Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 7

Chapter 73,881 wordsPublic domain

_Hoe de graaf met zijne ridders op de hertenjacht ging._ Nog vóór de dag goed en wel was aangebroken, verscheen de graaf met zijne ridders in de kapel om den ochtenddienst bij te wonen, na afloop waarvan zij in de groote slotzaal, staande een haastig maal nuttigden. Toen begaven zij zich naar buiten, waar de knechten aan kwamen draven met de jachtpaarden aan den teugel. Onder luid gepraat en gelach steeg men te paard, de honden werden losgelaten en renden onder een oorverdoovend geblaf de brug over, het bosch in, op den voet gevolgd door den langen jachtstoet. In het stille bosch, waar de sneeuw kraakte en knerpte onder de hoeven der paarden en de takken zwaar neerhingen onder hunne witte vracht, was het plotseling een bont gewemel van kleuren en klanken. De vroolijke tonen van den jachthoorn vermengden zich met het schelle hondengeblaf en het bosch scheen een oogenblik te ontwaken uit zijn doodschen winterslaap. Na eenigen tijd verdeelde de stoet zich; de speurders trokken vooruit om hunne standplaatsen in te nemen en het verdere gezelschap volgde de honden, die op den reuk van het wild afgingen.

Opgeschrikt door hun geblaf snelden de herten uit het dal de hoogten op, maar werden daar teruggeschrikt door de jagers, die met een luid hallo-geroep uit de struiken te voorschijn sprongen. Doodelijk ontsteld stoof het wild opnieuw het dal in, maar onderweg viel er menig hert terneer, getroffen door de scherpe pijlen der ridders. Nu ging het in wilden galop het dal door, voorop de herten, die de sneeuw nauwelijks schenen te raken met hunne slanke pooten, daarachter de jachthonden, de lichamen tot het uiterste gestrekt, de tongen uit den bek, hijgend en blaffend en ten slotte de jagers, die, voorovergebogen hunne paarden tot den grootst mogelijken spoed trachtten aan te sporen. Eindelijk kwam de dolle rit tot stilstand en lag het meerendeel van het edele wild op den grond te zieltogen, terwijl de sneeuw zich rood kleurde met hun bloed. Alvorens de buit nader te bezichtigen werd er halt geblazen, de ruiters stegen af en rekten de stijfgeworden ledematen, de honden kwamen kwispelstaartend op hunne meesters toe, om een prijzend woord te ontvangen voor hunnen arbeid en in opgewonden stemming besprak men de spanning en den goeden uitslag der jacht. Intusschen beijverden de dienaren zich, om uit de meegebrachte tasschen en manden den mondvoorraad te voorschijn te halen en weldra konden de jagers zich verkwikken aan een teug wijn en een smakelijk maal van brood en gebak.

Het was een vroolijke maaltijd in het stille bosch; de voldoening over den rijken jachtbuit maakte de tongen los en uitte zich in menigen scherts of vroolijk jachtverhaal. De honden lagen aan den voet hunner meesters en deelden in het maal en ook de vogels van het woud waagden zich naderbij om de vallende kruimpjes weg te pikken. Alleen de donkere plek daarginds op de sneeuw getuigde, dat dit vroolijk gezelschap met andere bedoelingen hier was gekomen dan enkel onschuldig schertsen.

Toen allen verkwikt waren, toog men aan den arbeid om het wild te ontweien. Onder toezicht der ridders begaven de bekwame jagermeesters zich aan het werk, dat verscheidene uren duurde. Ten slotte echter waren de herten in stukken gesneden, de onbruikbare deelen verwijderd en de overige op hoopen gestapeld. Nu werden fluks draagbaren gemaakt van saamgevlochten twijgen en de buit met koorden hierop bevestigd. Eerst daarna werd de terugtocht ondernomen en de lange stoet reed huiswaarts, langzamer dan zij gekomen was, want mensch en dier waren vermoeid van den langen dag en de inspanning der jacht. Daarbij vereischte het meedragen van den buit ook eenige voorzichtigheid. Toen men eindelijk het kasteel naderde, was de vroege schemering reeds gedaald, met luid hoorngeschal kondigden de jagers hunne komst aan en dreunend viel de zware ophaalbrug voor hen neer. De poorten van het slot werden wijd geopend om het gezelschap binnen te laten en met luide welkomstkreten werden de thuiskomenden begroet.

Wat was er nu dien dag met Walewein geschied?

Terwijl de overige ridders zich naar de vroegmis begaven en zich vervolgens voor de jacht gereed maakten, lag onze held in diepe rust verzonken tusschen de zijden kussens van zijne legerstede. Toen onder zijn venster het hondengeblaf en de hoornsignalen het vertrek van den jachtstoet aankondigden, bewoog hij even onrustig in zijn slaap, maar weldra verzonk zijn geest opnieuw in het rijk der droomen en sluimerde hij rustig verder. Plotseling echter werd hij met een schok wakker. Zijn waakzame geest, die door de ondervinding geleerd had, steeds op een mogelijken onverhoedschen aanval bedacht te zijn, deed hem werktuigelijk de hand uitstrekken naar zijn zwaard, dat naast hem in de scheede hing. Wat was er gebeurd? Hij voelde, meer nog dan hij hoorde, dat er zich iemand bewoog aan de deur van zijn vertrek, maar nu scheen het weer, alsof hij het zich verbeeld had, want hij zag geene beweging aan den deurknop en diepe stilte heerschte om hem heen in het slot, dat wel uitgestorven leek te zijn.

Maar neen, daar hoorde hij opnieuw eenig geluid, hij liet de opgeheven hand zakken, overtuigd als hij nu was, dat zijn wapen zich binnen zijn onmiddellijk bereik bevond en liet zijn hoofd weer in het kussen zinken. Door de half geloken oogen zag hij echter scherp toe. Wie beschrijft zijne verbazing, toen hij de deur zachtjes zag opengaan en op den drempel zijne schoone gastvrouw bemerkte, die geruischloos de kamer binnenkwam en, na de deur behoedzaam achter zich gesloten te hebben, op het bed toetrad? Bij hare nadering sloot Walewein zijne oogen geheel en wendde voor in diepen slaap verzonken te zijn. Toen de gravin bij de legerstede gekomen was, sloeg zij een der bedgordijnen terug en zette zich op den rand, de oogen op den slapende gericht. Deze was een oogenblik in twijfel, welke houding hij zou aannemen, maar eindelijk besloot hij, dat hij beter deed met zijne bezoekster ronduit te vragen naar het doel harer komst. Zoo natuurlijk mogelijk sloeg hij daarom de oogen op, alsof hij nu eerst uit eene diepe sluimering ontwaakte en bij het zien der gestalte, die zich naar hem overboog, maakte hij eene beweging van schrik en richtte zich ten deele op uit zijne liggende houding, alsof hij het bed wilde verlaten. De gravin legde echter hare hand op zijnen arm en sprak, vriendelijk lachend: "Goeden morgen, Heer Walewein, gij zijt inderdaad een onbezorgd slaper, dat gij u aldus laat verrassen. Maar nu zijt gij dan ook mijn gevangene en laat ik u niet meer vrij!"

"Goeden morgen, schoone Vrouwe", antwoordde Walewein, "ik geef mij onvoorwaardelijk aan u over, doe met mij, wat gij wilt, in alles wil ik uw getrouwe dienaar zijn. Sta mij slechts toe, dat ik het bed verlaat en mij in passender kleeding steek om u te ontvangen." De gravin schudde lachend het hoofd. "Neen, edele heer," sprak zij, "mijn gevangene laat ik niet los. Het gebeurt slechts zelden dat ik zulk een dapper man als Heer Walewein voor mij alleen heb, hem, dien men niet zonder reden den edelsten, schoonsten en hoffelijksten ridder der Ronde Tafel noemt. Mijn echtgenoot is op de jacht, de bewoners van het kasteel zijn nog in diepe rust verzonken en zullen ons niet storen. Alles is stil in huis, wij beiden zijn alleen en de deur, die toegang geeft tot dit vertrek, heb ik stevig gegrendeld. Weet dan, dat ik u liefheb en dat ik hierheen ben gekomen, om u dit te zeggen. Handel met mij naar verkiezen!"

"Vrouwe", sprak Walewein, "ik ben onwaardig, om zulke woorden van u te vernemen, maar geloof mij, wanneer ik u zeg, dat ik u dienen wil met alle middelen, die in mijn vermogen zijn!"

"Heb dank", antwoordde zij, "voor uw aanbod. Het zou mij slecht passen om het niet met dankbaarheid te aanvaarden, maar meer nog dan op de kracht van uwe vuist stel ik prijs op een blik van liefde uit uwe oogen. Geloof mij, dat er vele vrouwen zijn, die uw gezelschap zouden verkiezen boven al het goud, dat de aarde haar schenken kon! Indien ikzelve vrij was om te kiezen, zou ik geen ander dan u tot mijn echtgenoot begeeren en het zou mij een genot zijn om al uwe wenschen te vervullen."

Het kon niet anders, of deze woorden uit den mond van zulk eene schoone spreekster moesten Walewein diep treffen en de toon, waarop hij haar antwoordde werd dan ook steeds warmer en inniger. Zij spraken over de liefde, over de vreugde en droefenis, die zij brengen kan in het leven der menschen, en steeds dieper boog de gravin zich over hem heen, steeds dringender zagen hare oogen in die van Walewein. Deze laatste echter wist met schrander beleid het gesprek telkens weer in andere banen te voeren. De gedachte aan zijn afwezigen gastheer en ook aan het naderend avontuur met den groenen ridder vervulden zijne ziel en deden hem tegen het uitlokkend optreden zijner schoone bezoekster eene zekere terughouding in acht nemen. Ten slotte stond de gravin met een lichten zucht op van den rand der legerstede en maakte aanstalten om heen te gaan. Bij de deur gekomen wendde zij het hoofd om, zag hem over den schouder aan en sprak schertsend: "Vaarwel, heer ridder! Schoon zijt gij en welsprekend als geen ander, maar toch twijfel ik er aan, of gij Walewein zijt!"

"Waarom twijfelt gij daaraan?" vroeg de held haastig, bevreesd dat hij in hoffelijkheid van houding en manieren te kort was geschoten. De gravin bleef hem lachend aanzien en zeide: "Mij dunkt, dat een ridder als Heer Walewein, die zóó geschoold is in hoofsche zeden en gebruiken, niet zulk een langen tijd in gezelschap eener dame vertoefd zou hebben, zonder haar om een kus te verzoeken!" "Wanneer ik wist, dat ge mij die schenken zoudt", antwoordde de held, "zou ik niet aarzelen u er om te vragen!" Nauwelijks had hij dit gezegd of de gravin kwam terug, boog zich naar hem over en kuste hem op het voorhoofd. Het volgende oogenblik was zij verdwenen.

Walewein bleef eenige oogenblikken peinzend liggen, daarop sprong hij het bed uit en riep zijn kamerdienaar om hem bij het kleeden behulpzaam te. zijn. Vervolgens begaf hij zich naar de kapel, waar hij den dienst bijwoonde. Den ganschen middag bleef hij daarop in gezelschap van de gravin en hare vrouwen, die hij met luchtigen scherts en vroolijke verhalen wist te vermaken.

Tegen den avond keerde de graaf met zijne ridders van de jacht terug. Walewein ging zijn gastheer tot aan de slotpoort tegemoet en de beide ridders begroetten elkander hartelijk. Daarop beval de graaf om den buit in de groote feestzaal te brengen en in tegenwoordigheid van alle bewoners van het kasteel, voerde hij Walewein tot vóór den hoogen wildstapel en sprak: "Ziehier mijn buit, dien ik volgens afspraak hierbij aan u overdraag. Wat dunkt u van deze verzameling, loont zij de moeite van het jagen niet en heb ik niet stipt woord gehouden?"

Vol bewondering liet Walewein zijn blik gaan over de prachtige hertebouten, krachtig schudde hij zijn gastheer de hand en sprak: "Gij hebt woord gehouden, zooals dat een edelman betaamt, maar ook ik zal dat doen. Ziehier de buit, dien ik veroverd heb vandaag." Daarop boog hij zich naar zijn gastheer toe en kuste hem. "Uw geschenk is wel van gansch anderen aard als het mijne!" riep de graaf vroolijk uit, "maar vertel mij eens, waarde vriend, bij welke gelegenheid gij het ontvangen hebt? ik ben verlangend om dat te vernemen!" Walewein echter schudde het hoofd. "Dat was niet in onze afspraak begrepen", zeide hij lachend, "en daarom behoef ik het u niet te zeggen. Wat ik heden ontving, heb ik u eerlijk teruggegeven, verder reikt onze overeenkomst niet!"

Daarop begaven allen zich aan den gemeenschappelijken maaltijd en onder het genot van zang en dans verliep de avond snel. Alvorens zich ter ruste te begeven, hernieuwden de graaf en zijn gast hunne afspraak voor den volgenden dag.

_Hoe de graaf met zijne ridders op jacht ging om een wild zwijn te vangen._ Nauwelijks had de haan zijn schel gekraai doen hooren of de heer van het kasteel en zijne ridders hadden hunne paarden bestegen en waren uitgereden op jacht naar een wild zwijn. Met luide kreten vuurden de jagers hunne honden aan, die weldra het spoor van den ever ontdekten en in vollen ren hem trachtten te volgen. Hun zwaar geblaf vervulde de lucht en weerkaatste tegen de hooge rotsen.

De jagers vuurden hen aan met hun schallende jachtkreten en in eene bonte mengeling joeg de gansche stoet door de bosschen. Plotseling maakten de honden halt bij een vooruitstekend rotsblok aan den rand van een half bevroren poel. Begeerig snuffelend verdrongen de honden zich om den rots en om het hooge struikgewas, dat daar naast groeide. De schildknapen stegen van hunne paarden en sloegen met stokken op de struiken om het dier, dat zich naar alle waarschijnlijkheid daarin bevond, te bewegen om te voorschijn te komen. Hun pogen had het gewenschte gevolg. Met een luid geknor stoof een groot zwijn uit de struiken te voorschijn, zijne borstels stonden dreigend overeind, zijne kleine oogen glinsterden boosaardig en zijne vreeselijke slagtanden zagen er onheilspellend uit. Bij den eersten stoot vielen drie der honden onder klagelijk gejank ter aarde, daarna stoof de ever door de springende, bassende massa heen het bosch in en verdween in wilde vlucht tusschen de struiken. De jagers en honden volgden hunnen prooi evenwel op den voet en in ijlende vaart ging het nu er op los, over omgevallen boomstammen, door struik en bosch, over bevroren plassen en besneeuwde velden, achter het wild aan. Tegelijkertijd suisden de pijlen door de lucht, die nu en dan doel troffen, doch welke niet meer deden dan slechts de buitenste huidlaag van het dier doorboren. Na eene lange jacht werd het zwijn echter zóó geprikkeld door de scherpe pijlpunten en geraakte het zóó uitgeput van den dollen wedloop, dat het plotseling stand hield om daarna met zijne scherpe slagtanden dreigend op de honden af te komen. Vreeselijk was de slachting, die hij onder hen aanrichtte, met opengereten buiken vielen de arme dieren neer en wentelden zich huilend in de sneeuw. Het zwijn maakte van een oogenblik van aarzeling onder zijne aanvallers gebruik om de vlucht te nemen in een rotsspelonk aan den oever van eene beek. Het schuim stond hem op den bek, zijne oogen waren rood beloopen en zóó afschrikwekkend zag het dier er uit, dat niemand der jagers het waagde om het te lijf te gaan. De graaf, die bemerkte dat zijne ridders aarzelden om tot den aanval over te gaan, steeg van zijn paard, trok zijn lang slagzwaard uit de scheede en naderde voorzichtig de spelonk, waarin het ondier zich verscholen hield. Zoodra het zwijn bespeurde van welken kant het gevaar dreigde, schoot het uit zijne schuilplaats te voorschijn en kwam met gebogen kop op den graaf af. Deze was echter op den aanval bedacht. Op het oogenblik, dat het zwijn den kop omhoog hief om den stoot te wagen, stak hij hem de punt van zijn zwaard in den buik, zoodat een straal bloed te voorschijn spoot. Onder een vreeselijk gebrul viel het dier zijdelings op den grond en nauwelijks hadden de honden dit gezien, of zij schoten luid blaffend op hem af en beten hem met hunne scherpe tanden de strot door. Met een luid gejuich begroetten de ridders het slagen van hun tocht en vele rappe handen haastten zich om het zwijn te ontweien. Eerst werd de kop afgeslagen, en daarna de romp overlangs in tweeën gesneden. De ingewanden werden verwijderd en op de asch van een inmiddels aangelegd vuur gebraden, daarna wierp men ze voor de honden, die met graagte er op aanvielen. De beide helften van den romp werden met de pooten aan een stok gebonden en door twee knechten op de schouders genomen. Den kop bracht men aan den graaf als jachttropee en deze haastte zich met zijne ridders huiswaarts.

Laat ons thans zien, wat inmiddels in het slot was voorgevallen. Getrouw aan de afspraak met zijn gastheer had Walewein zijn schildknaap last gegeven hem niet te roepen en zoo sliep hij ongestoord voort, terwijl de andere ridders zich voor de jacht in gereedheid brachten. In zijne droomen zwierf hij rond in een groot bosch op zoek naar den groenen ridder, maar bij iedere kromming van den weg, verscheen inplaats van hem, dien hij zocht, de gestalte van zijne bevallige gastvrouw, die hem wenkte tot haar te komen. Wanneer hij dan op haar toesnelde en op het punt was haar bij de hand te vatten, verdween zij plotseling voor zijne oogen en liet hem alleen in het onherbergzame woud, om kort daarop weer tusschen de struiken op te rijzen. Onrustig bewoog de held zich op zijne legerstede, tot plotseling--hoor! daar drong het geluid van eene deur, die openging in zijne droomen door en de oogen opslaand, zag hij in die der gravin. Met zachten tred kwam deze zijn slaapvertrek binnen en zette zich, evenals den vorigen dag op den rand van zijn rustbed.

Minzaam lachend zag zij op hem neer en sprak:

"Heer Walewein, een ieder roemt u als een wijs, verstandig man en toch moet ik bemerken, dat gij nu reeds vergeten zijt, wat ik u gisteren heb trachten te leeren. Hoe rijmt gij dat?"

"Wat ge mij gisteren hebt trachten te leeren", herhaalde de ridder verbaasd, "wat kan dat zijn? Zeg het mij spoedig, wat ik u bidden mag, want ik zou niet gaarne onachtzaam schijnen tegenover u!"

Daarop boog de gravin zich nog dieper over hem heen, zag hem in de oogen en zeide: "Ik trachtte u te leeren, hoe een ridder de vrouw kust, die hem haren voorkeur toont en nu schijnt het of gij u die les gansch niet meer herinnert."

Walewein richtte zich half overeind en sprak toen zacht: "Schoone Vrouwe, vergeef mij, indien ik u voorkom, in hoffelijkheid te zijn te kort geschoten. Hoe gaarne zou ik u om een kus vragen, wanneer ik niet vreesde, eene weigering te zullen ontvangen!" "Eene weigering", antwoordde zij lachend, "en wat dan nog? Zijt ge niet sterk genoeg om datgene, wat gij verlangt, desnoods met geweld af te dwingen?" "Gij spreekt waarheid, edele Vrouwe," hervatte Walewein, "zeer zeker zou ik daartoe in staat zijn, maar in het land, waar ik vandaan kom, zou men mij zulk eene handelwijze euvel duiden en bovendien: eene gift, die ongaarne geschonken wordt, verliest hare waarde voor hem, die ze ontvangt! Daarom wil ik mij in dit geval onvoorwaardelijk aan uwen wil onderwerpen, slechts dan, wanneer het werkelijk uw verlangen is, wil ik u kussen."

Toen hij uitgesproken had, boog de gravin zich voorover en kuste hem op de wang, waarna zij beiden nog langen tijd op fluisterenden toon met elkander spraken."

"Hoe komt het toch", sprak zij na eenigen tijd, "dat gij, die zoo jong en levenslustig zijt en zoo goed bekend met de wetten der liefde, mij nooit over die liefde gesproken hebt? Was het niet eene fraaie gelegenheid om een jong ding als ik ben, een weinig onderricht daarin te geven? Mijn echtgenoot is afwezig en niemand zal ons storen."

Walewein voerde in zijn binnenste een harden strijd. De gelegenheid was inderdaad gunstig! Hij had slechts de armen uit te strekken en de schoonste vrouw, die hij ooit gezien had, zou de zijne zijn. Waarom zou hij niet genieten van wat de omstandigheden hem zoo verleidelijk aanboden. Nog weinige dagen en hij zou een strijd moeten aanbinden, waarin hij bijna zeker den dood zou vinden. Was het niet dwaas om nu niet toe te grijpen en te genieten van wat jeugd en schoonheid hem zoo willig boden? Maar er was eene andere stem in zijn hart, die sprak van eer en ridderlijkheid en van de verplichtingen, die de gastvrije ontvangst in het kasteel hem oplegde. Wat! zou hij, Walewein, een ridder van de Ronde Tafel, een vertrouwd vriend van koning Arthur, de wetten der gastvrijheid schenden en zijn gastheer bedriegen, die hem vol vertrouwen in het slot had achtergelaten? En was hij dan vergeten, met welk doel hij hierheen was gekomen, dat hem binnenkort een zware strijd, misschien de dood wachtte, waarvoor hij zijn arm sterk en zijn geweten zuiver moest houden? Waar hij zoo spoedig de eeuwigheid in zou kunnen gaan, paste het hem voorwaar aan andere dingen te denken dan aan ijdel minnekoozen met schoone vrouwen en hoe zou hij voor den rechterstoel van God durven verschijnen met een dergelijken trouwbreuk op zijn geweten? Allengs werd de stem der eer luider en bracht die andere stem tot zwijgen.

Walewein omvatte met zijne beide handen die der gravin, zag haar recht in de oogen en sprak ernstig: "God is mijn getuige, dat ik niets liever doe dan met u spreken, en dat ik u dankbaar ben voor de gunsten, die ge mij bewijst, maar om u te onderrichten in het spel der liefde is een kundiger man noodig dan ik ben. Daarom, bid ik u, houd het mij ten goede, wanneer ik hierover zwijg en laat mij u in alle andere dingen mogen dienen." De gravin, die inzag dat zij ook ditmaal haar doel niet bereiken zou, schikte zich met een zucht in het onvermijdelijke en nadat zij zich nog eenigen tijd met haren gast onderhouden had, verliet zij het vertrek.

In den loop van den middag keerde de graaf van de jacht terug. Het was inmiddels gaan sneeuwen, een fijne jachtsneeuw, die de jagers deed rillen onder hunne zware mantels. Half verkleumd kwamen zij binnen, in de ruime hal van het slot, waar het vuur knetterde en de vlammen oplaaiden in den ruimen haard. Met trots vertoonde de graaf den geweldigen kop van het zwijn en bood hem lachend aan Walewein. Deze sloeg den arm om de schouders van zijn gastheer en kuste hem met den uitroep: "Ziehier mijn buit!" Daarop verzocht hij den graaf hem de lotgevallen van dien dag mede te deelen, aan welk verzoek deze gaarne voldeed. In opgewonden bewoordingen deed hij Walewein verslag van de jacht op het wilde zwijn en beschreef hem de gevaren, die hij en zijne ridders daarbij getrotseerd hadden. Vol lof verklaarde onze held, dat hij nog nimmer zulk een reusachtigen kop gezien had, als die, welken de graaf als zegeteeken meegebracht had en prees de dapperheid en behendigheid van de jagers.

Weldra kondigden drie bazuinstooten aan, dat de avondmaaltijd gereed was en de gasten schikten zich om den welvoorzienen disch, dien zij alle eer bewezen. 's Avonds zat men onder gezelligen kout te zamen en menig jachtverhaal deed de ronde. Walewein was opnieuw de eereplaats aangewezen naast de bekoorlijke gravin en deze deed al wat zij kon om hem te behagen. Alvorens een ieder zich naar zijn slaapvertrek begaf, wendde Walewein zich tot den graaf en gaf zijn verlangen te kennen om den volgenden morgen te vertrekken, maar deze wilde er niets van hooren!

"De groene kapel bevindt zich slechts een halfuur gaans van hier", sprak hij. "Wanneer gij u dus op Nieuwjaarsmorgen tijdig daarheen begeeft, kunt gij er zeker van zijn, daar niet te laat te komen. Vertrouw op mij, ik zal zorgen, dat gij uw afspraak houdt!"

Zoo liet Walewein zich overhalen, om nog een nacht in het slot te vertoeven en de overeenkomst tusschen hem en den graaf werd hernieuwd.