Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 2
Dien dag dineerden we allen bij elkaar; en 't was waarlijk een talrijk gezelschap dat toen bijeen was; niet minder dan zes en tachtig personen. Daar het schip met al zijn steenkolen aan boord en zooveel passagiers vrij diep ging, en het weer zeer stil was, was de beweging al heel gering; zoodat, toen we nog niet dachten om met iets uit te scheiden, zelfs die passagiers, die zich-zelf het minst vertrouwden, een verbazingwekkenden moed begonnen te scheppen; en die, welke 's morgens op de algemeene vraag: "kunt u goed tegen de zee?" een volstrekt ontkennend antwoord hadden gegeven, thans de vraag òf met de ontwijkende woorden beantwoordden: "Och, ik denk dat ik er licht zoo goed tegen kan als ieder ander," òf met terzijdestelling van alle zedelijke verplichting, brutaalweg "Ja" zeiden, en dat nog wel op zoo'n gebelgden toon, alsof zij er bij wilden voegen: "Ik zou wel eens willen weten, m'nheer, wat u juist in mij ziet, dat u recht geeft tot achterdocht!"
Ondanks dien hoogen toon van moed en vertrouwen merkte ik maar al te goed, dat er maar heel weinigen waren, die rustig en wel achter hun glas wijn bleven zitten; en dat iedereen ongewoon veel van de open lucht ging houden; en dat men zonder uitzondering bij voorkeur het liefst zoo dicht mogelijk bij de deur ging zitten. Ook de theetafel was in de verste verte niet zoo druk bezocht als de eettafel, en er waren minder whistpartijen dan men wel verwacht zou hebben. Met uitzondering van ééne dame, die onder 't eten min of meer gauw was opgerezen, onmiddellijk nadat men haar de lekkerste snee van een zeer geel gekookten schapebout met wat heel groene kappers gepresenteerd had, waren er echter tot dusverre nog geen zieken; met onverflauwde energie ging men door met wandelen en rooken en brandewijn met water drinken (maar altijd in de open lucht) totdat het elf uur of daaromtrent was, en het aan de orde van den nacht kwam om "naar kooi te gaan."--Niemand, die op zee is en maar een ervaring van zeven uur achter den rug heeft, zal van "naar bed gaan" spreken.--En nu werd het onophoudelijk getrappel van laarzenhakken op de dekken vervangen door een diepe stilte, en werd de geheele lading menschenvleesch beneden opeengepakt, behalve een stuk of wat achterblijvers, waaronder mijn persoontje, die er waarschijnlijk, net als ik, tegen opzagen om daar te gaan.
Iemand, die aan zulke tooneelen niet gewoon is, kijkt bij zoo'n gelegenheid al heel vreemd op. Ook naderhand, toen het nieuwtje er al lang af was, bleef het in mijn oog belangwekkend en aantrekkelijk. De duisternis waardoor de groote zwarte klomp zijn koers en zekere richting houdt; het bruisende water, dat men duidelijk hoort maar niet dan flauw kan onderscheiden; de breede, witte, blinkende streep, die den loop van 't schip volgt; de matrozen die van voren op den uitkijk staan, en bij den donkeren hemel bezwaarlijk zichtbaar zouden zijn, werden ze niet af en toe door eenige flikkerende sterren beschenen; de stuurman aan 't rad met de verlichte kaart voor hem, die als een lichtende stip te midden der duisternis wel wat wegheeft van iets waarin de zichzelf bewuste geest der Godheid woont; het droefgeestig gieren van den wind door blok en touw en ketting; het schijnsel der lichten door iedere reet en spleet en kleine glasruitjes op de verschillende dekken, alsof het schip de kiemen in zich draagt van een brand, die zoo aanstonds uit zal barsten en met onweerstaanbaar geweld dood en verderf om zich heen zal verspreiden. In 't eerst, ja zelfs dan als het avonduur met al de voorwerpen, waar het verhevener denkbeelden over inboezemt, u gemeenzaam is geworden, valt het nog moeielijk, als men alleen aan 't mijmeren is, zijn gedachten haar eigen vorm en gedaante te doen behouden. Zij veranderen met den loop der verbeelding, nemen de gelijkenis aan van ver verwijderde dingen; doen zich voor onder den vorm van levendig voor den geest staande, innig geliefde plaatsen, ja bevolken ze zelfs met schimmen. Straten, huizen, kamers, figuren zoo volkomen gelijk aan hen, die er gewoonlijk gebruik van maakten, dat ze mij geweldig hebben aangegrepen door hun werkelijkheid, die, zoo scheen 't me toe, al mijn kracht om de afwezigen op te roepen verreweg te boven ging,--die figuren nu zijn menigmaal op zoo'n uur plotseling voor den dag gekomen uit voorwerpen, met wier werkelijke gedaante, gebruik en doel ik evengoed bekend was als met mijn eigen twee handen.
Daar mijn eigen twee handen, en voeten insgelijks, bij deze bijzondere gelegenheid echter heel koud waren, kroop ik te middernacht naar beneden. Ik kan niet zeggen, dat het beneden zoo pleizierig was. Het was er potjedicht, dat weet ik; en met geen mogelijkheid kon men onbewust blijven van de aanwezigheid van dat buitengewone mengelmoes van vreemde luchtjes, zooals men die alleen aan boord van een schip kan ruiken, luchtjes, die van zoo'n vluchtigen geur zijn, dat ze door iedere porie der huid schijnen heen te dringen en u den naam van 't scheepshol schijnen toe te fluisteren. Twee passagiersvrouwen (een daarvan was de mijne) lagen al sprakeloos van benauwdheid op de sofa, en een kamenier (die van mijn vrouw) lag als een bundel op den vloer, haar aanzijn verwenschende en haar papillotten tusschen de hier en daar neergezette koffers vertrappende. Alles helde den verkeerden weg op, iets wat op zich zelf de landerigheid niet weinig moest doen toenemen. Zoo had ik een oogenblik te voren de deur opengelaten in een zachte helling naar beneden, en toen ik me omdraaide om ze dicht te doen, zag ik ze op een aanmerkelijke hoogte boven me. Nu eens kraakte iedere plank en stuk hout, alsof het schip van gevlochten mandewerk was, dan weer knetterde het als een reusachtig vuur waar men zooveel droge takken op gegooid had als men maar met mogelijkheid had kunnen doen. Niets was daartegen te doen dan maar naar bed te gaan; ik ging dan ook naar bed.
De volgende twee dagen was 't vrijwel één pot nat, met een tamelijk gunstigen wind en droog weer. Een groot gedeelte daarvan las ik in bed (maar tot op dit uur weet ik niet wat), en liep af en toe een oogenblikje op dek te waggelen; dronk kouden brandewijn en water met een onuitsprekelijken tegenzin, en at harde scheepsbeschuit tegen de klippen aan: wel nog niet ziek, maar op 't punt van 't te worden.
Het is de derde morgen. Ik word wakker door een vreeselijken gil van mijn vrouw, die mij vraagt of er ook eenig gevaar is. Ik rijs op en kijk het bed uit. De waterkruik spat en springt als een dartele dolfijn; al de kleine voorwerpen liggen te drijven behalve mijn schoenen, die als een paar koolschuiten hoog en droog op een reistasch gestrand zijn. Op eens zie ik ze in de lucht springen, en den spiegel, die aan den muur vastgespijkerd is, bijna tegen den zolder aan zitten. Meteen verdwijnt de deur, en wordt er een nieuwe deur geopend in den vloer. Nu begin ik te begrijpen, dat de statiehut op haar hoofd staat.
Voor en aleer het mogelijk is, het een en ander in orde te brengen, gelijk dit voor dezen nieuwen staat van zaken vereischt wordt, ligt het schip weer recht. Voor en aleer men "Goddank!" kan zeggen, ligt het weer scheef. Voor en aleer men kan zeggen: "het ligt scheef," schijnt het vooruitgestoven te zijn en een schepsel te wezen dat druk in de weer is om met gebroken knieën en te kort schietende beenen door al wat maar op een gat of kuil gelijkt op zijn eigen houtje heen te loopen, en op die manier gestadig maar voortstrompelt. Voor en aleer men zich daarover verwonderen kan, neemt het als 't ware zijn beenen onder den arm en maakt een bokkensprong in de lucht. Voor en aleer het dat stuk werk nog geheel en al verricht heeft, duikt het diep in 't water. Voor en aleer het de oppervlakte bereikt heeft, maakt het een buitelsprong. Op 't zelfde oogenblik dat het flink op zijn beenen staat, vliegt het achteruit. En zoo gaat het schip, al waggelend, rijzend, worstelend, springend, duikend, schokkend, slingerend, stampend, stootend, krakend voort, en zoo gaan wij door al deze bewegingen, soms bij beurten en soms allen tegelijk, totdat men wel op zijn knieën zou willen vallen, en om genade smeeken.
Daar gaat een hofmeester voorbij. "Hofmeester!" "M'nheer?" "Wat is er toch aan de hand?" "hoe noemt u dit?"
"Och, m'nheer, een zware stortzee, en met den wind op den boeg, of tegenwind."
Tegenwind! Verbeeld u een menschelijk gezicht aan den voorsteven van 't schip, met vijftien duizend Simsons die zich als één man vooroverbuigen om 't terug te duwen en het nauwkeurig in de gaten houden of 't altemet ook de geringste poging waagt om één duim vooruit te gaan. Verbeeld u het schip zelf met iederen pols- en slagader van zijn vervaarlijk lijf gezwollen en barstende onder deze mishandeling, een eed afgelegd hebbende om vooruit te gaan of te sterven. Verbeeld u den wind die huilt, de zee die bruist, den regen die klettert: altemaal in woede tegen hem ontstoken. Schilder den hemel èn donker èn woest, en de wolken in vreeselijke eensgezindheid met de golven, die een tweeden oceaan in de lucht maken. Voeg bij dit alles het gekraak en gekletter boven- en benedendeks; den tred van zich reppende voeten; het luid en schor geschreeuw van matrozen; het met klokkend geluid in- en uitstroomen van water door de spijgaten; met nu en dan het neerslaan van een stortzee op de planken boven, met den diepen, doodschen, zwaren klank van den donder, zooals die in een gewelf weerklinkt.... en ge kunt u een denkbeeld vormen van den tegenwind op dien Januari-morgen.
Met stilzwijgen ga ik al datgene voorbij wat men de dienstboden-herrie van 't schip zou kunnen noemen: bij voorbeeld het breken van glas- en aardewerk, het neertuimelen van hofmeesters, de bokkesprongen, hals over kop, van losse vaten, dozijnen gebottelde porter, en dan de wel zeer hoorbare maar alles behalve opvroolijkende geluiden die daar oprijzen uit hun verschillende staatsie-hutten, waar de zeventig passagiers liggen te jeremièren, altemaal te ziek om aan de ontbijttafel te verschijnen. Nog eens, dat alles ga ik met stilzwijgen voorbij: waarom? Om de doodeenvoudige reden, dat ik wel een dag of vier naar dit concert lag te luisteren, maar niet geloof, dat ik 't langer dan 't vierde eener minuut hoorde, na verloop van welken tijd ik weer doodzeeziek ging liggen.
Niet zeeziek, men versta me wel, in de gewone beteekenis van 't woord: ik wou dat ik 't geweest was, maar in een vorm dien ik nooit heb bijgewoond of hooren beschrijven, alhoewel ik er niet aan twijfel of die vorm is zeer algemeen. Daar lag ik den geheelen dag, niet in 't minst verhit en vrij wel in mijn schik; ik voelde geen zweem van loomheid en evenmin de geringste begeerte om op te staan, of beter te worden, of een luchtje te scheppen; ik was niet nieuwsgierig, kende geen zorg, voelde geen spijt van welken aard of in welken graad ook; alleen herinner ik me, dat ik onder die volslagen onverschilligheid een soort van dommelige blijdschap, van duivelsch genoegen smaakte--als men aan zoo'n slaperigen toestand dien naam mag geven--en dat waarover? Dat mijn vrouw te ziek was om tegen me te spreken. Als het mij vergund is, om mijn gemoedsgesteldheid door zoo'n voorbeeld op te helderen, dan zou ik zeggen dat ik me van A tot Z in den toestand bevond van mijnheer Willet, den rechter, nadat de muitelingen zijn gestoelte te Chigwell waren binnengedrongen. Niets zou me verbaasd hebben. Gesteld eens: door te denken aan huis, was mijn verstand voor een oogenblik door een enkelen straal verlicht geworden, en nu was er een kaboutermannetje van een brievenbesteller, met een scharlakenrood vest aan en een schel, in dat kleine hondenhok voor me verschenen, terwijl ik goed wakker en het al klaarlichte dag was, en zich nederig verontschuldigde dat hij nat geworden was doordien hij over de zee gewandeld had, had dat kaboutermannetje mij een brief ter hand gesteld, aan mij zelven gericht in welbekende letters,--gesteld nu eens dat zoo iets gebeurd was, o, ik ben er zeker van, dat ik geen zweem van verwondering zou gevoeld hebben: integendeel, ik zou het als de natuurlijkste zaak ter wereld beschouwd hebben. Ja, al was Neptunus, Neptunus in eigen persoon, bij me binnengekomen met een gebraden haai aan zijn drietand, ik zou die gebeurtenis beschouwd hebben als een der meest alledaagsche voorvallen des levens.
Eens--eens vond ik me zelf op dek. Ik weet nog niet hoe, of wat voor geest me bezielde om daar naar toe te gaan, maar dat ik er was, dat weet ik; en ik was van top tot teen gekleed ook, met een langen pijekker aan, en met zoo'n paar laarzen als een zwak man ooit in zijn hersens zou krijgen om aan te trekken. Ik vond me staande, toen een flikkering van bewustheid over me kwam, en merkte dat ik me ergens aan vasthield. Ik weet niet waaraan. Ik denk dat het aan de bootsman geweest is, of aan de pomp, of misschien aan de koe. Hoelang ik daar wel geweest was, òf een dag òf een minuut, dat kan ik ook niet zeggen. Wel herinner ik me, dat ik mijn best deed om aan iets te denken (aan iets in de geheele wijde wereld, onverschillig wat dan ook,) doch 't wou maar niet vlotten. Ik kon maar niet uitmaken wat de zee en wat de lucht was; want de horizont scheen wel dronken en vloog als een razende Roeland her- en derwaarts. Edoch, hoe bewusteloos ik ook was, herkende ik toch den treuzeligen heer, die voor me stond: op zijn zeemans gekleed in een blauw duffels pak en met een zuidwester op. Maar ik was al te onnoozel, ofschoon ik wist dat hij het was, hem van zijn kleeding af te scheiden, en zoo herinner ik me dat ik 't probeerde om hem loods te noemen. Na een tweeden aanval van volslagen bewusteloosheid merkte ik, dat hij weg was, en herkende eene andere gedaante in zijn plaats. Het was precies in mijn oog of ze voor me heen zweefde en golfde alsof ze door een flikkerenden spiegel weerkaatst werd; maar ik wist dat het de kapitein was, en zoo sterk was de pleizierige indruk van zijn gezicht, dat ook ik mijn best deed om te glimlachen: ja, waarachtig, ik deed toen mijn best om te glimlachen. Ik zag aan zijn gebaren, dat hij het woord richtte tot mij; dat hij er tegen mopperde, dat ik tot mijn knieën in 't water stond, iets wat werkelijk het geval was, ofschoon ik natuurlijk niet weet waarom. Ik probeerde hem te bedanken, maar kon niet. Alleen kon ik naar mijn laarzen wijzen--of waar ik veronderstelde dat mijn laarzen waren--en op een erbarmelijken toon zeggen: "kurken zolen," terwijl ik ondertusschen, zoo heeft hij me naderhand verteld, mijn best deed om in de plas te gaan zitten. Toen hij merkte, dat ik geheel en al buiten westen, ja tijdelijk een krankzinnige was, had hij de goedheid mij naar beneden te brengen.
Daar bleef ik tot ik aan de beterhand was. Telkens als men er bij me op aandrong om iets te eten, voelde ik zoo'n geweldigen angst, als alleen te vergelijken is bij den angst dien, naar men zegt, de drenkeling moet ondervinden als hij van lieverlede weer bijkomt. Een zeker heer aan boord had een aanbevelingsbrief aan mij van een wederzijdschen vriend in Londen. Op den morgen toen wij dien geduchten tegenwind kregen, stuurde hij dien met zijn kaartje naar beneden; en lang liet het denkbeeld mij geen rust of duur, dat hij op zou wezen, gezond en wel, en honderdmaal per dag in de verwachting leefde, dat ik hem in het salon op zou komen zoeken. Ik stelde me hem voor als een van die gegoten ijzeren beelden (menschen wil ik ze niet noemen) die met roode aangezichten en vroolijke stemmen vragen, wat zeeziekte eigenlijk toch inheeft, en of ze werkelijk zoo naar is als men ze afschildert. Waarlijk dat bracht me niet onzacht op de pijnbank, en ik geloof niet, dat ik ooit zoo'n volkomen zelfvoldoening smaakte, ooit zoo innig dankbaar was, als toen ik van een scheepsdokter hoorde, dat hij verplicht was geweest, een fiksche mosterdpap te leggen op de maag van dezen zelfden heer. Ik dagteeken mijn herstel van de ontvangst van dit bericht.
Ik twijfel er niet aan of dit mijn herstel werd, in den materieelen zin des woords, niet weinig in de hand gewerkt door een hevigen wind, die bij 't ondergaan der zon langzaam op kwam zetten, toen we zoo wat een dag of tien onderweg waren; een wind die met trapsgewijze toenemende woede tot 's morgens doorraasde, behalve dat hij een beetje voor middernacht een uur lang ging liggen. In de onnatuurlijke rust van dat weer, en in 't naderhand weer toenemende geweld van den storm, lag iets zoo onbegrijpelijk akeligs en naars, dat, toen de wind op zijn hevigst uit begon te barsten, dit bijna een verademing gaf.
Nooit zal ik vergeten hoe het schip gedurende dien nacht op de beroerde wateren aan 't werken was. "Zal 't ooit wel erger kunnen worden dan nu?" Ziedaar een vraag die ik dikwijls op had gevangen, als daar alles om ons heen een leven maakte dat iemand hooren en zien verging, en het zeker moeielijk scheen te begrijpen, hoe 't mogelijk was, dat iets, dat eenmaal aan den gang was, meer kon doorgeschud worden zonder over den kop te gaan, den kelder in. Maar onmogelijk voor de levendigste verbeelding om te begrijpen wat de beroering is van een stoomschip op een leelijken winternacht op den woesten Atlantischen oceaan. Als men zegt, dat het op zijn eene zij in de golven is neergesmakt, dat zijn masten er in duiken, en dat het, weer opspringend, naar den anderen kant heenrolt, totdat eene geweldige stortzee met een oorverdoovend gedruisch, alsof er honderd kanonnen tegelijk worden afgeschoten, er tegen aan beukt en het terugslaat,--als men zegt, dat het nu eens stil blijft liggen en wankelt en rilt, alsof het bedwelmd is, en dan weer met een geweldige hartklopping vooruitschiet als een tot dolheid geprikkeld monster, om zoo aanstonds door de verbolgene zee te worden neergesmeten en gebeukt en gekneusd en besprongen,--als men zegt, dat donder, bliksem, hagel, regen en wind allen hun uiterste best doen, om de overhand te verkrijgen, en iedere plank haar gekreun, iedere spijker zijn gil, en iedere druppel waters in den grooten oceaan zijn huilende stem heeft,--als men dat alles zegt, zegt men nog niets. Kortom, als men zegt, dat alles grootsch en alles schrikwekkend en geducht is in den hoogsten graad, dan zegt men nog niets, niets. Woorden kunnen het niet uitdrukken. Gedachten kunnen er niet bij. Alleen een droom kan 't weer oproepen in al zijn woede, razernij en heftigheid.
En toch, juist toen al deze verschrikkelijke dingen op hun ergst waren, juist toen bevond ik me in een toestand zoo buitengewoon belachelijk, dat ik van zijn ongerijmdheid een even duidelijk begrip had als ik 't nu heb, en dat ik mijn lachspieren evenmin in rust kon houden als ik doen kan bij iedere andere grappige gebeurtenis, die een mensch maar onder de gunstigste omstandigheden zou kunnen overkomen. Tegen middernacht werden we onthaald op een stortzee, die zich met geweld een weg baande door de lantarens, de bovendeur openduwde, en woedend en bruisend in de dameskajuit te land kwam, tot onuitsprekelijke ontsteltenis van mijn vrouw en eene kleine Schotsche dame, die, om dit in 't voorbijgaan te doen opmerken, de voorzorg gebruikt had, om door tusschenkomst van de hofmeesteres, een boodschap aan den kapitein te sturen, en wel van dezen inhoud, dat zij hem vriendelijk liet groeten en niet minder vriendelijk liet verzoeken om er toch vooral zorg voor te willen dragen, dat er onmiddellijk een bliksemafleider geplaatst zou worden op den top van iederen mast en op den schoorsteen, opdat het schip niet door den bliksem mocht getroffen worden. Daar èn zij èn de hierboven vermelde kamenier zoo door den schrik bevangen waren, dat ik nauwelijks wist, wat ik met haar beginnen zou, viel 't me natuurlijk in, om een of ander kalmeerend drankje voor haar klaar te maken; en daar ik op dat oogenblik niets beters bij de hand had dan heeten brandewijn en water, zoo maakte ik dan op staanden voet er een beker tot aan den rand toe vol van klaar. Aangezien het onmogelijk was, om te staan of te zitten zonder zich ergens aan vast te houden, lagen ze allen bij elkaar op een hoop in een der hoeken van een canapé--een ding dat over de lengte der kajuit aan den wand was vastgemaakt--waar ze als klissen aan elkaar hingen, ieder oogenblik verwachtende dat ze zouden verdrinken. Toen ik met mijn specifiek geneesmiddel aan deze plaats kwam, en op 't punt stond om met allerlei vertroostende uitdrukkingen aan de lijderes toe te dienen, die 't dichtst bij me was, och, wat werd ik moedeloos toen ik zag, dat ze allemaal langzamerhand naar den anderen kant heenrolden! En toen ik naar dien kant sukkelde en het gauw nog eens voorhield, hoe vreeselijk werden mijn goede bedoelingen alweer in 't aangezicht geslagen doordien het schip alweer afviel en zij allemaal weer naar de andere zij rolden! Ik veronderstel, dat ik, om zoo te zeggen, wel minstens een kwartier krijgertje met haar speelde, zonder ze een enkelen keer te snappen; en toen ik ze eindelijk en ten laatste snapte, was de brandewijn en water, waar gedurig wat van weggeloopen was, zoo verminderd, dat het wel op een theelepeltje kon. Om de groep volledig te maken, is 't noodig dat men zich in hem, die zoo aardig krijgertje speelde, een doodsbleek individu voorstelle, die zich te Liverpool voor 't laatst geschoren en 't haar uitgeborsteld had, en wiens eenige kleedingstukken (linnengoed niet meegerekend) een kaalversleten broek was, een blauw jacket, dat vroeger de bewondering wegdroeg op de Theems te Richmond, geen kousen, en één pantoffel.
Van de beleedigende kuren, die het schip den volgenden morgen uithaalde, waardoor het een bespotting werd om in bed te blijven, en een onmogelijkheid om op eenige andere wijze op te staan dan door er uit te tuimelen,--ook daar wil ik liefst het stilzwijgen over bewaren. Maar nooit, nooit zag ik iets in mijn leven zoo allerakeligst en naar, als wat mijn oogen ontmoetten, toen ik 's middags letterlijk op dek tuimelde. De oceaan en de lucht waren van een sombere en gelijke loodkleur. Zelfs over die vreeselijke wildernis die daar voor onze oogen lag, kon men zijn blikken niet rond laten weiden, want de zee stond hoog en de horizont omklemde ons als een groote zwarte hoepel. Van boven uit de lucht of van den een of anderen steilen kant aan den oever beschouwd, zal 't ongetwijfeld een even indrukwekkend als ontzaginboezemend tooneel opgeleverd hebben; maar van 't natte en heen en weer rollende dek gezien, maakte het alleen dezen indruk, dat men er duizelig en onpleizierig van werd. Toen 't den vorigen nacht zoo hevig woei, was de reddingboot door één slag der stortzee uit elkaar geslagen of 't een notedop was; zoo hing ze daar als een bos losse planken in de lucht te bengelen. De planken der raderkasten waren dwars door midden geslagen. De raderen lagen open en bloot; zoodat het schuim her- en derwaarts over 't dek spatte. De schoorsteen was wit van 't zout dat zich tot een korst had vastgezet; de bramstengen waren kapot, de stormzeilen beschadigd; al het want was kletsnat en zat geducht in de war; kortom, een akeliger schouwspel zou men zich niet voor kunnen stellen.