Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 18
Hier zaten we nu stilzwijgend te kijken naar de rij kleine tafels, die aan weerskanten van de kajuit stonden, en luisterden naar den regen zooals die op de boot droop en kletterde, en met een geluid, daar je naar van werd, in 't water plaste, totdat de spoortrein aankwam, dien we, met het oog op eventueele passagiers af moesten wachten, voor en aleer we weer vertrekken gingen. De trein bracht een groote massa koffers mee, die bovenop 't dek werden gesjord en gesmeten, en dat met zoo'n herrie, dat het ons even pijnlijk aandeed als had men 't zonder behulp van een kruier maar pardoes neergegooid; ook kwamen er verscheiden heeren mee, wier kleeren, toen ze rondom de kachel waren gaan zitten, begonnen te dampen dat het een aard had. Zonder twijfel was het een beetje pleizieriger geweest, als de regen, die nu nog harder dan ooit neerviel, toegelaten had, een raam open te doen, of als ons aantal een beetje minder dan dertig geweest was; maar er schoot nauwelijks zooveel tijd over, aan een en ander te denken, of er werden drie paarden achter elkaar voor de lijn gespannen, de jongen, die op het eerste ging zitten, klapte met zijn zweep, het roer kraakte en steende erbarmlijk, en... onze reis was begonnen.
X.
NAAR PITTSBURG.
WAT VERDER NIEUWS AANGAANDE DE KANAALBOOT; HAAR HUISHOUDELIJKE INRICHTING EN PASSAGIERS. REIS NAAR PITTSBURG OVER 'T ALLEGHANY-GEBERGTE. PITTSBURG.
Daar het maar zonder ophouden door bleef regenen, bleven we allen beneden: de natte heeren rondom de kachel, die door de werking van 't vuur langzaam van honigdauw doortrokken werden; en de droge heeren die zoo lang als ze waren op de banken, of met hun gezichten ongemakkelijk op de tafeltjes lagen te dutten, of de kajuit op en neer wandelden, die zoo laag was, dat alleen een man van middelbare lengte het doen kon zonder kale plekken op zijn hoofd te krijgen. Tegen zessen werden al de tafeltjes naast elkaar gezet, om één lange tafel uit te maken, en iedereen ging zitten aan een tafeltje welbereid, bestaande uit: thee, koffie, brood, zalm, elft, lever, lapjes, aardappelen, zuur, ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes.
"Zal u hiervan ook iets gebruiken?" vroeg mijn overbuur, bij 't overhandigen van een schaal in melk en boter gestoofde aardappelen; eigenlijk vroeg hij, of ik niets van deze "fixings" gebruiken zou.
Er zijn maar weinig woorden die zoo verschillende beteekenissen hebben als dit woordje "fix." Het is de Caleb Quotem van 't Amerikaansche Woordenboek. Gaat ge bij een heer in een landstad aan, zijn knecht deelt u mee, dat hij juist met "fixing himzelf" bezig is, maar dadelijk beneden zal komen: hiermee wordt u dan te kennen gegeven, dat hij zich aankleedt. Vraagt ge aan boord eener stoomboot, aan een medepassagier of 't ontbijt gauw klaar zal zijn, hij zegt u dat hij dit wel denkt, want toen hij zoo even beneden was, waren zij "fixing the tables," dekten met andere woorden de tafel. Verzoekt ge een kruier om uw bagage te dragen, hij bidt u, daar het hoofd niet over te breken, want "dadelijk zal-i 't "fix," ja dadelijk," en klaagt ge over de een of andere ongesteldheid, men geeft u den raad, om dokter zoo en zoo te sturen, die u in een oogenblik zal "fix."
Zoo bestelde ik op zekeren avond in een logement waar ik logeerde een flesch heetgemaakten kruiderwijn, en wachtte er lang op; eindelijk werd ze op de tafel neergezet met een verontschuldiging van den logementhouder, dat hij bang was dat de wijn niet behoorlijk was "fixed." Ja zelfs herinner ik me, aan een postwagen-diner, een heer, die alles behalve onder de vriendelijkste kon gerekend worden, een kellner, die hem een schaaltje met half gaar roast-beef gaf, deze vraag te hebben hooren doen: "hoe of-i dát noemde, om de gaven van God Almachtig zoo te "fix"?"
Ik moet gulweg bekennen, dat de maaltijd die tot deze uitweiding aanleiding heeft gegeven, nogal gulzig naar binnen geslagen werd, en dat de heeren de breedgelemmete messen en de tweetandige vorken verder in hun keelgaten staken dan ik deze wapens ooit te voren, behalve in handen van een vlug goochelaar, een dergelijke manoeuvre heb zien maken. Niettemin, niemand ging zitten, voordat de dames plaats hadden genomen, of verzuimde de geringste beleefdheid om 't haar zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Op mijn uitstapjes door Amerika zag ik trouwens nergens en bij geen enkele gelegenheid een vrouw blootgesteld aan de geringste daad van lompheid, onbeleefdheid, zelfs niet van onoplettendheid.
Toen we gedaan hadden met eten, was de regen, die wel vermoeid scheen te zijn dat hij zich in de laatste uren zoo geweerd had, ook bijna opgehouden, en konden we op dek gaan. Dit was een groot genot, niettegenstaande het dek maar bitter klein was en nog kleiner gemaakt werd door de bagage, die in 't midden onder een zeil opeengehoopt lag, dat er aan weerskanten zoo'n smal pad overbleef, dat er kunst en vliegwerk toe vereischt werd, om daar heen en weer te loopen en niet over boord te tuimelen in 't kanaal. Buitendien was 't in den beginne nogal lastig, iedere vijf minuten een, twee, drie te moeten bukken als de man aan 't roer "Brug!" riep, en soms, als hij "Lage Brug!" riep, verplicht te zijn, plat op den buik te gaan liggen. Maar men kan aan alles wennen, en er waren zooveel bruggen, dat het niet lang duurde of we waren ook hieraan gewend.
Toen de avond viel, en wij de eerste heuvelrij in 't gezicht kregen, die als 't ware de buitenposten van 't Alleghany-gebergte vormt, begon het tooneel, dat tot dusverre geen belang had ingeboezemd, stouter en indrukwekkender te worden. De natte grond rookte van de geweldige regenbuien die er gevallen waren; en het gekwaak der kikvorschen (die in deze streken een ongeloofelijk lawaai maken) klonk alsof er een millioen kaboutermannetjes met bellen een luchtreis deden en gelijken tred met ons hielden. De lucht was nog altijd bewolkt, maar de maan scheen toch ook, en woest en grandioos was het schouwspel toen we de Susquehanna overstaken,--over welke rivier, om dit in 't voorbijgaan te doen opmerken, een buitengewone houten brug geslagen is met twee galerijen boven elkaar, zoodat, als de spannen van twee booten elkaar ontmoeten, dit zonder hinder kan geschieden.
Ik heb er al van gewaagd, dat ik, wat de slaapplaatsen aan boord dezer boot betreft, in den beginne min of meer ongerust was. In die weifelende gemoedsgesteldheid bleef ik tot tien uur of daaromtrent, toen ik naar beneden ging en aan iederen kant der kajuit drie lange rijen boekenplanken zag hangen, die waarschijnlijk bestemd waren voor boekdeelen van klein-octavo formaat. Maar toen ik deze dingen wat aandachtiger opnam (het verwonderde me natuurlijk zulke letterlievende toebereidselen op zoo'n plaats aan te treffen), werd ik op iedere plank een soort van microscopisch laken en deken gewaar, en ging me flauwtjes een licht op, dat de passagiers de bibliotheek waren, en zij op deze planken behoorlijk op hun kant gearrangeerd zouden worden tot de morgen aanbrak.
Ik werd in deze gevolgtrekking versterkt, doordien ik sommige hunner rondom den kapitein aan een der tafeltjes zag staan, waar ze met al den angst en hartstocht van echte spelers op 't gezicht hun lot trokken; terwijl anderen met kleine cartonnen reepjes in de hand onder de planken aan 't zoeken waren naar de nommers die met door hen getrokken nommers overeenkwamen. Zoodra deze of gene heer zijn nommer vond, nam hij het in bezit, door zich op staanden voet uit te kleeden en in bed te kruipen. De vlugheid, waarmee een opgewonden speler in een snorkende slaper veranderde, was een der zonderlingste uitwerkselen, waar ik ooit getuige van was. Wat de dames aangaat, die lagen al te bed, achter 't roode gordijn, dat zorgvuldig toegetrokken en in 't midden vastgemaakt was; maar aangezien elk gekuch of genies of gefluister achter dit gordijn heel goed gehoord kon worden, zoo bleven wij ons zelven levendig bewust van haar nabijheid.
De beleefdheid van den gezagvoerder had mij aan een plank geholpen in een hoekje dicht bij dit roode gordijn, min of meer verwijderd van den grooten hoop der slapers, waar ik, hoogst verplicht door zijn attentie, mij dan ook naar toe begaf. Toen ik er de maat van nam, vond ik, dat ze juist zoo breed was als een gewoon vel Bath postpapier; en geen wonder, dat ik eerst een beetje met mijn handen in mijn haar stond, hoe en op wat voor manier ik me daar 't best op en neer zou kunnen vlijen. Maar daar de plank een onderste was, besloot ik ten langen leste, op den vloer te gaan liggen, mij zachtjes boven op de plank te rollen, dadelijk op te houden zoodra ik maar de matras voelde, en er in vredesnaam den nacht door te brengen met dien kant van mijn lichaam naar boven, zooals 't uitviel. Gelukkig kwam ik op 't juiste oogenblik op mijn rug terecht. Ik maakte me erg ongerust toen ik omhoog kijkende, merkte dat de plank vlak boven me wel een half el doorzakte, doordien er een allerzwaarlijvigst heer op lag, en de dunne koorden dien last niet schenen te kunnen torsen. Onwillekeurig dacht ik er om, wat wel de gevolgen konden wezen voor mijn vrouw en familie, als ik dien nacht zoo'n vrachtje op me kreeg. Maar daar ik zonder een geweldige inspanning van mijn lichaamskrachten niet op kon staan, iets wat de dames had kunnen storen; en ik buitendien niet wist waar, gesteld dat ik er met goed fatsoen uit kon komen, dan mijn ankertje neer te leggen, zoo deed ik mijn oogen voor 't gevaar dicht, en bleef waar ik was.
Ziedaar nog een paar bijzonderheden, die mijn nachtelijke ervaring verrijkt hebben met betrekking tot die klasse der maatschappij, die op deze booten reist. Of ze voeren hun onrustigheid tot die hoogte op, dat ze in 't geheel niet slapen, òf ze spugen in hun droomen, iets wat een opmerkelijk mengelmoes van 't werkelijke en denkbeeldige leven kan genoemd worden. Dien ganschen nacht, ja iederen nacht, dien ik op dit kanaal doorbracht, was er een echte storm en onweersbui van spugen; en eens hadden ze mijn jas, die toevallig midden in zoo'n spuugorkaan lag, die door vijf heeren volgehouden werd, (welke heeren zich verticaal bewogen, precies zooals Reid's Theorie over de wetten van stormen dit beschrijft), en eens, zeg ik, hadden ze mijn jas zoodanig bevuild, dat, wou ik ze weer in een draagbaren toestand brengen, er voor mij niets anders op zat, dan ze den volgenden morgen op 't dek uit te leggen en met schoon water fiks af te boenen.
Tusschen vijven en zessen stonden we op. Sommigen gingen daarop naar 't dek om gelegenheid te geven tot het weghalen der planken; terwijl anderen, daar 't erg koud was, om de roestige kachel heen gingen zitten, waar ze zich aan 't zoo even aangestoken vuur koesterden en, natuurlijk, ook niet in gebreke bleven, om den rooster te overladen met die vrijwillige bijdragen, waar ze den heelen nacht zoo scheutig mee geweest waren. Al het waschgereedschap verkeerde in den maagdelijken toestand van eenvoud. Er was een tinnen lepel aan 't dek vastgemaakt, waar ieder heer, die het noodzakelijk achtte zich te reinigen (sommigen waren boven de zwakheid verheven), het vuile water uit het kanaal mee opschepte en in een op dezelfde wijze vastgemaakte waschkom overgoot. Er was ook een vod van 'n handdoek, terwijl men eindelijk voor een klein spiegeltje, in de onmiddellijke nabijheid van brood en kaas en beschuit, een kam en haarborstel ten algemeenen gebruike aantrof.
Nadat de planken weggenomen en de tafeltjes weer bij elkaar gezet waren, ging iedereen weer aanzitten bij 't zelfde tafeltje welbereid, bestaande uit thee, koffie, brood, boter, zalm, elft, lever, lapjes, aardappelen, zuur, ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes van voren af aan. Sommigen hielden er dolveel van, om van dit alles een zoogenaamd allegaartje te maken, en om die reden alles tegelijk op hun borden te hebben. Als nu een heer het klaargespeeld had met zijn eigen persoonlijk bedrag van thee, koffie, brood, boter, zalm, elft, lever, lapjes, aardappelen, zuur, ham, coteletten, bloedworst en saucijsjes, stond hij op en ging heen. Toen iedereen het klaargespeeld had met alles, werden de klieken afgenomen, waarop een der kellners, die opnieuw voor den dag kwam en wel in 't karakter van een barbier, al wie lust had van de heeren om geschoren te worden, schoor, terwijl de overblijvers dat aangaapten of hun nieuwsbladen geeuwend inkeken. Het diner was de herhaling van 't ontbijt, zonder de koffie en thee; ook het souper was aan 't ontbijt gelijk.
We hadden een man aan boord, met een frissche gelaatskleur, en een peper-en-zout pak aan, die de nieuwsgierigste vent was, waar men zich met mogelijkheid een denkbeeld van kan vormen. Nooit sprak hij anders dan vragenderwijs. Kortom, hij was een geïncarneerd vraagteeken. Hetzij men zitten ging of opstond, hetzij men stil was of in de weer, hetzij men op dek wandelde of iets gebruikte, hij was er met een groot vraagteeken in ieder oog, twee in zijn gespitste ooren, nog twee in zijn wipneus en kin, ten minste nog een half dozijn meer om de hoeken van zijn mond, en het grootste van allen in zijn haar, dat heel wijsneuzig bij elkaar gekamd was in den vorm van een vlaskuif. Iedere knoop aan zijn hoed zei: "Hé? Wat 's dat? Sprak u? Zeg dat nog 'reis, asjeblieft!" Evenals de betooverde bruid, die haar man stapelgek maakte, was ook hij altijd kant en klaar wakker; altijd bij de pinken; altijd dorstig naar antwoorden; gestadig zoekende en nooit vindende. In één woord, nooit trof men de weerga van dat vreemde heerschap aan.
Destijds had ik een bonten jas aan, en voordat we nog goed en wel van wal waren, hoorde hij me uit op ieder punt dat er maar betrekking op had. Zoo vroeg hij me wat die jas wel kostte, en waar ik ze kocht, en wanneer, en wat voor bont het was, hoe zwaar zij woog, en wat dat bont afzonderlijk kostte. Daarna nam hij mijn horloge op, en vroeg wat dat kostte, en of 't een Fransch horloge was, en waar ik 't gekregen had, en hoe ik 't gekregen had, en of ik 't gekocht had of dat het een cadeau was; hoe het liep, en waar het sleutelgat zat, en wanneer ik 't opwond; iederen avond of iederen morgen, en of ik wel eens vergat 't op te winden, en zoo ja, wat dan? Vervolgens deed hij er onderzoek naar, waar ik 't laatst geweest was, en waar ik 't eerst naar toe meende te gaan, en waar ik dan naar toe ging, en of ik den President gezien had, en wat hij zei, en wat ik zei, en wat hij zei toen ik dat gezegd had? Hé? Je zoudt zeggen! Wat vertelt u me daar!
Daar ik merkte, dat niets zijn nieuwsgierigheid bevredigen kon, ontweek ik zijn vragen na het eerste dozijn of twee, en wendde vooral onwetendheid voor ten opzichte van 't bont, waar de jas van gemaakt was. Ik kan niet zeggen, waar 't vandaan kwam, maar die jas trok hem zoo geweldig aan, dat hij er naderhand rust noch duur van had; ging ik wandelen, hij zat me op de hielen, bewoog ik me, hij deed hetzelfde, alles met geen ander doel dan om me des te beter op te kunnen nemen; ja dikwijls ging hij zelfs zoo ver, om met levensgevaar in een nauw hoekje te kruipen, louter om 't pleizier te hebben, er van achteren zijn hand op te leggen en er, tegen den draad in, overheen te strijken.
We hadden nog zoo'n oolijken vent aan boord, maar die er heel anders uitzag. Deze was namelijk een schraal man van middelbare jaren en lengte, met een pak aan van zoo'n stoffige dofbruine kleur als ik nog nooit in mijn leven gezien had. Gedurende het eerste gedeelte der reis hield hij zich doodbedaard, en waarlijk, ik herinner me niet, dat hij mijn opmerkzaamheid tot zich trok, totdat hij, gelijk dit met groote mannen dikwijls het geval is, door de omstandigheden aan 't licht werd gebracht. De aaneenschakeling van gebeurtenissen, die hem vermaard maakten, kwam kortelijk hierop neer:
Het kanaal, moet men weten, loopt tot aan den voet van 't gebergte en houdt daar natuurlijk op. Dan worden de passagiers verder per as vervoerd, en naderhand door een andere kanaalboot opgenomen, den tegenhanger der eerste, die hen aan den overkant wacht. Er zijn twee gelegenheden om per boot over te varen; de eene boot heet Expresse, de andere (een goedkooper gelegenheid) de Pionier. De Pionier gaat het eerst naar 't gebergte, en wacht het volk van de Expresse af, aangezien de passagiers der twee booten gelijktijdig overgebracht worden. Wij behoorden onder de passagiers van de Expresse, maar toen we den berg over waren, en aan de tweede boot waren gekomen, kregen de eigenaars het in hun hoofd, er al de passagiers van de Pionier ook in te stoppen, zoodat we minstens met ons vijf en veertigen waren, en de vermeerdering van passagiers was in 't geheel niet van dien aard, dat het vooruitzicht om dien nacht te slapen, er beter op werd. Zooals dat in den regel gebeurt, gingen onze passagiers daarover aan 't pruttelen, maar lieten het toch over hun dak gaan, dat de boot met de geheele vracht aan boord op sleeptouw genomen werd, en alweer voeren we het kanaal af. Thuis zou ik er niet zoo'n klein beetje tegen geprotesteerd hebben, maar daar ik hier een vreemdeling was, hield ik mijn mond. Niet alzoo deze passagier. Hij baande zich een weg midden door 't volk op dek (we waren bijna allen op dek), en zonder nu het woord tot iemand in 't bijzonder te richten, begon hij de volgende alleenspraak:
"Dit mag jelui naar den zin wezen, ja jelui, maar mij niet. Laaglanders uit het Oosten en Bostonners van geboorte mogen er vrede mee hebben, maar ik in 't geheel niet. Neen waarachtig niet! Ik kom uit de donkere bosschen van den Mississippi, daar kom ik vandaan, en schijnt de zon op mij, dan schijnt ze--maar eventjes. Waar ik woon, glinstert de zon niet, neen, daar glinstert ze niet. Neen. Ik ben een bruine boschbewoner, ja, die ben ik. Ik ben geen water- en melk-kindje. Waar ik woon, daar zijn geen teere poppetjes. Daar wonen niet anders dan ruwe klanten. Ja waarachtig. Zijn er van die Laaglanders uit het Oosten en van die Bostonners van afkomst, ik ben blij om hen, maar ik hoor bij dat volkje niet thuis. Neen waarachtig niet. Dit gezelschap heeft een beetje "fixing" noodig, ja dat heeft het. Ze zullen aan mij geen katje vinden, dat men zonder handschoenen aan durft pakken. Zoo iemand ben ik. Ze zullen mij niet kunnen luchten of zien." Aan 't einde van ieder dezer korte volzinnen draaide hij zich op zijn hielen om, en liep den anderen kant op, en telkens als hij zoo'n volzin uit had, maakte hij die manoeuvre.
't Is mij onmogelijk te zeggen, wat voor verschrikkelijke bedoeling in de woorden van dezen bruinen boschbewoner opgesloten lag, maar ik weet dat de andere passagiers met een soort van bewonderenden schrik er bij stonden te kijken, en de boot dadelijk weer naar de kaai terugstoomde en men zooveel passagiers van de Pionier loosde als men met een zacht lijntje of met overbluffen maar kwijt kon raken.
Toen we weer heenvoeren, trokken sommige van de haantjes de voorste hun stoute schoenen aan, om tot hem, die er zoo kennelijk aanleiding toe gegeven had dat onze vooruitzichten ietwat beter waren geworden te zeggen: "Zeer verplicht, mijnheer," waarop de bruine boschbewoner (met zijn hand zwaaiende en nog altijd, evenals te voren, op en neer loopende) dit ten antwoord gaf: "Dat hoeft volstrekt niet. Jelui bent immers geen laken van mijn kleur. Jelui moet maar voor je zelf zorgen, ja dat moet jelui. Ik heb den weg gebaand. Laaglanders uit het Oosten en papkindertjes, laten die me volgen als ze 'r pleizier in hebben. Ik ben geen papkind, neen dat ben ik niet. Ik kom uit de bruine bosschen van den Mississippi, ja daar ben ik vandaan," en zoo voorts, evenals te voren. Uit aanmerking van de vele en gewichtige door hem aan den lande--in casu onze boot--bewezen diensten, werd hem met eenparigheid van stemmen een der tafeltjes toegewezen om er 's nachts voor zijn bed gebruik van te maken--om zulke tafeltjes worden er nogal wat woorden vuilgemaakt--ook stond men hem, zoolang als de reis maar duurde, het warmste hoekje bij de kachel af. Maar ik kon nooit merken, dat hij iets anders deed dan daar zitten; ook hoorde ik zijn geluid niet weer, voor en aleer ik onder al de drukte van 't afladen der bagage te Pittsburg, dat in den donker geschiedde, over hem heen struikelde, terwijl hij op de trap der kajuit zijn sigaar zat te rooken. Ja toen hoorde ik hem weer met een kort uitdagend lachje bij zich zelf mopperen: "Ik ben geen water- en melk-kindje, neen, dat ben ik niet. Ik kom uit de bruine bosschen van den Mississippi, ja daar ben ik vandaan, verdomme!" Ik voor mij ben er wel aan toe, hieruit af te leiden, dat deze woorden, om zoo te zeggen, in zijn mond begraven lagen; maar om nu, bijaldien ik er altemet door mijn Koningin en Land toe opgeroepen mocht worden, een beeedigde verklaring van dit gedeelte der historie af te leggen, zie, dit zou ik niet over mijn geweten kunnen verkrijgen.
Aangezien we echter, in de orde onzer vertelling, Pittsburg tot dusverre nog niet bereikt hebben, mag ik hier terloops de opmerking maken, dat ons ontbijt misschien het minst wenschelijk maal van den dag was, en wel om deze rede dat er, bij de geurtjes van de reeds vermelde spijs en drank, uit het kleine buffet, dat vlak bij ons was, nog de lucht kwam, om niet te zeggen stank, van jenever, whiskey, brandewijn en rum, gekruid door den damp van gemeene tabak. Vele van de heeren passagiers waren alles behalve zindelijk op hun linnengoed, dat op sommige plaatsen zoo geel was als de kleine riviertjes, die hun onder 't pruimen uit de hoeken hunner monden gedropen, en daar opgedroogd waren. Ook was de dampkring niet vrij van die fluisterende zefierwindjes uit de dertig bedden, die eerst kort te voren beredderd waren, en waar we nog verder en dringender aan herinnerd werden doordien er op ons tafellaken af en toe exemplaren van een soort wild verschenen, dat niet genoteerd stond op de spijslijst.
En toch, in weerwil van deze onaangenaamheden, die, ten minste in mijn oog, zelfs iets koddigs, iets uiigs in zich hadden, toch was er veel in deze manier van reizen, dat me indertijd veel plezier deed, en waar ik naderhand met groot genoegen op terugzag. Zelfs het loopen met een blooten hals, om vijf uur 's morgens, uit de bedompte kajuit naar 't vuile dek; het opscheppen van 't ijskoude water, het dompelen van 't hoofd daarin, en het er weer, geheel frisch en gloeiend van de kou, uithalen,--kijk, zelfs dat was een goed ding. Dan die wandeling, die vlugge, fiksche, vroolijke wandeling, tusschen dat uur en 't ontbijt, wanneer iedere ader scheen te tintelen van gezondheid; de uitgezochte schoonheid van den aanbrekenden dag, als daar het licht op al de voorwerpen begon te spelen; de trage beweging van de boot, wanneer men lui en vadsig eer door, dan naar den lichtblauwen hemel lag te kijken; het 's avonds zoo zachtkens voorbijglijden van sombere heuvels met hun insgelijks zoo somber uitziende boomen; somtijds met een als 't ware kwaadaardig kijkende rood gloeiende plek heel in de hoogte, waar ongeziene menschen omheen kropen: het flikkeren van de heldere sterren, niet verstoord door 't geweld van raderen of stoom, of eenig ander geluid dan 't gekabbel van 't spiegelgladde water als de boot vooruitging. Zie, dat alles was één genoegen al genoegen.