Schetsen, Eerste bundel

Part 8

Chapter 83,984 wordsPublic domain

Omdat 't zoo stil was, zoo eenzaam, zoo vreemd, zoo drukkend, begon zij weer te spreken, hokkend van angst.

"Ben je boos, Frans?"

"Boos?... Och"...

"Wat is 't hier stil."

"Ja."

"Vreeselek stil"...

"Ja"...

"Waarom zeg je niks?"

Weer raakten de handen.

"God... martel me niet."

Nu liep ze voor hem.

Naast elkaar gaan konden ze niet meer.

In zinnelijke bewondering keek hij naar het meisje, naar 't nekje met krullende donsharen, naar de soepele lijnen van 't lichaam, naar de voetjes in de kleine schoentjes, met 't witte der kous even-nog-te-zien.

Hij had haar in z'n armen willen nemen, hartstochtelijk.

Ze waren hier alleen.

Heel alleen.

Maar ze keek om, angstig omdat hij zoo stil was.

Toen begon hij te praten, druk, opgewonden, over allerlei dingen, waarnaar zij niet luisterde.

Zij antwoordde lachend zonder dat hij 't hoorde.

Ze durfden niet ophouen.

Bij de greppel werd breeder het pad.

Er stroomde water in, niet veel.

Gister was ze nog droog.

Aarzelend stond zij stil.

"Wil ik je dragen?"...

"Nee."

"Wil je dan weer terug?"

"Nee."

In eens, zonder verder te vragen, tilde hij haar op, droeg haar hoog in de armen en stapte door 't water.

Dicht was haar hoofd bij 't zijne.

Dicht was zijn mond bij den hare. Ze zag zijn snorhaartjes, vlàk-bij.

Ze voelden elkaars adem, kort, warm, snel.

"Frans!"...

Oogen als van 'n aangeschoten hert keken 'm aan.

Hij beefde.

Hij zoende haar niet.

Aan de overzij gleed zij uit z'n armen.

Zwijgend gingen ze verder.

Alleen in de stilte.

Links lag het dorp met zijn dol-vroolijk gegloei van roode daken in het effen groen.

Tamme rook-spiraaltjes verwasemden in de heldere lucht.

De kerktoren was grooter geworden.

De haan op den toren stond te stralen als een gouden pauw.

De dorpsstraat slingerde witjes, rustig, glad.

Bij de huisdeur, in een rieten stoel, zat ze in 't zonnetje.

Ze kleurde van genoegen.

"Hebben jullie al zóó vroeg gewandeld?"

"Ja."

"Hebben jullie... ruzie gehad?"

"Nee"...

"Welnee"...

Lize zoende haar, ging het huis in.

Op haar kamer gekomen, bleef ze wat drentelen voor het raam, keek door een kier van de neerhangende jaloezie en zag ze.

Toen wierp zij haar parasol en haar handschoenen op 't bed, zakte er stil bij neer en begon te huilen.

Beneden klonken de stemmen.

Op haar knieën liggend, de vuist ballend, snikte ze schor, hard-op, heesch...

"... Was je maar dood gegaan... Jij!... Jij!"...

VAN TWEE ONGETROUWDE MEISJES EN EEN HOND.

Wies en Mies liepen met Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.

Wies was een dikkert. Ze had een kort, slobberig lijfje. Ze had een hoofd en twee voeten. Dit laatste is zeker niet bijzonder. Maar bij Wies was juist het bijzondere aan het hoofd en de voeten. Het hoofd was dik en paars. De kleine oogjes probeerden listigjes over de bolle paarse koonen heen te gluren. Als brokken deeg, die tegen haar gezicht waren aangekwakt, stonden de koonen, dadelijk gezwollen rondom het stompneusje, gezwollen onder de oogen en nog altijd gezwollen bij de ooren. De twee lijvige, paarse pompoenkoonen werden dus het eerst gezien. Eigenlijk was het hoofd alléén paarse koon, met een neusbobbertje er in, met krentenstipjes er boven en een vleezige mondgleuf er onder. Wies--Mies zei Wiesje. Zij hield meer van Wies,--Wies had groene tandjes. In de dagen van haar jeugd had zij op aanraden van Mies, die een paardengebit had, een tandenborstel gekocht en haar tanden één ochtend met asch gepoetst, maar toen 't bloeden ging, had zij besloten alles te laten zooals natuur 't geschapen had.

Wies had niet alleen een hoofd, zij had twéé voeten. Ze liet ze altijd zien. Wat ze er aan had wist ze alleen zelf. Bij voorkeur droeg ze een bovenrok, die te kort was. De voeten schommelden er onder uit, groot en log, stevig en zwaar. Mannenvoeten. Aan dit maagdelijk lichaam waren mannenvoeten. Sommigen zeggen mansvoeten. Mannenvoeten gaat er mee door. Wies had eksteroogen. 't Valt natuurlijk niet met zékerheid te zeggen. Je zou er de voeten voor in natura moeten zien, maar aan haar wijze van loopen, aan het trapganzig neerklotsen der mannen- of mansvoeten, kon je toch merken dat de manslaarzen niet gemakkelijk zaten. Wies hield niet van hakken. 't Is een vreemd geval, toch moet ge Falkland op zijn woord gelooven, wanneer hij het feit constateert. Dan nog,--bijna zou ik daarenboven geschreven hebben, wat een verouderde en te superlatieve uitdrukking is--stonden Wiesje's teenen in Wiesje's manslaarzen weerbarstig omhoog, gelijk een platgetrapte grashalm, die zich begint op te richten.

Wies was dus, kort en bondig herhaald, slobberig-dik,--ze droeg geen corset--, met vette, paarse pompoenkoonen, neusbobbertje, krentenoogjes en een paar robuste, haklooze manvoeten, die zich aan den teenkant van de aarde verwijderden.

Mies was mager. Ge zult vermoeden dat Falkland hier een fantastisch contrast maakt, maar nog eens op zijn woord, Mies wás mager. Ze was àkelig mager. Te oordeelen naar haar gelaat, mocht verondersteld worden dat ze veel zichtbare ribben bezat. Ze was van een magerte, die pijnlijk schokte naast het weelderig vet van Wies. Ze was mager en réég zich. Ze droeg een zwart schoudermanteltje, dat om haar schouders bengelde als een natte theedoek, die an 'n lijn te drogen hangt.

Mies was bleek, vaalbleek. In haar bleeke gezicht puilden de jukbeenderen, gelijk bleeke klonten op geklonterde amandelvla. Ze had een mageren, gepletten, Griekschen neus en nu ja--al is 't niet aesthetisch--zachtzinnige randjes rood onder de oogen. Mies was lichtschuw. Ze liep met d'r bleeke, vale, magere gezicht gebogen en vreemd, idioterig lachend, omdat ze 't volle licht niet velen kon. Als ze lachte liet ze d'r tanden zien. Ze had een paardengebit, een groot, sterk, regelmatig, geel paardengebit. Lachte ze bijzonder lichtschuw, dan kwam óók 't bloedloos tandvleesch te zien.

Molly was het hondje.

Het hondje van Mies, ofschoon hij ook luisterde naar Wies. Ik spreek daar van "hij". Dat is minder juist. Molly was een teefje. Om verwarring te voorkomen, zal ik haar tijdelijk mannelijk maken. Molly was een bastaard. Dat wil zeggen: hij was niet bepaald hazewind en niet bepaald fox en niet bepaald taks. Hij had van elk wat. De herediteit der vermenging drukte zwaar op zijn kop en zijn pooten. Meer was van hem niet te zien. Mies pakte hem in een hondendekje als ze ging wandelen, een snoezig dekje van blauw laken met gele randen en roode bandjes.

Ongeveer, luidens deze zeer onmachtige beschrijving, liepen Wies, Mies en Molly langs den Amstel, halfweg Kalfje.

Molly vooruit, snuffelend tusschen het gras en matig dikwijls zenuwachtig neerzakkend op de gespreide achterpooten.

"Is-die nou eindelijk zindelijk?"--vroeg Wies.

"Hij doet niks meer," giegelde Mies.

"Is-die beter waakzaam?"

"Nou!... as d'r iemand voorbij 't raam loopt, blaft-ie wel vijf minuten."

"Da's wàt 'n rustig idée voor je 's nachts."

"Vroeger keek ik altijd onder me bed, om te zien of d'r geen man lag."

"Verbeel je 's nachts... 'n inbreker"...

"... Of 'n moordenaar"...

"Mollie--Mollie--Mollie-ie-ie!"

"Wat heeft-ie nou!"

"O lieve God!... D'r zit 'm 'n hond na!"

Mies en Wies stonden stil. De wind waaide d'r rokken strak-weg.

Molly werd achtervolgd door een bruinharigen, leelijken, beslijkten straathond, die met beminnelijke welwillendheid, niet te opdringerig, integendeel met iets gentleman-achtigs in zijn gedragingen, haar--zegge Molly's--achterpooten en staart liep te beruiken. Molly, beangstigd door die toch wel wat onvoegzame gemeenzaamheid, draaide zich eerst om met vertoon van nijdige, witte tandjes, maar de straatvlegel nam er geen notitie van en draaide mee, al naarmate Molly draaide. Kittig vluchtte Molly over een plank, over een sloot en liep aan de andere zij van 't water Wies en Mies te gemoet met den straathond à la suite.

"Mollie-Mollie-ie-ie-ie!" riep Mies.

"Wil je weg gaan, vuil beest!" riep Wies, die met haar parapluie hevige bewegingen verrichtte.

Goedig keek de vreemde naar de ongetrouwde meisjes aan de overzij, naar Wies' pompoenkoonen en Mies' paardengebit, bleef éven wijsgeerig op een afstand zitten, maar hernieuwde daarna zijn eerbiedige hofmakerij.

"Kischt! Kischt! Kischt!"

"Mollie-Mollie-Mollie-ie-ie!"

"Wil je weggaan, smeerpoes!"

"Kischt! Kischt!"

Molly nam intusschen een verdedigende houding aan, bromde en knorde als een tijger. In kringetjes sloop de bruinharige rond haar, schoot plotseling ongeduldig toe, pakte Molly in haar blauwe pakje en gromde op zijn beurt.

"Kischt! Kischt!"

"O Mollietje! Engeltje! Schatje!"...

Molly deed wat menschelijk te begrijpen is: ze liet zich vallen, plaste met de van heriditeit getuigende pootjes in de lucht en begon een langgerekt, erbarmelijk gejank.

"Wacht! Ik zal jou krijgen!"

Op den weg lag een oude schoen. Wies pakte 'm beet, voorzichtig, bij een onbeschimmeld plekje, mikte en wierp 't instrument naar de overzij op 't weiland.

Lobbesachtig, met eenige verbazing, wát of die twee juffrouwen met zijn zaken te maken hadden, keek de vieze op.

"Kischt! Kischt!"

De schoen had hem niet geraakt. Voorzichtig, maar vastberaden ging hij voort met de beruiking van het hondendekje, dat hij belangrijk scheen te vinden, terwijl Molly, bibberend, met ingehouden najankertjes, zich niet langer tegen de kennismaking verzette.

"Durf jij over de plank?"

"Ik?... Nee"...

"Ikke ook niet"...

"Daar ligt een steen."

Weer mikte Wies.

Raak!

De viezerik jankte nijdig en schoot een end 't weiland in.

"Mollie! Mollie-tje!"

"Psst! Pischt! Pischt!"

Daar kwam die, holde over de plank, rende naar Wies en Mies en sprong met z'n beslijkte pooten tegen Mies' gespikkeld pakje.

"Ach schatje, wat zie je d'r uit!"

"Kijk 't kleedje van het engeltje is toegetakeld zijn!"

"... 't Is heelemaal bedorven... Ja, je bent mijn schatje... mijn Habbelebabs... mijn pief-piefie... Kom nou maar mee an 't kettinkie... Nou zullen ze je geen kwaad meer doen.... die vieze leelijkers!"...

Wies en Mies waren ontdaan.

Maar nou zakte 't weer en wandelden ze verder langs den Amstel,--het slobberig dikkertje met de paarse pompoenkoonen, 't neusbobbertje, de haklooze manvoeten en de magere bleeke, lichtschuwe met 't paardengebit.

Aan 't kettinkje sjokte de hond, achter de ongetrouwde meisjes.

DOODE.

Hij deed het.--Het gebeurde in een minimum. Hij was dood.

Eerst kwam de vrouw op de kamer, frisch van de wandeling. Ze keek naar 't lichaam, liep gillend heen. De vader kwam ook, krijt-wit, bevend. Achter hem gluurden de dienstboden, in een groote begeerigheid om het lijk te zien.

De dokter constateerde den dood.

De kist werd besteld.

Een kleine annonce kwam in de krant: ... "Tot onze innige droefheid overleed gisteren, na een korte ongesteldheid, onze"...

Nieuwsgierigheid, meelijdend gekakel, vloekende kwaadaardigheid walmden door 't stadje.

Maar hij was dood.

Op den begrafenisdag stond de rouwkoets voor de deur. De zwarte kast wiebelde tusschen de stoffige wielen. Slap hingen draperieën en franjes naast verzilverde doodskoppen. Als een zakkendrager, rond gebogen, dommelde de koetsier op den bok. De paarden knabbelden op de gebitten, trappelden saai onder de warme, drukkende dekken. Om de koets, voor de huisdeur krielden menschen, buren, voorbijgangers. Ziekelijke nieuwsgierigheid was op de tronies. Ze verdrongen zich fluisterend. Ze keken met schuwheid naar de leege holte in de koets, waar de kist moest kommen. Dicht tot elkander schuivend, praatten ze. De een sprak kwaad over den dooie, de ander had het lijk gezien, beschreef de akeligheid van het verminkte hoofd. Aan de overzij hadden ze 't over 't aantal koetsen, dat rijk en arm allemaal motten sterven, over de weduwe, over de famielje. Een agent hield de ruimte voor de deur vrij.

't Duurde lang eer de kist kwam. In de brandende zon hing de menigte te braden op de stoep, opdringend, met de ongure nieuwsgierigheid van menschen, die graag met 'n dooie zien sollen.

Maar nou kwam-die.

Klots, klots. De dwarshouten worden in de koets gelegd. Boem. Een benauwde dreun. De kist glijdt in den wagen. Het zwarte kleed flapt over de houten wanden... 'n Beetje meer aftrekken Dirrèk...

Dichter dringt het volk. 't Wil 'n naakt hoekje van de kist zien. Nou praten ze zachies over de kransen, over de blommen.

Allee! Hoert!

De lijkwagen trekt 'n endje op. De eerste koets rolt voor. De nieuwsgierige massa duwt en dringt om de bloedverwanten te zien, te kijken wie of d'r nou 't meest huilt, wie of d'r 't bleekst is.

... Dat sel de vader sijn... die met z'n geplakte hare... Nietes... Wellis... Nietes... Hou nou je bek... Is 't gedaan van achteren?... Hou je poote thuis, lamstraal... Verrek nou...

Langzaam sukkelt de stoet voort. Vóorop de dooie man. Achteraan de koetsen met netjes in 't zwart, met witte dassen gekleede menschen. Als 'n zwarte slang, waggelt hij naar 't open gat in den grond, naar 't plekje omwoelde aarde, waar ze den dooie onder wat schoppen heetgebrand zand zullen verstoppen. De kinderen sjokken nog een eind mee. De voorbijgangers blijven staan, kijken om, tellen de koetsen, gaan verder. De tram stopt even. Achter de ruiten laten de burgerjufs 'n oogenblik d'r emmer met aardappelen of d'r handwerkje staan.

Een uur later komen de koetsen voor het sterfhuis terug. Boven in de huiskamer, nemen ze gedempt-sprekend afscheid, loopen op de teenen op het Smyrnaasch.

... "Hou je maar goed, meneer... Kom, niet 't hoofd laten zakken... Sterkte mevrouw..."

Buiten stappen ze weer in de koetsen, gaan naar huis, of slenteren in clubjes naar 'n café. Nou 't lijk niet meer boven aarde staat, spreken ze vrijuit. Dikke oom kan geen medelijden hebben met iemand, die eerst zijn zaken in de war stuurt en er zichzelf dan kort en bondig uithelpt. Dà's een lafheid, een gemeenheid, een verregaande karakterloosheid. Als je fatsoenlijk man ben, laat je je vrouw niet zoo berooid achter. De familie zal d'r natuurlijk weer voor moeten opdraaien. Natuurlijk de familie! Neef is mee naar 't graf gegaan pour sauver les apparences. Inwendig vond-ie 't beroerd om de laatste eer an iemand te bewijzen, die zóó de familie in opspraak bracht. "Hij" had zijn zaken bijtijds dienen bloot te leggen. Ze zouen 'm dan geholpen hebben. Hij zou 't zeker gedaan hebben. Maar zúlke krankzinnige uitersten! Nommer drie had allang gemerkt, dat er iets mis was. Hij vond den dooie rondweg een ploert.

't Was heel mooi, om van dooien niks dan goeds te zeggen. Dat ging zoover 't voeten had. Hij hield er van "zijn meening te zeggen". 't Was een infamie! Waarom was "hij" niet failliet gegaan? Wat stak d'r voor schande in? Zag je niet dagelijks de grootste huizen springen? Lag 't niet voor de hand om weer van voren af aan te beginnen, met hulp van de familie? Hadden ze niet voor 'n fatsoenlijk accoordje kunnen zorgen? Nummer vier wou absoluut geen kwaad spreken, maar hij was toch positief door den dooie opgelicht die hem nog geen twee maanden geleden een paar mille te leen had gevraagd. Nummer vijf zou "hem" een man van karakter hebben gevonden, als hij had blijven leven. Daartoe was meer moed noodig dan zich dood te schieten, wat feitelijk elkeen kan.

Op de Beurs was het nieuws den eersten dag rondgegaan. De crediteuren waren verontwaardigd. Cijfers, dikke, vette cijfers werden genoemd. Er was een algemeene verbittering. De solide beursmannen, die geld aan "hem" verloren hadden, waren kapot van zoo'n geval. Anderen die wat aan "hem" verdiend hadden, redeneerden en beweerden dat je van een zaak alles moet weten voor je aan 't veroordeelen gaat. Hooggeboorde leegloopers liepen druk-gesticuleerend langs de pilaren. Ze wisten bijzonderheden. Er waren ook grappenmakers. Een had een woordspeling gemaakt op den naam van den dooie... Hahaha!... Wat? Nou, wat?... Nee, mis!.. Hahaha!.. Goeie, zeg... Flauwe bliksem!...

De Beurs spoog het nieuws in de stad... Heb je gehoord van...? Van...? Wat zegje d'r van?... Leppend van d'r glaasjes, bij 't geratel van dominosteenen, in aangenaam weelderige stemming, zaten ze gehokt, onderstellingen makend, sprekend over "zijn" privé-leven... Wie heeft d'r dubbel-zes?... Kom praat nou niet... Dibbels, jouw beurt... Maar dan begon d'r weer een. Ze waren 't allemaal eens. Hoe kòn je van opinie verschillen? 't Was niet alleen laf, 't was onmanlijk om zóó je jonge vrouw achter te laten. Hij had behooren te bedenken, dat een man plichten heeft. Als jonggezel was-ie meester van z'n leven... Maar getrouwd en nog geen jaar getrouwd... Was ze niet 'n juffrouw ††† van d'r van?...

Precies. D'r vader was resident in Indië geweest. "Hij" had een goed huwelijk an d'r gedaan. Ze hadden d'r hart te hoog gedragen. Overal nummer een. Als de zaken misloopen, mot je de tering naar de nering zetten. De vorige week waren ze nog in 't Concertgebouw geweest. Vroolijk as ze waren! En nou 'n smerig bankroet. Een makkelijke manier om je van je schuldeischers af te maken. Een geluk dat d'r geen kinderen waren. Wablief? Geen kinderen? D'r most wel degelijk een op komst zijn... Wat 'n schooier toch! Wat 'n patser!

's Middags, an tafel, spraken ze d'r verder over. Eerst werd 't zacht an de vrouwen verteld, schudden die 't hoofd. Dan, kwam de lust om méér te weten, werd er lief, meelijdend geredeneerd, een sinaasappeltje geschild en over de vrouw gepraat, dronken ze zoete thee en werden de toiletten, de "sjiek" van "haar" behandeld.

Wat een luxe in dat huishouden!

Wat een verspilling!

Zoo'n vrouw most 'n man ruïneeren.

Dat had je bij Indischen, die smeten altijd met geld. Daar was geen kruid voor gewassen.

Maar wat een schrik, hè, wat een angst... om... zoo... je... man... dood... te vinden... Hè! Hè! Hè! 't Was om te besterreven. Z'n heele kaak kapot!... Hè! Hou nou op alsjeblief met je angstige verhalen! Hè! Hè! Koos, wil je hebben da'k vannacht geen oog dicht doe!...

NAAIMUGJE.

Bij de rood-lichtende lamp las ze. Ze was aan het derde hoofdstuk: Een stormachtige nacht.

"Daar knalde een pistoolschot; de edele chevalier struikelde, en scheen op 't punt om in de knieën te zinken--doch neen, hij vervolgde zijn weg, wankelend, als iemand, die beschonken is, maar toch snel genoeg om in de duisternis verdwenen te zijn, eer de man, dien hij had willen verderven, hem achterhalen kon...

"Een wanhopige gil hield den vervolger terug in zijn loop: was dàt de stem zijner vrouw? O God, had hij haar getroffen! Haar, die hij ten koste van goed en bloed zou willen behoeden voor ongeluk en schande? Sidderend van zielsangst wankelde hij naar de plek waar de twee vrouwen zich bevonden.

"Goddank! zijne Julia was ongedeerd. Bleek, bèvend, doch behouden stond zij daar, als een beeld, zoo roerloos. Céline lag bezwijmd aan hare voeten in 't vochtige gras.

""Violet?" brengt de man met moeite uit. "Violet! hoe komt zij hier? Wie was die--die--andere, die man?" Zonder te antwoorden buigt..."

Tik. Tik. Tik...

Tien uur.

"Jassus... Hoeveel bladzijden nog eer 't hoofdstuk uit is... Nog vijf... Eerst uitlezen..."

Wèer in de hurkend-liggende houding, gejaagd, las ze verder. Bij het slot: "Ga! Ik zal u straks alles verklaren!"--lei ze een draadje rooie wol in het boek, sloeg het dicht en nam het naaiwerk weer op.

Het was muf in het atelier. Ze zat naar de ramen gekeerd, vlak bij de lamp, die aan een kant heel scherp het fijne gezichtje belichtte. Het zwarte haar stond in een wrong hoog-op. Ze had er een kleur van gekregen. Terwijl de vuil-bruine handjes rap aan 't werk waren en de naald heen en weer vloog als een glinsterend motje, dacht ze aan Violet en Céline, aan den chevalier en den edelen man. Als ze nou hard doorpikte kon zij den zoom om half elf hebben gelegd, dan nog drie knoopsgaten, dan was ze d'r.--Wat je dat opwond! Je wer d'r koud en warm bij! Zulleke heerlike mense, die allemaal zulleke echte, zulleke heerlijke avonturen hadden. Wacht eventjes. Effen den zoom vouwen. Zoo. 't Was toch mooi goed. As je 't over je been streek was 't zoo glanzig as zij. Nou verder. Wat 'n zonde dat't nog niet af was. As ze eerst d'r taak had klaargemaakt, kon ze nou lekker in bed leggen lezen. Nou was 't laat voor niks geworden, deeën d'r oogen pijn. Hoe zou 't afloopen met Céline? Ze was pas an de 52ste bladzij. Zou ze eventjes van achter kijken? Nee, jassus, schaap, werk nou door. Wat staken d'r oogen vanavond. Wacht, even betten. Zoo voelden ze frisscher.

't Was 'n lange zit, wat? De andere meissies hadden 't veel pleizieriger. Die gingen om negen uur weg, hadden pret in de Kalverstraat, kwammen in de lucht en leien nou te slapen. Maar je kon d'r niks an doen. De een was zus, de ander zòo. Ze zat toch wel lekkertjes, zoo in het warme atelier. As de andere meissies d'r waren, was 't wàt lollig. Wat had die Lise zich angesteld vanmiddag. Achter den rug van de juffrouw had ze bakkussen getrokken om van om te vallen. 't Was wel een grappige meid, maar ze stelde zich toch an as een mal dier as 't Zondag was. Griet was 'n akelig spook. Wat 'n onuitstaanbaar dierage, om an de juffrouw te klikken dat ze d'r mouw dichtgenaaid hadden. Dat had je altijd bij rooien. Jassus, al elf uur! Wat die tijd toch vloog. As de juffrouw morgen kwam, zou 't weer mis zijn. De knoopsgaten mosten af. Sjiek kostuum. Zóó 'n Zondagsche jurk. Wat zou Lise 'n giftige oogen opzetten!

Zondag was toch maar 'n dag om te zoenen. As je elken dag van 's morgens negen tot 's avonds tien zat te pikken, was 't goddelijk as je Zondagmiddag tot acht uur uit mocht. De juffrouw was wel goed en vijftig cent zakgeld in de week met vrijen kost was goed betaald, maar je was toch blij as je in de lucht kwam. Nou had ze drie gulden gespaard. Lise, die een daalder verdiende, omdat ze zestien was, versnoepte alles. Die had altijd een toetje met zoetigheid. As je vriendin met d'r bleef, stopte ze altijd toe. Maar ze was zoo'n jongensgek. Ze maakte afspraakies. En de jongens deeën zoo gemeen. Jassus. Nou nog èèn knoopsgat. Hè, wat staken d'r oogen. Morgenavond kreeg ze d'r tien stuivers. Dan kon ze klaar zijn met "Céline's beproeving", zou ze "De gevloekte" huren, dat net zoo prachtig most wezen als "De bleeke gravin".

Met gezwollen oogen werkte ze door. Het licht was rooder geworden. Eindelijk lei ze 't kostuum neer, zocht nog wat wol uit een pak van de groote stellage, dee de kast open en nam het bord met de boterhammen, dat de juffrouw voor d'r klaar had gezet. Alweer boterhammenworst!... Dat zag je al uit de verte... Natuurlijk! Mààr tien cent het ons. Je mocht nog dank-ie zeggen as je d'r wat opkreeg. Zoo. Nou ging ze d'r nog éven voor zitten. Hè! Dat was nou je heerlijkste uurtje. Vroeger at ze d'r boterhammen in bed. Maar dan lag je den heelen nacht op de kruimels.

Nou was 't hier om niet naar bed te gaan. Waar was ze gebleven? O ja, bladzij 52. Een nieuw hoofdstuk: Kassia, de getrouwe en vertrouwde. Nou eerst een hap in de boterham...

Smakkend en lang kauwend over elken hap, om maar te rekken, die heerlijke gezelligheid, om te eten terwijl je las en je niet gestoord kon worden, begon ze weer aan den roman, bleef doorlezen en pikte de kruimels van 't bord.

Tik. Tik. Tik. Tik...

Was 't al zóó laat? Precies. De klok ging precies. Buiten speelde 't net. Nou gauw uitkleeden. Zoo. Nou de nachtpon. Nou d'r haar. Nou kon ze weer lezen.

Terwijl zij het haar kamde, las ze door, hield op met kammen en verslond de regels. De kam lei naast het boek... Het was om den heelen nacht op te blijven...

"En de vrij gebleven hand tastte onder 't hoofdkussen, en haalde een blanken dunnen dolk te voorschijn, en nogmaals sprak Julia, met heesche, sissende stem: "Straffen zal ik--ze--en--mijzelve!" En bij elk woord daalde de scherpe dolk neer in de borst der oude vrouw, en toen de doodsangst deze kracht gaf om zich los te rukken, toen een gillend noodgeschrei de huisgenooten bijeen riep, toen daalde die dolk nogmaals neer; en de blanke hand stiet hem krachtig in de met juweelen en kanten versierde borst,--juist dààr, waar de diamanten vlinder vonkelde..."

Tik. Tik.