Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 40
Niettegenstaande de smeekbeden van zijne jonge vrouw, vatte hij het besluit op om zijn dorst naar avontuur te bevredigen en toen hij kort daarna vernam, dat in het verre Oosten een krijg was uitgebroken, gaf hij den wensch om daaraan deel te nemen, als voorwendsel op voor zijn vertrek.
Wel viel het afscheid van Herzeleide hem zwaar, maar hij troostte zich met de gedachte, dat het niet voor eeuwig was en dat zij in de toekomst nog vele jaren gelukkig samen zouden kunnen leven! Hij dacht er niet aan, dat hij, die op de toekomst bouwt, dikwijls bedrogen uitkomt.
Vol moed trok Gamuret heen en wierp zich, in het land zijner bestemming aangekomen, met vuur in den strijd. Helaas! het zou zijn laatste gevecht zijn, want reeds den eersten dag werd hij door eene vergiftigde speer doodelijk gewond en bezweek korten tijd daarna onder de vreeselijkste pijnen.
_Van de geboorte van Parcival._ Wie schetst de wanhoop van Herzeleide, toen zij het bericht van den dood haars echtgenoots ontving? Onder het storten van bittere tranen verwenschte zij den noodlottigen drang tot avontuur, die den man huis en haard, vrouw en geliefde doet verlaten om in den vreemde het gevaar te gaan opzoeken. Zij zwoer daarbij een plechtigen eed, dat, zoo het kind, hetwelk zij verwachtte, een jongen mocht zijn, zij al het mogelijke zou doen, om elke zwerversneiging in hem te onderdrukken. Haar zoon zou, althans in dit opzicht, zijns vaders voorbeeld niet volgen en nooit zou men van hem kunnen zeggen, dat hij zijne moeder en later misschien zijne echtgenoote ongelukkig had gemaakt.
Toen de tijd was aangebroken bracht Herzeleide een zoon ter wereld, dien zij Parcival noemde. Nog vóór het kind een jaar oud was, verliet zij den fraaien burcht, dien zij bewoonde en trok zich met enkele harer vrouwen en dienaren terug in een eenzaam slot, dat omgeven was door een onmetelijk woud. Zij verbood hare dienaren ten strengste, om haren zoon ooit te spreken over ridderschap en alles, wat daarmede verband hield en wijdde zich geheel aan de verzorging en opvoeding van haar kind.
Parcival groeide op tot een slanken, welgebouwden knaap. Hij was geheel vertrouwd met de dieren en planten uit het woud en als kind kende hij geen grooter genoegen, dan te luisteren naar het gezang der vogels en te leeren hunne stemmen te onderscheiden. Soms kon hun liefelijk geluid of hun snelle wiekslag langs het blauwe luchtruim hem aan het peinzen brengen over de vraag, wie de wereld om hem heen zoo schoon gemaakt had; wie de bloemen deed bloeien langs de hellingen der bergen, wie de beekjes deed stroomen door de dalen en de afwisseling der jaargetijden op aarde deed plaats hebben. Wanneer hij met dergelijke vragen tot zijne moeder kwam, vertelde deze hem van den goeden God, Die schooner en lichter was dan de schoonste lentemorgen, Wien alle menschen dienen moesten om goed en gelukkig te worden en Die steeds de menschen wilde helpen en steunen en hen in den nood wilde bijstaan. Wanneer de knaap dan om zich heen zag in het geurende, bloeiende woud, werd zijn hart met dankbaarheid vervuld voor den Schepper van al dit schoons en riep hij uit: "Ik wil God zoeken in de wereld en Hem dienen, waar en wanneer ik kan!"
Dan sloot Herzeleide ontroerd haar zoon in de armen en dacht bij zich zelve: "Het ware het beste, wanneer ik van mijn kind een geestelijke maakte. Zulk een ambt is Gode welgevallig en ik kan hem dan steeds in mijne nabijheid behouden.
De jaren verliepen en Parcival rijpte tot jongeling. Zijne moeder had hem onderricht doen geven in het jagen en rijden, tot hij in die beide kunsten zeer bedreven was. De vele beweging en het leven in de open lucht had zijne spieren gestaald en zijne gestalte kloek en mannelijk gemaakt, maar zijn hart was rein en onschuldig als dat van een kind, dat niets weet van de wereld en zijne dagen verdroomt tusschen de boomen en bloemen van het woud. Wanneer hij, op een heuvel staande, somtijds uitzag over het land, werd hij wel eens bevangen door eene vreemde onrust, die zijn hart sneller deed kloppen. Daarginds, aan gene zijde der heuvelen, zoo meende hij, moest God wonen, Die schoon was en goed en Dien hij, Parcival, aanhing met al de liefde en vereering zijner jongelingsdroomen. Eens zou er een dag komen, dat hij God zou gaan zoeken en Hem zijne diensten zou aanbieden. Nooit echter kwam het bij hem op om dien dag nader te bepalen; hij was tevreden met zijn leven en verlangde geen ander gezelschap dan dat zijner moeder.
Spoedig zou dit anders worden.
_Hoe Parcival in het bosch vier ridders ontmoette en hoe hij besloot naar het hof van koning Arthur te gaan._ Eens op een morgen, toen Parcival neuriënd langs den woudzoom liep, naderden van de tegenovergestelde richting vier ridders te paard. Vroolijk rinkelden de belletjes aan het hoofdstel der paarden en hunne kurassen glansden als zilver in het heldere morgenlicht. De knaap bleef stilstaan en zag met open mond naar die schitterende gestalten. Met verbazing vroeg hij zich af, wie het zijn konden, toen eene plotselinge gedachte hem door het brein schoot. Had zijne moeder hem niet verteld, dat God, de Schepper van het aardrijk en de Helper en Vertrooster der menschen, schoon en licht was als de schoonste lentemorgen? Welnu dan, het kon niet anders, of deze wonderschoone wezens, wier schittering hem de oogen verblindde, waren God en Zijne engelen. Juichend liep hij de ruiters tegemoet en viel voor hen op de knieën, maar de ridders hielden, half verbaasd, half vertoornd, hunne paarden in en één hunner riep uit:
"Sta op, knaap! Waarom ligt gij voor ons op de knieën, alsof gij bezig waart, God zelven te aanbidden! Wijs ons liever den naasten weg naar Camelot. Gisterenavond zijn wij, door de duisternis misleid, een verkeerd pad ingeslagen en sindsdien is het ons nog niet gelukt om den rechten weg terug te vinden."
Parcival stond op uit zijne knielende houding en zag den spreker onthutst aan.
"Zijt gij dan God niet?" vroeg hij verbaasd, "wie zijt gij dan wel? Nooit in mijn leven zag ik mannen zooals gij!"
De ridders zagen elkander aan en haalden met een spottend lachje de schouders op, maar één hunner, die medelijden had met de onnoozelheid van den knaap, boog zich voorover tot Parcival en sprak: "Wij zijn ridders van de Tafel Ronde en Gods dienaren, zooals elk waarachtig ridder een dienaar van God is. Wij trekken op avontuur door het land en veroveren sterke burchten, schoone vrouwen en machtige koninkrijken!"
Parcival's oogen begonnen te schitteren.
Welk een schoon bestaan moest dat zijn: door de wereld te trekken en God te dienen: niet in eene eenzame cel, zooals de vrome kluizenaars in het woud dit deden, maar te paard gezeten, in een glinsterend gewaad, zooals deze mannen!
De zucht tot avontuur, die als vaderlijk erfdeel diep in zijn hart sluimerde, ontwaakte in hem en deed hem uitroepen:
"Ik wil een ridder worden zooals gij en God dienen! Zeg mij, edele Heer, wie mij tot ridder kan maken?"
"Dat kan alleen koning Arthur," antwoordden de ridders als uit één mond en daarna gaven zij hunnen paarden de sporen en reden verder.
Parcival echter snelde, zoo vlug hij maar kon, naar zijne moeder, viel haar om den hals en riep uit:"Moeder, ik wil een ridder worden!"
Herzeleide ontstelde hevig en antwoordde:" Wie heeft u van ridders gesproken? Zeg het mij en ik zal hem doen dooden!" Maar toen Parcival haar met zijne onschuldige oogen aanzag en verbaasd vroeg:
"Is het dan zondig, moeder, om een ridder te zijn?" boog zij het hoofd en zeide: "Neen, mijn kind, het is eene eer!"
"Ik wist het wel," riep de knaap verheugd uit, "zij dienen immers God!"
Van toen af aan was hij niet meer te houden. Of zijne moeder hem ook smeekte en bad om bij haar te blijven, hij liet haar geen rust, vóór zij hem toestond naar het hof van koning Arthur te gaan en dezen te vragen, hem tot ridder te slaan. Eindelijk verzon Herzeleide eene list. Zij kleedde den knaap in een narrenpak van grauwe stof, bezet met bontgekleurde strepen. Een paar grove laarzen van kalfsvel gaf zij hem aan de voeten en zoo uitgerust wilde zij hem laten vertrekken, in de hoop, dat de spotternijen, welke hij zou hebben te verduren, hem spoedig den lust tot reizen zouden benemen en hem tot haar terug zouden doen keeren.
Parcival was uitgelaten van vreugde over de verkregen toestemming. Geen oogenblik kwam het bij hem op zich over zijn uiterlijk te bekommeren, en toen zijne moeder hem een boerenpaard en eene korte werpspies ten geschenke gaf, toonde hij zich hierover even verheugd, als waren het een edel strijdros en een zwaard met gouden greep geweest.
Op den morgen van zijn vertrek gaf Herzeleide hem nog eenige wijze raadgevingen.
"Wees vriendelijk en hulpvaardig jegens alle menschen," zoo sprak zij, "onverschillig of zij arm of rijk, oud of jong zijn. Eert den ouderdom, en zoo een grijsaard u raad wil geven, neem dien dan dankbaar aan. Wees een trouw dienaar der vrouwen en als eene schoone vrouw u een ring of een groet schenkt, neem haar dan in uwe armen en kus haar; niets kan een ridder meer tot eer strekken!"
In alle vroegte reed Parcival heen; zijne moeder liep hem na en volgde hem met hare oogen tot hij bij eene kromming van den weg uit het gezicht verdween. Toen keerde zij zich om, maar bij het zien harer eenzame woning brak haar het hart. Met een luiden kreet stortte zij voorover en toen hare kamervrouwen toeschoten, vonden zij hare meesteresse levenloos ter aarde liggen.
_Van Parcival's reis naar het hof._ Een vroolijk deuntje zingend reed Parcival voort en stuurde zijn vreemdsoortig rijdier in de richting van het bosch van Broceliande. Tegen den middag kwam hij voorbij een grasveld, in welks midden hij eene tent vond opgeslagen. Nieuwsgierig naar wat zich daarbinnen bevond, steeg hij van zijn paard en sloop naderbij. Hij lichtte eene slip van het zijden tentdoek op en kon nauwelijks een kreet van bewondering onderdrukken, toen hij daarbinnen op een zijden rustbed eene wonderschoone vrouw zag liggen, in diepen slaap verzonken. Het was de jonge hertogin Jeschute, wier echtgenoot, Heer Orilus, op de jacht was getogen en haar eene wijle in hunne tent alleen had gelaten. Vol eerbied zag Parcival op haar neer; plotseling ontdekte zijn oog een gouden ring, welke aan haar vinger glinsterde, en begeerig als hij was, om reeds nu eene ridderlijke onderscheiding deelachtig te worden, trok hij voorzichtig den ring van hare hand, nam de inmiddels ontwaakte schoone in zijne armen, kuste haar en verliet haastig de tent, de hertogin in de grootste verbazing achterlatend.
Kort daarop kwam haar echtgenoot, Heer Orilus, van de jacht terug. Toen hij in het bedauwde gras de voetstappen van een man bemerkte, ontstak hij in hevigen toorn en beschuldigde zijne gemalin, dat zij gedurende zijne afwezigheid eene heimelijke samenkomst met haren geliefde had gehad. Het baatte niet, of Jeschute hem al bezwoer, dat er niemand bij haar was geweest dan een baardelooze knaap in narrenkleeding, die haar in den slaap een ring had ontnomen en haar vervolgens op de wang had gekust--de jaloersche echtgenoot was niet van de waarheid harer woorden te overtuigen! Hij brak in aller haast de tent op, zette zijne ontstelde echtgenoote te paard en joeg het dier met stokslagen voor zich uit, terwijl hij de arme Jeschute met de vreeselijkste beschuldigingen overlaadde.
Parcival vervolgde intusschen opgeruimd zijn weg; getrouw aan den raad zijner moeder groette hij een ieder, dien hij tegenkwam, op vriendelijke, bescheiden wijze. Wanneer hij door een dorp reed, lachten de kinderen hem uit om zijne wonderlijke kleedij, maar hij, die niet wist, wat spot was, lachte vroolijk met hen mede en vroeg hun om hem den kortsten weg naar het hof van koning Arthur te wijzen. De één zond hem hier, de ander daarheen, want niemand beschouwde zijne vraag als ernstig gemeend. Zoo zwierf hij vele dagen door het land, tot het toeval hem eindelijk voor de muren der stad Nantes bracht, waar koning Arthur destijds hof hield.
Vóór de poort trof hij een ridder aan in roode wapenrusting, die hem staande hield en hem naar het doel zijner reis vroeg. Toen Parcival zijn wensch te kennen gaf door koning Arthur tot ridder geslagen te worden, barstte de roode ridder in lachen uit, zoodat onzen jongen held van ergernis het bloed naar de wangen steeg. Dit ziende, bedwong de ridder zich en sprak:
"Gij schijnt mij tamelijk jong en onervaren om reeds nu onder de ridders van koning Arthur te worden opgenomen. Doch dit is niet mijne zaak. Luister, ik heb u een verzoek te doen. Wanneer gij toegang krijgt tot den koning, zoo zeg dan aan de ridders, die gij om hem heen ziet staan, dat Heer Ither--zoo is mijn naam--hen uitdaagt tot een tweekamp om het bezit van dezen zilveren beker, welken ik van den koninklijken disch heb meegenomen. De koning denkt, dat ik een kind ben, maar hij zal zien, dat hij zich vergist! Ik wil den beker en mijne eer tot mijn laatsten snik verdedigen: meld dit aan de Tafel Ronde."
Parcival beloofde zijne boodschap te zullen overbrengen en drong door tot vóór den troon des konings. Daar gekomen viel hij voor den vorst op de knieën en bracht hem de uitdaging van Heer Ither over. Een spottend gemompel ging door de rijen der aanwezige ridders en ook over het gelaat des konings gleed een glimlach, toen hij antwoordde:
"Wij allen kennen de nukken en luimen van Heer Ither. Waarschijnlijk gevoelt hij zich beleedigd door de eene of andere miskenning zijner waardigheid en zendt hij daarom deze dwaze boodschap. Wij doen beter, ons niet om hem te bekommeren, tot zijne drift wat bekoeld is, dan zal hij wel uit zichzelven naar het paleis terugkeeren. En gij, knaap", zoo vervolgde hij tot Parcival, "hebt gij mij nog iets anders te zeggen, dat gij zoo geknield blijft liggen? Spreek, wat wenscht gij?"
Thans was het oogenblik gekomen, dat Parcival gedurende zijn langen zwerftocht als doelwit voor oogen had gezweefd. Hij richtte zich op uit zijne knielende houding, zag den koning recht in het gelaat en sprak:
"Heer koning, ik heb slechts één wensch op aarde en die is, dat gij mij tot één uwer ridders maken wilt!"
De ridders uit 's konings omgeving konden hun lachen nauwelijks bedwingen, toen zij Parcival's wensch hoorden. Deze halfwassen, potsierlijk uitgedoste knaap wilde toegelaten worden tot de befaamde ridderschap der Tafel Ronde! Het was inderdaad belachelijk en hoe eerder men den jongen zulke gedachten uit het hoofd praatte, des te beter voor hem.
Maar de koning lachte niet; hij zag hoe het gelaat van den knaap straalde van edele geestdrift; wat hij daarop las was geen jeugdige overmoed, het was de heilige bezieling voor eene hooge roeping! Vriendelijk zag hij Parcival aan en sprak: "Uw gelaat bevalt mij, knaap! Gij zijt nog jong en onervaren, maar eens zult gij een goed en dapper man worden en dan zal ik het mij tot eene eer rekenen, u onder mijne ridders te begroeten. Blijf tot zoolang in mijn dienst hier aan het hof, ten einde u voor te bereiden voor de schoone, maar zware levenstaak, welke u wacht. Bedenk, dat er meer noodig is, om een goed ridder te zijn, dan een open oog en een sterke arm!"
Maar Parcival was met 's konings belofte niet tevreden; hij viel opnieuw voor Arthur op de knieën en riep smeekend:
"Wat ik u bidden mag, spreek mij niet van uitstel en wachten! Nu, op dit oogenblik wil ik tot ridder gemaakt worden. Het is niet om aan het hof te blijven en als hoveling goede sier te maken, dat ik het u vraag, neen, ik wil de wereld zien en God zoeken! Hem wil ik dienen, maar ik wil Hem dienen als één der uwen."
Toen de koning bij zijne weigering bleef volharden, vroeg Parcival hem verlof om zichzelven eene wapenrusting te verschaffen. De roode rusting van Heer Ither, daarginds voor de poort, beviel hem, deze zou hij vragen. Toen de koning en het gansche hof in een schaterlach uitbarstten over zijn onnoozel plan, werd Parcival boos en liep de zaal uit, zeggende, dat, wanneer de roode ridder hem niet goedschiks zijne wapenrusting afstond, hij zich die met geweld zou verschaffen.
Zoo geschiedde het inderdaad, Heer Ither, die aanvankelijk het verzoek van den knaap slechts met een schamper lachen ontving, zag weldra in, dat het den jongeling ernst was met zijn verlangen. Vertoornd over zulk eene onbeschaamdheid, lichtte hij met een welgemikten speerstoot onzen held uit het zadel en meende hiermede de zaak afgedaan te hebben. Parcival ontstak echter in zóo hevige woede over zijn smadelijken val, dat hij op Heer Ither toeliep, hem zijne korte werpspies door de oogopeningen in den helm stak, en hem de hersenen doorboorde. Als een blok viel Heer Ither neer en gaf den geest, Parcival knielde bij het ontzielde lichaam neer, maakte de beenstukken en het kuras los en gespte die zichzelven om. Daarna zette hij zich den helm op het hoofd, greep de lans van den gevallen ridder en steeg weer te paard.
Eenige schildknapen, die uit het paleis kwamen aanloopen, klaagden luide over den dood van hun heer en verweten Parcival, dat hij een man, die hem geenerlei kwaad gedaan had, in koelen bloede had doen sneven. Onze held stoorde zich echter niet veel aan wat zij zeiden en toen zij hem dreigden met de ongenade des konings, riep hij vroolijk uit: "Wat gaat mij de toorn van koning Arthur aan? Nu ik een ridder geworden ben, wil ik God dienen, niet slechts den koning!"
Met deze woorden reed hij heen, maar in het paleis van koning Arthur treurde men om den dood van Heer Ither en verwenschte den vreemdeling, die hem gedood had.
_Parcival komt aan het slot van heer Gurnemanz._ Na eenige dagen zwervens kwam Parcival bij een machtig slot; vóór de poort, onder de schaduw eener linde zat een oude man, met een sperwer op de gesloten vuist. Bij het zien van den grijsaard herinnerde de jongeling zich den raad zijner moeder; hij steeg af, groette den oude eerbiedig en sprak:
"Mijne moeder heeft mij geleerd den raad van een grijsaard te eerbiedigen. Eenige dagen geleden heb ik mijzelven met geweld deze wapenrusting verschaft; van de gebruiken der ridderschap ben ik evenwel geheel onkundig. Kunt en wilt gij ze mij leeren?"
De grijsaard werd getroffen door het kinderlijk vertrouwen, dat de knaap in hem stelde, en beloofde hem te zullen helpen. Daarop wierp hij zijn sperwer omhoog in de lucht en het dier, dat aan zijn hals een gouden schelletje droeg, vloog met lustig gerinkel over den slotmuur om de komst van zijn meester aan te kondigen.
Gurnemanz--zoo heette de grijsaard--en Parcival volgden hem weldra binnen den gastvrijen burcht, waar den jongeling een gul onthaal ten deel viel. Geruimen tijd bleef hij de gast van Heer Gurnemanz, die hem onderwees in alle kundigheden, waarmede een ridder vertrouwd moet zijn. Hij vond in Parcival een vluggen, ijverigen leerling, die weldra zijn meester dreigde voorbij te streven. Eén ding prentte Gurnemanz den knaap vast in het geheugen: niets misstaat den ridder meer dan nieuwsgierigheid en onbescheidenheid. Daarom moet hij, wanneer hem het een of ander bevreemdt, zich er voor hoeden naar de verklaring hiervan te vragen. Wanneer hij die behoort te weten, zal hij ze wel zonder vragen te weten komen.
Toen Parcival gevoelde, dat er voor hem op het slot niets meer te leeren viel, gaf hij Gurnemanz zijn voornemen te kennen om te vertrekken en zijne onderbroken reis voort te zetten.
Gaarne had de oude ridder hem bij zich gehouden, want zijne beide zonen waren in den strijd gevallen en niets zou hij liever gezien hebben dan een huwelijk tusschen Parcival en zijn eenig dochtertje Liasse. Maar het hart laat zich niet dwingen en dat van den knaap sluimerde nog. Wel mocht hij de kleine Liasse gaarne lijden, maar het kwam niet bij hem op haar tot vrouw te begeeren.
Zoo nam hij dus afscheid van zijn trouwen leermeester en dankte hem voor alles, wat hij voor hem gedaan had. Hij kuste Liasse op beide wangen en bemerkte niet, hoe droevig zij hem aanzag. Toen zadelde hij zijn paard en verliet den burcht, waar hij zooveel goeds en nuttigs geleerd had en reed opnieuw de wereld in.
_Van het huwelijk tusschen Parcival en Condwiramur en hoe hij zijne vrouw verliet om God te zoeken._ Onze held zwierf door het land en zocht God. Overal verwachtte hij Hem te vinden. Als de boomen van het woud steunden en kraakten onder den druk van den wind, als de sneeuw dreunend van de bergen stortte, als de watervallen bruisten, als de donder rolde en de bliksemstralen flitsten, dacht hij steeds: "Nu zal het gebeuren! Nu komt God!"
Maar God kwam niet en Parcival trok verder, nu eens troosteloos over zijne teleurgestelde verwachtingen, dan weer blij en opgewekt door een innerlijk gevoel van hoop en vertrouwen.
Eens op een dag reed hij langs het strand, diep geroerd door de schoonheid der zee, die zich voor hem uitstrekte en in haar klaren spiegel het blauw van den hemel ving. Na eenige uren rijdens kwam hij aan de monding eener breede rivier, aan welker overzijde eene versterkte stad gelegen was. Aan de drukte en bedrijvigheid, die rondom de muren heerschten, kon hij zien, dat men bezig was, zich voor te bereiden op een vijandelijken aanval. Daarom waren de bruggen over den stroom reeds alle vernietigd, met uitzondering van ééne, welke men juist begon af te breken. Parcival sprong ijlings op de wankelende balken en bereikte de overzijde, waar hij door zijn plotseling verschijnen eene groote ontsteltenis veroorzaakte onder de werklieden en krijgsknechten. Toen zij evenwel zagen, dat hij alleen was en hij hen allen vriendelijk groette, werden zij gerustgesteld en kwamen naderbij. Op zijn belangstellend vragen vertelden zij hem, dat de burcht het eigendom was van de jonge hertogin Condwiramur, die na den dood haars vaders werd lastig gevallen door koning Clamides, die haar tot een huwelijk met hem wilde dwingen. Reeds verscheidene malen had hij zijn maarschalk, Kingrun, naar haar slot Bel Repair gezonden om bij de hertogin aan te dringen op eene verwezenlijking van zijn verlangen, maar Condwiramur bleef weigeren. Thans had hij gedreigd, de stad te zullen belegeren en de hertogin te dwingen zijne vrouw te worden. Daarom was men druk in de weer om den burcht in staat van verdediging te brengen, want den volgenden morgen zou Kingrun voor de laatste maal komen om het antwoord der hertogin te vernemen en wanneer dit opnieuw eene weigering bevatte, zou het beleg spoedig volgen.
Parcival was diep begaan met het lot der ongelukkige jonkvrouw en verzocht den knechten hem bij haar te brengen.
Daarop leidden zij hem naar den ingang van het kasteel. Daar vond hij een dienaar, die hem in een ruim vertrek voerde, waar de jonge hertogin met hare kamerjuffers aan het venster zat om van daar uit de toebereidselen voor het beleg gade te slaan.
Condwiramur trad den binnentredende tegemoet, vol spanning over het doel zijner komst, maar toen zij tegenover hem stond, vergat zij haren grooten nood en de gevaren, welke haar bedreigden. Evenzoo ging het hem. Hij vergat alles om zich heen en kon slechts vol bewondering staren naar het gelaat der jonkvrouw, dat, ondanks de sporen van vergoten tranen, hem schooner toescheen dan eenig vrouwengelaat hem ooit was voorgekomen.
Condwiramur was de eerste om zich te herstellen en heette Parcival welkom in haren burcht. Zij gaf hem op zijn verzoek een meer omstandig verslag van den benarden toestand, waarin zij verkeerde, maar onze held hoorde nauwelijks wat zij zeide, zóó zeer was zijn gansche wezen bevangen door de zoete bedwelming der ontluikende liefde. Toen zij ophield met spreken, kon hij slechts eenige woorden van troost en opbeuring stamelen, daarop vroeg hij zijne gastvrouw verlof om zich voor den nacht ter ruste te begeven.
Eenige uren later, toen hij juist, na lang woelen en peinzen, in een onrustigen slaap verzonken was, werd hij uit zijne droomen gewekt door het gevoel van iets vochtigs op zijn gelaat.