Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Part 39

Chapter 393,914 wordsPublic domain

Daar was een licht gehamer in deze plaats hoorbaar, daar men er schepen bouwde en kleine werkzaamheden verrichtte; want de grootheid der stad bestond niet meer, zooals ik gezegd heb. Het scheen inderdaad een wrak te zijn, dat drijvende op het water was gevonden, met eene vreemde vlag ten top geheschen en vreemdelingen aan zijn roer.

Een prachtig versierd vaartuig, waarmede zijn vroeger opperhoofd op zekere tijden van het jaar wegvoer, om den Oceaan te huwen, lag, meen ik, niet meer hier; maar, in zijne plaats, lag er een klein model, vervaardigd uit het geheugen, evenals de grootheid der stad vroeger: en het sprak tot mij van hetgeen geweest was (zoo worden de sterken en de zwakken in het stof gelijk), bijna even welsprekend als de hechte pilaren, bogen en zolderingen, opgericht om de fraaie schepen te overschaduwen, die nu geen andere schaduw hadden, op het water of op de aarde.

Nòg was er eene wapenkamer. Geplunderd en vernield, maar toch eene wapenkamer, met een trotschen standaard, op de Turken veroverd, die kwijnde in de sombere lucht van zijne kooi. Rijk versierde malierustingen, door voorname krijgslieden gedragen, waren daar bijeenverzameld; kruisbogen en werpspietsen; kokers vol pijlen, speren, zwaarden, dolken, knotsen, schilden en zware strijdbijlen. Platen van bewerkt staal en ijzer, om van het edele ros eene monster te maken, geheel in metaal gesloten; en een werktuig (dat gemakkelijk op de borst kon gedragen worden), geschikt om zonder gedruisch dienst te doen: namelijk om de lieden met vergiftigde pijlen te doorschieten.

Eene kast of een gat zag ik, vol met gevloekte marteltuigen, op afgrijselijke wijze daargesteld om de beenderen der menschen saam te drukken, en in elkander te knijpen en te vermalen, en te verpletteren, en ze vaneen te rijten en te verdraaien onder eene pijn, als stierf men duizend dooden. Twee ijzeren helmen en borststukken lagen er voor, om de hoofden der nog levende martelaars te drukken en te omsluiten; en boven op elken was eene kleine verhevenheid, evenals eene aambeeld, waarop de duivel, die de marteling bestuurde, zijn elleboog kon doen rusten en zich vooroverbuigen om naar de klaagtonen en bekentenissen van de ongelukkigen te hooren. De ijzeren helmen hadden nog een flauwe gelijkenis met het menschelijk gelaat--zij waren vormen van aangezichten, waarvan het zweet afliep en die door pijn verwrongen waren--zoodat het moeielijk viel te denken, dat ze ledig waren; en vreeselijke kramptrekkingen, die er nog in zweefden, schenen mij te volgen, toen ik mij weder naar mijne boot begaf en naar eene soort van publieke wandeling op zee roeide, waar gras en boomen waren. Maar ik vergat die folteringen toen ik aan het uiterste einde er van stond--ik stond daar in mijn droom--en langs de kust zag, naar de ondergaande zon: vóór mij, in de lucht en op de diepte een karmozijnrooden gloed, en achter mij, de geheele stad, die zich oploste in strepen van rood en purper op het water.

In de bovenmatige verwondering over een zoo zeldzamen droom, lette ik niet op den tijd en begreep weinig van zijne vlucht. Maar er waren dagen en nachten in, en als de zon hoog aan den hemel stond en als de stralen der lampen weerkaatst werden door het snelvlietende water dreef ik nog steeds, (zooals ik dacht) met het opkomen van het getij, dat mijn donkere boot, door de straten deed varen, tegen de slibberige muren en huizen plassende.

Somtijds klom ik af aan de deuren van kerken en groote paleizen, en wandelde van kamer tot kamer, van zijvleugel tot zijvleugel, door doolhoven van rijke altaren, oude gedenkteekenen en vervallen vertrekken, waar de meubelen, half vreeselijk, half belachelijk wegrotten. Er waren schilderijen, waaruit zulke eene oneindige schoonheid en uitdrukking, zulk een hartstocht, waarheid en macht straalde, dat zij even zoovele jonge en versche wezenlijkheden schenen, te midden van een leger geesten. Ik verbond ze, in mijne verbeelding, met de oude dagen der stad; met hare schoonheden, aanvoerders, burgers, kooplieden, makelaars, priesters; ja, zelfs met hare steenen en pleinen; allen omringden mij weder, met een nieuw leven bezield. Vervolgens eenige marmeren trappen afklimmende, waar het water tegen sloeg en af zijpelde, stapte ik in mijne boot, en voer, al droomende, verder.

Ik ging door nauwe straten, waar timmerlieden, in hunne winkels met zaag en beitel aan het werk, lichte krullen in het water slingerden, waar ze evenals wier lagen, of, door den vloed, als een saamgepakte hoop langs mij heen werden gevoerd. Ik trok langs openstaande deuren, vervallen en verrot, omdat ze lang in het nat stonden, door welke een kleine reep van een wijngaard groen en helder schitterde, en met zijne lispelende bladen ongewone schaduwen op de straat wierp. Ik trok langs kaaien en terrassen, waar vrouwen, bevallig gesluierd, heen en weder gingen, en waar luiaards in den zonneschijn op de steenen of op de trappen lagen. Ik trok langs bruggen, waar ook menschen waren, die heen en weder slenterden en nu en dan over de leuning keken. Daaronder waren steenen balkons, zóó gebouwd, voor de hoogste vensters van de hoogste huizen, dat ze hem duizelig maakten, die er naar keek;--trok voorbij tuinen, schouwburgen, reliekenkastjes, wonderbare groepeering van bouwwerken--Gothische--Saraceensche--grillig met beelden van alle tijden en landen versierd; trok langs gebouwen, die hoog en laag, en zwart, en wit, en recht, en krom, gemeen en grootsch, vervallen en sterk waren;--verwarrende te midden van een dichten hoop booten, en ten laatste terecht komende in eene groote gracht! Daar verbeeldde ik mij, in mijn droom, den ouden Shylock heen en weder over de brug te zien gaan, die geheel met winkels bebouwd was en van waar een gegons van menschenstemmen oprees. Een vorm, die mij toescheen Desdemona te zijn, boog voorover, onder een zonneblind door, om een bloem te plukken. En in den droom dacht ik, dat de geest van Shakespeare ergens over het water zweefde, en door de stad waarde.

Des avonds, toen er twee lampen brandden voor een beeld van de H. Maagd, in eene galerij aan de buitenzijde der hoofdkerk, bij het dak, verbeeldde ik mij, dat het groote Piazza van den Gevleugelden Leeuw helder verlicht was, en dat zijne geheele rij van bogen vol volk was, terwijl hoopen menschen zich vermaakten in prachtige koffiehuizen, die er op uitkwamen--en die, naar mij dacht, nooit gesloten waren, maar den ganschen nacht open bleven. Toen de bronzen reuzen het middernachtsuur op de klok sloegen, dacht ik, dat al het leven en de geestdrift dezer stad hier bijeenverzameld was; en toen ik wegroeide, langs de stille kaaien, zag ik de lieden nog alleen als kleine stipjes hier en daar, met slapende roeiers, die in hunne mantels gewikkeld, zoo lang ze waren, op de steenen lagen.

Maar, dicht bij de kaaien en kerken, paleizen en gevangenissen; schurende tegen de muren en opwellende in de geheimste plaatsen der stad, kletst het water altijd. Zonder gedruisch en waakzaam, en in vele plooien er omheen geslingerd, evenals eene oude slang, den tijd afwachtende--zoo kwam het mij voor--dat men in zijne diepten zou kijken, om een steen der oude stad te vinden die zich zijne beheerscheresse noemde.

En zoo spoelde het mij weg, totdat ik ontwaakte op de oude marktplaats te Verona. Ik heb meermalen naderhand aan dezen vreemden droom op het water gedacht, mij half bevreemd vragende of die stad er nog liggen zou, en of haar naam Venetië is.

DOOR VERONA, MANTUA EN MILAAN OVER DEN BERGWEG VAN DEN SIMPLON, NAAR ZWITSERLAND.

Ik had half en half geaarzeld, naar Verona te gaan, in de vrees dat het mij de beguicheling zou ontnemen ten aanzien van Romeo en Julia. Doch zoodra ik op de oude marktplaats was aangekomen, werd de vergissing uit den weg geruimd. Het is zulk eene grillige, aardige en schilderachtige plaats, gevormd door zulk een buitengewone en rijke verscheidenheid van phantastische gebouwen, dat er niets beters kon worden gevonden, zelfs in het hartje dier romantische stad, die het tooneel is van een der meest romantische en schoone geschiedenissen.

Het spreekt vanzelf, dat ik, van de markt, rechtstreeks naar het huis der Capulets ging, dat nu ontaard is in een hoogst ellendig herbergje. Luidruchtige voerlieden en bemodderde marktkarren betwistten elkander het bezit van den hof, waar men tot over de enkels in de vuilnis trad, en waar zich een troep beslijkte en bespatte ganzen bevond; verder was er een hond met een grimmigen kop, op kwaadaardige wijze hijgende bij den ingang eener deur, en die Romeo zeker bij het been zou hebben gepakt, zoodra hij het over den muur stak, indien hij namelijk toen bestaan en losgeloopen had. De boomgaard is in andere handen gevallen, en is er, eenige jaren geleden, van afgescheiden geworden, maar er was er een die bij het huis behoorde, of in allen gevalle is het mogelijk, dat er een geweest zij--en de hoed [32], het oude wapenteeken der familie, kan er nog, boven de deur van den hof in steen gehouwen, worden gezien. De ganzen, de marktkarren, de voerlieden van deze en de hond bedierven, het moet erkend worden, de geschiedenis eenigermate, en het zou veel aardiger zijn geweest het huis ledig te vinden, en door de onbewoonde vertrekken te kunnen wandelen; maar het zien van den hoed was mij onuitsprekelijk aangenaam, en de plaats waar vroeger de tuin was, schier niet minder. Buitendien ziet er het huis zoo wantrouwend en nijdig uit als men er een kan wenschen te zien, ofschoon het van zeer middelmatige hoogte is. Ik had er daarom vrede mede, als het wezenlijke huis van den ouden Capulet, en was dienovereenkomstig erkentelijk ten aanzien van eene uiterst on-sentimenteele vrouw van middelbaren ouderdom, de waardin uit het huis, die werkeloos op den drempel stond en naar de ganzen keek, en die ten minste in het eenige bijzondere opzicht naar de Capulets geleek, dat zij--in den dagelijkschen zin van het woord--zwaar was.

Van Julia's huis naar Julia's graf is de overgang, voor den bezoeker, zoo natuurlijk als naar Julia zelve of naar de meest trotsche Julia om wie ter eeniger tijd de heldere toortsen zijn ontstoken.--Ik ging alzoo met een gids naar een ouden, zeer ouden tuin, die eens, naar ik geloof, behoort had tot een oud, zeer oud klooster, en nadat ons eene vrouw met schitterende oogen, die bezig was met het wasschen van kleeren, door een verbrijzelde poort had binnengelaten, ging ik naar eenige wandeldreven, waar versche planten en jonge bloemen lustig opschoten tusschen brokstukken van oude muren en borstweringen, welke met klimop waren begroeid. Daar werd mij een kleinen vijver of watertrog getoond, welke door de vrouw met glinsterende oogen--terwijl zij de armen met haar doek afdroogde--"La tomba di Giulietta la sfortuata" (Het graf der ongelukkige Julia) werd genoemd. Met de sterkste geneigdheid om te gelooven, kon ik het niet verder brengen dan te gelooven, dat de vrouw met de schitterende oogen zelve het geloofde, zoodat ik haar dat groote vertrouwen en bovendien hare gewone fooi in klinkende munt schonk. Dat Julia's rustplaats vergeten was, baarde veeleer genoegen dan teleurstelling. Hoe troostrijk het ook voor Yorick's geest moge geweest zijn, op de steenen boven zijn hoofd voetstappen, en twintigmalen op een dag zijn naam te hooren herhalen, is het echter voor Julia beter buiten de treklijn der toeristen te liggen, en geene andere bezoekers te krijgen dan die in voorjaarsregen, zachte lucht en zonneschijn op de graven komen.

Verona is streelend! Met zijne schoone oude paleizen en bekoorlijk landschap in het verschiet, dat zich uit de terraswandelingen, en uit de statelijke, van hekken voorziene galerijen opdoet. Met zijne Romeinsche poorten, die nog de fraaie straten bespannen, en in het zonnelicht van heden de schaduw werpen van tweehonderd jaren vroeger. Met zijne in marmer gekleede kerken, hemelhooge torens, rijke bouwversierselen en aardige, stille, oude stegen, waar het geschreeuw der Montagu's en Capulets eens weergalmde:

En deed Verona's oude burgerschaar, Hun graf onlvloôn, een passend siersel zijn Voor 't voeren van een hellebaard.

Met zijne snelvlietende rivier, schilderachtige, oude brug, groot kasteel, lispelende cipressen, verrukkelijk en vroolijk verschiet! Streelend Verona!

Tusschen dit alles op de Piazza di Bra--als een geest van de grijze aloudheid, te midden der gemeenzame werkelijkheid van het vluchtige thans--staat het groote Romeinsche Amphitheater, zóó wel bewaard en zorgvuldig onderhouden, dat iedere rij zitplaatsen nog ongeschonden is. Op enkele der bogen kunnen de Romeinsche cijfers nog gezien worden, en er zijn gangen en trappen, en onderaardsche wegen voor de beesten, en slingerpaden, boven en onder den grond, evenals toen de trotsche duizendtallen er uit- en in snelden, begeerig de bloedige vertooning van het strijdperk te aanschouwen. Thans nestelen in sommige der schaduwrijke en holle plaatsen van de muren smeden en hunne werkplaatsen, en eenige kramers in het klein, die het een en ander te koop hebben, en op de borstwering is groenend onkruid, en bladen, en gras. Maar anders is er weinig veranderd.

Toen ik alles met groote belangstelling had doorgeloopen en tot de bovenste zitplaatsgalerij was gegaan, en, mij afwendende van het schoone panorama, dat door de nabijgelegen Alpen omsloten werd, naar beneden zag in het gebouw, scheen het voor mij te liggen als het inwendige van een verschrikkelijk grooten hoed van gevlochten stroo, met een zeer breeden rand en een ondiepen bol: de vlechten worden voorgesteld door de vier en veertig rijen zitbanken. De vergelijking is huiselijk en phantastisch, ten minste bij herinnering en op papier, maar zij kwam, desniettemin, oogenblikkelijk onwederstaanbaar bij mij op.

Eenigen tijd te voren was hier een paardrijderstroep geweest--dezelfde troep, denk ik, die aan de oude dame in de kerk te Modena verscheen--en had eene plaats aan het eene einde van het strijdperk opgeruimd, waar zij hunne kunsten vertoonden en de sporen van de pooten hunner paarden nog aanwezig waren.

Onwillekeurig stelde ik mij een handvol toeschouwers voor, op een of twee van deze oude steenen zitbanken bijeen, en een met lovertjes voorzien ruiter, die beleefd was, of een grappige Polichinello, waar de barsche wallen op neerzagen. Bovenal dacht ik er aan, hoe vreemd die Romeinsche zwijgenden naar het geliefkoosde grappige tooneel van de reizende Engelschen zoude staren, waarin een Engelsch edelman (Lord John), met een zeer dikken buik, gekleed in een blauwen rok met panden tot aan de hielen, hooggele broek en een witten hoed, opkomt, op een steigerend paard zittende met eene Engelsche dame (Lady Betsey), uitgedost met een strooien hoed, een groenen sluier en een rood spencer, en die altijd eene reusachtige reticule en eene opgeslagen parasol met zich voert.

Ik wandelde het overige van den dag de stad door, en kon er, naar ik geloof, tot nu toe gewandeld hebben. Op eene plaats was er een zeer aardige nieuwerwetsche schouwburg, waar zij toen juist de opera Romeo en Julia (die in Verona altijd gaarne gezien wordt) opvoerden.

In een andere was er, onder een zuilengang, eene verzameling Grieksche, Romeinsche en Etrurische overblijfselen, waarbij een oud man zat, die zelf wel een Etrurische reliek geleek; want hij was niet sterk genoeg om het ijzeren hek open te duwen, toen hij het ontsloten had, en had geen stem genoeg om zich te doen hooren, toen hij de zeldzaamheden beschreef, noch gezicht genoeg om ze te zien; zoo heel oud was hij. Op eene andere plaats was er eene galerij van schilderstukken; zoo schrikkelijk slecht, dat het verrukkelijk was, die te zien wegrotten. Maar overal, in de kerken, in de paleizen, in de straten, op de brug, of beneden langs de rivier, was Verona altijd behaaglijk, en zal het in mijn geheugen altijd blijven.

Ik las dien avond Romeo en Julia in mijne eigen kamer in het logement--en natuurlijk had een Engelschman dat daar nooit te voren gelezen--en vertrok den volgenden dag met zonsondergang naar Mantua, waar ik (gezeten in de coupé van een omnibus en naast den conducteur, die de Mystères de Paris las, bij mij zelven de regels herhaalde:

Daar is geen wereld, buiten dezen muur, Maar kwelling, vagevuur, de helle zelf; Van hier verbannen is verjaagd van de aard, En zulk een ban is dood-- [33];

waardoor mij werd te binnen gebracht, dat, wanneer men de zaak op de keper beschouwt, Romeo slechts uit een omtrek van vijf en twintig mijlen buiten de stad was gebannen, en dit nam wel wat weg van mijn vertrouwen op zijne geestkracht en fierheid.

Het zou mij bijster verwonderen, dat de weg naar Mantua in zijn tijd zoo schoon ware geweest! Slingerde hij toen door even groene weiden, schitterende door dezelfde glansrijke stroomen en geschakeerd door frissche groepen bevallige boomen! Die purperen bergen lagen er stellig toen reeds; en de kleeding van die boerendeernen, welke een groote zilveren pen droegen, die van een knopje voorzien en van achteren door de haren was gestoken, daarin zal wel kwalijk eenige verandering zijn gekomen. Het hoopgevend gevoel, door zulk een schoonen ochtend en zulk een overheerlijken zonsopgang verwekt, voor zoo iets kan geen hart, ook zelfs dat niet van een uitgebannen minnaar koel blijven, en Mantua zelf moet hem in het verschiet tegengeblonken hebben, met zijne torens, en muren, en water, bijna als eene bruiloftskoets vol gasten op een openbaar plein. Wellicht keerde en wendde hij zich op dezelfde scherpe wijze over twee rammelende ophaalbruggen en dezelfde lange bedekten houten brug, en naderde de roestige poort van het stilstaande Mantua, terwijl hij het drabberige water daarachter verliet.

Zoo er ooit een mensch heeft bestaan, die goed paste voor een dergelijke woonplaats, en eene woonplaats, die geschikt ware voor hem, dan pasten de magere apotheker en Mantua volmaakt goed bij elkander. Wellicht dat het toen woeliger geweest zij. Is dit het geval, dan was de apotheker een man, die zijn tijd vooruit was, en voorzag wat Mantua in achttienhonderd vier en veertig zou wezen. Hij vastte veel en dit hielp hem in zijne voorwetenschap.

Ik stapte af aan het logement de Gouden Leeuw, en was in mijne kamer met den koerier bezig plannen te maken, toen er een bescheiden tikje aan de deur werd gedaan, welke op eene buitengalerij uitkwam die om eene binnenplaats liep. Een zeer haveloos mannetje komt naar binnen, om te vragen of mijnheer ook een cicerone begeerde om hem de stad te toonen; zijn gelaat zag er zoo ernstig en ijverig uit, toen hij daar zoo in de geopende deur stond, en er sprak zooveel armoede uit zijn kale kleeding en gedeukten hoed, en uit zijne afgesleten handschoenen, waarmede hij dien vasthield--en dat er niet te minder in uitgedrukt lag, ofschoon het blijkbaar zijne haastig aangetrokken Zondagsche kleeren waren--dat ik even gaarne hem zou vertreden als afgewezen hebben. Ik nam hem op staanden voet aan, en hij kwam dadelijk binnen.

Terwijl ik de redekaveling eindigde met welke ik juist bezig was, stond hij stralende van vreugd in een hoek en maakte een looze vertooning alsof hij mijn hoed met zijn arm opwreef. Had zijn loon zooveel Napoleons bedragen als het nu franken bedroeg, dan had er over de schemering zijner haveloosheid niet zulk een zonnestraal kunnen schitteren als er thans op den man glom nu hij aangenomen was.

"Wel," zeide ik, toen ik gereed was, "willen wij nu uitgaan?"

"Als 't mijnheer belieft. 't Is een schoone dag. Wel wat koeltjes, maar toch aangenaam, recht lief. Gelieft mijnheer, dat ik de deur open? Dit is de plaats van het logement. De hof van den Gouden Leeuw. Mijnheer moet oppassen, dat hij op de trap niet uitglijdt."

Wij stonden nu op straat.

"Dit is de straat van den Gouden Leeuw. Dit is de buitenzijde van den Gouden Leeuw. Het belangwekkende raam, daar boven op de eerste verdieping, waar die ruit gebroken is, is het raam van mijnheers kamer!"

Nadat ik al die opmerkelijke voorwerpen had bekeken, vraagde ik, of er te Mantua veel te zien was.

"Wel, mijnheer! Inderdaad niet. Niet veel! zoo zoo," zeide hij, zijne schouders, bij wijze van verantwoording, ophalende.

"Veel kerken?"

"Neen. Bijna allen zijn door de Franschen afgeschaft."

"Kloosters?"

"Neen. Alweer door de Franschen! Bijna allen zijn door Napoleon afgeschaft."

"Is er veel handel?"

"Zeer weinig handel."

"Veel vreemdelingen?"

"Och hemel!"

Ik dacht dat hij in flauwte zou vallen.

"Wat zullen wij," zeide ik, "dan doen als we ginds de twee groote kerken hebben bezichtigd?"

Hij keek de straat op en af, en wreef op bedeesde wijze zijne kin, en zeide toen, terwijl hij mij in het aangezicht keek, alsof er een lichtstraal in zijn geest was gevallen, en tevens met een nederig, volslagen en onweerstaanbaar beroep op mijne toegeeflijkheid!

"Signore! wij kunnen eene kleine wandeling in de omstreken der stad doen (Si può far' un piccolo giro delle città)."

Die voorslag kon mij slechts aangenaam wezen en wij gingen te zamen zeer opgeruimd uit. In zijne vergenoegdheid opende hij zijn hart, en pakte zooveel van Mantua uit als een cicerone kan doen.

"Men moet eten," zeide hij, "maar Pah! het is ongetwijfeld eene akelige plaats."

Hij maakte zooveel hij maar kon van de hoofdkerk van St. Andreas--eene statige kerk--en van een afgesloten gedeelte van het plaveisel, om hetwelk waskaarsen brandden en eenigen knielden; en onder welke, naar men zegt, de Sangreal der oude romancen is bewaard. Toen wij deze kerk en nog eene andere (de hoofdkerk van San Pietro) hadden bezichtigd, gingen wij naar het Museum, dat gesloten was. "Dat beteekende niet veel," zeide hij. "Bah! Er binnen is niet veel te zien!" Toen gingen wij het Piazza del Diavolo (het Duivelsplein) zien, dat door den duivel (met geen bijzonder doel) in een enkelen nacht was gebouwd; vervolgens het Piazza Virgiliana, daarna het standbeeld van Virgilius--onze dichter, zooals mijn kleine vriend zei, een oogenblik zijn geest eene vaart doende nemen, en zijn hoed een weinigje schuin opzettende. Toen gingen wij naar eene akelige soort van werf eener hoeve, langs welke men toegang verkreeg tot eene schilderij-verzameling. Op het oogenblik dat de poort van dit verblijf werd geopend, kwamen er eene groote vijfhonderd ganzen om ons heen waggelen, en strekten hare halzen uit, en kwaakten op de akeligste wijze, alsof ze riepen: "O! daar is volk om de schilderijen te kijken! Ga niet naar boven! Ga niet naar boven!" Terwijl wij opklommen, wachtten zij, tot een hoop samengeschoold, heel stil bij de deur, en kakelden daar, eens te hooi en te gras, op halfluiden toon; maar op het oogenblik dat we ons weer vertoonden, kwamen hunne halzen weer vooruitsteken als kleine verrekijkers, en begonnen ze een groot rumoer te maken, dat ongetwijfeld moet beteekenen: "Hoe! wilt ge alweer heengaan? Wat zegt ge er van! Hoe vindt ge 't!" Zij wachtten ons af aan het buitenhek en vervolgden ons spottend tot aan Mantua.

De ganzen, die het Kapitool hebben gered, waren, in vergelijking met deze, niet meer dan zwijnenvleesch in verhouding tot een geleerd speenvarken. Welk eene galerij! Ten aanzien van een onderwerp van kunst, zou ik hunne meening zelfs hooger stellen dan de redevoeringen van Sir Joshua Reynolds.

Nu we weer op straat stonden, nadat we op schandvolle wijze daarheen waren geëscorteerd was mijn kleine vriend volstrekt bepaald bij de "Piccolo giro" of kleine wandeling door de stad, welke hij vroeger had voorgeslagen. Maar mijn inval het Palazzo Tè te bezoeken (waarvan ik veel had gehoord als van een vreemd en wild gebouw), schonk hem nieuw leven, en we gingen heen.

Het geheim van de lengte der ooren van Midas zou nog meer algemeen zijn bekend geworden, ingeval zijn bediende, die het tusschen het riet uitfluisterde, in Mantua had gewoond, waar riet en biezen genoeg zijn om het aan geheel de wereld te verkondigen.

Het Palazzo Tè staat op een veenachtigen grond, te midden van dergelijke plantgewassen, en is voorzeker een van de zonderlingste plaatsen, welke ik ooit heb gezien.