Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 33
Wij verlieten deze stad tegen den avond, en begaven ons op weg naar Marseille. Het was een stoffige weg; de huizen waren alle gesloten, en de wijngaarden wit bestoven. Bijna aan alle deuren der boerenhutten waren vrouwen bezig met uien in aarden kommen te schillen en voor het avondmaal in schijfjes te snijden. Dit hadden zij ook den vorigen avond langs den geheelen weg van Avignon gedaan. Wij trokken langs een of twee schaduwrijke, sombere kasteelen, met boomen omgeven en met koele waterkommen versierd; die des te meer indruk maakten uit hoofde van de groote schaarschheid van dergelijke verblijfplaatsen langs den weg dien wij hadden afgelegd.
Toen wij Marseille naderden, begon de weg bedekt te worden met lieden in hun feestgewaad gedost. Voor de herbergen waren eenigen bezig met rooken, drinken, dam- en kaartspel en (ééns) met dansen. Maar stof, stof, overal stof. Wij gingen verder, door eene lange, verstrooide vuile voorstad, propvol van menschen. Links lag een naakt glooiend stuk grond, waarop de buitenplaatsen der kooplieden van Marseille, altijd verblindend wit, door elkander en zonder de minste regelmaat opgehoopt zijn, achter-, voor-, zij-gevels en daken, naar alle streken van het kompas; totdat wij, ten laatste, in de stad kwamen.
Ik was daar, twee- of driemalen naderhand in fraai en in slecht weder; en ik vrees dat er geen twijfel bestaat, of het is eene morsige en onaangename plaats. Maar het uitzicht van de versterkte hoogten op de schoone Middellandsche zee, met hare bevallige rotsen en eilanden, is allerverrukkendst. Deze hoogten zijn een wenschelijke afzonderingsplaats, om minder schilderachtige redenen--om eene mengeling van onaangenaam riekende dampen te ontvluchten, die voortdurend opstijgen uit een haven vol stilstaand water en besmet met hetgeen tallooze schepen, met allerhande ladingen, geweigerd hadden in te nemen; wat, bij warm weder, in den hoogsten graad te vreezen is.
Daar waren vreemde zeelieden, van alle natiën op straat; met roode hemden, blauwe hemden, gesteven hemden, taankleurige hemden en oranjekleurige hemden, met roode mutsen, blauwe mutsen, groene mutsen, zware baarden en baardeloos; met Turksche tulbanden, glimmende Engelsche hoeden, en Napolitaansche hoofddeksels.
Daar waren stedelingen, groepsgewijs op het voetpad zittende, of zich verluchtende op de daken hunner huizen, of de nauwste en minst luchtige Boulevards op en neer wandelende; en daar waren hoopen volks van de geringe klasse, die er trotsch uitzagen en gedurig den weg versperden. Te midden van al dat geraas en oproer stond het krankzinnigengesticht; een laag, saamgedrongen, ellendig gebouw, dat recht op de straat uitzag, zonder de minste beschutting of voorhof; waar snaterende krankzinnige mannen en vrouwen, door geroeste staven, omlaag, naar de gapende aangezichten staarden, terwijl de zon, met fierheid in hunne kleine cellen schuin invallende, hunne hersenen schenen te verdrogen en te pijnigen, evenals werden ze door een koppel honden nagezeten.
Wij waren tamelijk wel gehuisvest in het hotel du Paradis, dat in een nauwe straat stond, waarin zeer hooge huizen waren. Er tegenover was een kapperswinkel, voor een raam twee levensgroote wassen damesbeelden ten toon stellende, die heen en weder draaiden, hetgeen de kapper zelf zoo verrukte, dat hij en zijn huisgezin, in armstoelen, en luchtig gekleed, midden op de straat zaten, zich met eene luie waardigheid verheugende in de voldoening der voorbijgangers. Het huisgezin had zich ter ruste begeven, toen wij te middernacht naar bed gingen; maar de kapper (een gezet man met lakensche muilen) zat er nog, met zijne voeten recht voor hem uitgestoken, en kon klaarblijkelijk niet verdragen, dat men de blinden sloot.
Den volgenden dag gingen we naar de haven, waar zeelieden van alle natiën bezig waren te ontschepen en ladingen van alle soort in te nemen: vruchten, wijnen, olie, zijden-, wollen-, fluweelen stoffen en alle soort koopmansgoederen. Uit het groot aantal vroolijke bootjes één kiezende, dat zeilen had, welke gestreept waren, op eene wijze, die voor het oog bevallig was, roeiden wij weg, onder de achterstevens van groote schepen, onder touwen en kettingen, tegen en onder andere booten, en veel te dicht langs de boorden van andere schepen, die met sinaasappelen bevracht waren, naar de Marie Antoinette, eene nette stoomboot, naar Genua bestemd, liggende aan den ingang der haven. Langzamerhand kwam het rijtuig, die logge "kleinigheid van het Pantechnicon," op een platboomd vaartuig, op gekke wijze langs boord liggen, tegen alles aanstootende, en aanleiding gevende tot een wonderbaarlijk aantal vloeken en gezichtsverdraaiingen; tegen vijf uur stoomden wij naar de ruime zee.
Het schip was uiterst zindelijk; de maaltijden werden opgedischt onder een zeil op dek; de nacht was kalm en helder; de rustige schoonheid van de zee en van den hemel onuitsprekelijk.
Wij reisden den volgenden morgen vroegtijdig naar Nizza af, en voeren bijna den geheelen nacht langs de kust, tot op eenige mijlen van den Cornice-weg (waarover later nader). Voor drie uur hadden wij Genua in het gezicht; en het waarnemen der langzame ontwikkeling van deze prachtige, amphitheatersgewijze gebouwde stad: terrassen op terrassen, tuin op tuin, paleis op paleis, heuvel op heuvel--hield ons genoeg bezig, tot wij de trotsche haven waren binnengevaren.
Na ons hier buitengewoon verwonderd te hebben over eenige Kapucijner monniken, die het wegen van hout op de werf gadesloegen, vertrokken wij naar Albaro, een paar mijlen verder, waar wij een huis hadden gehuurd.
Onze weg voerde ons door de voornaamste straten, maar niet door Strada Nuova, of Strada Balbi, die de beroemde straten der paleizen zijn. Nimmer in mijn leven was ik meer teleurgesteld! De wonderbare nieuwheid van alles, de ongewone reuk, de onverklaarbare morsigheid (hoewel men het voor de zindelijkste stad van Italië houdt) de verwarde mengeling van smerige huizen, het eene boven op het andere gebouwd; de stegen, vuiler en nauwer dan die in St. Giles, of het vroegere Parijs; waarin en waaruit geene landloopers kwamen, maar welgekleede vrouwen, met witte sluiers en groote waaiers, heen en weder gingen; het volstrekt gemis van gelijkenis in eenig woonhuis, of winkel, of muur, of stijl, of pilaar, met iets dat ik ooit vroeger gezien had; en de ontmoedigende vuilheid, het ongemak en verval verbaasden mij ten hoogste. Ik verviel in eene treurige mijmering. Mij is bewust, dat ik koortsachtig en verward gedroomd heb van heiligen en madonna's in hunne nissen aan de hoeken der straten,--van een groot aantal monniken en soldaten,--van groote roode gordijnen, die voor de deuren der kerken fladderden,--van altijd bergop te gaan, en toch iedere nieuwe straat en steeg steeds te zien rijzen,--van fruitstalletjes, met versche citroenen en oranjeappelen, die aan festoenen van wijngaardranken hingen,--van een wachthuis, en eene ophaalbrug--en van poortlanen,--en van verkoopers van ijswater, met hunne kleine stalletjes aan den kant van het kanaal zittende--en dit is alles wat mij bewust is, totdat ik nedergezet werd op een vunzig, akelig, met onkruid begroeid plein, voor een soort van rood gevangenhuis; en men tot mij zeide, dat ik daar woonde.
Weinig dacht ik dien dag, dat ik ooit gehechtheid zou gevoelen voor de steenen zelfs in de straten van Genua, en met liefde terugblikken naar die stad, uit hoofde van de menigte gelukkige en rustige uren, welke ik daar heb doorgebracht. Maar dit zijn mijne eerste indrukken, eerlijk ternedergesteld; en hoe ze veranderden zal ik ook mededeelen. Laat ons thans ademhalen na deze langgerekte dagreis.
GENUA EN HARE OMSTREKEN.
De eerste indruk van een dergelijke plaats als Albaro, de voorstad van Genua, waar ik mij thans neergezet heb, moest natuurlijk, volgens mijne wijze van zien, droevig en teleurstellend zijn. Het vereischt een weinig tijd en gewoonte om de neerslachtigheid te overwinnen, die in het begin gevoeld wordt en het gevolg is van eene zoodanige verwaarloozing en van een dergelijk plichtverzuim. Nieuwheid, die iedereen behaagt, bevalt mij buitengemeen. Ik wordt niet licht mistroostig als ik de middelen bezit mijne eigene denkbeelden en bezigheden te volgen; en ik vermeen, dat ik een bijzonderen aanleg heb om mij naar de omstandigheden te schikken.--Maar, tot nog toe, zwerf ik rond in alle hoekjes en gaatjes der nabuurschap, in een voortdurenden staat van verwondering; en keer ik naar mijne villa terug: de villa Bagnerello, (de naam klinkt romantisch, maar signor Bagnerello is een slachter uit de nabijheid), dan heb ik genoeg te doen om over mijne nieuw opgedane ondervinding te peinzen en haar, zeer tot mijn eigen vermaak, te vergelijken met mijne verwachtingen, totdat ik weder dolen ga. De villa Bagnerello, of het Roode Gevangenhuis, eene veel juistere uitdrukking voor het huis, is zoo prachtig gelegen als men zich slechts verbeelden kan. In hare nabijheid bevindt zich de trotsche golf van Genua en de donkerblauwe Middellandsche zee; oude, verlaten, monsterachtige huizen en paleizen zijn overal verspreid; hooge bergen, wier toppen zich dikwerf in de wolken verschuilen, en wier sterke forten in de hoogte tegen hunne ruwe hellingen aanleunen, zijn ter linkerzijde in de nabijheid, en vóór u, van de muren van het lusthuis tot aan de vervallen kapel, die zich op de fiere schilderachtige rotsen aan den oever der zee verheft, zijn groene wijngaarden, waar gij den geheelen dag kunt wandelen, gedeeltelijk in de schaduw, en, zoover uw oog reikt, slechts druiventrossen ziet, die, over de smalle paden heen, om een ruw latwerk geslingerd zijn.
Van dit eenzame plekje loopen zulke smalle paden, dat wij, bij het tolkantoor aankomende, bevonden, dat de lieden de maat genomen hadden van het smalste van alle, en wachtende waren om ze met deze breedte van het rijtuig te vergelijken: de plechtigheid werd ernstig volvoerd op straat, terwijl wij allen in angstige verwachting er bij stonden. Het scheelde wel niet veel, maar er bestond eene mogelijkheid, en meer niet--zooals ik alle dagen herinnerd word, door het beschouwen der verschillende groote gaten, welke het rijtuig aan weerszijden in den muur stootte toen het er tusschen doortrok. Men heeft mij verhaald, dat wij gelukkiger zijn dan eene bejaarde dame, welke, niet lang geleden, een lusthuis in deze streken huurde, en in eene steeg met haar rijtuig bleef vastzitten, en daar het onmogelijk was een der portieren te openen, was zij verplicht zich te onderwerpen aan de onwaardige behandeling, door een der kleine raampjes aan de voorzijde getrokken te worden, evenals een harlekijn.
Wanneer gij die nauwe stegen door zijt, dan komt gij aan eene gewelfde poort, onvolkomen gesloten door een oud verroest hek--mijn hek. Aan dit verroeste, oude hek prijkt eene schel, waaraan gij zoo lang kunt trekken als gij wilt, en waarop niemand u zal antwoorden, daar zij volstrekt niet met het huis in verband staat. Maar daar is nog een oude verroeste klopper, ook--vrij slecht vastgemaakt, zoodat hij rondglipt, wanneer gij hem aanraakt--en als gij den slag er van leert, en lang genoeg klopt, komt er iemand. De brave koerier komt en laat u in. Gij betreedt een klein vruchtbaar tuintje, geheel verwilderd en vol onkruid: van hier neemt de wijngaard een aanvang: ga het door, loop in eene vierkante zaal als een kelder, klim eene gescheurde marmeren trap op en treed in eene verschrikkelijk groote kamer, met eene gewelfde zoldering en gewitte muren; bijna als eene groote kapel van Methodisten. Dat is de sala. Zij heeft vijf ramen en vijf deuren en is versierd met schilderijen, welke de schilderij-opknappers zouden doen watertanden, die in Londen, als een uithangbord, eene schilderij ophangen, welke verdeeld is evenals de dood en de dame, boven aan de oude ballade, en u altijd in een staat van onzekerheid laat, of de kundige professor de eene helft schoon of de andere heeft smerig gemaakt. Het ameublement van deze sala is een soort van roode gebloemde stof. Al de stoelen zijn onverschuifbaar en de sofa weegt verscheidene tonnelasten.
Op dezelfde verdieping, en in deze kamer uitkomende, bevinden zich de eetzaal, de receptiezaal, en verschillende slaapkamers: elk met een menigte deuren en vensters voorzien. Boven zijn verscheidene andere naakte kamers en eene keuken, en beneden is eene andere keuken, welke, met alle soorten van vreemdaardige inrichtingen voorzien om houtskolen te branden er uitziet als het laboratorium eens scheikundigen. Er zijn ook nog een half dozijn kleine kamers, waar de bedienden, gedurende deze warme Julidagen, de hitte van het vuur kunnen ontvluchten, en waar de brave koerier den ganschen avond alle soorten van muziekinstrumenten van zijn eigen maaksel bespeelt. Het is een zoo oud, verstrooid, spookachtig weergalmend, onvriendelijk, kaal huis, als ik ooit te voren gezien of gedroomd heb.
Van uit de receptiezaal komt men op een klein, met wijnranken bedekt terras; onder dit terras, en eene zijde van den kleinen tuin vormende, bevindt zich, wat vroeger een stal was. Het is thans een koestal en er staan drie koeien in, zoodat wij emmers vol versche melk krijgen. Daar er geen weiland in de nabijheid is komen ze nooit uit den stal, maar liggen steeds neer en doen zich te goed aan de wijngaardbladen--volmaakte Italiaansche koeien--den geheelen dag het dolce far niente (het zoete nietsdoen) genietende; zij staan onder het opzicht van een oud man, Antonio genaamd, en van zijn zoon, die beiden daar slapen, beiden van Sienna geboren, door de zon verbrand, met bloote beenen en voeten, die elk een hemd en eene broek dragen en een rooden gordel om het lijf hebben, en een reliek of gewijde amulet, evenals de boon uit een driekoningenkoek, om den hals hebben hangen.
De oude man is zeer verlangend, mij tot het katholieke geloof over te halen, en preekt mij dikwijls voor. Des avonds zitten wij somtijds op een steen bij de deur, eene omgekeerde herhaling van Robinson Crusoë en Vrijdag gevende, en gewoonlijk verhaalt hij, om mijne bekeering te bevorderen, een uittreksel der geschiedenis van Sint Petrus,--voornamelijk, zoo geloof ik wegens het onuitsprekelijk genoegen dat hij smaakt in zijne nabootsing van den haan.
Het uitzicht, zooals ik reeds vroeger zeide, is verrukkend; maar op den dag moet men de zonneschermen gesloten houden, anders zou de zon u razend maken; en als de zon ondergaat, moet gij al de ramen sluiten, of de muskieten zouden u in de verzoeking brengen een zelfmoord te begaan. Omstreeks dezen tijd van het jaar ziet gij weinig van het inwendige der huizen. Wat de vliegen betreft, gij geeft er niet om. Even zoo min om de vlooien, die een verschrikkelijken omvang bezitten, en wier getal Legio is, en die het koetshuis zoodanig bevolken, dat ik dagelijks verwacht, het rijtuig vanzelf te zien voortgaan, door myriaden nijvere, opgetuigde vlooien getrokken. De ratten worden op eene aangename wijze verdreven door benden magere katten, die in den tuin tot dit doeleinde rondzwerven. Om de hagedissen bekommert zich natuurlijk niemand; zij spelen in de zon en bijten niet. De kleine schorpioenen vallen alleen wat nieuwsgierig. De torren komen wat laat, en zijn nog niet verschenen. De kikvorschen zijn gezelschap. In de gronden van de naastgelegene villa is er een voorraad van, en als het avond is geworden, zou men denken, dat geheele hoopen vrouwspersonen met klakken aan de voeten, zonder een oogenblik op te houden, op een vochtig steenen plaveisel heen en weer gingen; juist zulk een geraas maken zij.
De vervallen kapel aan den schilderachtigen en schoonen zee-oever was vroeger aan St. Johannes den Dooper gewijd. Ik geloof er bestaat eene overlevering, dat de beenderen van St. Johannes daar met verschillende plechtigheden ontvangen zijn geworden, toen zij het eerst naar Genua werden gevoerd; want Genua bezit ze tot heden nog. Als er een buitengewone storm op zee heerscht, worden zij naar buiten gebracht, en aan het onstuimige weder vertoond, dat zij onmisbaar doen bedaren. Uit hoofde dezer betrekking tusschen St. Johannes en de stad worden een aantal lieden der geringere klasse Giovanni Battista (Joannes de Dooper) genaamd. Dit laatste woord wordt in het Genueesch patois (volkstaal) "Batchietcha" uitgesproken, evenals iemand die niest. Het klinkt een vreemdeling vrij zonderling en vermakelijk in de ooren, op Zon- en feestdagen, wanneer er veel volk op de been is, hen elkander Batchietcha te hooren toeroepen.
De smalle lanen loopen op groote villa's uit; wier muren (buitenmuren bedoel ik) beschilderd zijn met alle soorten van onderwerpen; treurige en heilige. Maar het weder en de zeelucht hebben ze bijna uitgewischt; en zij zien er uit als de ingang der Vauxhall tuinen op een zonnigen dag. De voorpleinen dezer lusthuizen zijn met gras en onkruid begroeid; allerlei afzichtelijke vlakken bedekken de voetstukken der standbeelden, als waren zij door eene huidziekte aangetast; de buitenhekken zijn verroest, en de ijzeren tralies van de onderste vensters zijn alle op het punt van naar beneden te storten. Het brandhout wordt in zalen bewaard, waar misschien de kostbaarste schatten kunnen zijn opgehoopt; de watervallen zijn uitgedroogd en verstopt; fonteinen, te dommelig om het water op te spuiten, en te lui om het te doen neervallen, herinneren zich nog juist zóóveel van hare bestemming, om in haar slaap de nabuurschap vochtig te maken; en de sirocco-wind waait dikwijls dagen achtereen over al deze zaken, evenals over een reusachtigen uitgedoofden oven.
Voor eenigen tijd had er een feestdag plaats, ter eere van de moeder der H. Maagd: toen de jongelieden uit de nabuurschap, bij den een of anderen optocht groene ranken en wijngaardbladen hebbende gedragen, zich bij hoopen in het vocht der vrucht baadden. Het zag er zeer wonderlijk en aardig uit. Hoewel ik bekennen moet, dat ik (die op dien tijd niets van het feest wist) dacht, en er bijna zeker van was, dat die ranken hun denzelfden dienst moesten doen als aan de paarden, namelijk de vliegen van het lijf te houden.
Spoedig daarop was er een andere feestdag, ter eere van zekere Sint Nazaro. Een van de jongelieden van Albaro bracht, kort nadat wij ontbeten hadden, twee groote ruikers, en naar boven komende in de groote sala, bood hij zelf ze aan. Dit was eene beleefde wijze om een bijdrage te verzoeken, ten einde de onkosten te bestrijden van eenige muziek, ter eere van den Heilige; ik herinner mij niet meer wat wij gaven, maar zijn afgezant vertrok, wel voldaan. Des avonds ten zes uur gingen wij naar de kerk--dicht in de buurt,--eene zeer zwierige plaats, geheel behangen met festoenen en schitterende draperieën, en, van het altaar tot den hoofdingang, opgepropt met vrouwen, die allen zaten. Zij dragen hier geen mutsen; maar alleen een langen, witten sluier--de "mezzero" genaamd; en het was de luchtigste, vroolijkst uitziende schaar, welke ik immer zag. Over het algemeen zijn de jonge meisjes niet fraai, maar zij bezitten eene statige houding, en vertoonen in hare manieren en in het omslaan harer sluiers veel aangeboren bevalligheid en sierlijkheid. Er waren eenige mannen aanwezig, maar niet veel, en enkelen van hen lagen geknield in de zijvleugels, waar iedereen over hen struikelde. Tallooze waskaarsen brandden in de kerk; de kleine stukjes zilver en tin aan de heiligen (vooral in het halssnoer van de Heilige Maagd) blonken glinsterend; de priesters zaten om het hoofdaltaar; het orgel speelde lustig op, en een welbezet orkest deed hetzelfde: terwijl een orkestmeester, in eene kleine galerij er vlak tegenover, met eene rol papier op den voor hem bestemden muzieklessenaar hamerde; en een tenor, die volstrekt geene stem had, begon te zingen. Het orkest speelde deze, het orgel gene wijs; de zanger koos eene derde, en de ongelukkige orkestmeester sloeg en sloeg, en zwaaide zijne rol, naar een hem eigen stelsel, klaarblijkelijk wel voldaan over de geheele uitvoering. Ik heb nooit een dergelijk wangeluid gehoord. Al dien tijd was het smoorwarm.
De mannen met roode mutsen, en wijde buizen die over hunne schouders hangen (zij trekken ze nooit aan), gingen, zoodra zij de kerk uitwaren, aan het kegelen en het koopen van lekkernijen. Wanneer een zestal een spel geëindigd had, kwamen zij onder de zijvleugels, kruisten zich met wijwater, knielden voor een oogenblik neder, en gingen dan weder naar buiten om een spelletje te kegelen. Zij zijn daarin bijzonder handig en zullen in de met steenen bezaaide lanen en straten en op den ruwsten grond, die voor dat doel het minst geschikt is, met evenveel nauwkeurigheid spelen als op een biljart. Maar het meest geliefkoosde spel is het volksspel, de Mora, dat zij met een verwonderenswaardigen ijver doorspelen en waarop zij alles zullen zetten wat zij bezitten. Het is een allerverderfelijkst dobbelspel, dat geene andere hulpmiddelen behoeft dan de tien vingers, die altijd--ik bedoel er geen kwinkslag mee--bij de hand zijn. Twee mannen spelen te zamen. De een noemt een getal--stel het hoogste: tien. Hij duidt aan wat gedeelte hij er van wil, door drie, vier of vijf vingers in de hoogte te steken; en zijne tegenpartij moet op hetzelfde oogenblik, op goed geluk af, en zonder naar zijne hand te zien, zooveel vingers uitsteken als waardoor juist het ontbrekende moet worden aangevuld. Hunne oogen en handen worden hieraan zóó gewend en bewegen zich met zulk eene wonderlijke snelheid, dat een oningewijd toeschouwer het vrij moeielijk, zoo niet onmogelijk zou vinden den voortgang van het spel na te gaan. De ingewijden echter, waarvan er altijd een met geestdrift bezielde troep toeziet, verslinden het met de hevigste gretigheid; en daar er altijd eenigen bereid zijn, zich als kampvechters op te werpen bij een of ander verschil, dat tamelijk dikwijls het geval is, zoo is het doorgaans eene zeer woelige zaak. Het is nooit het stilste spel ter wereld; want de getallen worden altijd met eene luide, sterke stem uitgeroepen, en volgen elkander zoo spoedig op als zij geteld kunnen worden. Wanneer gij op een feestavond aan uw venster staat, of in den tuin wandelt, of over straat gaat, of slentert op eenig bekoorlijk plekje in de nabijheid der stad, zult gij dit spel tegelijk aan den gang hooren in een reeks van wijnhuizen; of wanneer gij het oog over eenige wandelplaatsen van wijngaarden laat weiden, of welken hoek ge ook omslaat, stuit ge op een hoopje spelers, die luidkeels schreeuwen. Het is opmerkenswaardig, dat de meeste menschen zekere geneigdheid hebben, een bijzonder getal vaker dan een ander te noemen, en de ijver, met welke twee scherpziende spelers wederkeerig beproeven deze zwakheid op te sporen, en hun spel daarnaar in te richten, is zeer belangwekkend en onderhoudend. De uitwerking wordt grootelijks verhoogd door de algemeene snelheid en hevigheid der gebaren; twee menschen spelen om een klein koperen muntstuk met eene inspanning die slechts op het spel let,--als goldt de inzet het leven.
Hier in de nabijheid is een groot paleis, vroeger behoord hebbende aan een lid der familie Brignole, maar dat thans gehuurd was door eene school van Jezuïeten, om er hunne zomerkwartieren in te houden. Laatst op een avond, omstreeks het ondergaan der zon, doorwandelde ik zijne ontmantelde omstreken, en gevoelde mij gedrongen eene wijl op en neder te loopen, en dommelig het uitzicht op de stad te genieten, dat zich hier aan alle zijden herhaalt.
Ik slenterde op en neer, onder een zuilengang, twee zijden vormende van een met gras en onkruid begroeid voorplein, waarvan het huis eene derde zijde uitmaakte, en eene wandelplaats op een laag terras, vanwaar men den tuin en de naburige heuvelen kon overzien, de vierde. Ik geloof niet dat er in het geheele plaveisel één gave steen was. In het midden stond een beeld van een droefgeestig uiterlijk zoo bevlekt in zijn verval, dat het er uitzag alsof het met kleefpleister bedekt, en daarna gepoeierd was geworden. De stallen, de koetshuizen, de keukens waren allen ledig, allen vervallen, allen geheel verwoest.