Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 5
Al blijkt uit het voorgaande, dat de meeningen omtrent het ontstaan en den groei der sage nogal uiteenloopen, toch zijn alle geleerden het er over eens, dat de geschiedenis van Walewein en den Groenen Ridder eene bewerking is van een Fransch gedicht. In hoever de Engelsche dichter van het oorspronkelijke is afgeweken, laten wij hier buiten beschouwing, als vaststaand mogen wij aannemen, dat hij ons eene min of meer getrouwe vertolking hiervan heeft geleverd. Toch moeten wij zijn werk allerminst beschouwen als eene slaafsche vertaling van een reeds bestaand gedicht. Immers in het Engelsche gedicht treffen ons verscheidene nieuwe bestanddeelen, die een voornaam aandeel van onze bewondering voor het kunstwerk opeischen. De Fransche dichter moge handig geweest zijn in het samenstellen van zijn gedicht en moge bovendien de gave hebben bezeten van onderhoudend vertellen, zijn Engelsche navolger was een dichter in den vollen zin des woords, die zijne stof wist te doordringen van eene hoogere zedelijke strekking zonder daardoor het verhaal als zoodanig ook maar in 't minst te schaden.
Hij maakt zich niet schuldig aan lange betoogen en breedvoerige beschouwingen zooals zoovelen onder zijne tijdgenooten, de lijn der onderhandeling wordt niet onderbroken door afdwalingen van het hoofdthema, de karakters in zijn gedicht tintelen van geest en leven, terwijl de fijne natuurschilderingen en jachtbeschrijvingen alleen den schrijver reeds eene eerste plaats onder de dichters van zijn tijd waardig zouden doen zijn.
DE SAGE VAN HEER WALEWEIN EN DEN GROENEN RIDDER.
"Entre toz les bons chevaliers Doit estre Gauvains li premiers."
(Chrétien de Troies: Erec 1690-91).
_Wanneer het jaar ten einde spoedde, waren de ridders der ronde tafel gewoon, zich naar Camelot te begeven, om aldaar met hun vorst het kerstfeest te vieren._ Reeds in den aanvang zijner regeering had koning Arthur den wensch te kennen gegeven, om ter herdenking van dit plechtig geboortefeest een zoo groot mogelijk aantal zijner getrouwen om zich heen verzameld te zien. Geen wonder dus, dat de ridders, voor wie elke wensch van hun geliefden heer een gebod was, elk jaar in grooten getale naar Camelot optrokken, onverschillig waar zij zich op dat tijdstip bevonden of welke moeilijkheden de lange tocht door het besneeuwde land hun in den weg legde. Een woord van welkom uit den mond van hun koning vergoedde hun ten volle de doorstane ontberingen en na een tijd van vertrouwelijk samenzijn met vrienden en bekenden, van wier bijzijn zij in dit jaargetijde uit den aard der zaak meer konden genieten dan in den zomer, als het gezelschap zich verspreidde in veld en bosch, plachten zij gesterkt naar lichaam en geest, naar hunne haardsteden terug te keeren. Zoo ging er van dit rustig samenzijn in den barren wintertijd een verheffende invloed uit en in de vertrouwelijke gesprekken tusschen den vorst en zijne volgelingen, scheen er in de harten der ridders iets neer te dalen van den vrede van het Kerstfeest, waardoor de gedachten aan roem en eer, aan vrouwenliefde en vorstengunst voor eene wijle op den achtergrond werden gedrongen.
Maar de ridders brachten niet al hun tijd door met het voeren van ernstige gesprekken, de koning wenschte vóór alles, dat het Kerstfeest een tijd zou zijn van ontspanning voor hen, wien mogelijk in het Nieuwe Jaar eene zware taak of eene harde beproeving wachtte.
Daarom droeg hij zorg, dat in die dagen vreugde en jolijt den boventoon voerden aan zijn hof, hij liet er bekwame harp- en luitspelers ontbieden, beroemde minnezangers en geestige potsenmakers vonden er een gastvrij onthaal en een vorstelijk loon en zoo bracht elke dag den gasten nieuwe verstrooiing.
De dag, waarop de gebeurtenissen, in dit verhaal vermeld, een aanvang namen, was de eerste van het Nieuwe Jaar en een talrijk gezelschap van rijk gekleede ridders en edelvrouwen was in de groote feestzaal van het koninklijk paleis verzameld, gereed om zich aan tafel te begeven.
De dienst in de slotkapel was zoo juist afgeloopen, de plechtige kerkgezangen waren verstomd en nadat het gezelschap in het paleis was teruggekeerd, had men elkander op vroolijken toon gelukgewenscht met het Nieuwe Jaar, onder het aanbieden der gebruikelijke geschenken. De zaal was vervuld met een blij gegons van stemmen en een zacht ritselen van zijden vrouwenkleeren, terwijl zoo nu en dan het gekletter van een zwaard of het rinkelen van riddersporen weerklonk.
Eindelijk bliezen herauten het sein tot den maaltijd en onder vroolijk gelach en gepraat schikten de gasten zich aan weerszijden van de lange tafels, waar een keur van spijzen stond opgediend. Aan het hoofd der eeretafel, die dwars op de richting der andere stond, zou het vorstelijk echtpaar aanzitten met de edelsten onder de ridders. Koningin Ginevra had reeds plaats genomen in haren hoogen gebeeldhouwden stoel. Een nauwsluitend, groen kleed omsloot hare ranke gestalte, de wijd afhangende mouwen waren rijk geborduurd in helder glanzende kleuren en de breede gordel, dien zij om het midden droeg, was bezaaid met fonkelende edelsteenen. In het blonde haar droeg zij een gouden kroontje. De uitdrukking van haar gelaat was minzaam, en vroolijk straalden haar grijze oogen bij den aanblik van dit gezelschap van edele ridders en schoone vrouwen, die allen hier waren gekomen om haar en haren gemaal hulde te brengen. Aan de zijde der vorstin waren de dapperste en meest geziene ridders van het hof gezeten: Walewein, de zoon van koning Loth en de eigen neef van koning Arthur, Iwein, bijgenaamd de Leeuwenridder, Lanceloet en eenige anderen. De koning zelve had nog steeds geen plaats genomen op zijn zetel aan de zijde der koningin. Pratend en gekscherend liep hij op en neer, nu eens tot dezen, dan weer tot dien ridder het woord richtend. Het was in het begin zijner regeering, dat de te melden gebeurtenissen zich afspeelden, in den tijd, toen hij nog jong en krachtig was en het besef zijner hooge roeping hem het bloed sneller door de aderen deed vloeien. In die dagen bruiste het in hem van moed en levenlust en de gedachte aan de heldendaden en wapenfeiten, die hij zou verrichten, deden zijne oogen fonkelen en een onrust in hem ontwaken, die het hem onmogelijk maakte om langen tijd op een plek te vertoeven. Ook nu kon hij geen rust vinden; de wereld daarbuiten riep hem met lokkende stem en gaarne zou hij uit zijn gereden, de bosschen in, waar de prikkel der jacht hem gelegenheid zou geven zijn lust tot avontuur te botvieren. Lachend zwoer hij, dat hij zich niet aan tafel zou begeven, alvorens hem eene of andere heldendaad of gevaarlijk waagstuk zou zijn ter oore gekomen om het Nieuwe Jaar waardig in te zetten. Intusschen liepen de knechten ijverig heen en weer om de dampende schotels aan te brengen. Een geur van gebraad en andere kostelijke spijzen steeg op in de zaal, de wijn vloeide klokkend uit de gouden en zilveren kannen in de sierlijke bokalen en het geluid der stemmen vermengde zich met de zachtklinkende muziek der luitspelers, die in een hoek der zaal hadden plaatsgenomen. Toen de eerste gerechten waren rondgediend, verstomde het gepraat allengs en hoorde men een tijdlang niets dan het getik der lepels tegen de borden en het neerzetten van een beker op de tafel.
_Van de plotselinge verschijning des groenen ridders._ Plotseling werd de deur, die toegang gaf tot de zaal met een luiden slag opengeduwd en op den drempel verscheen een ruiter, bij wiens aanblik alle aanwezigen ophielden met eten en elkander in stomme verbijstering aanstaarden. De ridder namelijk, die zoo juist was binnengekomen, was een reusachtige gestalte en vertoonde bovendien--en dit was 't vreemdst van alles--van het hoofd tot de voeten eene groene kleur. Alles aan hem was groen: zijn wambuis en schoudermantel, de edelgesteenten, die glinsterden op zijn gordel en zijne sporen, het dekkleed over zijn paard en het ros zelf eveneens. De ridder droeg geene wapenrusting en speer noch schild, maar in de eene hand hield hij een hulsttak, terwijl de andere eene zware strijdbijl torste, waarvan de snede vlijmscherp geslepen was.
Zonder een woord te spreken stuurde hij zijn ros in de richting der eeretafel en vroeg toen met luider stemme, wie de heer en meester van het gezelschap was.
Doodsche stilte heerschte in de zaal, waar alle aanwezigen in stomme verbazing de vreemde verschijning gadesloegen. Vanwaar kon hij zoo plotseling gekomen zijn, deze zonderlinge ridderfiguur en wat beduidde die groene kleur? Eensdeels scheen het, of hij met vriendschappelijke bedoelingen kwam, want hij droeg harnas noch helm, maar waarom dan die scherp geslepen bijl? Al deze vragen woelden om in het brein der aanwezigen en in spanning richtten zij hun blik op den koning om te zien welke houding hij tegenover dezen ongenooden gast zou aannemen.
Koning Arthur evenwel scheen geen oogenblik zijne kalmte te verliezen. Met rustigen tred deed hij eenige schreden in de richting van den vreemdeling en sprak: "Wees welkom in mijn paleis, heer ridder! In mij ziet gij den heer van dit gezelschap; mijn naam is Arthur en deze uitgelezen schaar van dappere mannen zijn mijne ridders! Zet u neder in hun midden, wat ik u bidden mag en deel met ons dezen maaltijd. Na afloop zult gij ons dan vertellen, wat er van uw verlangen is!"
"Neen, waarlijk niet", antwoordde de vreemdeling, "dat is niet, hetgeen ik hier zoek! Het is niet om van uwe gastvrijheid te genieten, dat ik hierheen ben gekomen, maar wel om de veel geroemde dapperheid uwer ridders op de proef te stellen. Wanneer zij werkelijk de moedigste en edelste mannen ter wereld zijn, zullen zij mijn verzoek niet weigeren."
"Spreek vrij uit", hernam koning Arthur op trotschen toon, "en wanneer gij een sterken arm of een scherp zwaard behoeft, om uwe kracht mede te meten, zoo zijt gij hier op de rechte plaats om die te vinden!"
"Ik zoek geen strijd", antwoordde de groene ridder, en zijn blik dwaalde met eene uitdrukking van minachting over de aanwezigen, "gij ziet immers aan mijne kleeding en aan den hulsttak, dien ik draag, dat ik met vreedzame bedoelingen herwaarts gekomen ben. Ware dit niet het geval, dan zoudt ge mij in volle wapenrusting gezien hebben, met den helm op 't hoofd, en mijne lange strijdspeer in de hand. En geen dezer baardelooze knapen zou dan in staat zijn geweest, mij uit den zadel te lichten. Neen, mijn verlangen is van gansch anderen aard. Het is een Kerstgrap, die ik wensch, eene dolle scherts, die past in dezen tijd van boert en kortswijl. Daarom vraag ik u, of er één is onder uwe ridders, koen en stout genoeg, om mij een slag toe te brengen in ruil voor een anderen? Zoo ja, dan zal ik hem als belooning deze kostbare strijdbijl schenken en mij bovendien beschikbaar stellen om den eersten slag uit zijne hand af te wachten. In ruil daarvoor behoud ik mij echter het recht voor, om hem op mijne beurt een slag toe te brengen, waartoe ik hem twaalf maanden uitstel geef. Wie uwer neemt mijn voorstel aan?" Nadat hij deze woorden gesproken had, steeg de groene ridder van zijn paard en, leunend op zijn wapen, liet hij zijne rollende oogen met eene uitdrukking van spot en minachting over het gezelschap gaan.
Stom zaten de ridders bijeen; het vreemde voorstel en de reusachtige gestalte van den groenen ridder vervulden hen met angst en wantrouwen. Dit was geen gewone uitdaging, zooals zij die gewend waren van vreemde ridders, die aan het hof te Camelot kwamen, om hunne krachten te beproeven tegen de ridders der Ronde Tafel; dit was een voorstel, dat oogenschijnlijk gunstig voor hen leek, maar waarachter zij, als door eene natuurlijke ingeving, vermoedden, dat een groot gevaar stak. Daarom was niemand belust er op in te gaan en wachtte elkeen eerst af, of zijn buurman wellicht die taak van hem zou overnemen. De groene ridder evenwel barstte uit in een luid en smadelijk lachen. "Zijn dit de hoog geprezen en veel geroemde ridders der Ronde Tafel? deze bloodaards, die bij het noemen van 't gevaar zich reeds schuchter terugtrekken? Waar zijn nu uwe dapperheid en strijdlust, waar uw moed en ondernemingsgeest? Met een enkel woord heb ik ze tot leugen gemaakt en u getoond wie ge zijt; een troep laffe knapen, gemakkelijk uit het veld te slaan door wapengekletter en krijgsgerucht."
Maar verder kwam de vreemdeling niet, want koning Arthur viel hem in de rede met een donderend: "Zwijg! Niet ongestraft zult gij mijne ridders beleedigen! Meen niet, dat zij bevreesd zijn voor uwe geheimzinnige uitdaging. Indien zij zwijgen, dan doen zij zulks, omdat het een wijs man past, eerst met zijn verstand te rade te gaan, alvorens hij een besluit neemt. Voorwaar, dit zeg ik u! in de harten mijner ridders schuilt geen vrees of angst! Ik zelve zal u bewijzen, dat wij in staat zijn aan uw wensch te voldoen. Geef mij uw wapen en ik zal u den slag toebrengen, dien gij verlangt te ontvangen." Daarop sprong de vorst op den vreemdeling toe, die hem met eene nijging van het hoofd de strijdbijl overhandigde en daarna in gebogen houding den slag scheen af te wachten.
Plotseling ontstond er beweging aan de eeretafel, waar Heer Walewein, zich half oprichtend uit zijn zetel, den koning aansprak met de volgende woorden: "Sire, het zou niet stroken met uwen koninklijken staat, indien gij uw leven waagdet in deze onderneming, waarvan wij de strekking nog niet kunnen doorgronden. Waar zoovelen aanwezig zijn, om dit werk van u over te nemen, is het onnoodig, dat gij u in het gevaar begeeft. Daarom smeek ik u mij toe te staan, dit avontuur op mij te nemen. Vergun mij, de tafel te verlaten en laat mij in deze uw kampioen zijn. Al ben ik onwaardig om u te vervangen, toch hoop ik met Gods hulp en de kracht mijner vuist, deze taak te volbrengen, indien ge mij steunen wilt met uw vertrouwen!" De andere ridders waren getroffen door den plechtigen ernst, waarmede Walewein deze woorden sprak en toen hij zweeg en den koning smeekend aanzag, viel een koor van stemmen hem bij, die allen poogden Arthur over te halen om Waleweins bede in te willigen.
Met een minzaam handgebaar wenkte de vorst den jongen ridder om van tafel op te staan; deze gaf daaraan gehoor, deed een paar haastige schreden in de richting van zijn koning en knielde eerbiedig voor hem neer. Arthur overhandigde hem toen de strijdbijl en voegde hem op ernstigen toon toe: "Mogen God en alle heiligen u bijstaan in de zware taak, die gij vrijwillig op uwe schouders hebt genomen. Mogen zij uw hart en lichaam sterken en u behouden doen wederkeeren tot allen, die u dierbaar zijn!"
Walewein begaf zich nu met de bijl in de hand naar den groenen ridder en zeide tot hem:
"Spreek, wat wilt gij, dat ik doen zal?"
"Vóór wij verder gaan, moet ge mij uw naam zeggen", antwoordde de vreemdeling. "Daarna zullen wij nader de voorwaarden vaststellen, waaronder ik wensch te handelen."
"Mijn naam is Walewein, en ik verbind mij u een slag toe te brengen, waarvoor ge mij in ruil een anderen slag moogt geven, wanneer wij twaalf maanden verder zijn", antwoordde de jonge ridder trotsch.
De groene ridder zag zijn jeugdigen tegenstander vriendelijk aan en zeide op zachteren toon, dan hij tot nu toe gebezigd had: "Gij spreekt als een dapper man, Heer Walewein, en van niemand liever dan van een edel ridder als gij, zou ik den slag wenschen te ontvangen. Eén ding moet gij mij echter beloven, en wel, dat ge mij, wanneer het jaar verstreken is, zelve zult komen zoeken, waar ge slechts denkt mij te kunnen vinden". "Indien ik dat doen zal, dient ge mij eerst te zeggen, wie gij zijt en vanwaar gij komt", gaf Walewein hem ten antwoord, "want hoe zal ik u vinden, indien ik zelfs den naam niet weet van hem, dien ik zoek?" De groene ridder lachte en sprak: "Mijn naam zal ik u zeggen, wanneer ge mij met de bijl geraakt hebt en mocht het gebeuren, dat ik niets meer zeg, welnu, zooveel te beter dan voor u! En nu, wat ik u verzoeken mag, sla toe!" Daarop boog hij zich voorover, schudde zijne lange lokken weg van zijn hals en legde dien bloot. Walewein greep met vaste hand de zware strijdbijl om het handvat, zwaaide het wapen omhoog en deed het toen met snelle vaart neerdalen op den nek van den gebogen ridder. Zoo hevig was de kracht, waarmede de slag aankwam, dat het hoofd van den ongelukkige met één slag van den romp gescheiden werd. Met een luiden bons viel het op den vloer der zaal, waar de ridders het verachtelijk wegschopten. Wie beschrijft echter hunne ontzetting, toen de romp recht overeind bleef staan, hoewel het bloed omhoog spoot en de heldergroene kleeding rood kleurde.
In twee passen was de ijselijke gestalte bij de plek gekomen, waar het hoofd lag, bukte zich tot ieders verbazing, raapte dit op van den vloer en sprong toen in het zadel, het hoofd in de rechterhand bij het haar vasthoudend. Daarna keerde het gelaat zich naar de eeretafel toe en ziet: de oogleden gingen omhoog en de levenlooze mond begon te spreken: "Nog éénmaal herinner ik u aan uwe belofte, heer ridder! Over twaalf maanden wacht ik u om op uwe beurt een bijlslag te ontvangen en wee u! indien ik tevergeefs wacht! Wanneer ge mij zoekt, vraag dan den weg naar de groene kapel, daar zult ge mij vinden. Men noemt mij den groenen ridder, een anderen naam kan ik u niet zeggen. Wees getrouw aan uw woord, vaarwel!"
Daarna gaf de vreemdeling zijn paard de sporen en stoof met zulk eene vaart het paleis uit, dat de hoeven van het strijdros vonken sloegen uit de vloersteenen.
Verstomd en met afgrijzen zagen de ridders elkander aan; Arthur was de eerste, die zijne kalmte herwon. Hoewel hij inwendig niet geheel gerust was over den afloop der onderneming wist hij zich te beheerschen en zeide tot koningin Ginevra, die bleek en bevend in haren stoel zat: "Wees niet ontsteld, liefste! Zulk eene grap past immers bij een vroolijk feest als dit! Eén ding is zeker! Met een vrij geweten kan ik mij nu aan tafel begeven, want aan mijn wensch om een avontuur te beleven, is voldaan!" Daarop wendde hij zich tot Walewein en voegde hem toe: "Hang uwe strijdbijl op aan gindschen muur, waarde neef! voor heden heeft zij u voldoende diensten bewezen en zij heeft hare rust wel verdiend!"
Walewein voldeed aan zijn verzoek en schikte zich opnieuw aan de tafel, waar ook koning Arthur plaats nam en waar zich weldra een stroom van knechten en volgelingen verdrong om hun de uitgezochtste spijzen en kostelijkste dranken aan te bieden. Onder vroolijk gekout verdween spoedig de schaduw, die de vreemde verschijning een oogenblik op het feest geworpen had en scherts en boert hernamen den boventoon. Tot laat in den nacht duurde het feest; onder zang en dans vlogen de uren om en eerst tegen den morgen scheidde men om zich ter ruste te begeven.
De winter verstreek. De dagen werden lichter en langer en weldra naderde de lente met hare wonderschoone belofte van nieuw, jong leven. Als de ridders in de schemering huiswaarts reden, het lichaam zwaar van eene gezonde vermoeidheid, zagen zij, hoe in de bosschen een zacht groen waas zich spreidde over boom en struik en in de velden om Camelot klonk het klagelijk geblaat der jonge lammeren. Weldra deden de zonnestralen en de malsche lenteregens bloem en blad ontluiken en was het alom in de natuur een feest van geuren en kleuren, zooals alleen de lente ons brengen kan! De menschen wierpen hunne donkere winterkleeren van zich af en tooiden zich in lichte, kleurige gewaden om zich één te voelen met al die bloeiende, frissche tinten daarbuiten. De ridders voelden een drang tot daden in zich ontwaken, zij lieten hunne schildknapen zorgvuldig de harnassen en wapens nazien, en zij zelven trokken naar buiten om zich te oefenen in speerwerpen en schijfschieten, waardoor hunne spieren weer los en krachtig werden.
Op hare beurt maakte de lente plaats voor den zomer. De zon brandde fel op veld en akker, en verschroeide het gras in den paleistuin, waar tegen den avond een zware rozengeur opsteeg. Onder het dichte gebladerte der boomen klonk het zachte kirren der woudduiven, de bijen gonsden van bloem tot bloem, maar verder verbrak geen geluid de stilte. Eene algemeene loomheid scheen zich van de natuur meester gemaakt te hebben, waaraan ook de mensch zich niet kon onttrekken. Wie niet noodzakelijke bezigheden te verrichten had, waagde zich niet van huis vóór het avond werd en de zon als eene vlammende schijf aan den horizon verzonk. In de lange zomeravonden werden verre ritten te paard ondernomen door het welig bloeiende zomerland. Na afloop bleef men langen tijd bijeen aan den avondmaaltijd, die in de open lucht werd opgediend. De liederen, die men den zangers dan opdroeg te zingen, waren zangen van liefde en hartstocht en in het vallend duister droomden de jonge ridders van schoone vrouwen, in wier dienst zij daden van ongehoorden moed en stoutmoedigheid zouden verrichten.
Maar ook de zomer vlood voorbij en werd gevolgd door den herfst. Toen klonk reeds vroeg in den morgen, als de blauwe nevels nog tusschen de boomen hingen, het geschal der jachthoorns door de wouden en menig onschuldig dier viel ten prooi aan de scherpe pijlen der ridders. Eene algemeene bedrijvigheid heerschte in huis en hof. Terwijl het zweet hun tappelings langs het gelaat liep, waren de landbouwers bezig de laatste karrevrachten van den kostbaren oogst binnen te halen; in de keukens van het paleis hadden de koks met hunne knechts druk werk om het wild, dat in groote hoeveelheden werd binnengebracht, voor den middagdisch te bereiden en intusschen hadden in het strijdperk de groote tournooien plaats, die jaarlijks duizenden menschen naar Camelot lokten. Met lauwerkransen getooid, kwamen de ridders 's avonds in het koninklijk slot, waar de tegenstanders van dien dag zich aan een vriendschappelijken maaltijd vereenigden en zich uitputten in wederzijdsch eerbetoon. Tot laat in den herfst duurden de wedstrijden en steekspelen, daarna keerden de vreemde gasten naar hunne woonplaatsen terug en werd het allengs stil in Camelot. Ook in de natuur was een tijdperk van rust aangebroken. De hevige najaarsstormen hadden de boomen van hunne bladeren beroofd, die als een bruin tapijt den woudbodem bedekten. Geen vogelgefluit weerklonk meer, nu en dan vloog een kraai met krassend geluid door de lucht, verder hoorde men niets dan het suizen van den wind door de kale takken en het ritselend geluid van een enkel blad dat zich nog hardnekkig aan een twijg had vastgeklemd.
Voor wie het vrije leven in bosch en veld liefheeft, is er iets beklemmends in dit langzaam afsterven van al wat leeft in de natuur en in het vooruitzicht van den langen, somberen winter. Ook Walewein kende dit gevoel en meer nog dan andere jaren kwam het hem ditmaal overvallen. Wanneer zijne makkers om hem heen lachten en schertsten, kon hij plotseling stil voor zich uit zitten staren, tot een vroolijke uitroep van een zijner vrienden hem tot de werkelijkheid terugbracht. Geen wonder ook dat hij ditmaal met eenige beklemming den winter zag naderen. Hem wachtte geen vroolijk Kerstfeest, waarop zang en snarenspel en het gezelschap zijner vrienden de donkere winteravonden zouden doen omvliegen. Tegen den tijd dat de elders wonende ridders zich gereed maakten om den tocht naar het hof te ondernemen, moest hij zich op reis begeven naar de geheimzinnige groene kapel, waar, dat voelde hij zeker, een gevaar hem wachtte, dreigender dan hij nog ooit onder de oogen had gezien. De herinnering aan den groenen ridder, welke in den loop der maanden wat was vervaagd, herleefde te sterker naarmate de tijd van zijn vertrek naderde en hoewel hij geen oogenblik berouw had over het feit, dat hij diens uitdaging had aangenomen--besefte hij eerst nu, tot welk eene gevaarlijke onderneming hij zich verbonden had.