Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 41
Hij richtte zich overeind en zag tot zijne verbazing eene witte gestalte vóór zijn bed neergeknield liggen. Het was Condwiramur, die met het hoofd in de handen lag te snikken, alsof haar hart zou breken. Toen Parcival haar op ontstelden toon vroeg, wat haar deerde, hief zij haar door tranen overstroomd gelaat tot hem omhoog en klaagde hem haar grooten nood. Nadat Parcival zich ter ruste had begeven, zoo zeide zij, had zij opnieuw eene bespreking gehouden met hare raadslieden. Deze hadden haar ten slotte in overweging gegeven, om het aanzoek van koning Clamides aan te nemen, daar dit de eenige uitweg was om haar volk en hare stad voor een wissen ondergang te behoeden. Zij kon er evenwel niet toe besluiten om de vrouw te worden van een man, dien zij haatte en minachtte om de wijze, waarop hij zich in hare gunsten trachtte te dringen. Liever zocht zij den dood.
Dit droevig verhaal maakte diepen indruk op Parcival's jeugdig gemoed. Zijne gevoelens van recht en ridderlijkheid, maar nog meer de nieuwe, teedere gevoelens, welke dien dag in zijne ziel tot ontluiking waren gekomen, kwamen in heftigen opstand tegen het onrecht, zijne geliefde aangedaan. Hij bezwoer Condwiramur bij alles wat haar heilig was om zich de gedachte aan een huwelijk met dien onverlaat uit het hoofd te zetten; hij, Parcival, zou haar helpen! Hierdoor eenigermate gerustgesteld deelde de jonkvrouw hem mede, dat haar meest gevreesde vijand niet was koning Clamides, maar diens maarschalk en afgezant, Kingrun. Wanneer de vorst, zooals nu en dan geschied was, neiging vertoonde om zijne booze plannen op te geven, was het Kingrun, die telkens weer zijne kwade lusten en hartstochten wist op te wekken. Menig ridder uit de hofhouding van Condwiramur had hij reeds in een tweegevecht gedood en morgen zou hij opnieuw komen om de rechten van zijn heer te bepleiten! Toen Parcival dit hoorde, was zijn besluit genomen: hij zou met den valschen maarschalk strijden en met Gods hulp zou het hem gelukken, den booswicht een verder optreden onmogelijk te maken.
Condwiramur ging getroost heen en Parcival legde zich opnieuw ter ruste, maar het duurde geruimen tijd, alvorens hij den slaap weer kon vatten.
Den volgenden morgen in alle vroegte kwamen de dienaren der hertogin hem roepen en hem wapenen voor den komenden strijd. Kort daarop verkondigde een luid bazuingeschal van den slottoren, dat Kingrun voor de poorten der stad verschenen was. Op groven toon daagde hij één van de volgelingen der hertogin tot een tweegevecht met het zwaard uit.
De brug werd neergelaten en Parcival reed naar buiten, gekleed in zijne roode wapenrusting en met zijn glinsterend zwaard--een geschenk van Heer Gurnemanz--in de hand. Recht en fier troonde hij op zijn ongeduldig trappelend strijdros, een toonbeeld van jeugd en schoonheid. Welk eene tegenstelling met het uiterlijk van zijn tegenstander! Kingrun was krom en gebocheld, maar zijne spieren waren als van ijzer en staal en zijne kracht maakte hem gevreesd door het gansche land.
Parcival wist niets omtrent de sterkte van zijn vijand; hij wist alleen, dat nu het oogenblik gekomen was om de wijze lessen van zijn ouden leermeester in praktijk te brengen en te toonen, wat hij kon. Bovenal echter had hij het besef, dat hij streed voor de eer en het behoud van de vrouw, die hij liefhad, en dit besef schonk hem een onweerstaanbaren moed en kracht.
Zoo kwam het dan ook, dat onze held na een strijd, welke zijne weerga niet vond in hevigheid, erin slaagde zijn vijand zoodanig af te matten, dat het hem ten slotte gelukte Kingrun van zijn paard te werpen. De verleiding hem te dooden was sterk, maar hij bedacht zich en droeg in plaats daarvan den overwonnene op om naar het hof van koning Arthur te gaan en aldaar melding te maken van het feit, dat de roode ridder hem in het gevecht overwonnen had.
Toen de ongelukkige maarschalk zich verwijderd had, openden zich de wijde poorten van het kasteel en de dienaren en knechten van Condwiramur stroomden naar buiten om den held van den dag in feestelijken optocht naar hunne meesteres te geleiden.
De jonge hertogin wachtte haren bevrijder op boven aan de breede trappen, welke naar den hoofdingang van het kasteel voerden. Wederom stonden hare schoone oogen vol tranen, maar ditmaal waren het tranen van vreugde en dankbaarheid. Toen Parcival voor haar op de knieën viel en den zoom van haar kleed kuste, richtte zij hem op, sloot hem in de armen en verklaarde ten aanzien van de verzamelde menigte, dat zij geen anderen man tot haren echtgenoot begeerde dan hem.
Juichend en jubelend omstuwde het volk het jeugdige paar, dat elkander bevend van geluk omarmd hield en nog dienzelfden dag werd de bruiloft gevierd.
Niets ontbrak aan het geluk der jonge echtgenooten. Weliswaar trok koning Clamides met zijn leger op naar de stad om de nederlaag van Kingrun te wreken, maar de bezetting van Bel Repair werd door Parcival's leiding en het geluk hunner geliefde meesteres met nieuwen moed bezield en wist de aanvallen der belegeraars met goed geluk af te slaan. Toen het ten slotte tot een tweestrijd kwam tusschen de beide aanvoerders en Parcival daarin overwinnaar bleef, kende het geluk en de blijdschap der inwoners van Bel Repair geen grenzen. Ook koning Clamides werd naar het hof van koning Arthur gezonden om van de zegepraal des rooden ridders te getuigen en in den burcht vierde men de overwinning met blijde feestgelagen. Zoo troonde het jonge paar in de volheid van hun geluk op Bel Repair en het verwoeste land daaromheen kwam allengs tot nieuwen bloei.
Een tijd lang vond Parcival vrede en voldoening in het samenzijn met zijne geliefde gemalin en in de zorgen voor het bestuur van haar land, maar ten slotte sloop de onrust weer binnen in zijne ziel en maakte het oude verlangen om God te zoeken, zich opnieuw van hem meester.
Het rustige leven aan de zijde zijner echtgenoote, die hij toch zoo liefhad, bevredigde hem niet langer. Nog had hij God niet gevonden, mocht hij dan zijne verdere dagen in ledigheid doorbrengen, en doof blijven voor die innerlijke stem, welke hem aanspoorde om niet te versagen?
Hij deelde Condwiramur zijn voornemen om te vertrekken mede en hoewel haar hart verscheurd werd bij de gedachte aan eene scheiding, zweeg zij nochtans stil en eerbiedigde zijn verlangen.
Zoo reed onze held opnieuw de wijde wereld in, maar ditmaal was hij droevig gestemd, want zijn hart bleef bij Condwiramur.
_Parcival komt aan den graalburcht: Montsalvasch._ Parcival zwierf door de velden en wouden, tot hij aan eene bergachtige streek kwam, vol diepe ravijnen en donkere spelonken. Een ieder, dien hij tegenkwam, vroeg hij, waar God woonde, maar niemand kon het hem zeggen, hoewel zij allen voorgaven, Hem te dienen. Soms werd onze held ongeduldig over zijn langen wachttijd; dan twijfelde hij er wel eens aan, of hij God ooit zou vinden en vergat, dat men God niet kan dwingen, maar dat zij, die Hem zoeken, Zijne schreden moeten volgen in deemoed en naastenliefde, tot dat God Zelve hen tot zich roept.
Na een langen, vermoeienden zwerftocht kwam Parcival eens op een avond bij een klein meer, omgeven door hooge berghellingen. Op het meer lagen eenige visschersbooten voor anker en in eene van deze leunde een oude man over de verschansing. Het was een grijsaard, wiens kostbare kleederen hem eenigszins misplaatst deden schijnen in de ruwe visschersschuit. Meer nog dan door de pracht zijner kleeding werd Parcival getroffen door de treurige uitdrukking van zijn gelaat en met verbazing vroeg hij zich af, waarom de grijsaard met zulk eene sombere uitdrukking in het water staarde.
Daar de avond kil en vochtig was, vroeg hij den grijsaard op bescheiden toon om hem een onderkomen voor den nacht aan te wijzen en ziet, toen de oude man hem aanzag, scheen het Parcival toe, of er een glans van blijde verwachting in zijne doffe oogen kwam. Hij gaf den jongeling op zijne vraag te kennen, dat de streek, waarin hij zich bevond, zeer eenzaam en bijkans onbewoond was, maar dat zijn eigen slot zich niet ver van daar bevond en geheel tot Parcival's beschikking stond. Hierop wees hij den jongeling den weg daarheen en na eenig zoeken zag onze held inderdaad de torens en tinnen van een burcht tusschen de boomen van het woud doorschemeren. Het was eene woeste, eenzame plek, te midden van dichte bosschen; de burcht was op eene hooge rots gelegen, en ving de laatste stralen der ondergaande zon in zijne vensters. Een diepe afgrond gaapte vóór het slot, maar bij Parcival's nadering viel er eene zware ophaalbrug dreunend over de kloof en maakte den toegang tot het kasteel mogelijk.
Een aantal ridders en knapen kwamen den gast tegemoet treden en begroetten hem eerbiedig, maar allen zagen er somber en ernstig uit en over het gansche slot scheen eene stemming van rouw te hangen.
Nadat zij Parcival van zijn harnas en wapenen hadden ontdaan en hem een stel fraaie kleederen hadden doen brengen, voerden zij hem voor den maaltijd in eene groote, ruime zaal. Hier brandden een ontelbaar aantal kaarsen, die, in zware lichtkronen gevat, naar alle kanten een warm gouden schijnsel verspreiden. Langs de muren stonden een aantal rustbedden; vóór elk bed lag eene zware vacht. In drie marmeren haarden vlamden open vuren en vóór het middelste vuur lag op eene lage rustbank de zieke burchtheer, in kostbaar pelswerk gehuld. Parcival werd uitgenoodigd, aan zijne zijde plaats te nemen, waarop de zaal zich langzamerhand vulde met eene schare van ridders, die zich op de rustbedden langs den muur nederzetten. Toen allen gezeten waren, vloog de deur der zaal open en een knaap trad binnen. In zijne uitgestrekte hand droeg hij eene lange speer met eene bloedige punt, waarvan de roode droppels omlaag vielen op de mouw van den drager. Op het zien van de lans begonnen alle aanwezigen luidkeels te jammeren en te weenen en hun geweeklaag verstomde eerst, toen de knaap, na de lans langs de vier muren te hebben gedragen, weer met zijn vreemden last uit de zaal verdween. Een oogenblik was er stilte, toen openden zich de wijde zaaldeuren opnieuw en binnen trad eene jonkvrouw, die in hare opgeheven handen een schotel of kom droeg, welke een verblindend licht uitstraalde. Voor den schijn van dit licht, dat rozig was als het licht van den dageraad, maar nochtans verblindend als de felste zonnestralen, verbleekte het honderdvoudige licht der kaarsen. Alle ridders verhieven zich van hunne rustplaats en bogen eerbiedig het hoofd, ook Parcival moest voor dien fellen schijn de oogen sluiten. Het was hem, of hij eene zachte muziek door de zaal hoorde ruischen en hij voelde eene siddering van ontroering zijn lichaam doortrillen.
Middelerwijl had een schildknaap een kostbaar zwaard naderbij gedragen, welks greep met robijnen was bezet, en de kranke burchtheer overhandigde het Parcival en verzocht hem het te willen aannemen als vergoeding voor wat er mogelijk aan zijne ontvangst ontbroken had; hij zelf had het in menigen kamp gebruikt, tot God hem met eene ongeneeslijke kwaal gestraft had. Geheel uit het veld geslagen door al het wonderlijke om hem heen, stamelde onze held een paar woorden van dank, waarop de zieke door een aanval van pijn scheen te worden overvallen, althans hij viel steunend in de kussens.
Duizend vragen drongen den jongeling naar de lippen bij het zien van den wonderschotel, die op een marmeren tafel te glanzen stond, maar, gedachtig aan de wijze lessen van Gurnemanz, weerhield hij zich naar de beteekenis van dit alles te vragen, weinig vermoedend, welk een onheil hij door zijn zwijgen teweegbracht.
"Het is een vreemde burcht", zoo dacht hij, "en er heerschen hier vreemde gebruiken. Wat mag toch wel de reden zijn van de droevige stemming, welke hier heerscht? Wat kan de herkomst wezen van dien lichtenden schotel en waaraan ontleent hij zijn wonderglans? Hoe gaarne zou ik dit alles weten, maar--zeide mijn leermeester mij niet, dat bescheidenheid onder alle omstandigheden als hoogste deugd des ridders geprezen moest worden? Bovendien--ik kan den slotheer niet helpen. Ieder mensch heeft zijn eigen leed te dragen, heb ik niet het mijne, dat mij rusteloos voortjaagt in ongestild verlangen naar een doel, dat ik wellicht nooit bereiken zal?"
Op dit punt gekomen geraakte onze held verdiept in droefgeestig gepeins over zijn eigen kommer, die zijn hart zóó zeer vervulde, dat het ongevoelig werd voor het lijden van anderen. Eerst veel later zou hij dermate door de smart gelouterd zijn, dat hij zijn eigen verdriet genoegzaam op zijde kon zetten om oog en oor open te houden voor het leed zijner medemenschen.
Onder eene drukkende stilte werd de maaltijd genuttigd; de Graal, zooals Parcival den schotel fluisterend hoorde noemen, verschafte daarbij al het noodige. Men behoefde zich slechts iets te wenschen, of het verlangde verscheen onmiddellijk in de schalen en bekers.
Toen het maal was afgeloopen, droeg de jonkvrouw den Graal uit de zaal weg en leidde men Parcival naar een weelderig ingericht slaapvertrek.
Uitgeput door zijn langen rit en al het vreemde, dat hij gezien had, viel hij spoedig in een doffen slaap, waaruit hij eerst ontwaakte, toen de zon reeds hoog aan den hemel stond. Ontsteld over zijn lang slapen, riep hij terstond om de knapen, die hem den vorigen avond bij het ontkleeden behulpzaam waren geweest, maar niemand verscheen--doodsche stilte heerschte in het gansche slot. Daar bemerkte Parcival, dat zijne kleederen en wapenrusting voor zijn bed gereed lagen, dus besloot hij zichzelven te helpen. Tegen zijne rustbank geleund stonden twee zwaarden: het zijne en dat, hetwelk de zieke slotheer hem ten geschenke had gegeven.
Toen hij geheel gereed was, begaf hij zich langs de breede trappen naar beneden, naar alle kanten spiedend, of hij niet een spoor van leven kon ontdekken. Maar neen--het slot was als uitgestorven. Op het voorplein vond hij zijn paard gezadeld, en in een haast om weg te komen uit deze vreemde omgeving, waar de drukkende stilte hem benauwde, stoof hij de ophaalbrug over. Nauwelijks had zijn paard de hoeven van de brug gelicht, of deze werd met knarsend geluid omhoog getrokken en eene stem vanuit den burcht riep hem na: "Dwaas, die gij zijt, scheer u weg van hier! Waarom hebt gij uwen gastheer de verlossende vraag niet gedaan? Den sleutel tot het hoogste geluk hieldt gij in de hand, maar gij hebt dien niet weten te gebruiken, omdat uw hart koud is als ijs. Thans zijt gij vervloekt in alle eeuwigheid!"
Parcival had zich omgewend en wilde den burcht opnieuw naderen, maar de gapende afgrond hield hem tegen en op al zijn roepen ontving hij geen antwoord.
Mismoedig haalde hij de schouders op en vervolgde zijn weg door het eenzame woud.
Na eenigen tijd kwam hij langs eene open plek tusschen de struiken, waar hij eene jonkvrouw vond met het lijk van een ridder in de armen. Toen Parcival haar vroeg naar de oorzaak van den dood van haren metgezel, vertelde zij hem, dat zij beiden met vele andere edelvrouwen en ridders op een naburig kasteel woonden, waar zij zich allen wijdden aan het nastreven van een hoog en heilig doel. Kort geleden op een middag hadden zij vanaf de slotmuren een hond uit het bosch te voorschijn zien springen, die een kostbaren halsband droeg, bezet met flonkerende diamanten. Daar zij wisten, dat er in verren omtrek geen menschelijke woning te vinden was, waren zij ten zeerste verbaasd over het zien van den hond en Sigune--zoo heette de jonkvrouw--had haren geliefde schertsenderwijze bevolen om, zoo hij haar werkelijk liefhad, dien fraaien band voor haar te bemachtigen.
Drie lange dagen was hij weggebleven totdat eindelijk de onrust Sigune in het woud gedreven had, om hem te zoeken. Zij vond hem, maar helaas! onder welke omstandigheden--in een doodelijken kamp gewikkeld met Heer Orilus, die, sinds de vermeende ontrouw zijner echtgenoote Jeschute, als een woesteling door het land trok en mensch noch dier, die hij op zijn weg ontmoette, spaarde. Sigune was nog juist bijtijds gekomen, om haren stervenden vriend in hare armen op te vangen en hem de oogen te sluiten.
Parcival was diep ontroerd door het treurige verhaal der jonkvrouw. Getroffen zag hij haar aan, toen zijn oog plotseling viel op het beeld eener witte duif, dat zij, evenals haar ontslapen echtgenoot, op hare kleederen droeg. Hij herinnerde zich datzelfde teeken gezien te hebben op de kleedij der ridders in het geheimzinnige slot. Zou de jonkvrouw hem de verklaring kunnen geven van wat hij daarginds voor raadselachtigs gezien en gehoord had?
In haastige bewoordingen vertelde hij Sigune zijn wedervaren en terwijl hij sprak, kwam er een glans van groote vreugde op het gelaat zijner toehoordster, welke echter allengs plaats maakte voor eene uitdrukking van verbazing en groeiende ontsteltenis.
Toen hij ophield met spreken, nam Sigune het woord en zeide op bitteren toon:
"Heer, ik weet bijna niet, wat ik zeggen zal. God had u tot de hoogste heerlijkheid uitverkoren en gij zijt die onverschillig voorbijgegaan. Hoe kondt gij zwijgen bij het zien van het lijden des kranken konings? hoe kondt gij zwijgen bij het aanschouwen van den Graal, het goddelijk mysterie, dat elke ridder dienen en eeren moet?" Maar toen Parcival wanhopig uitriep, wat dan toch die Graal was en waarom allen in het slot hem zoo droevig hadden aangezien, werd hare stem zachter en zij hernam:
"Heer, luister naar mij! De Graal is een wonderschotel, zooals er geen tweede op aarde te vinden is. Christus zelf heeft hem gemaakt en gebruikte hem bij het laatste Avondmaal, dat Hij met Zijne jongeren nuttigde. Na Zijn heengaan, liet Hij den Graal achter als teeken Zijner goedheid. Toen nu echter de heidenen in het land vielen, vluchtten zij, die met den zorg voor den Graal belast waren, en brachten hem hier, in deze wildernis. Zij verzamelden een aantal ridders om zich heen, die den Graal moesten bewaken en stelden aan hun hoofd een koning, die over de geheele wereld regeerde en wien de Graal kracht verleende om ten allen tijde het recht te steunen en het booze te bestrijden. Zijne volgelingen, de Graalridders, waartoe ook mijn geliefde behoorde, zond die koning de wereld in om hem die heilige taak te helpen vervullen en, waar deze ook heentrokken, steeds bleef de heilige glans van den Graal hen omzweven en maakte hen sterk en schier onoverwinlijk.
Zoo was het vele jaren, tot eindelijk de menschelijke boosheid de macht van den Graal kwam verstoren. De tegenwoordige koning, Amfortas, dezelfde, dien gij ziek en lijdend op zijn burcht Montsalvasch hebt zien liggen, erfde het Graal-koningschap van zijn vader, toen hij nog zeer jong was. Kort daarop kwam de booze hertogin Orgeluse en veroverde zijn hart met haar schoonheid. Wel mogen de Graalridders liefhebben--immers zonder liefde is het leven onvolkomen--maar zij beminnen met eene heilige, innige liefde, welke die der andere menschen te boven gaat. Orgeluse echter rustte niet, alvorens de jonge Amfortas zich willoos en zinneloos in hare macht had gegeven.
Wat was het gevolg? De Graalridders volgden het voorbeeld van hun koning en brachten hun tijd door in ledigheid en bedwelmend zingenot, zonder zich te bekommeren over de hooge levenstaak, die God hun had opgelegd. De glans van den Graal verminderde allengs, alsook zijne macht; ware dit niet het geval geweest, dan zou mijn geliefde nog in leven zijn! Eens op een dag vond Amfortas zijne geliefde in de armen eens medeminnaars en hij, de Graalkoning, de beschermer van recht en billijkheid, ontstak in zulk eene blinde woede, dat hij den ongelukkige met een speerstoot doodde. Sindsdien ondergaat hij de straf, die God hem heeft opgelegd. Hij ligt weg te kwijnen aan eene slepende kwaal, waarvan de dood hem niet verlossen zal, alvorens" ... hier werd hare stem van een plechtigen ernst en hare oogen begonnen te stralen, "alvorens het wonder is geschied en de nieuwe Graalkoning zijn ambt heeft aanvaard!"
"Wie zal dat zijn?" vroeg Parcival in ademlooze spanning en Sigune antwoordde: "Als een kind in de eenvoud zijns harten, als een held in de sterkte van zijn arm, een ridder en tevens een dwaas, zoo zal de nieuwe Graalkoning zijn. Amfortas is oud en vergrijsd en snakt naar rust. Die rust is nabij--sedert eenigen tijd straalt de Graal met vernieuwden glans en langs den rand van den heiligen schotel staat in vlammend schrift de naam te lezen van hem, die eerlang komen zal. Wij allen hebben dien naam vernomen, maar hij, die hem draagt, is zich niet bewust, wat van hem verwacht wordt. Niemand mag hem helpen den Graal te zoeken, niemand mag hem over den Graal spreken, wanneer hij er niet uit eigen beweging naar vraagt. Komt hij op het slot en vraagt hij niets, dan is de Graal voor eeuwig voor hem verloren!"
Onder hare woorden was Parcival alles duidelijk geworden; een vreeselijk berouw greep hem aan en angstig vatte hij Sigune bij den arm, terwijl hij uitriep:
"Voor eeuwig! Dat kunt gij niet meenen! Waarom zou hem de kans niet geboden worden, om zijne fout te herstellen?"
Hierop sprak Sigune: "Slechts hij kan den Graal vinden, die een zacht en hulpvaardig gemoed heeft en die medelijden gevoelt voor het lijden van zijne medemenschen. Hij, die door de smart van den koning en zijne ridders ongeroerd bleef, moet een hart van steen hebben, en is niet waard den Graal te bezitten!"
Parcival's ziel kwam in opstand tegen het noodlot, dat hem zóó strafte.
"Is het dan zulk een schoon en begeerlijk lot om Graalkoning of -ridder te zijn?" vroeg hij nog, maar Sigune zag hem verontwaardigd aan en sprak:
"Wat spreekt gij domme taal! Wie den Graal dient, dient God. God geeft zijne ziel vrede en kracht om het booze te bestrijden en het goede te willen. Is er iets schooners denkbaar? Gij echter zijt hard en ongevoelig, gij leeft, maar het goddelijk heil zult gij ontberen, nu en altijd. Door u is de redding, die zoo nabij scheen, voor goed verloren. Waarom spreek ik nog met u? Voort! Gij, die ongeluk brengt, waar gij maar komt, die uwe moeder van verdriet deedt sterven, omdat gij haar alleen liet, gij zijt het kind van uw vader, een avonturier zonder hart! Voort! ik wil u niet langer zien!"
Het hart vervuld van wroeging en bitterheid reed Parcival verder. De plotselinge tijding van den dood zijner moeder had hem diep geroerd en onder het langzaam voortrijden werd er een stroom van herinneringen bij hem wakker, die zijne ziel vervulden met een smartelijk verlangen naar het land en den tijd zijner kindsheid.
Geheel verdiept in zijne sombere overpeinzingen sloeg hij weinig acht op zijne omgeving, tot zijn oor plotseling getroffen werd door een klagelijk geween. Opziende, bespeurde hij aan den kant van den weg eene vrouwengestalte, die met luide stem zat te jammeren.
Parcival hield zijn paard in en vroeg haar naar de oorzaak van haar verdriet. Hoe verbaasd was hij, toen de aangesprokene de edelvrouwe bleek te zijn, die hij--hoe lang geleden scheen het hem!--kort na zijn vertrek uit de ouderlijke woning in hare tent had gekust.
Ook Jeschute--want zij was het--herkende hem en in een stroom van bitter-droeve woorden deelde zij hem mede, welke noodlottige gevolgen zijne onbezonnenheid voor haar gehad had.
Terstond besloot Parcival het onrecht, hetwelk haar echtgenoot haar aandeed, zooveel hij kon te herstellen. Even daarna stormde hertog Orgilus uit de struiken naderbij en overlaadde de arme vrouw met smaadredenen. Toen hij haar in Parcival's gezelschap aantrof, kende zijne woede geen grenzen en wat onze held ook zeide, om zijn toorn te doen bedaren, niets vermocht hem de overtuiging te geven, dat zijne vrouw inderdaad onschuldig was. Zoo kwam het eindelijk tusschen de beide mannen tot een gevecht, waarin Parcival de overwinning behaalde. Hij schonk zijn overwonnen tegenstander het leven, op voorwaarde, dat deze zich met zijne vrouw verzoenen zou, hetgeen geschiedde. Toen hij het tweetal zich samen zag verwijderen, had onze held voor het eerst sinds vele weken een gevoel van voldoening door het bewustzijn, eene goede daad te hebben verricht.