Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 9
De groene ridder bemerkte zijne verwarring en kwam lachend op hem toe. "Gij staat verbaasd, Heer Walewein en dat niet geheel zonder reden," sprak hij, "maar wat u thans zoo zonderling toeschijnt, kan ik u met een enkel woord verklaren. Weet dan allereerst, dat mijn naam is Bernlak de Hautdesert en dat het kasteel, waar gij de laatste week hebt doorgebracht, het mijne is. Dat ge mij niet herkendet, toen ik u bij uwe aankomst begroette en dat gij in mij ook thans niet de gelijkenis met uw gastheer terugvindt, dank ik aan de tooverkunst van Morgan Le Fay, de vermaarde toovenares, die, zoo zegt men, bij den grooten Merlijn in de leer is geweest. Zij was het, die mij de gestalte verleende van den groenen ridder en die mij naar het hof des konings zond, deels om de dapperheid der ridders van de Ronde Tafel op de proef te stellen, deels om hare aartsvijandin, koningin Ginevra, een schrik te bezorgen, die haar wellicht noodlottig zou zijn. Morgan Le Fay, met wie ik in verre bloedverwantschap sta, vertoeft als gast in mijn huis en is niemand anders dan de oude vrouw, in wier gezelschap gij mijne gemalin voor 't eerst begroettet. Toen zij mij voorstelde, om haar in haar plan behulpzaam te zijn, heb ik gaarne toegestemd, want ook ik verlangde, om de beroemde ridderschap der Ronde Tafel eens met eigen oogen te zien en bovendien was elke afleiding mij welkom. De winter is lang in eene woeste, eenzame streek als deze en een tocht naar het hof van koning Arthur bood eene niet te versmaden afwisseling. Ziedaar dus, hoe ik er toe kwam om als tooverfiguur aan het hof te verschijnen en er schrik en ontsteltenis te verspreiden. Reeds dadelijk trof mij aldaar uw moedig optreden en het deed mij genoegen, dat gij het waart, die mijn gast zou zijn dezen winter, want ook dit was door Morgan vooraf bepaald. Van wat gedurende uw verblijf ten mijnent zich tusschen u en mijne vrouw heeft afgespeeld, ben ik geheel op de hoogte. Ikzelf gaf haar bevel om u te bezoeken, ten einde uwe gevoelens van eer en trouw op de proef te stellen. Gij hebt het vertrouwen, dat ik in u stelde niet beschaamd gemaakt, maar u gedragen als een edel ridder behoort te doen. Daarom heb ik u heden gespaard en u slechts in schijn den slag teruggegeven, die u krachtens onze overeenkomst toekwam. De eerste twee slagen, die ik voorwendde u te geven, waren eene straf voor de kussen, die gij van mijne vrouw ontvingt, maar omdat gij ze mij des avonds eerlijk terug hebt gegeven, waren mijne slagen slechts geveinsd. De derde maal echter hebt gij tegen onze afspraak gezondigd door te verzwijgen, dat gij den groenen gordel als geschenk van haar hadt aanvaard. Om u daarvoor te straffen, heb ik u met de punt van mijne bijl geraakt, echter zonder u ernstig verwonden, want ik wist dat uw zwijgen slechts voortkwam uit den natuurlijken drang tot zelfbehoud, die elk mensch is aangeboren. Thans weet ge alles en rest mij slechts, u te verzoeken, mij te volgen naar mijn kasteel en aldaar met mij en de mijnen het Nieuwjaarsfeest te blijven vieren."
Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, waarmede Walewein naar de woorden van den groenen ridder geluisterd had. Gevoelens van schaamte, vernedering, toorn en gekrenkten hoogmoed streden met elkaar om den voorrang in zijn gemoed, maar het gevoel van schaamte en bittere vernedering was sterker dan alle andere en toen Bernlak de Hautdesert gedaan had met spreken, barstte hij los in een stroom van hevig zelfverwijt. "Vervloekt zijn lafheid en begeerigheid," riep hij uit, "want die zijn de bron van alle kwaad!" Daarop gespte hij zijn harnas los, wond den groenen gordel van zijn middel en wierp dien den ridder toe onder het uiten van heftige verwenschingen. De laatste echter sprak: "Gij maakt u zelven ten onrechte een verwijt van wat geschied is en bovendien is een mensch, die zoo openhartig als gij zijne fouten erkent, in mijne oogen even rein van hart als een die nooit gezondigd heeft. Wat den gordel aangaat, zoo zou ik u willen verzoeken, dien van mij aan te nemen als herinnering aan uw avontuur bij de groene kapel. Behoud hem dus en laat ons thans huiswaarts keeren, waar men onze terugkomst met verlangen tegemoet ziet."
Walewein schudde het hoofd en terwijl hij zich opnieuw de groene zijde om de heupen wikkelde, sprak hij ernstig: "Uw geschenk wil ik gaarne aanvaarden als eene herinnering aan onze kennismaking en eene waarschuwing om mij niet opnieuw door schoone vrouwenoogen tot lafheid en eerverzuim te doen brengen. Wanneer de trots om eene volbrachte heldendaad mij dreigt te overmeesteren, zal een enkele blik op dezen gordel mij tot een helderder besef mijner tekortkomingen terugbrengen. Aan uwe vriendelijke uitnoodiging om met u naar uw kasteel terug te keeren, kan ik echter geen gehoor geven. Mijn weg voert thans naar Camelot, waar mijn vorst mij wacht en in spanning den uitslag van mijn avontuur verbeidt. Vaarwel dus en heb dank voor de les, die ge mij gegeven hebt."
Hierop scheidden de beide ridders en reden in tegenovergestelde richtingen heen. Bernlak de Hautdesert keerde terug naar zijn kasteel en Walewein vond met veel moeite den weg, dien hij gekomen was en die hem na wekenlange omzwervingen weer naar Camelot terugvoerde.
_Van Waleweins terugkeer aan het hof van koning Arthur._ Tegen het einde van Februari, op een zoelen namiddag, terwijl het landschap om hem heen reeds de eerste sporen vertoonde van het naderend voorjaar, zag hij de trotsche torens van Arthurs paleis tegen den gezichtseinder oprijzen. Met een gevoel van innige dankbaarheid blikte onze held om zich heen. Hoe verschilde de stemming, waarin hij zich thans bevond, van die, waarin hij eenige maanden te voren door de hem welbekende streek gereden was. Toen had hij zich gevoeld als een ten doode opgeschrevene en de natuur om hem heen had met hem mede gerouwd onder haar grijze sluiers van mist en regen. Thans echter keerde hij behouden en wel uit zijne gevaarlijke onderneming huiswaarts, zijn woord had hij gehouden en toch leefde hij! Al brandde de groene gordel hem als vuur om de leden, wanneer hij dacht aan het oogenblik, waarop de groene ridder hem zijne geheimhouding daarover verweet--toch waren zulke gedachten niet bij machte om de vreugde over zijne behouden thuiskomst uit zijne ziel te verbannen. Het scheen hem toe, alsof hij een weerklank van die vreugde vond in de ontwakende natuur om zich heen. Het zingen der vogels, het ruischen van den wind door de boomen, waar de knoppen zwollen, het klaterend geluid der beekjes, die, gevoed door de smeltende sneeuw, van de heuvels stroomden, het scheen hem of het zoo vele stemmen waren, die met hem juichten over zijne wonderbaarlijke redding en hem in herinnering brachten, wat al schoons en heerlijks hem nog in zijn jonge leven te wachten stond!
In opgeruimde stemming bereikte hij het paleis en niet zoodra was het bericht van zijne thuiskomst in de zalen doorgedrongen, of van alle zijden stroomden de ridders tezamen om hun vriend, dien zij verloren waanden, te begroeten. In een oogwenk zag Walewein zich omringd door lachende gezichten en elkander verdringende gestalten, vroolijke uitroepen en blij gelach vervulden de lucht en getuigden, hoezeer hij bij allen aan het hof geëerd en bemind was.
Toen de eerste vreugde van het wederzien bedaard was, namen de ridders onzen held in hun midden en voerden hem zegevierend naar binnen, waar in de groote slotzaal koning Arthur hem wachtte. Diep ontroerd omhelsde de vorst zijn neef, dien hij als een zoon liefhad, en verzocht hem toen aan zijne zijde plaats te nemen en hem verslag te doen van zijn wedervaren.
Walewein gaf gehoor aan zijn verzoek en verhaalde zonder omwegen, wat er sinds den dag van zijn vertrek met hem gebeurd was. Daarbij spaarde hij zichzelf niet, ook de lotgevallen in het kasteel, de gesprekken met zijne schoone gastvrouw en de gevoelens, die gedreigd hadden hem daarbij te overmeesteren, deelde hij mede aan zijn aandachtig luisterend gehoor. Wel brandden zijne wangen van schaamte, toen hij het voorval met den gordel vermeldde, maar hij hield zijne oogen vast gericht op het gelaat van zijn vorst en verzweeg niets. Toen hij aan het einde van zijn verhaal was gekomen, haalde hij van onder zijne kleederen den gordel te voorschijn en toonde hem aan den koning. Deze nam hem aan, bezag hem langen tijd en sprak toen ernstig: "Mijn zoon! Hij, die zijne fouten bekent als een waar en eerlijk man, is waard dat zij hem vergeven worden. Zoo zij het ook met u! Moogt gij ook al gezondigd hebben uit zucht tot zelfbehoud, zoo hebt gij uw verzuim eerlijk opgebiecht en daarom is het overbodig, u er verder voor te straffen. Daar het echter voor elk mensch nuttig is, om aan zijne fouten herinnerd te worden, zoo stel ik voor, dat allen, die hier aanwezig zijn, een groenen gordel zullen dragen, die hen moge behoeden voor verkeerde neigingen. Wanneer een hunner dan te eeniger tijd de eischen van eer en ridderlijkheid uit het oog dreigt te verliezen, dan zal een blik op den gordel hem uw avontuur in herinnering roepen en hij zal de kwade ingevingen van lafheid en begeerigheid geen gehoor schenken. Zoo zal uw voorbeeld hun een les zijn en hun ten slotte ten zegen strekken."
Het geschiedde gelijk de koning bevolen had. Van dat oogenblik af droegen alle ridders der Ronde Tafel, die Waleweins verhaal hadden aangehoord, een groen zijden gordel en zóózeer spoorde deze hen aan tot het bestrijden van alle onridderlijke eigenschappen dat de ridders van den groenen gordel weldra bekend stonden als de beste en edelste der Christenheid. Zoo werd de groene gordel spoedig beschouwd als een eereteeken en zij, die hem droegen, werden geëerd en geroemd als geen anderen. Onder hen was er echter één, die, zoo zeide men, meer dan alle overige ridders deze onderscheiding verdiende, en dat was Heer Walewein.
INLEIDING TOT DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.
_De sage van Balin en Balan behoort tot de minder bekende van den Arthur-cyclus._ Terwijl de avonturen van andere ridders vele malen zijn beschreven, zoowel in gedichten als in proza-romans, en aan schrijvers van verschillenden tijd en landaard de stof voor hunne werken hebben geleverd, vinden wij in de gezamenlijke literatuur van Europa, de lotgevallen van deze beide helden slechts vermeld in een zestal bewerkingen. Wat de reden mag zijn van deze stiefmoederlijke behandeling van eene sage, die ondanks hare vele onvolkomenheden, toch zooveel aantrekkelijks bezit? Wie zal het zeggen? Misschien vindt het eensdeels zijn oorzaak in het ontbreken van het erotische element, anderdeels in het feit, dat de sage bij eene eerste kennismaking eenen eenigszins verwarden indruk maakt door de vele afdwalingen van de hoofdlijn van het verhaal, waaraan de schrijver van het oorspronkelijke werk zich heeft schuldig gemaakt.
En toch, voor wie doordringt tot het wezen der sage, voor wie heeft geleerd den held--want er is feitelijk slechts één hoofdpersoon: Balin--naar waarde te schatten, ondanks zijne fouten en tekortkomingen--misschien juist ter wille van deze--bevat het tragische verhaal van zijn leven en sterven, zooveel aangrijpends en schoons, dat hij het op gelijke hoogte stelt met menige beroemder sage. De held behoort in dit geval niet tot die breede schare van ridders, die onvergelijkelijken moed paarden aan hoofsche verfijndheid en die door de vereeniging van die beide eigenschappen het hof van koning Arthur tot het beroemdste en schitterendste van zijn tijd maakten.
Balin is een kind der natuur. Hij is opgegroeid in het eenzame slot van zijn vader temidden der uitgestrekte wouden van Northumberland. Het gezang der vogels en het lied der zee zijn hem vertrouwder dan de liederen der minnezangers; de sierlijke hoofsche gebruiken en plichtsplegingen zijn hem ten eenen male onbekend. Met een hart vol droomen en idealen trekt hij op naar het hof van koning Arthur, waar hij roem en eer hoopt te behalen onder de banieren van zijn vorst. Het zich bewust zijn van zijne jonge kracht doet hem geen tegenstander onoverwinlijk, geen hinderpaal onoverkomelijk achten, maar hij vergeet, dat er machten zijn, waartegen met het zwaard niet te strijden valt, en dat, wie de wereld overwinnen wil, beginnen moet met zich zelven te overwinnen. In het feit, dat hij deze groote les niet geleerd heeft, schuilt de oorzaak van zijn val en wanneer dan bovendien nog de duistere machten van het noodlot tegen hem samenspannen, is zijne zaak verloren.
Één voor één zien wij de gebeurtenissen in de sage zich samenvoegen tot eene keten van noodlottigheden, die, wij voelen het duidelijk, slechts eindigen kan in den dood van onzen held. En inderdaad is het einde, dat Balin en zijn broeder, die hem boven alles dierbaar was, door elkanders hand sterven.
Hoe kan het anders, of deze tragische geschiedenis van zielestrijd en noodlotsdwang moet een diepen indruk maken op wie haar leest?
Dat de sage in den vorm, waarin zij tot ons is gekomen, vele onvolkomenheden bevat, werd hierboven reeds opgemerkt. Daartoe behooren in de eerste plaats eenige toespelingen op gebeurtenissen in het verhaal, welke op het oogenblik van vermelding zeer belangrijk schijnen te zijn en die desniettemin in den loop van de vertelling door den schrijver geheel uit het oog worden verloren. Zoo, bijvoorbeeld, de voorspelling, dat Balin met het zwaard, hetwelk hij van de jonkvrouw ontvangt, haren broeder zal dooden. Met den noodigen nadruk wordt dit geprofeteerd; evenwel vinden wij in den verderen loop van het verhaal geene enkele aanwijzing omtrent de vervulling van die voorspelling. Ook lezen wij, dat Balin, wanneer hij Launceor van Ierland in een tweegevecht gedood heeft, diens zwaard met zich medevoert, zoodat hij de ridder met twee zwaarden wordt genoemd. Nochtans moet hij in het kasteel van koning Pellam de vlucht nemen, wanneer hij zich van zijn zwaard beroofd ziet, en wel omdat--zooals wij lezen--hem geen ander wapen ter verdediging overblijft.
Ook in eene beschouwing der karakters vallen ons eenige punten op, welke wij anders zouden wenschen. Zo zouden wij zoo gaarne wat meer vernemen omtrent de figuur van Balan, den jongeren broeder van den held. Wij hooren, hoe innig Balin hem lief heeft, hoe hij de eenige is, die hem tot reden kan brengen, wanneer hij zich laat meesleepen door zijne drift, maar aangaande het karakter van den jongeling, van wien deze invloed ten goede uitgaat, vernemen wij weinig of niets. Hij blijft eene bijfiguur, die slechts even ten tooneele verschijnt na het tweegevecht met Launceor, om spoedig daarna weer te verdwijnen. Slechts in het laatste bedrijf der handeling vertoont hij zich opnieuw om de droeve voorspelling der jonkvrouw tot waarheid te maken.
Eenzelfde lot ondergaan de andere bijpersonen, vooral de vrouwelijke karakters: de Zwaardjonkvrouw en de Vrouwe van Avalon hebben iets raadselachtigs en geheimzinnigs, waarvan wij de ware beteekenis niet doorgronden. Ook de figuren van koning Arthur en zijne ridders worden ons slechts in vage lijnen geschetst. Hoofdzaak is en blijft het voor den schrijver, om ons de figuur van Balin duidelijk voor oogen te stellen in al zijnen eenvoud en dapperheid.
De geest van het verhaal ademt die vereeniging van christelijke en heidensche denkbeelden, die kenschetsend is voor de Middeleeuwen. Wanneer hij zich in gevaar bevindt, wendt Balin zich tot God met eene kinderlijke vroomheid, maar toch zijn het de voorspellingen van den ouden toovenaar Merlijn, die zijn lot beheerschen en hem ten val brengen. [21]
Bovendien is de wijze, waarop het verhaal geschreven is, kenmerkend voor de letterkundige klasse, waartoe het behoort. Want gelijk in zoovele ridderromans het geval is, bevat het plotselinge overgangen en is ook de wijze van bewerking telkens geheel verschillend: nu eens wordt de handeling gerekt, dan weer schijnt zij zich als met groote sprongen voort te bewegen.
Dat het verhaal hierdoor aan duidelijkheid verliest, behoeft geen betoog! En niettegenstaande dit alles, boeit ons de geschiedenis toch! Zou de bekoring, die er voor ons van dergelijke oude verhalen uitgaat, soms gedeeltelijk schuilen in de eigenschappen, die hun hierboven als fouten zijn aangerekend? Kan het zijn, dat wij juist iets aantrekkelijks vinden in de vrije, onafhankelijke wijze, waarop de schrijvers met hunne stof omgingen? Zonder zich gebonden te voelen door regels van logica en samenhang, lieten zij zich als kinderen door hunne verbeelding leiden en schreven neer, wat deze hun ingaf. En wanneer het de verheerlijking van hunnen held gold, offerden zij daar blijmoedig de belangen van alle andere personen uit hun verhaal aan op. Het resultaat was: eene sage van Balin, op het eerste gezicht onduidelijk, ingewikkeld soms door de vele uitweidingen en afdwalingen, maar bij eene nadere kennismaking van eene somtijds ontroerende schoonheid.
Wat betreft den oorsprong en de ontwikkeling der sage, zoo dient hier vermeld, dat John Rhys in zijn "Studies in the Arthurian Legend" tracht aan te toonen, dat zij eene latere bewerking is van eene oud-Keltische natuurmythe en dat de ridders Balin en Balan de plaats innemen van de mythologische figuren Belinus en Bran, de elkander steeds bestrijdende broeder-goden van duisternis en licht. In het derde boek van Geoffrey of Monmouth's "Historia Regum Brittanniae" verschijnen de broeders onder de namen Belinus en Brennius als twee oud-Britsche koningen. Verder is de Arthur-literatuur vóór Thomas Malory buitengewoon zwijgzaam omtrent de geschiedenis der beide helden. Hunne namen komen in geen der werken van de oude geschiedschrijvers zooals Nennius, Gildas, William van Malmesbury voor; Layamon en Wace noemen hen evenmin, en ook in de verhalen, die in Wales over Arthur en zijne ridders geschreven zijn, zoeken wij hunne namen tevergeefs. Thomas Malory daarentegen geeft in het tweede boek van zijne "Morte d' Arthur", dat waarschijnlijk in 1469 geschreven, maar eerst in 1485 door William Caxton gedrukt werd, eene uitvoerige beschrijving van de tragische lotgevallen der beide helden. Zijne bron was, gelijk bij het meerendeel der sagen, welke hij in zijn boek te zamen bracht, een Fransche ridderroman en wel die, welke onder den titel van "Merlin" is bewaard gebleven in een handschrift uit de 13e eeuw. Daar deze roman een vervolg is op den algemeen bekenden "Merlin" van Robert de Borron, wordt hij veelal aangeduid met den naam: "Suite de Merlin".
In de Spaansche literatuur vinden wij twee bewerkingen der Balin-sage, één daarvan is bewaard gebleven in de bladzijden van een roman, getiteld: "El baladro del Sabio Merlin", die in 1498 te Burgos gedrukt werd, doch waarvan het handschrift verloren is geraakt, de andere komt voor in het eerste deel van een roman, die in 1515 te Toledo verscheen onder den titel: "Demanda del sancto Grial con les maravillo sos fechos de Lançarote y de Galaz su hijo."
Ten slotte vinden wij in de moderne Engelsche literatuur twee gedichten, welke onze sage tot onderwerp hebben. In 1885 verscheen in den dichtbundel "Tiresias and other Poems", een gedicht, dat onder den titel "Balin and Balan" aan den kring van Tennyson's Koningsidyllen werd toegevoegd. De dichter ontleende zijne stof aan het werk van Thomas Malory, maar--dit dient dadelijk hieraan toegevoegd te worden--wijzigde haar geheel, om haar te benutten voor het ten einde voeren van de allegorie in zijn werk.
Eene getrouwere navolging van het oude verhaal gaf Algernon Charles Swinburne in zijn "Tale of Balen", dat in 1896 verscheen. Zijne bewerking van de sage volgt die van Thomas Malory op den voet, sommige zinnen en uitdrukkingen zijn zelfs woordelijk overgenomen. Een nieuw bestanddeel vormen de rijke natuurschilderingen, die bij Malory geheel ontbreken. Ook legt hij, meer dan de oude romanschrijver dit deed, den nadruk op de macht van het noodlot, dat Balin ten val brengt en waartegen niet te strijden valt.
Wij kunnen niet anders zeggen, dan dat de stof zich bij uitstek leent tot deze aanpassing aan Swinburne's levensopvatting en dat het wezen der sage er niet door geschaad wordt.
De wedergave van de geschiedenis van Balin en Balan, zooals die in de volgende bladzijden wordt gevonden, is gegrond op de "Morte d'Arthur" van Thomas Malory.
DE SAGE VAN BALIN EN BALAN.
...."two brethren of Northumberland, in life and death good knights."
(Swinburne: "The Tale of Balen.")
_Hoe Balin en Balan aan het hof van koning Arthur kwamen en hoe de eerste tot ballingschap veroordeeld werd._ Onder de ridders van koning Arthur bevonden zich twee broeders, Balin en Balan genaamd. Zij kwamen uit het Noorden, uit het graafschap Northumberland, waar zij opgevoed waren in het eenzame kasteel van hun vader, omgeven door donkere bosschen en uitgestrekte heidevelden, in de nabijheid van de zee, die schuimend tegen de hooge rotsen der kust sloeg. Daar zij van jongs af aan geen ander dan elkanders gezelschap gekend hadden, was de band tusschen hen veel inniger geworden, dan misschien onder andere omstandigheden het geval zou zijn geweest. Balin, de oudste broeder, vereenigde in zijn karakter al de eigenschappen, die de bevolking der Noordelijke streken onderscheiden van die der Zuidelijke. Het scheen, of er iets van het wilde en ongebondene der Noordsche natuur was binnengeslopen in zijn gemoed. Wanneer hij streed in het gevecht, hanteerde hij zijn zwaard met dezelfde onstuimige kracht, als waarmede de golven tegen de klippen van zijn geboorteland beukten en zijn ziel bevatte donkere diepten van hartstocht, waar het stormen kon als in de wouden van Northumberland, wanneer de grond bedekt is met sneeuw en de noordenwind door de kale takken giert. Maar ook het eerlijke en onbedorvene van zijne landgenooten was zijn deel geworden, hij was opgegroeid ver van de hoofsche samenleving en daardoor was hij vrij gebleven van vleierij en bedrog. Hij was een kind der natuur, trotsch in zijne mannelijke kracht, met eene vurige bewondering voor al wat schoon en goed was en met eene warme liefde voor zijn jongeren broeder Balan, den eenige, die door een woord van kalme overreding de stormen in het gemoed van Balin kon doen bedaren en hem met een enkelen blik tot bezinning kon brengen, wanneer hij dreigde zich te laten meesleepen door zijne booze driften.
Toen de beide broeders den mannelijken leeftijd bereikt hadden was de mare van Arthurs roem allengs doorgedrongen tot de eenzaamheid van hun vaderlijk kasteel en beiden voelden den wensch bij zich opkomen om naar Camelot te gaan en koning Arthur hunne diensten aan te bieden. Wat kon er heerlijker bestaan dan te strijden onder de banieren van zulk een vorst, den krachtigsten en edelsten der Christenheid!