Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Part 24

Chapter 244,026 wordsPublic domain

Deze plaats wordt door een nederzetting van de Wyandot-Indianen bewoond. Onder 't gezelschap, waarmee we ontbeten, was een goedhartig oud heer, die jarenlang gebruikt was geworden door de regeering der Vereenigde Staten als bemiddelaar bij haar onderhandelingen met de Indianen, en die juist een tractaat gesloten had met dit volk, waarbij ze zich voor een zekere jaarlijksche som verbonden, om het volgende jaar te verhuizen naar een zekere landstreek, bewesten den Mississippi en een klein eindje achter St. Louis. Hij hing me een aandoenlijk tafereel op van hun sterke verknochtheid aan de plaatsen waar eenige herinneringen uit hun kinderlijken leeftijd aan verbonden waren, en vooral aan de begraafplaatsen hunner nabestaanden. Ook gaf hij me in niet minder treffende bewoordingen te kennen, hoe zij er tegen opzagen, al dergelijke plaatsen vaarwel te moeten zeggen. Zulke verhuizingen had hij meer dan eens bijgewoond, en altijd met tegenzin, ofschoon hij wist dat zij tot hun eigen welzijn vertrokken. De vraag of deze stam gaan zou of blijven, was een dag of drie geleden onder hen besproken geworden in een opzettelijk voor dat doel opgerichte hut, waarvan de blokken nog voor de herberg op den grond lagen. Toen de beraadslagingen afgeloopen waren, werden de ja- en neen-stemmers op twee rijen tegenover elkaar gezet, en bracht ieder volwassen man op zijn beurt zijn stem uit. Zoodra de uitslag bekend was, onderwierp de minderheid (een aanzienlijke minderheid) zich gewillig aan de rest en onthield zich van den geringsten tegenstand.

Naderhand kwamen we sommige van deze arme Indianen op ruige hitten tegen. Ze hadden zooveel weg van Zigeuners, dat, had ik er een stuk of wat van in Engeland gezien, ik de gevolgtrekking zou gemaakt hebben, als iets dat vanzelf sprak, dat ze tot dien omzwervenden en rusteloozen volksstam behoorden.

Daar we deze stad terstond na ons ontbijt verlieten, zetten we onzen tocht weer voort over een weg die zoo mogelijk nog slechter was dan die van gisteren, en kwamen tegen den middag te Tiffin aan, waar we met den "extra" vertrokken. Om twee uur gingen we per spoor; maar aangezien ook deze weg alles behalve goed gemaakt, en de grond vochtig en moerassig was, ging het reizen nog niet zeer vlug en kwamen we eerst 's avonds te Sandusky aan, doch nog juist bijtijds om daar te kunnen dineeren. We stapten af aan een goed ingericht klein logement aan den oever van 't Erie-Meer, sliepen daar dien nacht, en hadden geen andere keus dan om tot den volgenden dag te wachten, totdat er een stoomboot voor Buffalo op kwam dagen. De stad, die er nogal armzalig uitzag, had wel iets van den achterhoek eener Engelsche badplaats, als 't seizoen om is.

Onze kastelein, die er niet weinig op uit was om 't ons zoo gemakkelijk mogelijk te maken, was een knap man van middelbaren leeftijd die naar deze stad was toegekomen uit Nieuw Engeland, in welk gedeelte des lands hij groot was gebracht. Als ik er nu melding van maak, dat hij gedurig, met zijn hoed op, de kamer in- en uitliep; dat hij dan weer staan bleef om op dezelfde vrijpostige manier met ons een praatje te maken, of zoo lang als hij was op onze canapé ging liggen, de krant uit zijn zak haalde en ze op zijn doode gemak las,--zie, dan maak ik er alleen daarom gewag van, om den lezer eenigermate de eigenaardige gewoonten des lands te doen kennen, en in de verste verte niet om mij er over te beklagen als iets dat me eigenlijk hinderde. Thuis zou ik me door dergelijke handelwijze ongetwijfeld beleedigd gevoeld hebben, omdat het bij ons geen gewoonte is, en het in dat geval onbeschoft zou mogen heeten; maar in Amerika koestert een goede, beste vent van dit kaliber geen andere begeerte dan zijn gasten gastvrij en goed te bedienen; en ik had niet meer recht, en gerust mag ik er bijvoegen niet meer lust, zijn gedrag naar den Engelschen regel en standaard te beoordeelen, dan met hem aan 't kijven te gaan, omdat hij niet precies de lengte had, om opgenomen te kunnen worden bij de grenadiers van de garde der Koningin. Even weinig trek had ik, om ruzie te maken met een potsierlijke oude juffrouw, die een der eerste dienstboden van dit etablissement was, en als ze ons bij den een of anderen maaltijd kwam bedienen, op haar doode gemak plaats nam op den allergemakkelijksten stoel en dan een bakerspeld voor den dag haalde om er haar tanden mee uit peuteren, die kiesche plechtigheid zonder ophouden door bleef verrichten en ons ondertusschen met alle deftigheid aankeek (ons nu en dan aansporende om haar tafel wat meer eer aan te doen), totdat het tijd was om op te staan en af te nemen. Het was ons genoeg, dat men al wat we begeerden, even beleefd als prompt deed, ja, dat men er zelfs op uit was, om, zooals men dat noemt, onze gedachten te raden.

Den dag na onze aankomst, een Zondag, gebruikten we wat vroeg ons middagmaal, toen er een stoomboot in 't gezicht kwam en dadelijk aan de kaai aanlag. Daar 't bleek dat ze op weg was naar Buffalo, repten we ons zooveel mogelijk om aan boord te komen, en lieten spoedig Sandusky ver achter ons. Ze was een groot schip van vijfhonderd ton en fraai gestoffeerd, ofschoon met machines van hooge drukking, iets waarbij ik altijd dat soort van gevoel had, dat ik, mijns bedunkens, ondervinden zou, als ik eens op de eerste verdieping van een kruitmolen logeerde. Ze had een lading meel in, waarvan een stuk of wat vaten op dek waren opgeslagen. De kapitein, die naar boven kwam om een praatje te houden en een vriend voor te stellen, ging als een andere Bacchus met zijn voeten dwars over een dezer vaatjes zitten, haalde daarop een groot knipmes uit zijn zak en begon het toen onder 't praten te schillen, door dunne spaandertjes van de randen af te snijden. En dat schillen ging hem zoo fiks en zoo vlug van de hand, dat, was hij niet heel gauw ergens anders geroepen geworden, van 't heele vaatje niets anders zou overgebleven zijn dan meel en spaanders.

Nadat we aangelegd hadden aan een paar vlakke plaatjes, met lage dijken die zich in 't meer uitstrekten, waar, evenals windmolens zonder zeilen, plompe vuurtorens op stonden (een tooneel dat veel weghad van een Hollandsch vignet), kwamen we 's nachts om twaalf uur te Cleveland aan waar we den heelen nacht en tot 's morgens negen uur bleven liggen.

Ik was nogal nieuwsgierig ten opzichte van deze plaats. Men moet namelijk weten, dat ik te Sandusky een proeve van haar letterkunde gezien had in den vorm eener krant, die zich ijselijk druk maakte naar aanleiding van Lord Ashburton's jongste aankomst te Washington, om de geschilpunten te regelen tusschen de regeering van de Vereenigde Staten en Groot-Brittannië, en ziehier nu wat ze haar lezers deed opmerken: had Amerika, toen het nog de kinderschoenen aanhad, Engeland afgerost, en het nog eens afgerost in zijn jeugd, nu was het klaarblijkelijk noodig, dat het, thans op rijper leeftijd gekomen, Engeland nog eens afroste. Daarbij gaf ze allen echten Amerikanen de verzekering, dat, als mijnheer Webster maar zijn plicht deed in de ophanden zijnde onderhandelingen en den Engelschen lord een, twee, drie naar huis stuurde, zij, de Amerikanen, binnen twee jaar "Yankee Doodle zouden zingen in Hyde Park, en Hail Columbia in de scharlakenroode zalen van Westminster!" Ik vond het een aardige stad en had het genoegen het bureau te zien, wel te verstaan van buiten, van 't dagblad waar ik zoo even gewag van gemaakt heb. Maar het onuitsprekelijke genoegen om den verstandigen kop te aanschouwen uit wiens brein de bovenvermelde volzinnen voortkwamen, smaakte ik helaas niet. Ik twijfel er echter geen oogenblik aan of in zijn soort is hij een genie, een man die bij een uitgezochten kring zeer in tel is.

Er was een heer aan boord, wien ik zonder het te willen of te weten veel hartzeer scheen te veroorzaken. Toevallig vernam ik het door 't dunne beschot dat onze staatsiehut scheidde van de kajuit waar hij en zijn vrouw samen zaten te praten. Waar 't vandaan kwam, weet ik niet, maar 't scheen dat hij me maar niet uit zijn gedachten kon verzetten en danig het land aan me had. Het eerste van al wat ik hem hoorde zeggen (en het grappigste van de zaak was, dat hij het me niet directer had kunnen meedeelen, al had hij op mijn schouders geleund en 't me ingefluisterd), het eerste nu van al wat ik hem hoorde zeggen, was: "Boz is nog aan boord, lieve." Na een vrij lange pauseering voegde hij er op stenenden toon bij: "Boz laat zich in 't geheel niet zien," iets wat maar al te waar was, want ik was niet al te wel en lag met een boek in mijn hand te bed. Nu dacht ik, dat hij me met rust zou laten, maar jawel! Alweer verliep er een minuut of wat, in welken tusschentijd ik mij verbeeld dat hij erg aan 't woelen zal gegaan zijn en zijn best zal gedaan hebben om den slaap te vatten, daar barstte hij opnieuw in een jammerklacht uit: "Weet je wat ik denk? Boz is bezig met een boek te schrijven en zet er al onze namen in," op welke denkbeeldige gevolgtrekking van zich aan boord te bevinden met Boz hij steende en stil werd.

Dien avond kwamen we om acht uur aan de stad Erie aan, en vertoefden daar een uur. 's Morgens tusschen vijven en zessen arriveerden we te Buffalo, waar we ontbeten en daar we al te dicht waren bij de Groote Watervallen om geduldig ergens anders te wachten, spoorden we nog dienzelfden morgen om negen uur naar den Niagara.

Het was een ellendige dag. Koud en guur was het weer; er viel een natte mist, en kaal en winterachtig zagen de boomen er in die noordelijke streek uit. Waar de trein ook stopte, luisterde ik naar 't gebruis, en gestadig keek ik den kant uit, waar ik wist dat de watervallen moesten zijn, daar ik de rivier in die richting zag stroomen. En zoo verwachtte ik ieder oogenblik het schuim te zullen zien. Een paar minuten voordat we stopten, niet vroeger, zag ik twee groote witte wolken, die langzaam en statig uit de diepten der aarde oprezen. Dit was alles. Ten laatste stapten we af; en toen hoorde ik voor 't eerst het geweldig gebruis van water, en voelde ik den grond onder mijn voeten dreunen.

De oever is zeer steil, en was glibberig van regen en half gesmolten ijs. Ik weet ternauwernood hoe ik beneden kwam, maar 't duurde niet lang of ik was op den bodem, en doof van 't geweld, half blind van 't schuim en kletsnat klauterde ik met twee officieren, die zich bij me aangesloten hadden, over een stuk of wat gebroken rotsen heen, en zie, we waren aan den voet van den Amerikaanschen waterval. Ik kon een onmetelijken waterstroom van een zekere groote hoogte eensklaps af zien bruisen, maar had geen idee van vorm of ligging, of van wat dan ook, behalve van onbepaalde onmetelijkheid.

Toen we in 't kleine overhaalbootje zaten en de gezwollen rivier vlak tegenover beide watervallen overstaken, begon ik te voelen wat het was; maar zoo bedwelmd was ik dat ik den omvang van 't tooneel niet begrijpen kon. Eerst toen ik aan de Tafelrots kwam en daar, Groote Hemel, wat 'n val van licht groen water voor me zag!--eerst toen deed het zich in al zijn macht en majesteit aan mij voor.

En toen 'k nu voelde, hoe dicht ik bij mijn Schepper stond, was de eerste en de blijvende uitwerking van 't ontzagwekkend tooneel Vrede. Zielevrede: Rust: Kalme herinneringen aan de Dooden: Groote gedachten van Eeuwige Rust en Geluk: niets wat naar Somberheid of Schrik geleek. Neen, Niagara was op eens in mijn hart afgedrukt als een Beeld der Schoonheid, om daar te blijven onveranderlijk en onuitwischbaar, tot zijn slagaderen voor altijd ophouden te kloppen.

O, hoe week de strijd en moeite van ons dagelijksch leven al meer en meer op den achtergrond, gedurende de tien gedenkwaardige dagen die wij op dien betooverenden grond doorbrachten! Wat al stemmen spraken van uit het donderende water; wat al van de aarde verdwenen gezichten keken mij van uit zijn flikkerende diepten aan; wat hemelsche belofte glinsterde in de engeltranen, de veelkleurige droppelen, die in de rondte neerstroomden en zich kronkelend vereenigden met de prachtige bogen die de steeds afwisselende regenbogen vormden!

In al dien tijd bewoog ik me geen enkel oogenblik van de Canadasche zijde, waar ik 't eerste naar toe gegaan was; en nooit stak ik de rivier weer over, want ik wist, dat er aan den overkant menschen waren en op zoo'n plaats is 't natuurlijk dat men vreemd gezelschap mijdt. Den ganschen dag heen en weer te loopen, en de watervallen uit alle gezichtspunten te beschouwen; aan den rand te staan van den Great Horse Shoe-Val en 't dan op te merken hoe het zich reppende water kracht schijnt te verzamelen als 't den rand nadert, maar ook een oogenblik schijnt te wachten voor en aleer het zich werpt in den afgrond daar beneden; van de effen watervlakte starend op te zien naar den vloed, zooals die naar beneden stroomt; de naburige hoogten te beklimmen en den val door de boomen te bespieden en te zien hoe het water zich al draaiend en kronkelend haast, om zoo aanstonds met vreeselijk gedruisch omlaag te ploffen, te drentelen in de schaduw der statige rotsen drie mijlen beneden, en dan de rivier gade te slaan, zooals ze, door geen zichtbare oorzaak in beweging gebracht, zwol en draaide en de echo's wakker maakte; de Niagara voor me te hebben, verlicht door de zon en door de maan, rood als de zon van lieverlede ondergaat en grauw als de avond langzaam invalt; er alle dag naar te kijken, en 's nachts wakker te worden en zonder ophouden zijn stem te hooren: dit was genoeg.

En telkens als het thans rustig om mij heen is in de natuur, denk ik er aan, dat diezelfde wateren nog altijd rollen en springen, en den ganschen dag bruisen en ruischen. Dan denk ik er aan, dat, schijnt de zon er op, ze glinsteren en blinken als gesmolten goud, en dat, bij somber weer, ze als sneeuwvlokken neervallen of als het voorste gedeelte van een grooten krijtberg schijnen af te brokkelen of als dichte witte rook langs de rots schijnen af te rollen. Doch altijd schijnt de machtige stroom te sterven als hij naar beneden komt, en altijd verrijst uit zijn onpeilbaar graf dat schrikkelijk spook van schuim en damp, dat nooit verdwenen is maar altijd door is blijven spoken met dezelfde ontzettende plechtigheid sedert de Duisternis broedde over de diepte en die eerste stroom voor den Zondvloed--het Licht--op Gods woord zich over de schepping kwam verspreiden.

XV.

CANADA TEGENOVER DE VEREENIGDE STATEN.

IN CANADA; TORONTO; KINGSTON; MONTREAL; QUEBEC; ST. JOHN'S. WEER IN DE VEREENIGDE STATEN; LIBANON; HET KWAKERDORP EN WEST POINT.

Ik wensch er mij van te onthouden, de geringste vergelijking te maken of eenige parallel te trekken tusschen de kenmerkende eigenschappen van 't maatschappelijke leven der Vereenigde Staten en die van de Britsche bezittingen in Canada. Om deze reden zal ik me dan ook bepalen bij een zeer kort verslag van onze uitstapjes naar 't laatstgenoemde grondgebied.

Maar voordat ik den Niagara verlaat, moet ik op een zekere stuitende omstandigheid wijzen, die bezwaarlijk ontsnapt kan zijn aan de aandacht van elken fatsoenlijken reiziger die de watervallen bezocht heeft.

Op de zoogenaamde Tafelrots staat een hut, die aan een gids behoort, waar kleine relieken van de plaats verkocht worden en bezoekers hun namen schrijven in een boek dat er expres voor dat doel op na wordt gehouden. Op den muur der kamer, waar een groote menigte van deze boeken bewaard worden, is het volgende verzoek aangeplakt: "De bezoekers worden verzocht, van de aanteekeningen en dichterlijke ontboezemingen uit de hier gehouden registers en albums noch afschriften noch uittreksels mede te nemen."

Zonder dien zijdelingschen wenk had ik ze laten liggen op de tafels, waar ze evenals boeken in een gezelschapskamer, met zorgvuldige nalatigheid door elkaar verspreid lagen,--ik had toch rijkelijk genoeg aan de verbazende zouteloosheid van zekere verzen met een anticlimax aan 't einde van ieder couplet, die in lijstjes gezet en aan den muur opgehangen waren. Maar daar dat bericht mijn nieuwsgierigheid geprikkeld had om eens te gaan zien, wat voor geestesproducten zoo zorgvuldig bewaard werden, sloeg ik een stuk of wat bladen om en vond ze toen volgekrabbeld met de vuilste en smerigste liederlijkheid, waar tweevoetige zwijnen ooit schik in hadden.

Is 't nog niet vernederend genoeg te weten, dat er onder menschen zulke liederlijke en nietswaardige dieren gevonden worden, dat ze 'r schik in kunnen hebben, hun ellendige profanatiën tot zelfs op de trappen van 't grootst altaar der Natuur neer te leggen?! Maar dat deze zwijnerijen ten pleiziere van hun medezwijnen opgehoopt en op een openbare plaats bewaard worden, waar aller oogen ze kunnen zien, kijk, dat is een schande voor de Engelsche taal, waar ze in geschreven zijn (ofschoon ik hoop dat maar weinig Engelschen zich aan die vuilheid hebben schuldig gemaakt) en een verwijt voor den Engelschen kant waar ze bewaard worden.

De kwartieren van onze soldaten bij den Niagara zijn mooi en luchtig gelegen. Sommige daarvan zijn groote op zichzelf staande huizen op de vlakte boven de watervallen, die oorspronkelijk voor logementen bestemd waren; en 's avonds als de vrouwen en kinderen over de balkons leunden om naar de mannen te kijken, die op 't gras voor de deur aan 't ballen en met andere spelen bezig waren, leverden ze dikwijls zoo'n vroolijk en opgewekt, tafereeltje op, dat het een pleizier was, dien weg langs te komen.

Het spreekt van zelf, dat er op elke garnizoensplaats, waar de demarcatielijn tusschen het eene land en het andere zoo allersmalst is als bij den Niagara, menigmaal gevallen van desertie voor moeten komen, en redelijkerwijs mag men veronderstellen, dat, koesteren de soldaten de wildste en dolste verwachtingen dat daar aan den overkant fortuin en onafhankelijkheid voor hen weggelegd zijn, de impulsie om den verrader te spelen, die zoo'n plaats laaghartige gemoederen instort, er niet zwakker op wordt. Maar zelden, uiterst zelden gebeurt het, dat de menschen, die deserteeren, naderhand gelukkig zijn en 't naar hun zin hebben. Er zijn zelfs voorbeelden van in menigte, dat ze hun smartelijke teleurstelling bekend en meteen hun ernstige begeerte te kennen gegeven hebben, om tot hun ouden dienst terug te keeren, als ze maar verzekerd konden zijn van pardon of ten minste van een lichte straf. Verscheidene hunner kameraden maken er zich echter af en toe schuldig aan; en voorvallen van soldaten, die bij hun pogingen om de rivier over te zwemmen er het hachje bij inschieten, behooren waarlijk niet onder de zeldzaamheden. Het is nog niet zoo lang geleden, dat verscheidene mannen jammerlijk verdronken toen ze probeerden om naar den overkant te zwemmen, en een, die de dolheid had om zich op een tafel als op een vlot te vertrouwen, werd naar de draaikolk heen gesleurd, waar zijn gehavend lijk dagen achtereen ronddraaide.

Ik voor mij geloof, dat men het gedruisch der watervallen erg overdreven heeft voorgesteld, en dat zal des te waarschijnlijker voorkomen, als men de diepte der groote kom, waar het water in opgevangen wordt, in aanmerking gelieft te nemen. Zoolang wij ons hier ophielden was de wind geen enkel oogenblik hoog of onstuimig, en toch hebben we op een afstand van drie mijlen dat gedruisch nog nooit gehoord, zelfs niet bij zonsondergang, wanneer alles zoo rustig om ons heen was en wij onze ooren terdege spitsten.

Queenston, vanwaar de stoombooten naar Toronto afvaren (of ik moest liever zeggen waar ze stoppen, want hun aanlegplaats is te Lewiston aan den overkant), Queenston ligt in een liefelijk dal, waardoor de Niagara, donkergroen van kleur, haar loop voortzet. Men komt aan deze plaats langs een weg, die zich slingert onder de hoogten waar de stad door beschut wordt, en levert, van dit punt gezien, een buitengewoon mooi en schilderachtig gezicht op. Op de verhevenste dezer hoogten stond een gedenkteeken opgericht door de Provinciale Vergadering ter eere van generaal Brock, die, na de overwinning te hebben behaald in een gevecht met de Amerikaansche legermacht sneuvelde. De een of andere vagebond--men veronderstelt dat het een deugniet, een zekere Lett is, die nu zit, althans nog onlangs wegens een zwaar vergrijp in de gevangenis was--deze nu heeft dit monument voor een paar jaar in de lucht doen vliegen, zoodat het thans een nare puinhoop is met een lang stuk van een ijzeren leuning, dat er boven aan hangt, en evenals een wilde klimoptak of geknotte wijngaardrank heen en weer slingert. Het is van veel hooger gewicht dan men bij oppervlakkige beschouwing zou veronderstellen, dat dit standbeeld op algemeene kosten weer hersteld wierd, iets wat trouwens al sinds lang had moeten geschieden. Ten eerste, omdat het beneden de waardigheid van Engeland is, een gedenkteeken, dat ter eere van een zijner verdedigers op de plaats zelve waar hij stierf opgericht is geworden, in dezen toestand te laten. Ten tweede, omdat het gezicht van dat gedenkteeken in zijn tegenwoordigen toestand, en de herinnering aan de ongestrafte beleediging die daarvan de oorzaak was, waarlijk niet zeer geschikt is, om beter gevoelens onder de hier wonende Engelsche onderdanen aan te wakkeren of hun twisten en oneenigheden over de grensbepaling bij te leggen.

Ik stond hier op de kaai naar de passagiers te kijken, die zich inscheepten in een stoomboot, die de door ons verwachte boot voorafging en deelde in de ongerustheid waarmee een sergeantsvrouw haar armzalig boeltje bij elkaar legde. Strak hield ze haar eene afgetrokken oog gevestigd op de kruiers, die haar goed aan boord gooiden, en haar andere op een waschtobbe zonder hoepels, waar ze, al was het ook het geringste stuk van haar huisraad, bijzonder veel van scheen te houden. Ondertusschen kwamen er een stuk of vier soldaten met een milicien aan, die aan boord gingen.

De milicien was op 't oog nog piepjong, stevig gebouwd en welgemaakt, maar alles behalve nuchter, ja had zelfs al het voorkomen van iemand die dagen achtereen min of meer beschonken was geweest. Hij droeg een klein bundeltje over zijn schouder dat aan 't end van een wandelstok was vastgemaakt, en had een korte pijp in zijn mond. Hij was even stoffig en vuil als miliciens gewoonlijk zijn, en aan zijn schoenen kon men zien, dat hij al een aardig eindje te voet had afgelegd. Niettemin, hij had niet weinig schik in zijn leven. Zoo schudde hij den eenen soldaat de handen, en klopte een ander op zijn rug, en praatte en lachte onophoudelijk, kortom maakte een drukte als een dartele, speelsche keffer.

De soldaten lachten eerder om dezen vroolijken snuiter dan met hem, en zooals ze daar hun rottingen recht stonden te buigen en hem koeltjes aankeken, schenen ze wel te zeggen: "ga je gang maar, jongelief, doe maar net of je thuis bent! langzamerhand zal je wel ontgroend worden".... daar viel de nieuweling, die in zijn brooddronkenheid achteruit naar 't gangboord geloopen was, voor hun oogen pardoes in 't water en spartelde niet zoo'n klein beetje in de rivier tusschen 't schip en 't dok.

Nooit zag ik iets dat me zoo goeddeed als de verandering die ik op eens bij deze soldaten bespeurde. Bijna voordat de man er in lag, was al hun stijfheid en stroefheid, hun stand zoo eigen, in een ommezien verdwenen, en legden ze de grootste geestkracht aan den dag. In minder tijd dan vereischt wordt om 't te vertellen, hadden ze hem er weer uit, eerst de voeten, met de panden van zijn jas die hem over zijn oogen fladderen, terwijl alles hem verkeerd aan 't lijf hing en het water uit iederen draad van zijn kaalgesleten kleeren stroomde. Maar op 't zelfde oogenblik dat ze hem op de been hadden geholpen en merkten dat alles goed afgeloopen was, waren ze weer soldaten en keken stijver en strakker dan ooit.