Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 8
De laatste was opnieuw vroeg uit de veeren en bij het aanbreken van den dag reed hij met zijne ridders uit op de vossenjacht. Er heerschte eene doodsche stilte in de natuur; na de sneeuwjacht van den vorigen avond was het gaan vriezen en de ruiters moesten de uiterste voorzichtigheid gebruiken om hunne paarden voor vallen te behoeden. De lucht was grijs en strak, nu en dan viel een enkele sneeuwvlok als aankondiging van een nieuwe bui. Langzaam reed het gezelschap de poort uit, een vlugge draf was voorloopig onmogelijk, maar tusschen de boomen, waar het meer beschut was, werd de grond zachter en kwamen de paarden vlugger vooruit. Plotseling kondigde een luid geblaf aan, dat de honden het spoor van den vos ontdekt hadden en in versnelden draf ging het nu voorwaarts. Na verloop van eenigen tijd kwam de vos in het gezicht en nu werd het een dolle wedren: voorop de vos, als een donker stipje tegen de witte sneeuwvlakte, daarachter een verward kluwen van honden, wier hijgend blaffen zich vermengde met de uitroepen der jagers, die ze tot meerderen spoed aanspoorden. De vos gaf zich echter niet spoedig gewonnen; zonder zijne vaart te verminderen snelde hij door het struikgewas, over oneffenheden in den bodem en afgewaaide takken en de afstand, die hem van zijne vervolgers scheidden werd niet kleiner. Tenslotte zonderde de graaf zich af van het overige gezelschap en reed in een wijden boog in de richting, die de vos moest nemen. Toen deze het gevaar bemerkte dat hem dreigde, maakte hij eene zijwaartsche zwenking, maar geraakte hierdoor binnen het bereik der honden. Een van hen greep hem tusschen de tanden en beet hem dood. De graaf echter nam hem het wild uit den bek en, den vos triomfantelijk boven het hoofd zwaaiend kondigde hij met een luid hallo-geroep het welslagen van de jacht aan. Allen snelden toe en prezen den buit, daarop werd Reinaert ontdaan van zijne vacht en voerde men deze als zegeteeken mee naar huis.
In het slot wachtte men in vroolijke stemming de thuiskomst der jagers af. 's Morgens vroeg, eer de achtergebleven slotbewoners ontwaakt waren, was de gravin tot een laatst bezoek in het slaapvertrek van Walewein binnengeslopen. Deze had ditmaal hare komst wakend afgewacht. Het hoefgetrappel der jachtpaarden had hem uit een diepen, droomloozen slaap gewekt en de spanning of zijne schoone gastvrouw opnieuw zou komen, had hem belet weer in te sluimeren. Hij behoefde trouwens niet lang te wachten. Nauwelijks waren de geluiden der vertrekkende jagers verstomd, of hij zag, hoe de deurknop voorzichtig werd omgedraaid en in de grijze ochtendschemering sloop een slanke gedaante het vertrek binnen.
De gravin droeg een wijden karmozijnrooden mantel, met kostbaar bont omzoomd, die haren hals en armen geheel vrij liet. Om den hals droeg zij een snoer paarlen en edelsteenen lichtten tusschen hare donkere vlechten. Op het venster toetredend, schoof zij de gordijnen opzij om het morgenlicht door te laten, daarna bukte zij zich over den ridder, die bij hare binnenkomst de oogen had gesloten en kuste hem op den mond, zeggend:
"Ontwaak, edele heer! de morgen is aangebroken en uwe dienares is hier, die u vaarwel wil zeggen, eer gij uw gevaarvollen tocht gaat ondernemen. Het is ons laatste samenzijn, laat ons ervan genieten zoolang het duurt, want morgen zijt ge ver van hier!"
Bij het voelen harer warme lippen op de zijne, doortrilde Walewein een schok van blijde verrassing en toen hij daarna de oogen opsloeg en hare schoonheid en lieftalligheid in zich opnam, moest hij zich geweld aandoen, om haar niet in zijne armen te nemen. Met kracht balde hij de vuisten samen onder het dek en zijn stem klonk onvast, toen hij zeide: "Goeden morgen, liefste! Hoe zal ik u danken voor de eer en gunst, die ge mij betoont, door ten derden male mij te bezoeken!"
"Er is slechts ééne wijze, waarop ge mij uwe dankbaarheid kunt betoonen," sprak de gravin, "en die kan ik u niet zeggen, gijzelve moet die raden!"
Maar al te goed wist Walewein, waar zijne schoone bezoekster op doelde, maar tevens wist hij dat, zoo hij haren wenk opvolgde, hij in de oogen van zichzelven en allen, die het hoorden, een eerloos man zou zijn. Daarom trachtte hij, hoeveel moeite het hem ook kostte, het gesprek eene andere wending te geven. Voor eene wijle gelukte het hem, maar spoedig bracht een teedere blik van de gravin hem opnieuw in verwarring en er viel eene pijnlijke stilte.
"Zeg mij, Heer Walewein", sprak de gravin, "of gij op aarde eene liefste hebt, die gij boven alle andere vrouwen vereert en bemint? Zoo ja, noem mij haar dan eerlijk!" "Op mijn woord, schoone vrouwe, antwoordde Walewein, "in heel de wijde wereld ken ik geene vrouw, die schooner of lieftalliger is dan gij. Ik ben echter geen meester van mijn hart, daar ik gezworen heb vóór alle dingen deze onderneming tot een goed einde te brengen. Ik mag dus geene andere gedachten hebben dan die, welke het avontuur met den groenen ridder betreffen".
Zuchtend boog de gravin het hoofd.
"Welnu dan", sprak zij, "indien wij werkelijk scheiden moeten, geef mij dan een aandenken aan onze vriendschap, dat mij de uren van verlangen naar u zal helpen verlichten; eene kleinigheid, zij het slechts een handschoen, dien gij gedragen hebt, zal mij troosten in uwe afwezigheid."
"Helaas", antwoordde de ridder, "wat zal ik u geven? Bij het aanvaarden van mijn eenzamen en gevaarvollen tocht heb ik alles, wat ik aan kostbare kleinoodiën bezat, aan het hof achtergelaten. Had ik slechts mijne koffers hier, dan zou ik een schat van sieraden aan uwe voeten uitschudden en u verzoeken het mooiste en kostbaarste eruit als eene herinnering aan mij te willen aannemen. Eene vrouw als gij, biedt men toch immers niet een simpelen handschoen als aandenken aan?"
"Bekommer u niet langer over mijne vraag", antwoordde de gravin, "ook zonder tastbaar aandenken zal ik u niet vergeten! Wanneer ge mij echter geene gedachtenis schenken wilt, zoo kunt ge toch zonder bezwaar een klein geschenk van mij aannemen. Ziehier een ring, dien ik nacht en dag aan den vinger draag. Mag ik u dien geven als herinnering aan uw verblijf te mijnent?" Maar Walewein schudde afwijzend het hoofd. "Zulk een kostbaar geschenk kan ik niet van u aannemen, zonder u daar mijnerzijds iets voor terug te geven," sprak hij. "Vergeef mij, indien ik onhoffelijk schijn, maar onder deze omstandigheden zou uw geschenk mij geen genoegen doen!" "Het zij zoo", antwoordde de gravin, "en tegen uwe bezwaren kan ik niets inbrengen, maar ziehier dan een ander geschenk, dat eenvoudiger schijnt en bijkans onwaardig om het aan een edel ridder, als gij zijt, aan te bieden. Moge het echter al eene simpele gift schijnen, zoo bevat zij voor hem, die ze kent, hoedanigheden van onschatbare waarde!" Onder het spreken had zij haren mantel teruggeslagen en gespte nu een groen zijden gordel los, die haar middel omsloot. Toen zij hem aan Walewein voorhield, werd zijn oog verblind door de schitterende kwartsen, waarmede hij bezet was. In alle tinten en kleuren glinsterden zij hem tegen, maar de meesten waren groen als de zijde zelf, van eene eigenaardige, doorschijnend groene tint. Weer schudde Walewein het hoofd, maar vóór hij iets zeggen kon, sprak de gravin op nog dringerder toon dan te voren: "Weiger mijn geschenk niet, alvorens ik u de verborgen hoedanigheden ervan heb medegedeeld. Hij, die dezen gordel draagt is onkwetsbaar, geen lans- of pijlpunt kan hem deren, geen zwaardslag kan hem eenig letsel toebrengen. Denk aan den naderenden strijd en neem den gordel aan, die u beschermen zal tegen de aanvallen van den groenen ridder! Eén ding moet ge mij echter beloven: dat gij niet aan mijn echtgenoot zult verraden, welk geschenk ik u gegeven heb!"
_Hoe Walewein van de gravin een gordel ten geschenke kreeg._ Walewein dacht eenige oogenblikken na over hare woorden en kon het zich niet verhelen, dat de gordel hem in de komende dagen van groot nut zou kunnen zijn. Hoe zou hij zonder een dergelijk beschermmiddel eenige kans hebben om den slag, dien de groene ridder hem volgens afspraak mocht toebrengen, te overleven? Mocht hij dan deze gelegenheid voorbij laten gaan, die hem een uitkomst bood? Hij was toch nog te jong om te sterven; het leven beloofde hem nog zooveel schoons en heerlijks! Roem, liefde, eerbetoon en macht, alles hield de toekomst nog in haren schoot verborgen en dat alles zou hij moeten missen door deze toevallige overeenkomst met een bloeddorstigen vreemdeling? Neen, een dwaas zou hij zijn om niet het middel aan te grijpen, dat hem tot redding geboden werd, en vriendelijk lachend nam hij den gordel uit de handen zijner schoone bezoekster aan, zeggend: "Zulk een geschenk en op zulk eene wijze aangeboden, mag ik niet weigeren. Ontvang daarom mijn dank, schoone vrouwe, voor uwe waardevolle gift en wees overtuigd, dat ik bij het dragen steeds de bevallige geefster zal gedenken."
Nog langen tijd nadien bleven beiden te zamen en toen de gravin afscheid nam had zij Walewein tot drie malen toe gekust.
De morgen verstreek en in den middag kwam het gezelschap van de jacht terug. Met blijde voldoening overhandigde de graaf zijn gast de buit van dien dag en ontving daarvoor van Walewein drie kussen. Van den groenen gordel werd echter met geen woord gerept.
De laatste avond van Waleweins verblijf in het kasteel werd met grooten luister gevierd. Een keur van uitgezochte spijzen wachtte op den feestelijk gedekten tafel, en na afloop van den maaltijd werd het gezelschap vermaakt door de zoetvloeiende liederen der minstreelen. Maar al te gauw was de avond voorbij en brak het oogenblik van scheiden aan. Toen allen zich gereed maakten om zich naar hunne slaapvertrekken te begeven, naderde Walewein zijn gastheer en betuigde hem zijnen dank voor zijn gastvrij onthaal. Nooit, zoo zeide hij, zou hij de genotvolle dagen vergeten, die hij op het slot had mogen doorbrengen en die hem na de geleden ontberingen van zijn wintersche reis, dubbel schoon waren voorgekomen. Hij gaf hem zijn leedwezen te kennen over het feit, dat hij den volgenden morgen vertrekken moest en herinnerde zijn gastheer aan zijne belofte om hem een dienaar als gids aan te wijzen. De graaf beval daarop een zijner schildknapen zich gereed te houden om met Walewein mede te gaan en toen deze met hem was overeengekomen, op welk uur zij zouden vertrekken, begaf onze held zich naar het gezelschap der edelvrouwen om ook van haar afscheid te nemen.
Eenmaal nog zag hij in de schoone oogen der gravin en kuste haar de hand, daarna wendde hij zich af en begaf zich naar zijn slaapvertrek. Hij kon echter den slaap niet vatten, de gebeurtenissen der laatste dagen trokken als een bonte stoet van kleurige tafereelen door zijn brein. Nu eens hoorde hij de zachte stem der gravin, die hem teedere woorden toefluisterde, dan weer klonk hem het hoorngeschal der terugkeerende jagers in de ooren. Voor zijne oogen zag hij de zaal van het kasteel met de sierlijk gekleede ridders en edelvrouwen, waartusschen telkens het donkergelokte hoofd zijner gastvrouw in hare bloeiende schoonheid opdook. Wanneer hij dan met geweld zijne gedachten in de toekomst liet gaan, rees voor zijne verbeelding het sombere woud zijner omzwervingen omhoog, en hij rilde onder de donzen dekens bij de gedachte aan wat hem daarginds te wachten stond.
Toen hij eindelijk insliep, was zijn slaap onrustig, in zijne droomen streed hij tegen den groenen ridder, die steeds grooter en grooter werd, naarmate het gevecht voortduurde. Wanhopig zwaaide hij zijn zwaard, maar het scheen, of hij al verder en verder in 't niet zonk tegenover de reusachtige afmetingen van zijn tegenstander. Badende in zijn zweet werd hij bij het eerste morgenkrieken gewekt door den schildknaap van den graaf. Huiverend zag hij rond in het grauwe morgenlicht van zijn vertrek. Hoe geheel anders was zijn ontwaken de laatste dagen geweest, toen de lieflijke stem eener schoone vrouw hem uit den slaap gewekt had en de dag hem een onafgebroken reeks van genotvolle uren beloofde! Maar niet lang gaf hij zich over aan dergelijke overpeinzingen. Zijn lichaam voelde hij versterkt na de dagen van rust, zijn geest was helder en de spieren van zijn arm waren krachtig en lenig: wat zou hij dan vreezen? Zijne oude strijdlust werd bij hem wakker, met voldoening bezag hij zijne glimmend gepoetste wapenen en greep zijne hand naar het gevest van zijn zwaard. Was hij niet Walewein, de gevreesde, die nog nooit in den strijd het onderspit had moeten delven? En zou hij nu opzien tegen de ontmoeting met dezen onbekenden vreemdeling, hij, tegen wien de vermaardste ridders ter wereld den strijd hadden moeten opgeven?
Met een gevoel van krachtigen overmoed daalde Walewein de trappen af en begaf zich na een haastig ontbijt genuttigd te hebben naar buiten, waar Gringalet hem wachtte. Hij steeg te paard en reed, gevolgd door den dienaar, de slotpoort uit, nog eenmaal zag hij omhoog naar de bovenvensters van het kasteel en onwillekeurig tastten zijne vingers naar zijne linkerzijde, waar onder zijne wapenrusting de groene gordel verborgen was, daarop richtte hij zijn blik vooruit en vervolgde zijn weg zonder verder om te zien. Eene dichte sneeuwjacht belette hem verder dan enkele passen voor zich uit te zien, een hevige stormwind joeg de sneeuw te zamen in de holten en kuilen terzijde van den weg, de takken der boomen kraakten en zuchtten onder den zwaren sneeuwlast, maar verder verbrak geen geluid de stilte; de dieren van het woud hielden zich schuil tot de storm bedaard zou zijn.
De weg, dien de schildknaap hem aanwees, voerde de ruiters omhoog tusschen de heuvels, waarvan de toppen in een dikken mist gehuld waren. Juist op dat oogenblik hield het op met sneeuwen en brak de zon door, die het gansche landschap met hare schitterende stralen overgoot. Als een glinsterend wit kleed lag de sneeuw over de bosschen en velden, waartegen een vlucht van donkere vogels scherp afstak.
Waleweins gids maakte nu een teeken met de hand om den held aan te duiden, dat zij hier stil moesten houden en sprak: "Edele heer, wij zijn hier op eene plek gekomen, die niet ver van de groene kapel verwijderd is. Aan uw wensch is dus voldaan. Van hier uit kunt gij verder ook zonder mijne hulp de plaats uwer bestemming bereiken. Vóór gij u echter daarheen begeeft, moet ik u waarschuwen tegen hem, dien gij daar vinden zult. De groene ridder, zooals hij zich noemt, is een monster in menschengedaante. Niets en niemand is veilig voor hem. Een ieder, die aan zijne woning voorbijgaat: heer of knecht, oud of jong, rijk of arm, allen doodt hij met een slag van zijn zwaard. Bezin u dus goed, alvorens u in zijne nabijheid te wagen. Het ware te betreuren, indien een edel ridder als gij, ook als slachtoffer van zijn wreed begeeren zou moeten vallen. Daarom raad ik u dit: verlaat dit oord, eer het te laat is en ik zweer u, bij alles wat mij heilig is, dat ik geen sterveling zal verraden, dat gij het gevaar ontvlucht zijt!" Walewein echter schudde lachend het hoofd: "Heb dank, beste vriend, voor uwe goede bedoeling, maar wat uw raad betreft: nog nooit heeft Walewein de vlucht genomen en ook ditmaal zal hij het niet doen! Nooit zal men mij van lafhartigheid kunnen beschuldigen, ook nu niet. Daarom ben ik vast besloten den groenen ridder op te zoeken en hem, getrouw aan mijne belofte, mijn hoofd tot den zwaardslag aan te bieden." "Het zij zoo", hervatte de schildknaap, "gij weet nu, dat ik u gewaarschuwd heb, moge God u bijstaan! Wanneer gij dus tot elken prijs uw leven wilt wagen, rijd dan dit pad af tot ge in het dal komt. Daar zult gij spoedig de groene kapel ontdekken. Vaarwel!"
Walewein sloeg het aangewezen pad in, dat met vele kronkelingen langs een hoogen rotswand de heuvel afdaalde. Hier en daar had hij moeite zijn paard op de been te houden op den gladden, besneeuwden rotsbodem, maar ten slotte belandde hij veilig en wel in het dal, dat aan alle zijden door hooge heuvels was ingesloten. Op deze beschutte plek voelde men bijkans geen wind en de donkere stammen der denneboomen staken onbeweeglijk omhoog in de ijle winterlucht. Behoedzaam spiedde Walewein om zich heen, of hij ergens een spoor van eene kapel kon ontdekken, maar nergens trof zijn oog iets anders dan besneeuwde boomen en struiken. Door het dal stroomde een beekje, aan welks oever de ridder op eenigen afstand eene kogelvormige verhevenheid ontdekte. Getroffen door den eigenaardigen vorm van deze oneffenheid in den bodem begaf Walewein zich er heen, bond zijn paard aan een naastbijzijnden boom en ging voorzichtig op den vreemden heuvel af.
Naderbij gekomen bemerkte hij, dat er zich aan ééne zijde eene opening bevond, die toegang scheen te geven tot een donker hol. De rotsspelonk, want dit scheen het te zijn, was geheel begroeid met gras, nu bedekt met sneeuw, dat zich als een koepelvormig dak er over heen welfde. Hoever het hol zich daarbinnen uitstrekte kon men van buiten af niet bepalen, het eenige wat men door de opening zag, was een donkere afgrond, waaruit een kille aardlucht naar buiten drong. Het geheel maakte zoo'n somberen indruk, dat de held bij het zien ervan haastig een kruis sloeg en uitriep: "Eene geschikte plaats voor den groenen ridder om zijne godsdienstoefeningen te houden! Hij kan er zeker van zijn, dat de duivel in eigen persoon tegenwoordig zal zijn!"
Nauwelijks waren deze woorden over zijne lippen gekomen, of een doordringende kreet drong van de overzijde der beek tot hem door en zich omwendend zag hij tusschen de hooge struiken den groenen ridder te voorschijn komen. Onheilspellend rolden zijne oogen en dreigend zwaaide hij eene gloednieuwe, glinsterende strijdbijl in zijne rechterhand. Aan de beek gekomen, sprong hij er over heen en schreed met lange stappen op Walewein toe. Deze wachtte hem rustig af, de vuist om het gevest van zijn zwaard geklemd en toen de vreemdeling hem genaderd was, sprak Walewein met vaste, rustige stem: "Goeden dag, heer ridder! Getrouw aan onze overeenkomst, die wij heden voor een jaar gesloten hebben, ben ik hier gekomen om een slag van u te ontvangen in ruil voor dien, welken ik u een jaar geleden gaf!"
De groene ridder boog groetend het hoofd en zeide:
"Gij hebt uwe belofte gehouden, zooals dit een edelman betaamt. Het oogenblik is aangebroken, waarop ik u den slag kan teruggeven, dien ik van u mocht ontvangen. Daarom verzoek ik u, om uwen hals te ontblooten."
Walewein voldeed aan zijn verlangen. Hij zag nog eenmaal omhoog in de helderblauwe lucht, die hij dacht nooit weder te zien, daarna boog hij het hoofd en sloot de oogen. Hij hoorde hoe de groene ridder met boosaardig lachen de bijl omhoog zwaaide en die toen duizelend door de lucht neer deed komen. Toen het wapen aldus op zijn nek dreigde neer te komen, maakte Walewein onwillekeurig eene terugtrekkende beweging met de schouders, maar zoodra zijn vijand dit bespeurde, stuitte hij het wapen in zijne vaart en riep toornig uit: "Schaam u, Heer Walewein! gij, die beroemd zijt om uwe dapperheid en die toch reeds beeft van vrees, nog eer gij eenig letsel hebt bekomen. Toen gij mij geslagen hebt, toonde ik in geene enkele beweging, dat ik uwen aanval vreesde, en zelfs toen ik mijn hoofd moest verliezen, heb ik nog niet het hazenpad gekozen. Daarom durf ik zeggen, dat ik dapperder ben dan gij en dat men ten onrechte u prijst als een der onversaagdste ridders van het land."
Diep beschaamd hoorde Walewein zijne woorden aan en na eenig stilzwijgen sprak hij: "Gij hebt gelijk, het was laf en onridderlijk van mij om angst te toonen, maar geloof mij, het zal mij geen tweede maal overkomen. Daarom, sla toe, wat ik u bidden mag!" "Welnu dan," antwoordde de groene ridder, "uw wensch worde vervuld!" Onder het zeggen van deze woorden hief hij zijne bijl omhoog en zwaaide hem door de lucht, maar alvorens hij den hals van zijn vijand aanraakte, hield hij opnieuw het wapen tegen en sprak goedkeurend tot Walewein: "Inderdaad, nu zie ik, dat gij een dapper ridder zijt, want uwe schouders verroeren zich niet, hoewel het wapen des doods er boven zweeft!" Onze held echter, die slechts door de uiterste wilsinspanning zijne kalmte wist te bewaren, ontstak in toorn over dit nieuwe oponthoud en sprak heftig: "Draal niet langer, heer! maar breng mij den slag toe, die voor mij bestemd is. Daarna kunnen wij verder spreken!"
"Ziehier dan!" riep de groene ridder met donderende stem en nog eens hoorde Walewein het duizelend geluid, waarmee het wapen de lucht doorkliefde. Hij sloot de oogen, klemde de vuisten opeen en bereidde zich voor op den dood. Wie beschrijft echter zijne verbazing, toen hij voelde, hoe de bijl slechts aarzelend zijn hals scheen aan te raken. Wel drong de scherpe snede van het wapen door de opperhuid en zag hij, hoe zijn bloed in langzame druppels op de sneeuw neerviel, maar daarna scheen het of eene hand de bijl terugtrok uit de wonde en ongedeerd kon hij het hoofd omhoog heffen. Toen was het ook met zijn geduld gedaan. Bliksemsnel richtte hij zich op uit zijne bukkende houding, met vaste hand omknelde hij het gevest van zijn zwaard en het scheen, of alle vreugde om het verloren gewaande en nu herwonnen leven zich uitte in zijne stem, toen hij zegevierend uitriep: "Tot hiertoe en niet verder, edele heer! Aan de bepalingen onzer overeenkomst is voldaan en van nu af aan behoud ik mij het recht voor, om uwe aanvallen met het zwaard in de vuist af te wachten. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of tot zijne groote verbazing barstte de groene ridder los in een luid gelach, dat de lucht met een schallend geluid vervulde en door de kale rotswanden werd weerkaatst. Het scheen of er geen eind aan zijne vroolijkheid kon komen, blazend en proestend leunde hij op zijne bijl en schudde heen en weer, telkens uitbarstend in een nieuwen aanval van lachen. Eindelijk bedaarde hij en sprak, zich de tranen van 't lachen uit de oogen wisschend: "Houd het mij ten goede, heer ridder, dat ik aldus uiting geef aan mijn gevoel, maar het spel, dat wij hier gespeeld hebben, is ook zóó kostelijk, dat ik moet lachen, of ik wil of niet, en gij zult hetzelfde doen, daar ben ik zeker van, wanneer ik u verteld heb, hoe de zaak zich heeft toegedragen. Maar alvorens ik hiertoe over ga, moet ik u verzoeken, uw zwaard in de scheede te steken en het daar te laten tot zich eene betere gelegenheid voordoet om het te gebruiken. Geloof mij, hij, dien gij voor u ziet, is uw vriend en elke vijandige bedoeling is verre van hem."
Aarzelend stak Walewein zijn zwaard in de scheede. Het gansche tooneel leek hem een verwarde droom, waaruit hij zoo straks tot de werkelijkheid zou ontwaken. Waarom had de groene ridder hem gespaard, inplaats van zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen en vanwaar thans die uitbundige vroolijkheid en die vriendschappelijke bejegening, waar zij toch kort geleden als vijanden tegenover elkander hadden gestaan?