk wij, Engelschen, doen, liefdadigheid en een leeren broek als onafscheidelijke metgezellen te beschouwen, ziedaar iets dat geen Commentaar van noode heeft.

In iederen hoek van 't gebouw heerschte orde, zindelijkheid en gemak. De verschillende klassen, die om hun meesters heenstonden, beantwoordden de hun gedane vragen vlug en met nadenken, terwijl de aardige wijze waarop ieder zijn best deed, om 't van zijn buurman te winnen, mij recht veel pleizier deed. Zij, die aan 't spelen waren, waren opgeruimd en maakten evenveel leven als andere kinderen. Er scheen veel meer wezenlijke en innige vriendschap onder hen te bestaan, dan men gewoonlijk onder andere jonge menschen aantreft die geen gebrek kennen; maar dit verwachtte ik en was daarop voorbereid. Dat behoort ook al tot het groote raadsbesluit van 's Hemels genadige zorg voor de ongelukkigen dezer wereld.

In een opzettelijk daarvoor ingericht gedeelte van 't gebouw zijn werkplaatsen voor blinden, wier opvoeding afgeloopen is en die een ambacht geleerd hebben, maar het wegens hun organisch gebrek in een gewonen winkel niet voort kunnen zetten. Hier waren verscheidene personen aan den gang; ze maakten borstels, matrassen en zoo voorts; en de vroolijke stemming, bedrijvigheid en orde, die in elk ander gedeelte van 't gebouw vielen op te merken, ze heerschten ook in dit departement.

Zoodra er een bengel luidde, begaven al de kweekelingen zich zonder eenigen gids of leidsman naar een ruime muziekzaal, waar ze in een voor dat doel opgericht orchest plaats namen, en met kennelijk genoegen naar een fantasie op 't orgel luisterden, die door een der hunnen gespeeld werd. Toen dat stuk uit was, werd de uitvoerder, een jongen van een jaar of twintig, door een meisje vervangen, en door haar geaccompagneerd zongen zij allen een gezang, en daarna een soort van koor. Men werd er naar van hen te zien en te hooren, al waren zij in hun toestand ontegenzeglijk gelukkig; en ik zag dan een zeker blind meisje (ten gevolge eener ziekte voor 't oogenblik van 't gebruik van hare ledematen beroofd) vlak naast mij zat met haar gezicht naar hen toegekeerd, en in stilte schreide terwijl zij luisterde.

Het is vreemd, de gelaatstrekken der blinden waar te nemen en dan te zien hoe onbewimpeld hun gedachten zich daarop afteekenen; een waarneming, naar aanleiding waarvan een man met oogen wel blozen mag over 't masker dat hij draagt. Daargelaten een zweem van verlegenheid, waar hun voorkomen nooit vrij van is, en die, we mogen dit gerust veronderstellen, ook uit onze eigen gezichten spreekt als we probeeren om onzen weg in den donker te gaan voelen, dat nu daargelaten, wordt elk denkbeeld, zooals het bij hen oprijst, met de snelheid des lichts en de waarheid der natuur uitgedrukt. Als het gezelschap op een partij of receptie ten hove maar voor eenigen tijd even onbewust was van de oogen, die op hen gevestigd zijn als blinde mannen en vrouwen, wat al geheimen zouden er uitkomen, en wat een bewerker van huichelarij zou dit gezicht, waarvan wij het gemis zoozeer betreuren, schijnen te wezen!

Die gedachte schoot me te binnen, toen ik in een andere kamer voor een blind doofstom meisje zat, dat buitendien beroofd was van 't zintuig van den reuk, en, wat daarmee zoo nauw in verband staat, van 't zintuig van den smaak: een mooi, jong schepseltje van teeren bouw, waarin elk menschelijk vermogen en hoop en kracht der goedheid en der liefde gehuisvest was, doch met slechts één zintuig, één uitwendig zintuig toegerust--het zintuig van 't gevoel. Daar zag ik ze voor me, als 't ware gebouwd in een marmeren cel waar geen enkele lichtstraal en niet het geringste geluid in door kon dringen; met haar magere witte hand door een spleet in den muur heengestoken, den een of anderen menschlievenden mensch om hulp wenkende, dat die een Onsterfelijke ziel mocht wakker maken.

Lang voordat ik naar haar keek, was die hulp gekomen. Haar gezicht straalde van verstand en genoegen. Door haar eigen hand gevlochten, was heur haar opgebonden rondom een hoofd, waarvan de verstandelijke kracht en ontwikkeling op zoo schoone wijze door de gelaatstrekken en de breede open wenkbrauwen werd uitgedrukt; door haar zelve in orde gebracht, was hare kleeding een model van netheid en eenvoud; haar breiwerk lag naast haar; haar schrijfboek op den lessenaar waar ze op leunde.--Uit den treurigen bouwval van haar rampzalig bestaan was van lieverlede dit lieve, teedere, arglooze, dankbare wezen verrezen.

Evenals andere bewoners van dat huis, droeg zij een groen lint om haar oogleden gebonden. Een pop, die zij aangekleed had, lag naast haar op den vloer. Ik nam die pop op, en zag dat ze een groen lint, zooals zij zelve droeg, gemaakt en dat voor de nagebootste oogen der pop gebonden had.

In een kleine afgesloten ruimte, die door schoollessenaars en banken gemaakt was, zat zij haar dagboek te schrijven. Maar zij maakte dit werk gauw af en trad in een levendige gebarenwisseling met een onderwijzeres die naast haar zat. Deze was een lieveling van 't arme kind. Ik ben er zeker van, dat als zij het gezicht van haar schoone onderwijzeres had kunnen zien, zij haar niet minder lief zou hebben.

Ik heb eenige losse fragmenten van haar geschiedenis uit een verslag getrokken, dat geschreven was door dienzelfden man die haar gemaakt heeft tot wat zij is. Het is een zeer mooi en treffend verhaal, en ik wenschte dat ik het geheel en al mee kon deelen.

Haar naam is Laura Bridgman. "Ze was den een en twintigsten December 1829 te Hanover, New-Hampshire, geboren. Volgens de beschrijving moet ze een allerlevendigst en lief kind geweest zijn met heldere blauwe oogen. Tot aan den leeftijd van anderhalf jaar was ze echter zoo tenger en zwak, dat haar ouders maar een flauwe hoop hadden, haar te behouden. Zij leed aan geweldige toevallen, die boven haar krachten schenen te gaan, en zooals men zegt, hing haar leven aan een zijden draadje, maar toen ze anderhalf jaar oud was, scheen zij er bovenop te komen; de gevaarlijke verschijnselen verminderden, en toen ze twintig maanden oud was, was ze volmaakt wel.

"Snel ontwikkelden zich toen hare zielsvermogens, die tot dusverre in hun groei tegengehouden waren; en als we het bericht eener moeder, die dol veel van haar kind hield, mogen gelooven, dan legde zij gedurende de vier maanden gezondheid, die zij genoot, een hooge mate van bevattelijkheid aan den dag.

"Maar plotseling werd ze weer ziek; vijf weken lang woedde haar ziekte allergeweldigst, haar oogen en ooren werden ontstoken, en veretterden geheel en al. Maar ofschoon zij èn gezicht èn gehoor voor altijd kwijt was, was het lijden van 't arme kind daarom nog niet gedaan. Zeven weken lang woedde de koorts; vijf maanden lang moest ze te bed blijven in een donker gemaakte kamer; een jaar verliep er voordat ze zonder steun kon loopen, en twee jaar voordat ze den geheelen dag op kon zitten. Nu kwam men tot de treurige ontdekking, dat haar reukorgaan bijna geheel en al vernietigd, en bijgevolg haar smaak erg verstompt was.

"Niet voor haar vierde jaar scheen de lichamelijke gezondheid van 't arme kind hersteld te zijn, en eerst toen was ze in staat om iets van 't leven en de wereld te leeren kennen.

"Maar in wat voor toestand bevond zij zich! Om haar heen de duisternis en de stilte, van 't graf; geen moederlijke glimlach lokte een glimlach op haar gezicht, geen vaderlijke stem leerde haar, om zijn klanken na te bootsten;--haar broers en zusters waren niet anders dan voorwerpen die zij kon aanraken; nu ja, maar die overigens alleen in zoover van de meubelstukken thuis verschilden, dat zij warm waren en zich konden bewegen; en zelfs in dit tweeërlei opzicht waren ze voor haar niet van den hond en de kat te onderscheiden.

"Maar de onsterfelijke geest, die haar ingeplant was, kon niet sterven, noch bedorven of verminkt worden; en ofschoon de meeste zijner toegangen van gemeenschap met de wereld waren afgesneden, begon hij zich door de anderen te openbaren. Zoodra zij kon loopen, begon ze de kamer te onderzoeken; daarna het huis; ze werd gemeenzaam met den vorm, den omvang, het gewicht, en den warmtegraad van ieder voorwerp, waar ze haar handen maar op leggen kon. Zij volgde haar moeder en voelde haar handen en armen, als die met haar huiswerk in de weer was; en haar neiging om na te bootsen spoorde haar aan, om alles zelve nog eens over te doen. Ze leerde zelfs een beetje naaien en breien.

"Ik zal den lezer evenwel niet opzettelijk behoeven te doen opmerken, dat de gelegenheden, om gemeenschap met haar te oefenen, zeer, zeer beperkt waren; en dat het niet lang duurde, of de zedelijke gevolgen van haar rampzaligen toestand kwamen voor den dag. Zij, die langs den zedelijken weg niet verlicht kunnen worden, kunnen alleen door geweld worden geleid; een omstandigheid die, gepaard met haar groote ontberingen, haar spoedig in een toestand zou gebracht hebben nog erger dan die van beesten, ware het niet, dat er bijtijds onverwachte hulp op kwam dagen.

"Toen der tijd was ik zoo gelukkig van 't kind te hooren, en vertrok onmiddellijk naar Hanover om 't op te zoeken. Ik vond haar met een welgevormd uiterlijk; een sterk geteekend, nerveus-sanguinisch temperament, een breed en schoon gevormd hoofd en 't geheele systeem in gezonde actie. Het kostte mij niet veel moeite de ouders over te halen, om hun toestemming te geven, dat het kind te Boston zou komen, en den 4 October 1837 brachten zij het naar 't Instituut.

"Gedurende eenigen tijd was zij allesbehalve op haar gemak, en nadat men een paar weken gewacht had, in welken tusschentijd zij met haar nieuw verblijf bekend werd gemaakt, en ook met de overige bewoners ietwat gemeenzaam was geworden, probeerde men, haar op de hoogte te brengen van willekeurige teekens, waarmee zij van gedachte kon wisselen met anderen.

"Van tweeën één: òf men kon in dit geval een teekentaal bouwen op den grondslag van de natuurlijke taal die zij zelve al begonnen had, òf men kon haar de algemeen in gebruik zijnde willekeurige taal leeren. Met andere woorden: men kon haar òf een teeken geven voor ieder afzonderlijk voorwerp, òf kennis van letters met behulp waarvan zij haar denkbeeld van 't bestaan, en de wijze van bestaan, onverschillig van welk voorwerp, uit zou kunnen drukken. De eerste methode zou gemakkelijk geweest zijn maar zeer weinig aan 't doel beantwoord hebben; de tweede scheen zeer moeilijk, maar, eenmaal voltooid, alleszins doeltreffend. Ik besloot derhalve, hier den laatsten weg in te slaan.

"De eerste proeven werden genomen met voorwerpen van algemeen gebruik, zooals messen, vorken, lepels, sleutels enz., waar men een soort van etiquette op vastplakte met den naam in zoogenaamd opgelegd schrift er op. Dit schrift bevoelde ze zeer attent, en ze merkte natuurlijk al heel spoedig, dat de kromme lijnen of teekenen van 't woord lepel evenveel van die van 't woord sleutel verschilden als de lepel in vorm verschilde van den sleutel.

"Toen werden haar kleine losse etiquetten. met dezelfde woorden er op gedrukt, in handen gegeven en merkte ze al heel gauw, dat ze gelijk waren aan die, welke men op de voorwerpen geplakt had. Dat zij deze gelijkheid ontdekte, toonde ze hierdoor, dat ze de etiquette sleutel op den sleutel legde, en de etiquette lepel op den lepel. Hier werd zij aangemoedigd door 't natuurlijk teeken van goedkeuring, door haar namelijk op 't hoofd te tikken.

"Hetzelfde werd toen gedaan met al de voorwerpen die zij hanteeren kon; en zeer gemakkelijk leerde zij er de etiquetten op leggen die er bij behoorden. Het lag evenwel voor de hand, dat de verstandelijke oefening niet verder reikte dan tot nabootsen en onthouden. Zoo herinnerde zij zich dat de etiquette boek op een boek gelegd was, en herhaalde de handeling eerst uit nabootsing, daarna uit het geheugen, met geen andere drangredenen dan dat ze graag een pluimpje kreeg, maar kennelijk zonder zich zelve eenigermate bewust te zijn van 't verband tusschen de dingen.

"Na een poos werden haar in plaats van etiquetten de afzonderlijke letters gegeven op losse reepjes papier: men legde ze naast elkaar, dat ze het woord boek, sleutel enz. spellen kon; dan werden die letters door elkaar geschud en gaf men haar een teeken, dat zij ze zelven zoo moest rangschikken, dat ze de woorden boek, sleutel enz. uitdrukten, wat zij dan ook deed.