Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 39
Eenige dagen later had de teraardebestelling plaats. In eene lange rij volgden de ridders der Tafel Ronde, met koning Arthur aan het hoofd, de rijk versierde baar, na afloop van de plechtige lijkmis in de kathedraal. Als eene koningin werd zij begraven, Elaine, die den edelsten onder de ridders had liefgehad en voor hare liefde was gestorven. Toen men haar neergelegd had tusschen de stoffelijke overblijfselen van lang gestorven vorsten en vorstinnen, beval koning Arthur dat in den grafsteen hare gestalte uitgebeiteld zou worden, zooals zij in haar bootje was komen aandrijven, en dat het schild van Lanceloet aan hare voeten zou worden geplaatst. Dit gebeurde en rond haar graf schreef men in letters van goud en azuur hare droeve geschiedenis, opdat allen, die er voorbij kwamen, het lezen konden. Toen de stoet van de kathedraal naar het paleis teruggekeerd was, nam de koningin Lanceloet ter zijde en smeekte hem om vergiffenis voor haar gebrek aan vertrouwen.
Somber zag onze held haar aan, toen hij antwoordde: "Hoe kan ik anders doen dan u vergeven? Ben ik niet met onverbreekbare banden aan u verbonden? Maar onthoud dit: afgunst en wantrouwen zijn een vloek voor de ware liefde!"
Dien avond zat Lanceloet alleen aan den oever der rivier en peinsde over hetgeen er gebeurd was. Alles, wat hem door de liefde van Elaine deelachtig had kunnen worden, werd hem in verleidelijk schoone visioenen voor den geest gebracht. Een eigen thuis--de liefde eener vrouw--een krachtig kroost van schoone dochters en wakkere zonen, dit alles had zijn deel kunnen worden. Wat had hij nu? Huiverend zag hij om zich heen. Alleen, was hij, altijd alleen, met het bewustzijn eener zondige liefde, een bewustzijn, dat hem kwelde en vervolgde tot zelfs in de oogenblikken van het innigst samenzijn met de geliefde. Moest hij, voor zulk een samenzijn niet zijn vorst, dien hij vereerde en liefhad, op laaghartige wijze bedriegen? Hoe kon hij nog eenig genot daarvan verwachten? Hij, de eerste onder zijne tijdgenooten, beroemd en gevierd als geen ander, was armer dan de minste onder Arthur's hovelingen, die tegen den avond, als zijne dagtaak was afgeloopen, in zijne eigen woning terugkeerde, waar hij met vreugde en liefde begroet werd.
Zoo bleef onze held langen tijd in somber gepeins verzonken en toen hij eindelijk naar het kasteel terugkeerde, waren zijne oogen vochtig.
INLEIDING TOT DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL.
Wie zich ten doel stelt den oorsprong der Graal-sage op te sporen en hare ontwikkeling in de letterkunde van Europa na te gaan, zal weldra bemerken, dat de omvang der taak, welke hij hierdoor op zich neemt, inderdaad geweldig is. Over het wezen van den Graal, den wonderschotel met zijne bezielende kracht, hangt een sluier van geheimzinnigheid, welke ondanks veler pogen nog nooit geheel is opgelicht.
Het is hier niet de plaats om uit te weiden over de vele theorieën, welke ten opzichte van dit moeilijke vraagstuk door geleerden uit verschillende landen zijn opgeworpen; wij willen slechts met een enkel woord de richting aangeven, waarin deze zich ontwikkelen en voor het overige de uiteenzetting van het probleem: het ontstaan der Graal-sage, aan anderen, meer bevoegden overlaten.
De Graal-sage--want als zoodanig willen wij voorloopig het Parcival-verhaal beschouwen--is eene der meest geliefde sagen uit de Middeleeuwsche letterkunde. Waardoor kunnen wij hare groote bekoring verklaren, waarvan de tallooze dicht- en prozawerken, welke aan eene behandeling van dit onderwerp gewijd zijn, getuigen?
Het geheim van de groote populariteit van het Graal-verhaal is hierin gelegen, dat het de vertolking is van 's menschen verlangen naar een hooger leven, dat het ons de belichaming geeft van het Goddelijk mysterie, hetwelk voor de zoekende menschenziel steeds eene groote aantrekkingskracht heeft bezeten. Bovendien vonden in de Graal-sage de tweeërlei stroomingen, welke zich in de Middeleeuwsche kunstbeschouwing openbaarden, bevrediging. Zij, die doordrongen waren van den geest der nieuwe, Christelijke beschaving, vonden er voedsel voor hunne geestelijke behoeften; zij, wier smaak trouw was gebleven aan de oude ridderverhalen, genoten volop van het avontuurlijke element, dat ook in dit verhaal sterk naar voren komt. Zoo bleef de Graal--gelijk hij dit in de oude heidensche verhalen in letterlijken zin placht te doen--voedsel geven aan elk, die erom vroeg, zij het thans van geestelijken aard. Tot op heden heeft de Graal-sage hare bekoring behouden en zij zal dit blijven doen, omdat de menschelijke ziel door alle eeuwen heen dezelfde blijft in haar zoeken en verlangen naar de verwezenlijking harer hoogste idealen.
Wat is de Graal?
Vele antwoorden zijn op deze vraag gegeven; wij willen er voorloopig slechts twee noemen, welke de meening weergeven van twee der toonaangevende geleerden op dit gebied.
Professor Alfred Nutt, de schrijver van het bekende werk: "Studies in the Legend of the Holy Grail", Londen 1888, is van meening, dat de oorsprong van den Graal te vinden is in de mythologie der oud-Iersche Kelten, waar wij veelvuldige vermelding vinden van wonderbaarlijke talismans, welke den bezitter een onuitputtenlijken overvloed verschaffen van al, wat hij zich wenscht. Eén van die talismans is een wonderketel, welke voedsel verschaft tot in het oneindige: hij is het zinnebeeld van vruchtbaarheid en overvloed. In de oud-Iersche mythologie, waarvan Professor Nutt eene bijzondere studie heeft gemaakt en die hem de verklaring heeft doen vinden van veel, dat tot nu toe duister was in de geschiedenis der Arthur-sagen, is het beeld van dien wonderketel nauw verbonden aan dat van een zwaard, een speer en een kostbaren steen. Zoo meent dus Professor Nutt den oorsprong van den Graal te vinden in de heidensche godenleer der oude Kelten; het Christelijk karakter van den Graal is volgens hem eerst van lateren datum.
Geheel anders denkt Professor A. Birch-Hirschfeld erover, de schrijver van "Die Sage vom Gral", Leipzig 1877. Volgens hem is de Graal van den aanvang af een zuiver Christelijk zinnebeeld geweest, al mogen de eigenschappen, welke eraan verbonden waren, eenige overeenkomst vertoonen met die van voorwerpen uit de oude volksoverleveringen.
Jessie Weston, de schrijfster van een zeer belangwekkend werk: "The Legend of Sir Perceval", Grimms Library, vol. XVII, London, D. Nutt 1906, is evenals Prof. Nutt de meening toegedaan, dat de Graal van heidenschen oorsprong is en eene rol speelde in de natuur-eeredienst, welke in de Britsche eilanden vóór de tijden van het Christendom in zwang was.
Wij spraken over "de Graal-sage", doch feitelijk bestaat er eene geheele reeks van Graal-sagen, welke gesplitst kan worden in twee groepen: de sagen, die tot onderwerp hebben: het zoeken van den held naar den heiligen wonderschotel en zij, die den oorsprong en den aard van den Graal beschrijven.
Het beroemdste werk uit de eerste groep is wel het oud-Fransche gedicht: "Perceval ou Le Conte del Graal", geschreven door Chrétien de Troies tusschen de jaren 1150 en 1180. De Graal wordt hier beschreven als een tooverschotel, maar de dichter wenscht blijkbaar zijne lezers in spanning te houden aangaande het eigenlijk wezen van dien schotel. Ongelukkigerwijze is hij nooit toegekomen aan de oplossing van dit raadsel; zijn gedicht is onvoltooid gebleven. Drie andere dichters: Wauchier de Denain [53], Manessier en Gerbert hebben getracht, zijn werk te voltooien; zij schreven tusschen de jaren 1190 en 1240. Op het werk van deze dichters hopen wij nader terug te komen. Behalve hunne gedichten moeten wij nog eenige andere werken noemen, welke eveneens het zoeken van den Graal tot onderwerp hebben. In de eerste plaats den beroemden "Parzival", van den Beierschen dichter Wolfram von Eschenbach, geschreven omstreeks het jaar 1200 op zijn burcht Wildenberg. Wolfram ontleende zijne stof aan het werk van een Provençaalsch dichter: Kyot of Guiot. Verder noemen wij eene proza-vertolking uit Wales, die te vinden is in den reeds meermalen genoemden "Mabinogion" en waarvan het handschrift dagteekent uit de 13e eeuw. Als levensbeschrijving van Parcival noemen wij in dit verband nog: "Sir Percyvelle", een Middel-Engelsch gedicht, geschreven omstreeks het midden der 15e eeuw, waarin echter geene melding wordt gemaakt van den Graal.
Tot de tweede groep, welke zich bezig houdt met eene beschrijving van den aard en de herkomst van den Graal, behoort allereerst een oud-Fransch proza-werk: "Le Grand St. Graal", waarvan de schrijver onbekend is gebleven. [54] Vervolgens eene trilogie, vermoedelijk van de hand van Robert de Borron, welke geschreven werd tusschen de jaren 1170-1212. De drie deelen, welke in één handschrift voorkomen, zijn: 1 Joseph d' Arimathie, 2. Merlin en 3 de zoogenaamde Didot-Perceval, een proza-werk, zoo genoemd omdat het eenige handschrift, waarin het wordt aangetroffen, toebehoorde aan den bekenden verzamelaar van manuscripten A. F. Didot. [55]
Over het feit, of dit derde en laatste deel ook van de hand van Borron is, zijn de geleerden verschillenden meeningen toegedaan. Gaston Paris, Professor Birch-Hirschfeld en Jessie Weston betoogen met klem, dat wij inderdaad Borron als den schrijver van de drie romantische werken moeten beschouwen, Prof. Alfred Nutt is van eene tegenovergestelde meening.
Als derde werk over den oorsprong van den Graal noemen wij: "Perceval le Gallois", een Fransch proza-werk, geschreven voor een zekeren Jean, Heer van Nesle, in Vlaanderen, die leefde in het begin der 13e eeuw. Dit werk wordt thans veelal "Perlesvaus" genoemd, de eerstgenoemde naam was die, welken de eerste uitgever M. Potvin eraan gaf. Het werk werd in het Engelsch vertaald door Dr. Sebastian Evans onder den titel: "The High History of the Holy Grail." [56]
Ten slotte verdient hier vermelding de proza-roman "La Quête del St. Graal", waarin de held niet langer Parcival is, maar Galahad. De oorzaken dezer verwisseling bespreken wij hieronder nader. De schrijver van dit werk is Walter Map, wiens invloed op de Arthur-sagen wij elders in deze inleiding nog nader zullen toelichten. Uit dit werk putte Thomas Malory voor de wedergave der Graalsage, welke wij aantreffen in zijn "Morte d' Arthur".
De meeste van bovengenoemde verhalen stemmen overeen in de beschrijving van den Graal als een wondervoorwerp van heilige, Goddelijke herkomst. Sommige schrijvers zeggen, dat het de beker was, waaruit Christus dronk aan het laatste Avondmaal, anderen zien erin den schotel, waarin Jozef van Arimathea het bloed opving, dat uit de wonden van Christus druppelde, toen Deze aan het kruis hing. In Wolfram's gedicht is de Graal een steen, welke hem of haar, die hem ziet, het eeuwige leven en de eeuwige jeugd kan schenken; in andere gedichten lezen wij hoe de Graal het vermogen bezit om voedsel te verschaffen aan een groot aantal menschen. Over de verschillende theorieën omtrent den eigenlijken oorsprong van den Graal werd hierboven reeds met een enkel woord gesproken.
Er zijn drie ridderfiguren, die in den loop der tijden door de dichters en schrijvers tot Graalheld werden uitverkoren: Walewein, Parcival en Galahad. Tegenwoordig wordt algemeen als stellig aangenomen, dat de oorspronkelijke held der Graal-sage Walewein moet zijn geweest. Als zoodanig komt hij voor in de vertolking door Bleheris [57], welke Wauchier de Denain, den eersten voortzetter van Chrétien's werk, tot bron diende en welke beschouwd wordt als de oudste vorm van de Graal-sage.
In de werken van de andere navolgers van Chrétien nemen de avonturen van Walewein eene bijkans even voorname plaats in als die van Parcival. De laatste is, zooals wij zullen zien, de held in Wolfram von Eschenbach's gedicht, evenals in de meeste andere Graal-verhalen. Hij wordt meestal voorgesteld als zijnde de kleinzoon van Brons, welke laatste de zwager was van Jozef van Arimathea en deze verwantschap maakt onzen held voorbestemd om den Graal te vinden en te behouden.
Volgens Jessie Weston dagteekent de verwisseling van Walewein en Parcival dan ook uit den tijd, toen de Graal-sage aangepast werd aan de beginselen der Christelijke kerk. Dat de persoon van Walewein nauw verbonden zou zijn met de vage overleveringen van een ouden en mystieken eeredienst, is waarschijnlijk. Toen de sage, welke uit deze overleveringen ontstond, dienstbaar werd gemaakt aan christelijk-godsdienstige doeleinden, was hij daarin niet langer op zijne plaats.
In de eerste Parcival-Graal-verhalen, waartoe ook Wolfram's "Parzival" behoort, wordt de held ons geteekend als eene zuiver menschelijke figuur, die wel is waar eene Goddelijke roeping heeft ontvangen, doch wiens fouten en zwakheden hem bij het vervullen van die hooge roeping in den weg staan en wiens hart verdeeld wordt tusschen den drang naar het vervullen van zijne taak en het verlangen naar Condwiramur, zijne jonge vrouw.
In de latere werken, zooals de "Quête", de "Didot-Perceval" en "Perceval le Gallois" zien wij het ascetische element steeds meer op den voorgrond treden. Dit werd sterk bevorderd door de geestelijkheid, die in de Graal-sage een welkom middel zag voor het verspreiden van hare leerstellingen aangaande onthouding en zelfbeproeving, welke een tegenwicht moesten vormen voor de heerschende weelde en bandeloosheid.
Als gevolg van dezen sterken invloed der geestelijkheid, die eene nieuwe strooming teweegbracht in de letterkunde der Middeleeuwen, treedt in het zoo juist genoemde drietal Graal-romans naast of in de plaats van Parcival een nieuwe held op den voorgrond: Galahad. Deze wordt ons beschreven als een vlekkeloos-reine jongeling, die aan Arthur's hof komt, waar hij, door een zwaard uit een drijvenden steen te trekken, het bewijs levert, dat hij de edelste onder de ridders is, en dus voorbestemd om den Graal te vinden; hij gaat met hart en ziel op in zijne verheven taak om den Graal te veroveren en is door geene banden aan zijne medemenschen gebonden.
Wij treffen hem, zooals wij reeds zeiden, als Graal-held aan in de "Quête", welk werk een deel uitmaakt van den grooten, oud-Franschen proza-roman: "Lancelot", dien wij in de Inleiding tot de sage van Lanceloet en Elaine reeds noemden.
Galahad is de zoon van Lanceloet en door die afstamming is de band gelegd tusschen laatstgenoemden held en den Graal. Sedert eenigen tijd had men gevoeld, dat men Lanceloet, den befaamdsten ridder van Arthurs hof, niet buitengesloten kon houden, waar het betrof het meest verspreide en beroemd geworden avontuur: het zoeken naar den heiligen Graal. Lanceloet zelf kon op dien tocht echter niet slagen ten gevolge van zijne zondige liefde voor Ginevra. Evenmin kon hij die liefde prijsgeven, daar dan een der meest geliefde thema's voor het maken van liederen en gedichten zou komen te vervallen.
De oplossing was deze: niet hij zelf, maar zijn zoon zou de held van het Graal-avontuur worden. Natuurlijk kon deze zoon niet een kind zijn van Ginevra, doch men deed hem geboren worden uit eene verbintenis, welke op bovennatuurlijke wijze tusschen Lanceloet en de dochter des Graal-konings tot stand was gekomen. Deze reine jonkvrouw werd de moeder van Galahad en zoodoende kunnen de latere Graal-verhalen beschouwd worden eene verheerlijking te zijn van het geslacht van Lanceloet. Op deze wijze worden twee onafhankelijke en geheel verschillende sagen, die van Lanceloet en die van den Graal te zamen gebracht. Dat dit niet geschieden kon, zonder de oude verhalen geweld aan te doen, spreekt vanzelf, wanneer men bedenkt, hoe geheel verschillend van inhoud en strekking de beide zijn. Galahad, juist door zijne geestelijke volmaaktheid, ontneemt aan de Graal-sage die eigenschappen, welke haar in het geval van den oorspronkelijken held zoo aantrekkelijk maakten. Bij Galahad is er geen sprake van eenigen twijfel omtrent de hooge roeping, waartoe God hem heeft uitverkoren. Hij groeit op, als het ware in de schaduw van den wonderschotel en is van zijne prilste jeugd af vertrouwd met de nauwe betrekking, waarin deze tot hem staat. Maar juist door zijne bekendheid met de taak, die hem is opgelegd, missen wij in het verhaal zijner lotgevallen datgene, wat ons in de levensbeschrijving van Parcival zoo weet te boeien: het lijden en strijden van den mensch, die streeft naar innerlijke volmaking, die in zijne onwetendheid het goede oogenblik om te handelen ongebruikt voorbij laat gaan en eerst na eene lange worsteling met zuiver menschelijke zonden en verleidingen waardig wordt bevonden het goddelijk mysterie, dat in den Graal wordt belichaamd, te aanschouwen.
De proza-roman: "Lancelot" moet oorspronkelijk bestaan hebben uit vier deelen, waarvan het eerste verloren is geraakt. De drie bestaande deelen zijn: 1e de eigenlijke "Lancelot"; 2e de "Quête del St. Graal" en 3e de "Morte Artus". Het werk wordt toegeschreven aan Walter Map, een geestelijke en geleerde aan het hof van Hendrik II van Engeland (1154-1189). Het was het streven van den schrijver om door de toevoeging der Graal-legende eene diepere, geestelijke beteekenis te geven aan de oude verhalen. Hoezeer hij zich ook als hoveling en man van de wereld kon verlustigen in de veelvuldige beschrijvingen van schitterende hoffeesten en tournooien, welke wij in de oude ridderverhalen aantreffen, toch miste hij daarin de godsdienstige strekking, welke die sagen in overeenstemming zou kunnen brengen met den geest der Christelijke samenleving uit die dagen. De sage van den heiligen Graal moest dienen om den samenhang tusschen de Arthur-verhalen en de nieuwe Christelijke denkbeelden te bewerkstelligen.
Zooals hierboven reeds vermeld werd, vinden wij eene wedergave van het Graal-verhaal uit de "Quête" in Thomas Malory's "Morte d' Arthur". Ook hier is de held Galahad, evenals in Tennyson's Koningsidylle "The holy Grail", waarvoor de dichter Malory's werk als bron heeft gebruikt. Wel brengt hij er eenige wijzigingen in aan, teneinde de allegorische beteekenis zijner Idylle nog sterker te doen uitkomen.
Wij willen thans met een enkel woord melding maken van de meeningen der verschillende geleerden omtrent het ontstaan der Parcival-sage en hare samensmelting met de sage van den Graal. Hunne houding wordt bepaald door het standpunt, waarop zij zich plaatsen ten opzichte van het ontstaan der Arthur-sagen in het algemeen. Ook hier staan de twee partijen lijnrecht tegenover elkander: de Fransche, Amerikaansche en Engelsche geleerden met aan het hoofd mannen als: Gaston Paris, [58] Ferd. Lot, Kittredge en Schofield en Alfred Nutt [59], zijn de meening toegedaan, dat de oorsprong der Arthur-sagen en dus ook van het Parcival-verhaal te vinden is in de oude, Keltische overleveringen der Britsche eilanden, welke volgens G. Paris bewaard zijn gebleven door de sagenvertellers van Wales, de beroemde "conteurs gallois" [60], die ze aan het hof van Willem den Veroveraar voordroegen, waar zij door de Normandische en Fransche dichters met ijver werden overgenomen. Eveneens werden zij volgens hem door de rondreizende zangers en harpspelers verspreid, ook op het vasteland, onder de Keltische stamgenooten in Bretagne en in de kasteelen der Fransche edelen in het naburige Normandië, tot zij ook daar door middel van Normandisch-Fransche vertalingen binnen het bereik kwamen van Fransche dichters als Chrétien de Troies. Gaston Paris neemt als stellig aan het bestaan eener groep van Anglo-Normandische gedichten, welke de verbindingsschakel moet hebben gevormd tusschen de oud-Keltische verhalen en de bestaande Fransche gedichten. Van die Anglo-Normandische gedichten is echter geen enkel werk bewaard gebleven, waaruit zijne tegenstanders de gevolgtrekking maken, dat zij er ook nimmer geweest zijn. De bovengenoemde partijgenooten van Paris, deelen over het algemeen zijne inzichten, al leggen zij meer den nadruk op het eerstgemelde punt: het ontstaan der verhalen uit Keltische volksoverleveringen. Alfred Nutt en de Amerikaansche school van Kittredge en Schofield zoeken den oorsprong dier overleveringen meer bepaaldelijk onder de oud-Iersche volksverhalen en mythologie.
De Duitsche geleerden, onder aanvoering van Professor Wendelin Foerster, den bewerker der beroemde, critische uitgave van Chrétien's gedichten, en Professor Golther, willen van het ontstaan der Arthur-sagen op de Britsche eilanden niets weten. Volgens hen zijn de schamele historische overleveringen betreffende den persoon van Arthur het eenige, dat Wales ons inzake het ontstaan van den Arthur-cyclus kan aanbieden. De romantische sagenkring, welke zich om hem en zijn hof vormde, ontstond, meenen zij, uitsluitend in Bretagne, dus op het vasteland, waar Chrétien de Troies de eerste was om de sagen in dichtmaat te bezingen. [61] Wat de Parcival-Graal-sage in het bijzonder aangaat, zijn deze beide geleerden van meening, dat wij in Chrétien den oorspronkelijke schepper hiervan moeten zien. Deze bewering te weerleggen is het hoofddoel van Jessie Weston's reeds genoemde studie: "The Legend of Sir Perceval". Zij komt hierin tot de slotsom, dat de oorsprong van den Graal oneindig veel dieper is gelegen en dat wij om dien te vinden, terug moeten gaan tot de tijden lang vóór de prediking van het Christendom. De schrijfster is van meening, dat Chrétien de sage in haren oudsten vorm nooit heeft gekend, dat deze den dichter eerst in haar tweede stadium, toen Parcival reeds de held was en het verhaal reeds eene Christelijke strekking had verkregen, ter oore is gekomen en hij dus geen recht heeft, om, zooals de Duitsche geleerden dit wenschen, als de schepper van het verhaal beschouwd te worden.
Onderstaande behandeling van de Parcival-sage is in hoofdzaak ontleend aan Wolfram von Eschenbach's "Parzival". Slechts werden eenige bekortingen aangebracht: zoo is het verslag van Walewein's avonturen, hetwelk niets met den verderen loop van het verhaal uitstaande heeft, weggelaten. Verder vindt men den Graal, welke door Wolfram wordt voorgesteld als een steen, hieronder beschreven onder den meer gebruikelijken vorm van een schotel.
In Wolfram's gedicht vinden wij eene zuivere voorstelling van het symbolische karakter, dat de Graal door alle tijden heen, zij het onder telkens wisselenden vorm, heeft gehad. De wonderschotel is daarin het zinnebeeld van het ongeziene in het leven, waardoor het zuiver-menschelijk streven in ons wordt wakker geroepen om door te dringen tot dat, wat wij achter de zichtbare wereld verborgen voelen. Het is de bedoeling van den dichter om ons een beeld te geven van 's menschen pogen het vergankelijke leven in aanraking te brengen met dat, wat ons het eeuwig voortbestaan belooft.
DE SAGE VAN PARCIVAL EN DEN HEILIGEN GRAAL.
...So unselig-selig strebt Jeder hier, so lang er lebt, Sucht und drängt nach seinem Gral. Jeder Mensch ist Parzival!
(Parzival, ein Abenteurerroman erzählt von Will Vesper.)
_Hoe prins Gamuret uit zucht naar avontuur de wereld introk en in den strijd het leven liet._ Prins Gamuret, de tweede zoon van den koning van Anjou, was gehuwd met Herzeleide, de jonge koningin van Noord-Wallis en Valois. Het erfdeel, dat hem als jongeren zoon bij den dood zijns vaders werd toegewezen, bestond uit eenige sterke burchten, omringd door welige landerijen, die voldoende opbrachten om hem een bestaan te doen voeren, een koningszoon waardig. Een tijd lang leefde hij zeer gelukkig met zijne jonge gemalin op één zijner kasteelen, waar hij open tafel hield voor de ridders uit den omtrek en zich naar hartelust overgaf aan de genoegens van jacht en ridderspel.
Na eenigen tijd begon dit leven van niets doen hem echter te vervelen. Van zijn vader had hij diens onrustigen, avontuurlijken aard geërfd, welke hem reeds als jongen knaap de wijde wereld had ingedreven. Voor eene wijle had de liefde tot Herzeleide hem weten te binden aan zijn geboorteland, maar op den duur kon hij het daar niet uithouden, al sterker en sterker pijnigde hem het verlangen opnieuw de wereld in te trekken.