Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 42

Chapter 424,017 wordsPublic domain

Hertog Orgilus trok naar het hof van koning Arthur en legde daar eene eerlijke bekentenis af over het onrecht, dat hij zijne vrouw had aangedaan. Toen hij vervolgens vertelde hoe een ridder in roode wapenrusting hem tot de erkenning van dit onrecht had gedwongen, werd Arthur, wien nu reeds ten derden male getuigd werd van den moed en kracht van dien onbekenden held, zóó verlangend om te weten, wie die onbekende was, dat hij besloot, den rooden ridder op te zoeken en hem te vragen, een der zijnen te worden. Hij begaf zich met een talrijk gevolg op weg in de richting, vanwaar Heer Orgilus gekomen was en liet zijne tenten opslaan in de nabijheid van de plek, waar deze met den rooden ridder gestreden had. Toevallig kwam onze held na eenige dagen zwervens opnieuw bij de plaats des gevechts en zoodoende in de buurt van 's konings legerplaats.

In den nacht was er sneeuw gevallen. Een valk, die toebehoorde aan een der ridders uit Arthur's gevolg, was ontsnapt en had jacht gemaakt op eene vlucht wilde ganzen, waarvan hij er één had weten te vangen. Terwijl hij bezig was zijne prooi te verslinden, hoorde hij Parcival's paard langs het boschpad naderbij komen. Met een luid klapwieken vloog de valk weg, eenige losse veeren en een paar bloeddruppels als sporen van zijn wreed bedrijf achterlatend.

Parcival zag de helderroode druppels afsteken tegen de blanke sneeuw en ziet--voor zijn geestesoog verrees het beeld van het gelaat zijner jonge vrouw, blank als de sneeuw aan zijne voeten en rozig getint door den warmen blos der jeugd. Hoe weinig had hij aan haar gedacht den laatsten tijd en toch, hoe dierbaar was zij hem!

Hij verzonk in zoet gepeins over zijne geliefde en bemerkte niet, hoe een ridder te paard hem naderde. Een schildknaap, die uitgezonden was om den ontsnapten valk te vangen, had in Arthur's kamp de mare verspreid van de nadering des rooden ridders en terstond had een der ridders zich gereed gemaakt om den vreemdeling te bestrijden en de eer der Tafel Ronde tegenover hem te verdedigen.

Als in een droom stelde Parcival zich teweer, toen hij aangevallen werd, maar nochtans slaagde hij erin zijn aanvaller uit het zadel te lichten.

Het gebeurde herhaalde zich, toen Heer Key, vergramd over den nederlaag van zijn vriend, waarvan hij op eenigen afstand getuige was geweest, den rooden ridder aanviel. Ook hij werd van zijn paard geworpen en brak daarbij een arm en een been. Maar zelfs deze tweede overwinning was niet in staat om onzen held uit zijn gemijmer wakker te schudden. Peinzend staarde hij voor zich uit en doorleefde in zijne gedachten nog eens den korten tijd van echtelijk geluk, welken hij aan de zijde van Condwiramur had doorgebracht en waaraan hij zelve op ruwe wijze een einde had gemaakt. De ridders van koning Arthur sloegen hem op eenigen afstand met verbazing gade, tot eindelijk Heer Walewein op hem toereed en hem met zachten drang tot de werkelijkheid wist terug te roepen. Op zijn aandringen volgde Parcival hem naar de legerplaats des konings, die hem hartelijk welkom heette en hem deed aanzitten aan zijn disch.

Nauwelijks waren zij gezeten, of het doek voor 's konings tent werd op ruwe wijze uiteengescheurd en in de opening verscheen eene afschuwelijke gestalte: eene oude vrouw, met boosaardig grijnzend gelaat en fladderende, grijze haren. Bij haar binnentreden rezen alle ridders van hunne zetels overeind. "Kundri, de Graalbode," fluisterden zij met huiverend ontzag, "wat zou zij te melden hebben?"

De oude vrouw liet hare blikken glijden langs de rij der aanwezigen. Toen zij Parcival ontdekte, sloeg zij beide armen omhoog en riep met krijschende stem:

"Weg met hem! den harteloozen verrader, die zijne Goddelijke roeping verloochend heeft en den glans des heiligen Graals heeft doen verflauwen! Wat zit hij hier temidden van dappere mannen, wier gezelschap hij tot schande is! Voort met hem in de eeuwige duisternis, nu hij het licht der Goddelijke openbaring vrijwillig den rug heeft toegekeerd!"

Na deze woorden uitgestooten te hebben, verdween de grijze Kundri weer even plotseling als zij gekomen was. Parcival had onder het aanhooren harer verwenschingen het hoofd gebogen; toen hij het weer ophief, was hij alleen in de tent met Walewein, die hem droevig aanzag.

Toen onze held bespeurde, dat allen waren weggevlucht uit zijne tegenwoordigheid, als ware hij de drager eener besmettelijke ziekte, werd zijn hart met bitterheid vervuld en hij riep uit: "Mijn gansche leven heb ik getracht, God te zoeken ten einde Hem mijne diensten aan te bieden. Wat is mijn loon hiervoor? Gehoond en vervolgd word ik als een uitgestootene, alleen omdat ik den raad van mijn leermeester poogde op te volgen. Heb ik daarom mijne moeder verlaten en haar, die mij het liefste is op aarde? Thans heb ik genoeg geleden! Wanneer er een God was, zou Hij mij voor dezen onverdienden smaad bewaard hebben! Ik wil Hem niet langer dienen! God is de oorzaak van al mijn lijden! Wanneer Hij mij niet de onrust in het hart had gelegd, woonde ik nu gelukkig en tevreden met mijne geliefde, zooals alle andere menschen. Ieder spreekt van God, als kenden zij Hem, maar ik, die Hem overal zoek, ken Hem niet. Waarom verbergt Hij zich voor mij, die bij alles wat ik doe, Zijnen wil indachtig ben? Maar genoeg! Van nu af aan zal ik zonder God mijn weg zoeken en Hem ten spijt zal ik den Graal vinden, al zou het mij het leven kosten! Wat geef ik om Gods vloek? Indien Hij mij vervloekt, zoo vervloek ik Hem!" Haastig wilde hij de tent verlaten, maar Walewein hield hem terug en sprak:

"Vriend, waar wilt gij heen? Weet gij dan niet, dat niemand den Graal vinden kan, zonder Gods hulp en steun? Wat wilt gij alleen uitrichten?"

Parcival echter rukte zich los en riep uit: "Laat mij gaan!" daarop sprong hij te paard en reed het donkere bosch in, dat niet donkerder was dan zijne ziel.

Toen zwierf Parcival vier lange jaren door het land, in zijn stalen harnas, de lange speer in de hand. Het was hem onverschillig, waarheen het lot hem voerde; hij zag zelden om zich heen, maar staarde steeds voor zich uit met donkeren, speurenden blik. De koude des winters, de verzengende zomerhitte--hij voelde ze nauwelijks; de schoonheid der jaargetijden gleed aan hem voorbij zonder zijne ziel te beroeren. Zijn hart was met tweestrijd vervuld, nu eens drong het hem terug te keeren naar Condwiramur om in hare liefde troost te vinden voor zijne gewonde ziel, dan weer joeg het hem voort in de onbekende toekomst, waar het beeld van den Graal hem lokte met stralenden schijn. Somber en in zich zelf gekeerd vervolgde hij zijn tocht; alleen wanneer hij kans zag zich in den strijd te onderscheiden, verdween de bittere trek om zijn mond en scheen hij voor eene wijle op te leven uit zijne moedeloosheid.

In alle gevechten bleef hij overwinnaar; roem en eer gewerden hem, maar zijn hart bleef koud en bitter en den Graal vond hij niet.

Nooit ging hij meer ter kerke en wanneer men hem over God sprak, lachte hij luid en hoonend, zoodat de menschen hem verschrikt aanzagen en haastig een kruis sloegen.

Voor de vijfde maal sedert Parcival de legerplaats des konings verlaten had, was de lente in het land gekomen. Een teer groen waas lag over de takken van het woud en tusschen de struiken ritselde en schuifelde het van jong, nieuw leven.

Parcival had het vizier van zijn helm omhooggeslagen en voelde den zoelen lentewind over zijne wangen streelen. Onwillekeurig zag hij omhoog naar de blauwe lucht, waarlangs de witte wolken dreven; hij hoorde het kweelen der vogels en zag, hoe de knoppen zwollen aan de boomen. Van heel ver drong het kleppen van een kerkklok tot hem door. Langs een zijpad naderde een klein gezelschap in grijze boetekleederen. Het waren de heer van een naburig kasteel met zijne vrouw en hunne beide dochters, die zich naar de mis begaven, want het was Goede Vrijdag, de dag, waarop men het lijden en sterven van den Heer herdenkt.

Toen de kerkgangers een ruiter in volle wapenrusting bespeurden, stonden zij stil en de hertog riep uit: "Wie zijt gij, Heer, dat gij op een dag als dezen met wapenen in de hand, als voor den strijd gereed, door het land trekt? Weet gij dan niet, dat het heden de Goede Vrijdag is, die voor alle Christenen een dag van heilige herdenking zijn moet, omdat Christus op dien dag voor hen gestorven is?"

Maar Parcival antwoordde norsch:

"Laat mij met rust! Wat maal ik om den Goeden Vrijdag? God heeft mij uit Zijnen dienst verstooten; sindsdien erken ik Hem niet langer als mijn Heer."

De grijze hertog sloeg ontzet de handen ineen over deze lastertaal en zeide:

"Uwe woorden doen mij pijn! Gij moet inderdaad zwaar geleden hebben, om zóó diep gezonken te zijn. Gij hebt raad en bijstand noodig, maar van een beter en wijzer man dan ik. Niet ver van hier woont een vrome kluizenaar, Trevizent, die u de geestelijke voorlichting zal geven, welke gij behoeft. Ga tot hem en hij zal u helpen, om in Gods veilige hoede terug te keeren. Daar en daar alleen zult gij troost vinden voor uw lijden!"

Parcival haalde de schouders op, maar de woorden van den grijsaard en de overtuiging, waarmede hij gesproken had, hadden toch indruk gemaakt en na een vriendelijk woord van dank wendde hij zijn paard in de richting der kluizenaarswoning.

Terwijl hij zoo voortreed door het bloeiende woud en overal om zich heen het ontwaken der natuur gadesloeg, drong voor het eerst sinds langen tijd iets van de reine klaarheid van dien lentemorgen door tot zijne ziel. Aarzelend begon hij zich af te vragen, of hij God misschien onrecht had aangedaan, door Hem te zoeken zooals een jager het wild opspoort en door te veronderstellen, dat Zijn toorn persoonlijk en haatdragend kon zijn als die van een mensch.

Toen hij bij de hut des kluizenaars gekomen was, steeg hij van zijn paard, legde schild en speer terzijde en boog zich voor den vromen grijsaard op de knieën. Met een nieuwen, ongekenden deemoed in het hart sprak hij: "Vader, help mij om vrede te vinden!" Daarop vertelde hij hem zijne gansche levensgeschiedenis.

Zwijgend luisterde de grijsaard naar het verhaal van Parcival's lijden en strijden. Toen hij uitgesproken had, legde Trevizent hem de hand op het hoofd en zeide:

"Mijn zoon, ik ken uw strijd uit eigen ervaring. Ook ik was eens jong en wilde het leven en ook God met geweld veroveren. Het leed heeft mij gelouterd. Ik heb geleerd te berusten en mij aan Gods wil te onderwerpen. Mijn broeder Amfortas was als ik en stelde lust en begeerte hooger dan de ware christelijke gezindheid. God heeft ons beiden gestraft. Mijn broeder ligt weg te teren aan eene doodelijke krankheid en ik, die mij in de eenzaamheid heb teruggetrokken, om te trachten door vasten en zelfkastijding ons met God te verzoenen, ben niet in staat om hem genezing te brengen. Eens scheen het of die genezing zou komen, maar hij, die ze brengen moest, was hard en liefdeloos en kon mijn broeder niet helpen! Hoe vaak heb ik den ongelukkige beklaagd."

"Heer," sprak Parcival nederig, "die ongelukkige ben ik! Ik heb den Graal verloren door eigen schuld. Nu zoek ik hem reeds verscheidene jaren, maar ik kan den weg naar den Graalburcht niet terug vinden. Toch zal ik nooit ophouden hem te zoeken!"

Toen zag Trevizent hem droevig aan en sprak:

"Weet gij dan niet, dat slechts hij in staat is om den Graal te vinden, dien God daartoe heeft uitverkoren? Zonder Zijne hulp zal het u nooit gelukken den wonderburcht te vinden. Daarom raad ik u aan om eenigen tijd bij mij te blijven en door vasten en gebeden te trachten, u met God te verzoenen!"

Parcival vertoefde twee dagen in de woning van den vromen vader en toen hij op den Paaschmorgen zijn gastheer vaarwel zegde, was hij een ander mensch geworden.

De wijze levenslessen van den kluizenaar en de vredige stilte van het woud hadden de stormen in zijn hart doen bedaren. Hij was teruggekeerd tot het geloof zijner kinderjaren, maar de blijde overmoed, waarmede hij eens was uitgereden om God te zoeken had plaats gemaakt voor een kalmen, diepen ernst. Niet langer zocht hij God te veroveren als een kostbaren buit, dien men zegevierend met zich draagt--thans wist hij, dat men Hem zoeken moet met stillen eerbied in 't hart en met volkomen vertrouwen in Zijne wijsheid en goedheid.

Toen hij Trevizent gedankt had voor al wat deze voor hem gedaan had, nam hij afscheid van hem met de woorden: "Ik trek thans weer de wereld in, bereid om het werk te verrichten, waartoe God mij roepen zal. Al heb ik het bezit van den Graal verspeeld, toch wil ik trachten om diens heerschappij over de wereld te bevorderen, door het recht te dienen, waar ik kan en de zwakken en onderdrukten te helpen.

In die stemming van blijde hulpvaardigheid reed Parcival heen, niet langer met gebogen hoofd en gefronst voorhoofd, maar met een dankbaar hart en een open oog voor al het schoone om zich heen.

Hij Liet zijn paard den vrijen teugel en het trouwe dier droeg hem door de bloeiende wouden, waar de bloemen geurden en de vogels in de twijgen zongen.

_Hoe Parcival den Graal gewon._ Plotseling herinnerde hij zich, dat hij dit pad, dat beekje, die hooge struiken reeds eerder gezien had. Eene vage onrust maakte zich van hem meester. Hij drukte de sporen in de flanken van zijn ros, dat voortjoeg in dolle vaart. En ziet--eene juichkreet drong uit zijne keel--daarginds--recht voor hem uit--daar rezen in den stralenden zonneschijn de torens van den Graalburcht omhoog, glinsterend en flikkerend in het gouden licht.

Parcival staarde en staarde; hij kon bijna niet gelooven, dat het werkelijkheid was, wat hij zag, maar hoor! daar klonk bazuingeschal en een koor van blijde stemmen vervulde de lucht.

Dreunend viel de zware slotbrug neer en eene jubelende schare stroomde hem tegemoet. Als in een droom liet onze held zich meevoeren naar binnen, waar hij neerknielde voor den stervenden Amfortas, die hem zegenend de handen boven het hoofd hield.

Daarna plaatsten de Graalridders hem op een troon en na een oogenblik van stilte werden de breede deuren der zaal geopend en een verblindende lichtschijn drong naar binnen. Plechtige muziek ruischte door de gewelven en allen--ook Parcival--bogen het hoofd in diepen eerbied voor wat komen ging.

Toen Parcival de oogen weer opsloeg, zag hij den Graal vóór zich, stralend in ongekenden luister; langs den rand stond in vlammende letters zijn naam geschreven.

Eene hooge, gesluierde vrouwengestalte droeg den kostbaren schotel en plaatste hem vóór Parcival's troon. Daarna sloeg zij den sluier van haar gelaat weg en zag hem aan. Toen was het den held, of de poorten des hemels zich eerst recht voor hem openden, want zij, die hem aanzag, was zijne geliefde: Condwiramur!

"Wilt gij thans opnieuw van mij vluchten?" vroeg zij en stak hem hare beide handen toe, en als eenig antwoord sloot Parcival haar jubelend in zijne armen.

Zoo leefden Parcival en Condwiramur lange, lange jaren gelukkig op het slot Montsalvasch in dienst van den Heiligen Graal, het recht verdedigend, waar zij maar konden, en datgene bestrijdend, wat boos en slecht was.

Eeuwen zijn verstreken, sedert Parcival na lijden en strijden den Graal veroverde. De burcht Montsalvasch is in puin vervallen en de Graal zelve is door engelen heengevoerd, zoo meldt de overlevering. Wie zal zeggen waarheen?

Toch houden sommigen vol, dat de Graal nog bestaat en dat wie hem zoekt met inspanning van alle krachten hem vinden zal.

Nog heden ten dage trekt menigeen uit om den Graal te zoeken. Hij, die dit doet, tracht het goede te dienen en het kwade te bestrijden onder welken vorm hij het ook ontmoet.

Wie onzer zal dan met stelligheid durven beweren, dat de hooge prijs, dien hij zoekt, hem onthouden zal worden?

ARTHUR'S DOOD. [62]

_Hoe heer Agravaine en heer Modred het geheim van de schuld der koningin aan den koning verrieden._ Langzaam maar zeker was het geheim van de liefde tusschen Koningin Ginevra en Heer Lanceloet in de hofkringen bekend geworden. Hunne heimelijke bijeenkomsten, de voorkeur voor Lanceloet's gezelschap, welken de koningin op rijtoeren en hoffeesten aan den dag legde, de teedere blikken, waarmede hij haar bij die gelegenheden placht aan te staren,--dit alles kon niet onopgemerkt blijven. Nog waren er enkele ridders, die, ondanks den kwaden schijn, volhielden, dat de koningin even rein en onschuldig was als de heilige, wier naam zij droeg, maar hun getal werd steeds kleiner. De meerderheid der hovelingen was overtuigd van haren schuld en steeds sterker werd de stem van hen, die het noodig vonden om ook den koning in te lichten over wat er aan zijn hof geschiedde.

Eindelijk was het zoover gekomen!

Een aantal ridders, met Heer Agravaine en Heer Modred aan het hoofd, verzochten hun vorst om een onderhoud, waarin zij hem in korte woorden vertelden, welk eene zondige verhouding er bestond tusschen de koningin en Heer Lanceloet.

Niemand, die van het onderhoud getuige was geweest, zou ooit de uitdrukking van vertwijfeling vergeten, waarmede de koning zijne ridders aanzag, toen de beteekenis van het gehoorde tot hem doordrong. Het was niet slechts de smart van den bedrogen echtgenoot, die op zijn gelaat te lezen stond, het was de wanhoop van den man, die, in zijne heiligste gevoelens gekwetst, voelt, dat hij de kracht mist om verder te leven, nu datgene, wat voor hem de grootste waarde bezat, hem op zulk eene ruwe wijze ontnomen werd.

Modred en Agravaine en al de andere ridders, die jaren lang met zekeren wellust naar dit oogenblik hadden uitgezien, bogen het hoofd en gingen zwijgend heen, het hart vol mededoogen voor het lijden van hun vorst.

Zoo bleef Arthur alleen met de folterende gedachte aan al het vreeselijke, dat hij zoo juist vernomen had. Toen kwam er een oogenblik, waarop zijne ziel weigerde te gelooven aan de waarheid der afschuwelijke beschuldiging, welke men tegen Ginevra had uitgesproken. Hij verlangde bewijzen, bewijzen! zoo bezwoer hij den teruggeroepen ridders, die zwijgend de schouders ophaalden en beloofden ze hem te zullen verschaffen. Daartoe moest de koning, hoewel vol inwendigen afschuw over wat hij deed, zich naar hunne plannen schikken en mede helpen om eene samenzwering tegen de beide beschuldigden op touw te zetten. Hij gaf Ginevra te kennen, dat hij voor eenige dagen op de jacht dacht te gaan, maar reeds den eersten nacht keerde hij heimelijk naar het paleis terug. Terwijl hij zich daar in een afgelegen vertrek schuil hield, ten prooi aan de folterendste zielesmart, begaven twaalf ridders, onder aanvoering van Modred, zich in alle stilte naar de vertrekken der koningin en ziet, hunne vreeselijke voorspelling werd bewaarheid, Lanceloet bevond zich bij haar. Koning Arthur werd gewaarschuwd en kwam. Eene worsteling ontstond; wel gelukte het Lanceloet te ontsnappen, maar Ginevra bleef achter in de handen van den koning en zijne ridders. Arthur liet zich geheel medesleepen door zijne gevoelens van haat en verbittering; hij zwoer bij al wat hem heilig was, dat hij de schuldigen zou straffen, dat hij Lanceloet zou opsporen en dooden en Ginevra, de trouwelooze, den onteerenden dood op den brandstapel zou doen sterven.

Van toen af aan nam het drama der wraakneming zijn vasten loop. De maatregelen voor de voltrekking van het vonnis der koningin werden genomen, alles was gereed en men stond op het punt haar in de vlammen te werpen, toen plotseling Lanceloet, gevolgd door een aantal volgelingen, ten tooneele verscheen, zijne geliefde bevrijdde uit de handen harer belagers en haar op zijn paard met zich wegvoerde. In het algemeene gevecht, dat hieraan voorafging, lieten vele dappere mannen het leven, onder hen ook Agravaine en Gaheris, twee der zonen van koning Lot. Vreeselijk was de smart van Heer Walewein over den dood zijner broeders en, bij hunne bloedige lijken neergeknield, zwoer hij een duren eed, dat hij zich wreken zou op Lanceloet voor het leed, dat door diens toedoen veroorzaakt was.

Naar alle zijden werden boden uitgezonden om te verspieden, waar de vluchtelingen zich ophielden, en weldra bleek het, dat Lanceloet zich met zijne geliefde had teruggetrokken in een zijner sterke burchten aan de grenzen van het rijk. Terstond maakte de koning zich op om met een machtig leger het beleg om dien burcht te slaan, in de hoop dat Lanceloet hem, bij een mogelijken uitval der belegerden, in handen zou vallen. Lanceloet scheen echter een treffen met zijn vorst zooveel mogelijk te willen vermijden. Het beleg zou dan ook misschien maanden geduurd hebben, indien er niet op zekeren dag in Arthur's kamp renboden waren aangekomen, die den vorst een schrijven overhandigden van Zijne Heiligheid den paus, waarin deze hem gebood, zich met zijne gemalin te verzoenen. Stond er niet geschreven: "Wat God vereend heeft, mag de mensch niet scheiden?"

Daarop deed Arthur de koningin weten, dat zij zonder gevaar voor haar leven aan het hof kon wederkeeren. Ginevra nam dit aanbod aan, waarop de koning het beleg om den burcht opbrak. Niemand echter uit zijne omgeving, die niet wist, dat met deze schijnbare verzoening de zaak nog niet beslist was.

Toen de koning in zijne hoofdstad teruggekeerd was, bracht hij alles voor eene langdurige afwezigheid in gereedheid. Hij stelde orde op zijne zaken, hoorde zijne raadslieden over de maatregelen, welke zij voor het welzijn van zijn land moesten treffen en wees Modred aan als regent. Daarna trok hij met zijn leger over zee naar Benwick, het land van Heer Lanceloet, waarheen deze in zijne wanhoop over het verlies zijner geliefde de wijk had genomen.

Door de groote overmacht zijner vijanden gedwongen, trok Lanceloet zich terug in een zijner kasteelen en trachtte dit met alle middelen, die hem ten dienste stonden, tegen een mogelijk beleg te versterken. Wat hij verwacht had, geschiedde. Weldra naderden Arthur's legerscharen den machtigen burcht, welken zij zóó nauw omsingelden, dat er van eenige gemeenschap tusschen de belegerden en de buitenwereld geen sprake kon zijn.

Heer Walewein was in het leger van zijn vorst mede naar Benwick getrokken. De smart over het sterven zijner broeders was overgegaan in eene toomelooze woede tegen den bewerker daarvan en hij zag reikhalzend uit naar eene gelegenheid om zich op Lanceloet te wreken. Toen het beleg geene vorderingen maakte, werd Walewein dan ook zoodanig door zijn ongeduld overmeesterd, dat hij den koning verlof vroeg om zich met een ridder uit de belegerde vesting in een tweegevecht te meten. Zoo werd er eene uitdaging naar den burcht gezonden, welke, naar Walewein heimelijk hoopte, ten gevolge zou hebben, dat Lanceloet zelve zich voor een tweekamp beschikbaar zou stellen.

Inderdaad toonde de laatste zich ook geneigd om persoonlijk op de uitdaging van Heer Walewein in te gaan. De dood in een eerlijken strijd van man tegen man scheen hem een welkom middel om te ontsnappen aan de folteringen van zijn berouw en de pijnigende onzekerheid over het toekomstig lot der koningin.

Toen hij echter zijne makkers deelgenoot maakte van zijne plannen, rustten deze niet, alvorens zij hem tot andere gedachten hadden gebracht. Hij was het zijnen volgelingen verplicht, zoo meenden zij, om niet dan in den uitersten nood het kasteel te verlaten. Indien hij viel, wat zou dan het lot zijn van hen, die tegen de bevelen des konings in, zijne partij hadden gekozen?

Het slot van de besprekingen was, dat Heer Bors, de trouwe vriend van Lanceloet, Walewein's uitdaging aannam, maar helaas!--nog dienzelfden avond droeg men zijn lijk binnen het kasteel. Hetzelfde lot trof zijn jongeren broeder, Lionel, die zich vol geestdrift had aangeboden om den dood van Bors te wreken.

Toen was Lanceloet's besluit genomen en reeds den volgenden morgen zond hij een bode naar het vijandelijke kamp, om Walewein tot een beslissend gevecht uit te dagen.

Tot twee maal toe streden de beide ridders, die eens zulke trouwe vrienden waren geweest, met elkander, en in beide gevechten bleef Lanceloet overwinnaar. Het ware hem gemakkelijk gevallen om zijn tegenstander te dooden, maar op het beslissende oogenblik deinsde hij telkens voor die daad terug.