Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 45

Chapter 453,561 wordsPublic domain

Manessier, 452.

Map, Walter, schrijver van den prozaroman "Lancelot", 408; van "La Quête del St. Graal", 454; zijn invloed op de Arthur-sagen, 457-458.

Mark, Koning van Cornwallis, 183; 184; 190; 191; ontvangt Rivalin van Ermonie op zijn slot Tintagel, 196-200; trekt uit tegen zijne vijanden, 205; 206; Tristan komt aan het hof van koning M., 220-226; M. verneemt het geheim van Tristan's geboorte, 226-228; weigert de Iersche schatting te betalen, 230; 231; besluit tot een huwelijk 240-243; begroet zijne bruid, 263; zijn huwelijk met Isolde van Ierland, 264-265; zijn groeiende achterdocht, 265-276; veroordeelt Tristan en Isolde tot den vuurdood, 276-280; gaat op jacht naar het woud van Morois, 284-286; neemt Isolde weer als zijn vrouw aan, 288-291; laat Isolde de vuurproef ondergaan, 292-295; ontdekt de beide gelieven in den paleistuin, 296; Tristan komt, als nar vermomd, aan zijn hof, 309-313; M. volgt zijne gemalin naar Bretagne, 322-323.

Meervrouwe, de, komt aan het hof, 105.

Melot, handlanger van Meriadoc, 269; verzint eene list om de schuld der koningin te bewijzen, 271-274; helpt den koning om hare schuld te ontdekken, 276; 291.

Meriadoc, bespiedt Tristan en Isolde, 265-269; vat liefde op voor Isolde, 291; haalt den koning over om haar de vuurproef te doen ondergaan, 292.

Merlijn, de toovenaar, brengt de verbintenis tusschen Uther en Igerna tot stand, 4-7; voorspelt de komst van Arthur, 10-15; waarschuwt den koning voor een huwelijk met Ginevra, 15-17; voorspelling over het lot van Balin, 108-113; 119; meldt den dood der beide broeders aan Koning Arthur, 124; het einde van M., 501.

Modred, als minnaar van Ginevra, 29; M.'s ouders, 326, 327; M. aan het hof, 330; als minnaar der koningin, 407, 408; 416; klaagt Ginevra aan bij haar echtgenoot, 494-495; maakt zich meester van Arthur's rijk, 500; trekt met zijne troepen tegen den koning, 501-505; wordt door Arthur gedood, 506.

Monmouth, Geoffrey of, schrijver van "Historia Regum Brittanniae", XII; 27; 95.

Montsalvasch, de Graalburcht, 477; Parcival op den Graalburcht, 478-481; zijn tweede bezoek aan M., 492-493.

Morgan, Hertog, leenheer van Rivalin, 196; erkent diens onafhankelijkheid, 197; dringt binnen in Rivalin's graafschap, 209-213; wordt door Tristan gedood, 228.

Morgan le Fay, toovenares, hare wraakneming op de ridders der Tafel Ronde, 35, 36, 86, 87; geeft eene wonderzalf ten geschenke, 157.

Morgawse, gemalin van Koning Lot, moeder van Walewein, 27; moeder van Gareth, 324; haar huwelijksleven, 326, 327; staat Gareth toe om naar Camelot te gaan, 328; schrijft aan Koning Arthur, wie haar zoon is, 349.

Morholt, komt schatting opeischen van Koning Mark en wordt door Tristan verslagen, 229-233; 235; 238; 241; 244; 252; 257; 273; 314.

Morois, woud van, schuilplaats voor Tristan en Isolde, 280; de koning begeeft zich op jacht daarheen, 284; Tristan en Isolde keeren uit het woud terug, 289; 322.

Morris, Richard, bewerker van eene uitgave van "Sir Tristrem", 31.

Mountbeliard, Perin de, slachtoffer van Garlon, 114; 115.

N.

Nennius, oud-Britsch geschiedschrijver, IX; 96.

Nero, Koning, trekt op tegen Koning Arthur, 112; 113.

Newburgh, William of, Middel-Engelsch kroniekschrijver, XII.

Nutt, Alfred, schrijver van "Studies in the Legend of the Holy Grail", 451; 453; 458-459.

Nutt, David, uitgever, 324.

O.

Oberge, Eilhart von, eerste bewerker der Tristan-sage in Duitschland, 187; 195.

Orgeluse, geliefde van Amfortas, 483.

Orilus, jaloersche echtgenoot van Jeschute, 467; 482; verzoent zich met Jeschute, 485.

Othmer, Karl, schrijver van een dissertatie over de Erec-sage, 352.

P.

Parcival, 28; 105; 116; 325; _de Sage van Parcival en den Heiligen Graal_, 450-493.

Paris, Gaston, 34; 131; theorie over het ontstaan der Tristan-legende, 182; 184; 185; 186; 187; 194; over den oorsprong der verhalen uit den "Mabinogion", 352; over het "Verliegen" van den ridder, 353; 355; 357; over de trilogie van Borron, 453; over Bledhericus, 455; over het ontstaan der Arthur-sagen, 458-459.

Pellam, Koning, 94; Balin's avontuur aan zijn hof, 116-119.

Pellinore, Koning, vader van Parcival en Lamorak, 105.

Penevric, het slot van Guivret le Petit, 395; 396.

Penning en Vostaert, dichters van den roman van Walewein, VII.

Petitcrû, het tooverhondje, 297, 302.

Philipot, Emmanuel, schrijver van eene studie over de Erec-sage, 357.

Potvin, uitgever van "Perlesvaus", 454.

Pucci, Antonio, schrijver van "Dà un exempli", 32.

R.

Rhys, Sir John, schrijver van "Studies in the Arthurian Legend", XI; 95.

Rience van Wallis, Koning, trekt Arthur's rijk binnen, 101, 107; wordt door Balin en Balan verslagen en naar het hof van Arthur gebracht, 110-112.

Riol, vazal van den graaf van Bretagne, 299; belegert zijn leenheer, 300; wordt door Tristan gedood, 302.

Rivalin van Ermonie, vader van Tristan, begeeft zich naar het hof van Koning Mark, 196-200; vat liefde op voor Blanchefleur, 204-209; neemt haar mede naar zijn land, 210, 211; valt in den strijd, 212; Koning Mark verneemt dat R. de vader van Tristan was, 226-228.

Robert, Broeder, vervaardiger van eene Noorsche proza-bewerking der Tristan-sage, 187.

Rohand, neemt het bestuur over Rivalin's graafschap op zich, 197; wordt pleegvader over Tristan, 212-217; gaat zijn pleegzoon zoeken en vindt hem te Tintagel, 224-226; deelt den koning het geheim van Tristan's geboorte mede, 227, 228.

S.

Schoepperle, G., schrijfster van eene studie over de Tristan-sage, 186.

Schofield, over het onstaan der Arthur-sagen, 458-459.

Scott, Sir Walter, eerste bewerker van "Sir Tristrem", 188.

Segramore, bijgenaamd de Begeerige, 133.

Segwarides, 190.

Sigune, een der Graaljonkvrouwen, deelt Parcival den oorsprong van den Graal mede, 481-485.

Simroch, Karl, vertaler van het gedicht van Gottfried von Straszburg, 191.

Straszburg, Gottfried von, dichter van het Middel-Hoogduitsche gedicht: "Tristan", 187; 188; 191.

Swinburne, Algernon, Charles, schrijver van "A Tale of Balen" 97; "Tristram of Lyonesse", 180; 193; 194.

Sommer, Dr. H. Oskar, bewerker van een critische uitgave van de "Morte d'Arthur", 324.

T.

Tafel Ronde, de, wordt Arthur ten geschenke gegeven, 19; plechtige inwijding, 23-25; 32; 35; de Groene Ridder daagt de ridders der T. R. uit, 44; 57; 65; 71; 87; 91; 102; 180; 181; 341; Gareth tot de T. R. toegelaten, 349.

Tantris de Speelman (= Tristan), 236; 249; 250; 252.

Tennyson, Alfred, XVII; 29; 96; 192; 325; 352; 353; 407; 410; 458.

Thomas (genaamd: van Brittannië), Normandisch dichter uit de 12e eeuw, schrijver van een der eerste Fransche Tristan-gedichten, 182; 187-190; 195; over de bron van zijn werk, 455.

Thomas van Ercildoune, vermoedelijk schrijver van "Sir Tristrem", 188.

Tintagel, de burcht, eigendom van Gorlois, 4-6; verblijfplaats van Koning Mark van Cornwallis, 195; 198; 201: 202; 206; 209; 220; 224; 227; 229; 231; 234; 239; 270; 273; 274; 287; 290; 295; 299; 304; 306; 316; 317; 318; 323.

Torre, oudste broeder van Elaine, 418; 431; 444.

Trevizent, de kluizenaar, brengt Parcival tot inkeer, 490-492.

Tristan, 28; 29; poogt de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; _de Sage van Tristan en Isolde_, 180-323.

Troies, Chrétien de, Fransch hofdichter uit de 12e eeuw, schrijver van gedichten over de Arthur-sage, V; XIV; 28; 31; 33; 125-131; 181; 189; 190; 350-352; 353; 375; 404-406; 452; 458; 460.

Türheim, Ulrich von, voltooier van den "Tristan" van Gottfried von Straszburg, 188.

Türlin, Heinrich von dem, schrijver van "Diu Crône", 31.

U.

Ulfius, vriend van Koning Arthur, 5.

Uriens, koning van Wallis, vader van Iwein, 133; 148; 157.

Uther Pendragon, vader van Arthur, vat liefde op voor Igerna 2-5; neemt haar ten huwelijk, 6; sterft, 9; 19; 141.

V.

Vance, de Vrouwe van, geliefde van Koning Rience, 111.

Velthem, Lodewijk van, verzamelaar van een aantal Middel-Nederlandsche Arthur-Sagen, VII.

Viviane, de booze fee, lokt Merlijn in hare rotswoning, 501.

Vostaert, zie: Penning.

W.

Wace, schrijver van het Normandische gedicht: "Le Roman du Brut", XIII; 28; 96; 129.

Wagner, Richard, 180; 192.

Walewein, zie: _de Sage van W. en den Groenen Ridder_, 27-91; probeert de zwaardjonkvrouw te bevrijden, 102; verwijt Key zijn lasterpraat over Iwein, 151; blijdschap over de ontmoeting met Iwein, 152; haalt hem over naar het hof terug te keeren, 153; benarde toestand van W.'s zwager, 164, 166; strijdt voor de rechten van eene jonkvrouw, 171-173; herkent zijn tegenstander, 174; 181; 326; 330; wijst den koning op het gevaar van den schoonheidsprijs, 358; als minnaar der koningin, 407; W.'s ongunstige rol in "Le Morte Arthur", 410; gaat na het steekspel te Camelot zoeken naar den ridder met de roode mouw, 429; komt in het kasteel Astolat, 430; herkent het schild van Lanceloet, 432; brengt aan het hof verslag uit over zijn tocht, 433; onderscheidt zich op het steekspel van Allerheiligen, 438; als held van de Graal-sage, 454-455; brengt Parcival aan Arthur's hof, 487-488; besluit den dood zijner broeders op Lanceloet te wreken, 496; strijdt tegen Lanceloet, 500; valt in den strijd, 501.

Wauchien de Denain, 452; 455.

Weston, Jessie, schrijfster van "The Legend of Sir Gawain", 31; v. Engelsche prozavertaling van Gottfried von Straszburg's "Tristan", 192; van "The Legend of Sir Lancelot du Lac", 405-407; van "The Legend of Sir Perceval", 452; 453; 455; 460.

Willem de Veroveraar, Hertog van Normandië, 183; 458.

Winchester, de stad, 2; 275.

Windsor, de stad, 37.

Y.

Yder, wordt door Erec op het steekspel van den Sperwer verslagen, 371.

Z.

Zatzikhoven, Ulrich von, schrijver van het Middel-Hoogduitsche gedicht: "Lanzelet", 405.

Zimmer, Prof. Heinrich, schrijver van een artikel over de eigennamen in de Arthur-Sagen, 183; 352; 357; 375.

Zwaardjonkvrouw, de, 94; komt aan het hof, 101.

INHOUD.

Bladz. Algemeene Inleiding I Arthurs Komst 1 De Sage van Heer Walewein en den Groenen Ridder 27 De Sage van Balin en Balan 92 De Sage van den Leeuwenridder 124 De Sage van Tristan en Isolde 180 De Sage van Heer Gareth 324 De Sage van Erec en Enide 350 De Sage van Lanceloet en Elaine 404 De Sage van Parcival en den Heiligen Graal 450 Arthurs Dood 494 Bibliographie 513 Register 517

AANTEEKENINGEN

[1] "Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen", door H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.--Zutphen.--W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.

[2] Zie Inleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.

[3] Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.

[4] In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen der barbaren.

In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.

[5] Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest, Everyman's Library, London, Dent. De naam "Mabinogion" is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.

Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der Arthur-sage in de Keltische literatuur: "Keltische Mythen en Legenden", door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr B. C. Goudsmit.--Zutphen.--W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.

[6] De naam Camlan wordt ook genoemd in "Kulhwch and Olwen" en in "The Dream of Rhonabwy", twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.

[7] De Welsche "Triaden" danken hun naam aan de omstandigheid, dat de personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.

[8] Zie John Rhys: "Studies in the Arthurian Legend", Oxford, 1891.

[9] Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing van Arthur's heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij, volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.

[10] De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.

[11] In Geoffrey's werk wordt Arthur verheven tot den rang van wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat de weerspiegeling is van het Normandische hof van die dagen. Geoffrey komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12e eeuw.

In de "Historia" vinden wij eene beschrijving van Modred's verraad en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur's omgeving. Een eigenaardig Latijnsch gedicht: "Vita Merlini", geschreven omstreeks 1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in de "Historia" voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey's hand te zijn.

[12] Brut: regel 9994 e. v.

[13] Zie: Inleiding tot de Sage van Parcival.

[14] Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.

[15] Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn bundel opgenomen.

[16] Zie Inleidingen tot de sagen van den Leeuwenridder, Tristan en Isolde, Erec en Enide, Parcival.

[17] Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans, welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn "Chanson de Saisnes" aldus worden aangeduid:

"Ne sonts que trois matières à nul home attendant, De France et de Bretaingne et de Rome la grant."

[18] De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals: "the French book says." Eene meerdere bekendheid met de Fransche ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht, zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin de Morte d'Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII, de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie de Inleiding tot die Sage).

Het vijfde boek, waarin Arthur's veldtocht tegen de Romeinen vermeld wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche gedicht "Morte Arthure", geschreven door een onbekend gebleven dichter omstreeks het midden der 14e eeuw.

[19] Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: "De Oorsprong en Ontwikkeling der Arthursage."

[20] Gaston Paris in tome XXX der Histoire Littéraire de la France vermeldt het gedicht als behoorend tot de 16e eeuw.

[21] Ook het vasthouden van den held aan de bloedwraak, welke hem aanzet de Vrouwe van het Meer te dooden, is een overblijfsel uit vóór-Christelijke tijden.

[22] Zie Inleiding tot de Sage van Lanceloet en Elaine.

[23] Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.

[24] Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.

[25] Voor de verklaring van den naam "Mabinogion", zie Algemeene Inleiding.

[26] Deze ontdekking hebben wij te danken aan een Duitsch geleerde: Professor Heinrich Zimmer. Vgl. zijn artikel, getiteld: "Zur Namenforschung in den Altfranzösischen Arthurepen". (Zeitschrift für franz. Sprache und Litteratur, t. XIII, p. 57 ss.). Zijne studies over dit onderwerp werden voortgezet door Ferdinand Lot, in: Etudes sur la provenance du cycle Arthurien (Romania XXIV et XXV).

[27] Hieruit blijkt, dat reeds in den tijd der Triaden, die geacht worden zeer oude overleveringen te bevatten, de naam van Tristan verbonden was met dien van koning Arthur. Ook in "The Dream of Rhonabwy", een der oudste verhalen uit den "Mabinogion", dat ontstaan moet zijn vóór de Normandische invloed zich deed gelden, komt onze held voor als een der raadgevers van koning Arthur.

[28] Hij beroept zich op het verhaal van een zekeren Bréri, die kende:

"--les gestes et les cuntes de tuz les reis de tuz les cuntes qui orent esté en Bretaingne."

Deze Bréri is niemand anders dan Bledhericus, de beroemde sagenverteller uit Wallis, die door Giraldus Cambrensis in zijn werk: "Descriptio Cambriae" wordt genoemd. Zie voor nadere bizonderheden de noot voorkomend in de Inleiding tot de Sage van Parcival. Zie ook wat Gaston Paris en Ferdinand Lot over dezen Bréri schreven in Romania VIII p. 425 en Romania XXVIII p. 336.

[29] Deze fragmenten, acht in getal, vormen de overblijfselen van vijf afschriften van het werk van Thomas. Verscheidene dekken elkaar en alle hebben zij betrekking op de laatste levensjaren en den dood van den held. Zij bevatten ruim 3000 regels en worden verondersteld, een zesde uit te maken van het oorspronkelijk geheel.

[30] Twee andere Duitsche dichters hebben getracht het te voltooien, aan de hand van het Fransche origineel. Het zijn: Ulrich von Türheim en Heinrich von Freiburg, welke laatste er een aantal episoden aan toevoegde, die verband houden met het hof van koning Arthur.

[31] Hoofdstuk 63-67.

[32] Voor eene verdere vergelijking tusschen "Cligés" en "Tristan-romans" verwijs ik den lezer naar het artikel van Prof. A. G. van Hamel in "Romania" XXXIII (1904) p. 465 ss., hetwelk in het Hollandsch is verschenen in Taal en Letteren, Juni 1904.

[33] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.

[34] Bovendien bezitten wij nog aanwijzingen omtrent een verloren geraakt gedicht, waarvan alleen de naam van den schrijver: Le Kiévre is bewaard gebleven.

[35] Dit kan gedeeltelijk te wijten zijn aan den invloed der beroemde satire van Cervantes.

[36] "Le Roman de Tristan et Iseut", traduit et restauré par Joseph Bédier, Parijs 1901. Hier zij tevens melding gemaakt van de fraaie Nederlandsche vertaling door wijlen Dr. Marie Loke, lectrice a.d. Rijksuniversiteit te Groningen, waarvan eenigen tijd geleden een herdruk verscheen in de bekende serie der Wereldbibliotheek.

[37] Deze spotnaam werd den jongen prins geschonken door Heer Key, den boosaardigen tafelmeester van koning Arthur.

[38] Deze uitgave bestaat uit drie deelen en werd uitgegeven te Londen door David Nutt.

Het eerste deel, inhoudend den tekst der Morte d' Arthur, verscheen in 1889, het tweede deel, hetwelk eene inleiding bevat, in 1890 en het derde, eene studie over de bronnen, in 1891.

[39] Dit is de naam, welke Tennyson aan de belegerde schoone geeft en dien zij ook in de volgende bladzijden draagt. Malory noemt haar Liones, wat verwarring kan geven met den naam der landstreek Lyonesse, welke veelal verbonden wordt aan Tristan's naam.

[40] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.

[41] Dit zijn: "The Lady of the Fountain" en "Peredur, the Son of Evrawc", die in inhoud overeenkomen met Chrétien's "Yvain" en "Conte del Graal".

[42] Deze stelling wordt voor "Erec" nader uitgewerkt in de Bonner dissertatie getiteld: "Das Verhältnis von Christian von Troyes' Erec und Enide zu dem Mabinogio: Geraint ab Erbin" van Karl Othmer, Köln 1889. Volgens den schrijver van dit proefschrift blijkt de afhankelijkheid van het Mabinogion-verhaal vooral daaruit, dat daarin op twee plaatsen een duidelijk misverstaan van Chrétien's tekst valt waar te nemen.

[43] Eene nabootsing van het bovengenoemde thema wordt aangetroffen in den ridderroman "Floriant".

[44] Romania XX p. 148-166.

[45] Romania XXVIII p. 335.

[46] Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.

[47] Over de beteekenis van deze episode zie de studie van Emmanuel Philipot, getiteld: "Un Episode d'Erec et Enide, La Joie de la Cour-Mabon l'Enchanteur" in Romania XXV, bldz. 258-294.

[48] Het "Carnant" van Chrétien is volgens prof. Zimmer Caer: Nant = Nantes. J. Loth voert den naam terug tot Carnant, eene stad in Zuid-Wales en F. Lot noemt eene plaats: Ros Carnant in Cornwalls.

[49] Een spotnaam, die Lanceloet gegeven werd, omdat hij eens, na verlies van zijn paard, op eene kar verder was gereden.

[50] Zie hierover: Inleiding tot de Sage van Parcival.

[51] Dit is b.v. het geval in den buitengewoon vromen Franschen Graal-roman: "Perceval Le Gallois".

[52] Zie de Inleiding tot de Sage van Heer Walewein en den Groenen Ridder.

[53] Alfred Nutt noemt hem Gautier.

[54] Het werk is voorzien van een proloog, waarin wordt beweerd, dat Christus zelve als de schrijver moet worden beschouwd.

[55] De eerste twee deelen worden ook in andere handschriften, zonder bijvoeging van het derde deel, aangetroffen en bestaan in proza zoowel als in versmaat.

[56] Deze vertaling is verschenen in de bekende uitgave: Everyman's Library, London, Dent.

[57] Bleheris is de Fransche vorm voor het Latijnsche Bledhericus en het Welsche Bledri of Bréri. Waarschijnlijk wordt hier dan ook bedoeld de Bledhericus, die als "famosus ille fabulator" genoemd wordt door Giraldus Cambrensis in zijn "Descriptio Cambriae" chap. XVII en volgens de verklaring van Gaston Paris is hij dezelfde Bréri, aan wiens zangen Thomas verklaart zijn "Tristan" te hebben ontleend. (Zie Inleiding tot de Sage van Tristan en Isolde). Deze Bledhericus, die geboortig was uit Wales, moet volgens Gaston Paris geleefd hebben in het begin der 12e eeuw, Jessie Weston stelt den tijd van zijn leven nog vroeger.

[58] Zie: Société Historique et cercle Saint Simon, Bulletin no. 2, p. 99, Paris 1883 en: Romania XVIII, bld. 588.

[59] Zie: Studies in the Legend of the Holy Grail, A. Nutt, London 1888.

[60] De beroemdste onder hen was de reeds genoemde Bledhericus, die door Giraldus Cambrensis vermeld wordt in zijn werk: Descriptio Cambriae.

[61] Deze denkbeelden worden gesteund door Prof. Zimmer, die het bewijsmateriaal voor zijne stellingen tracht te vinden door eene nauwkeurige studie te maken van de eigennamen, welke in de Arthur-sagen voorkomen en waarvan er volgens hem vele van Bretonschen oorsprong zijn. (Zie Inleiding tot de Tristan-sage).

[62] Voor de overleveringen aangaande Arthur's dood, zie Algemeene Inleiding.