Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 38
Op zekeren dag echter gebeurde er iets, dat Lanceloet uit zijne stemming van gedruktheid opwekte. Lavaine, die naar Camelot was gereden om aldaar eenige inkoopen te doen, keerde terug in gezelschap van Heer Bors! De laatste had reeds eenigen tijd in den omtrek der stad rondgezworven, in de hoop eenig bericht omtrent Lanceloet in te winnen. Reeds wanhoopte hij er aan iets aangaande hem te vernemen, toen hij plotseling dien middag Lavaine was tegengekomen, wiens voorkomen hij zich meende te herinneren. Hij had niet gerust, alvorens de jongeling beloofd had, hem naar Lanceloet te zullen brengen en zoo knielde hij dan spoedig daarna aan het leger van zijn zieken vriend en gaf zijn hart lucht in een vloed van berouwvolle woorden. Lanceloet weigerde echter zijne betuigingen van spijt te aanvaarden. Hij zelf, zoo beweerde hij, was immers de oorzaak van zijn ongeval. Door zijne vrienden in den waan te brengen, dat hij een vreemdeling was, had hij zich aan hunne aanvallen blootgesteld en hij zou de laatste zijn, hun daarvan een verwijt te maken. Om de aandacht van Heer Bors van zijn eigen persoon af te leiden, ondervroeg hij hem naar de gebeurtenissen aan het hof en vernam zoodoende, dat de koning een nieuw tournooi had uitgeschreven, hetwelk gehouden zou worden op het feest van Allerheiligen.
Het scheen, of dit bericht onzen held nieuw leven schonk; terstond gaf hij den wensch te kennen om zoo mogelijk aan dit steekspel deel te nemen en weldra was hij met Bors en Lavaine in geestdriftige besprekingen verdiept aangaande de kansen der ridders, die zich volgens Bors reeds beschikbaar hadden gesteld. Van dien dag af aan nam zijne beterschap met rassche schreden toe en weldra was het oogenblik gekomen, waarop hij voor 't eerst zijne krachten zou beproeven. In volle wapenrusting steeg hij te paard en liet het dier allerlei sprongen maken om zijne eigen krachten op de proef te stellen. Maar helaas! hij waagde teveel; door de ongewone inspanning ging zijne nauwelijks geheelde wonde weer open en begon hevig te bloeden. In zijn ijver bemerkte hij niet, wat er geschied was, tot hij plotseling door eene duizeling overvallen werd en bewusteloos van zijn paard stortte.
Hevig ontsteld snelden Elaine en de kluizenaar op het hooren van den slag toe, en overlaadden Bors en Lavaine, die beteuterd stonden toe te zien, met de hevigste verwijten, dat zij hun vriend niet van eene dergelijke roekeloosheid hadden teruggehouden. Toen Lanceloet weer uit zijne bezwijming ontwaakt was en opnieuw op zijn rustbed lag uitgestrekt, ried de wijze heremiet hem aan om voorloopig van deelname aan het tournooi af te zien en Heer Bors alleen te laten vertrekken. Na eenig aarzelen gaf onze held toe en spoedig daarop nam de brave Bors afscheid en keerde terug naar het hof, waar hij zijn vorst uitvoerig verslag uitbracht van de omstandigheden, waaronder hij zijn vriend had aangetroffen. Hoezeer het koning Arthur ook speet zijn geliefden ridder voorloopig niet te zullen zien, toch verheugde hij zich over het feit, dat hij althans in leven was en zich in goede handen bevond.
Koningin Ginevra luisterde met kalm en onbewogen gelaat naar het verhaal van Heer Bors. Tusschen de wijde plooien van haar kleed krampten zich hare handen in woede samen, toen zij hem in geestdriftige bewoordingen het aanvallige wezen en de liefderijke zorgen van Elaine hoorde prijzen, maar zij zeide niets. Even werd haar hart geroerd, toen zij vernam, hoe Lanceloet al zijne krachten had ingespannen om op het tournooi van Allerheiligen tegenwoordig te kunnen zijn, maar de booze stem der achterdocht fluisterde haar toe, dat hij zulks alleen gedaan had om opnieuw met het geschenk zijner nieuwe geliefde op den helm in het perk te kunnen treden. Gehoor gevend aan die stem verbande zij alle zachtere gevoelens uit haar hart en verleende de kwade machten van wrok en bitterheid daarin vrijen toegang.
Het steekspel, dat op Allerheiligen te Londen gehouden werd, behoefde, ondanks het minder gunstige jaargetijde, in pracht en praal niet onder te doen voor het tournooi van Maria Hemelvaart. Onder de vele koene ridders, die eraan deelnamen, onderscheidden zich bovenal Heer Walewein en Heer Bors door hunne schier ongeloofelijke stoutmoedigheid. Zoodra de feestelijkheden, aan het steekspel verbonden, afgeloopen waren, spoedde Bors zich naar de verblijfplaats van Lanceloet om zijn vriend verslag uit te brengen over het gebeurde. Deze was thans geheel hersteld en verlangde er vurig naar om in het gewone leven terug te keeren. Het duurde dan ook niet lang, of de dag van zijn vertrek werd bepaald. Na een dankbaar afscheid van den goeden kluizenaar te hebben genomen, aanvaardde het viertal de reis naar Astolat, waar Heer Bernard zijne kinderen en de beide ridders met vreugde welkom heette. Maar ook hier wenschte Lanceloet niet lang te vertoeven; hij snakte terug naar de omgeving van het hof, naar zijne vrienden en kennissen, zijne dagelijksche plichten en bezigheden en bovenal--naar de koningin! Vóór alle dingen wenschte hij zich tegenover haar te rechtvaardigen; uit de verhalen van Bors had hij maar al te goed begrepen, dat Ginevra vertoornd op hem was en de gedachte van in hare oogen een onwaardige te schijnen, was hem ondragelijk.
In zijne haast om weg te komen had hij weinig acht geslagen op zijne omgeving en dus niet bemerkt, hoe Elaine met den dag stiller en bleeker werd. Haar vader en hare broeders bemerkten wel de verandering, die over haar gekomen was, maar schreven die toe aan de vermoeienis en inspanning der laatste weken.
Indien Heer Bernard al een ander vermoeden omtrent de oorzaak van haar lijdend uitzien koesterde, zoo verborg hij dit in 't diepst van zijn hart en waagde het niet, er over te spreken.
_Hoe Elaine, tot wanhoop gedreven, Lanceloet hare liefde bekende._ De dag van Lanceloet's vertrek was aangebroken, een van die wonderschoone, late herfstdagen, die het den mensch zoo moeilijk maken, zich met de gedachte aan den scheidenden zomer te verzoenen. Vroeg in den morgen was Lanceloet, dien de opwinding over het naderend wederzien met zijne geliefde reeds vroeg uit den slaap had gewekt, den rozentuin ingedwaald, welke ter zijde van het kasteel was gelegen. Hier hadden tijdens zijn eerste bezoek aan het slot de rozen gegeurd en gebloeid, thans waren de struiken kaal, slechts een enkel knopje stak bedeesd tusschen de takken omhoog, maar verder was het met groeien en bloeien gedaan. Het stervende jaargetijde had zijn stempel gedrukt ook op dit plekje grond; dorre bladeren lagen overal verspreid en blauwige nevelsluiers hingen tusschen de boomen. Lanceloet liep peinzend tusschen de ontbladerde rozenstruiken op en neer. Een gansche zomer was dus voorbijgegaan, sinds hij zich hier had gereed gemaakt om aan het tournooi van Camelot deel te nemen. Een ganschen zomer met zijne reeks van zonnige dagen en lauwe sterrennachten had hij in ballingschap doorgebracht, ver van het hof en zijne vrienden, ver van zijne geliefde! Zijne gedachten vlogen terug naar vorige zomers en zóó zeer raakte hij in zijne herinneringen verdiept, dat hij niet bemerkte, hoe iemand met lichten tred het pad kwam oploopen, waar hij zich bevond. Eerst toen eene hand zich schuchter op zijn arm legde, schrikte hij op uit zijne overpeinzingen. Zich haastig omkeerend, bemerkte hij Elaine, die vóór hem stond en hem recht in de oogen zag met een blik, zóó innig droevig en smeekend, dat hij er van ontstelde. Hij wilde iets zeggen, om de pijnlijke stilte te verbreken, maar tegen hare gewoonte in, was het meisje hem vóór en begon op smartelijken toon: "Het is dus waar, dat gij ons verlaten wilt, om naar het hof terug te keeren! Ik heb steeds gehoopt en gebeden, dat het niet waar mocht zijn en dat gij nog op uw besluit zoudt terugkomen of althans niet van hier zoudt gaan, vóór gij door een enkel woord de onrust uit mijn hart verdreven hadt. Nu echter het oogenblik van scheiden is gekomen, zonder dat gij dit woord hebt gesproken, moet ik zelve spreken. Daarom smeek ik u, neem mij met u mede naar Londen, naar Camelot, waarheen gij maar wilt, doch laat mij niet alleen hier achter om van verlangen naar u te sterven. Hebt gij het dan niet begrepen, in al die dagen, in al die lange weken, dat ik aan uw ziekbed zat om te trachten u in het leven te houden? Kondt gij dan niet voelen, hoe ik u liefheb met eene liefde, die geene grenzen kent, en moet ik het u met eigen mond zeggen? Welnu dan, luister! Ik bemin u, u en geen ander en wanneer gij mij geene wederliefde schenken kunt, moet ik sterven!"
Herhaalde malen had Lanceloet gepoogd den stroom van hare woorden te stuiten, maar zij luisterde niet naar wat hij zeide. Hare stem, aanvankelijk zacht en bevend, werd sterker naarmate zij voortging met spreken en bij de bekentenis harer liefde klonk zij vast en helder.
Toen zij zweeg en ook Lanceloet, ten prooi aan zijne aandoeningen, niet bij machte was te spreken, heerschte er een oogenblik volmaakte stilte, daarna was het met Elaine's zelfbeheersching gedaan; zij verborg het hoofd in hare beide handen en barstte uit in een hartstochtelijk weenen. Hare tranen gaven Lanceloet zijne kalmte terug.
Liefderijk legde hij zijne hand op het gebogen hoofd van het meisje en sprak bedarend: "Ween niet, Elaine. Ik ben diep geroerd door wat gij mij hebt toevertrouwd en ik smeek u, mij te gelooven, als ik u zeg, dat ik op uwe bekentenis in 't geheel niet was voorbereid. Nooit heb ik kunnen vermoeden dat gij dergelijke gevoelens voor mij koesterdet. Wees er echter van overtuigd, dat ik de eer, die ge mij toekent, niet waardig ben, trouwens," zoo ging hij haastig voort, daar hij zag, dat zij hem heftig in de rede wilde vallen, "zelfs al ware dit zoo, dan nog zou ik niet op uwe woorden mogen ingaan. Ik zal nooit, versta mij wel, nooit een huwelijk aangaan!"
"Dat vraag ik ook niet," viel Elaine hartstochtelijk in, "zoo ik slechts bij u mag zijn, zoo ge mij slechts mee wilt nemen en mij toe wilt staan u lief te hebben, u in de oogen te zien en u te dienen als eene nederige dienstmaagd. Meer vraag ik niet, meer zou ik niet durven vragen!"
Tot in 't diepst van zijne ziel getroffen, nam Lanceloet hare bevende handjes in de zijne en sprak ernstig: "Dat kan en mag ik niet toestaan, Elaine! Ware het niet, dat de eerbied, dien ik voor u koester, mij ervan terughield, dan nog zou ik moeten bedenken, op welk eene schandelijke wijze ik daardoor de gastvrijheid en vriendschap, mij door uw vader bewezen, zou beloonen. Maar luister naar mij, die zooveel ouder ben dan gij! Ge zijt jong en schoon; eens zult gij de liefde leeren kennen in al haar rijkdom en volheid. Niet een man als ik, die bijkans uw vader kan zijn in jaren, maar een jongeling van gelijken leeftijd en aanleg als gij zal uw hart weten te veroveren. Hij zal u vereeren en liefhebben; hij zal u dienen als zijne vorstin en door hem zult gij het ware geluk vinden. Wat mijzelve betreft, ik wil steeds uw trouwe dienaar blijven en u met raad en daad bijstaan, waar en wanneer ik kan. Nooit zal ik u kunnen vergelden, wat gij voor mij gedaan hebt, maar ik zal uwe liefderijke zorgen nimmer vergeten. Mocht het toeval willen, dat de uitverkorene uws harten niet rijk is aan geld en goed, zoo wil ik hem eene jaarlijksche uitkeering schenken om hem in staat te stellen, met u te leven, zooals dit aan uw rang en stand past. Geloof mij en wees niet bedroefd, wanneer ik u zeg, dat gij mij eens dankbaar zult zijn voor mijne woorden, al mogen zij u thans wreed en ongevoelig toeschijnen!"
Elaine sprak geen woord; zij zag Lanceloet slechts aan met groote, droeve oogen en bij het zien van dien smartelijken blik werd het den ridder bang om het hart. Toch mocht hij niet anders handelen. Met een paar vriendelijke afscheidswoorden verliet hij den rozentuin en begaf zich met haastige schreden naar zijne vertrekken. Hij wenschte niets liever dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken om te ontsnappen aan dien smeekenden blik, die hem met bange voorgevoelens vervulde.
Elaine staarde hem na, tot hij in het slot verdwenen was, toen eerst drong het besef van wat er gebeurd was tot haar door. Zij had Lanceloet hare liefde bekend en hij had geweigerd die aan te nemen. Hare arme, moede hersenen pijnigden zich tevergeefs af om eene oplossing voor zijn gedrag vinden. Had hij haar dan niet gezegd dat zij schoon was? Had hij haar geschenk niet op zijn helm gedragen, hij, die dit nog nooit voor eenige vrouw ter wereld gedaan had? En toch had hij haar niet lief? Maar waarom had hij haar dan aangezien met dien eigenaardigen blik in zijne donkere oogen? Waarom had zijne stem zachter en vriendelijker geklonken, telkens, wanneer hij het woord tot haar richtte? Of--had zij zich dit alles slechts verbeeld? De gedachte aan die mogelijkheid deed haar de oogen sluiten; eene plotselinge duizeling overviel haar--angstig strekte zij de handen om steun zoekend voor zich uit en viel bewusteloos neer. Toen hare oude voedster eenigen tijd daarna in den tuin kwam om haar voor den ochtendmaaltijd in huis te roepen, vond zij hare lieveling tusschen de kale rozenstruiken op den grond liggen, met doodsbleek gelaat en gesloten oogen. Eerst na langen tijd gelukte het de trouwe dienares haar uit hare diepe bezwijming te doen ontwaken.
Eenige uren later verliet Lanceloet in gezelschap van Lavaine, die verlof had gevraagd hem naar het hof te mogen vergezellen, het kasteel om de terugreis naar Londen te aanvaarden. Bij zijne aankomst in het paleis werd hij door den koning en het gansche hof met uitbundig vreugdebetoon begroet, alleen de koningin was koud en strak en verwaardigde hem na de eerste begroeting met geen blik. Hoezeer Lanceloet leed onder haar grievende houding, laat zich niet gemakkelijk beschrijven. Hij poogde tevergeefs een onderhoud met haar te verkrijgen; steeds wist zij dat op behendige wijze te ontwijken. Eindelijk riep onze held zijn trots te hulp om hem over de kwelling van deze onrechtvaardige behandeling heen te helpen. Hij had zich in geen enkel opzicht iets te verwijten; de schijn was weliswaar tegen hem, maar wat beteekende Ginevra's liefde, als zij zich daardoor zoodanig liet beïnvloeden, dat zij hem zelfs geene gelegenheid wilde schenken zich te rechtvaardigen? Liefde zonder wederzijdsch vertrouwen was immers geene liefde? Hoe dikwijls had Ginevra het trouwens al moeten ondervinden, dat haar wantrouwen ongegrond was, het was immers niet de eerste maal, dat zij zich door hare achterdocht had laten meesleepen!
Van nu af aan ging Lanceloet rustig zijn eigen weg en vermeed het bijzijn der koningin zooveel hij kon; hij was overtuigd, dat de loop der gebeurtenissen hem tegenover haar in het gelijk zou stellen.
_Van Elaine's dood en hoe zij in een bootje werd gelegd, dat haar naar het paleis des konings bracht._ In het kasteel Astolat, in haar eenzaam torenkamertje lag Elaine weg te kwijnen. Wat zij tot Lanceloet gezegd had en wat deze had opgevat als eene uiting van jeugdige wanhoop, bleek maar al te waar: zonder hem kon zij niet leven. Haar gestel, dat door de zware verpleging en de lange tochten van en naar het woud geheel was uitgeput, kon dezen schok niet verdragen en zij had het gevoeld, zoodra men haar in haar eigen kamertje had neergelegd--zij moest sterven.
Uren lang lag zij onbeweeglijk te staren naar de kale, ontbladerde takken voor haar venster, die door den guren herfstwind heen en weer bewogen werden. Spreken deed zij bijna niet en de opbeurende woorden van haar vader en broeder beantwoordde zij slechts met een matten glimlach.
Toen zij eene week zoo gelegen had, voelde zij haar einde naderen en riep haar vader en Torre bij zich om hun hare laatste beschikkingen mede te deelen. Zij smeekte Heer Bernard hare wenschen in deze getrouwelijk op te volgen en toen hij dit beloofd had, beval zij Torre om pen en papier ter hand te nemen en op te schrijven, wat zij hem zeide. Langzaam, woord voor woord droeg zij hem op, wat hij schrijven moest en toen de brief gereed was, slaakte zij een zucht van verlichting en sprak tot Heer Bernard: "Vader, hoor thans naar mijn verzoek, en bedenk, dat ge mij beloofd hebt dit te zullen eerbiedigen. Ik heb niet lang meer te leven, dat weten wij allen. Ween niet daarover, het is beter zoo, ik ga in vollen vrede mijn einde tegemoet. Wanneer ik dan gestorven zal zijn, zoo verzoek ik u, mij dezen brief in de hand te geven, vóór deze verstijfd zal zijn. Vervolgens vraag ik u mijn lichaam naar de rivier te dragen en het aldaar in eene boot neder te leggen. Laat dit vaartuig dan, met een vertrouwd dienaar als stuurman aan boord, den stroom afdrijven tot het bij het koninklijk paleis te Londen aankomt. Hoe vaak heb ik niet, wanneer wij als kinderen op de rivier aan het roeien waren, mijne broeders gesmeekt daarheen te mogen gaan, ten einde de fraai gekleede edelvrouwen en ridders te kunnen bewonderen, van wie men mij zooveel verteld had. Welnu dan, thans, nu ik hun eene boodschap te brengen heb, zal mijn wensch vervuld worden en eerst wanneer men aldaar mijn schrijven gelezen heeft, zal mijne ziel rust en vrede vinden. Daarom handel naar mijn wensch, wat ik u bidden mag!"
Weenend van smart beloofde Heer Bernard zijn stervend kind in alles hare wenschen te eerbiedigen, doch bezwoer haar, niet aan sterven te denken, maar uit te zien naar eene beterschap, die zeker niet lang op zich zou laten wachten. Elaine echter glimlachte droevig en schudde het hoofd, zij wist maar al te goed, hoe ijdel dergelijke verwachtingen waren.
Twee dagen later, op een fraaien herfstmorgen, stierf zij in de armen van haar vader, het moede hoofdje tegen hem aangeleund.
Groote rouw en droefenis heerschten in het kasteel van Astolat. Als een beeld van stomme wanhoop zaten de graaf en zijn oudste zoon dien geheelen dag bij het lijk van haar, die eens--het leek hun nu zoo lang geleden!--de vreugde van hun huis geweest was en die daar nu zoo stil en vredig lag, met een glimlach om de lippen, als ware de gedachte aan den naderenden dood haar aangenaam geweest.
Den volgenden morgen kleedde hare oude voedster onder snikken en tranen Elaine's tengere lichaam in een kostbaar gewaad van witte zijde en vlijde hare blonde haren als een wijden mantel om haar heen. Zoo legde men haar op eene baar en droeg haar door de velden naar de rivier. Daar lag een vaartuig aan den steiger, bedekt met een kleed van zwart fluweel. Aan het stuur zat een der oudste dienaren van het kasteel; hij was stom, de arme man, maar zijne knippende oogen en bevende mond getuigden, beter dan woorden vermochten, van zijne diepe smart. Behoedzaam legden de graaf en zijn zoon het doode lichaam van Elaine in de boot en bedekten haar tot het middel met een dekkleed van goudbrokaat. Met de ééne hand omvatte zij den brief, in de andere hield zij eene lelie. Zoo zagen ze haar voor het laatst: met een vredigen glimlach op het gelaat, in haar mantel van blonde haren.
Op een teeken van Heer Bernard bracht de oude dienaar het vaartuig in beweging, dat langzaam met den stroom mee de rivier afdreef.
In den namiddag kwamen de trotsche torens van het paleis van Westminster in het gezicht. De tuinen langs de rivier waren echter verlaten en het duurde geruimen tijd, alvorens het vreemde vaartuig iemands aandacht trok. Hij, die het ten slotte bemerkte, was koning Arthur zelve, die zich met zijne gemalin in een vertrek bevond, dat uitzicht had op de Theems. Onder het praten had hij zich naar het venster begeven en tuurde naar buiten in de vallende schemering. Daar bemerkte hij, hoe langs den oever van het park een bootje dreef, waarover een kleed lag gespreid, hetwelk met lange slippen in het water afhing. In het bootje lag iets, maar wat dit was, kon de vorst niet nader onderscheiden. Terstond gaf hij eenigen ridders bevel het vaartuig aan te houden en de zaak nader te onderzoeken. Na korten tijd keerden zij terug, blijkbaar zeer onder den indruk van hetgeen zij gezien hadden. In het vaartuig, zoo meldden zij hun vorst, lag eene doode jonkvrouw, zóó schoon en bevallig, dat zij bijna een wezen uit eene hoogere wereld geleek. Niemand wist, vanwaar zij gekomen was, en de man aan het roer scheen stom te zijn, althans, hij gaf geen antwoord op wat men hem vroeg.
Nu begaven zich de koning en koningin, gevolgd door eene schaar nieuwsgierigen, naar den landingssteiger, en staarden diep ontroerd naar het vaartuig met zijn droeven last. Plotseling maakte koningin Ginevra haar gemaal opmerkzaam op den brief, welken de jonkvrouw in de hand hield. Voorzichtig maakte men hem los en bracht het schrijven naar den koning, die het opende en las:
"Edele Heer Lanceloet! Ik, die men de schoone maagd van Astolat placht te noemen, ben herwaarts gekomen om u voor 't laatst vaarwel te zeggen. Ik had u lief, maar mijne liefde werd door u niet beantwoord en is daardoor mijn dood geworden. Gij vrouwen en meisjes, die dit hoort, weent om mij en bidt voor mijne ziel en ook gij, Heer Lanceloet, bid voor mij, dit is mijn laatste verzoek. God behoede u!"
Ten zeerste geschokt door het droevige tooneel hadden de ridders en edelvrouwen toegeluisterd; toen de koning ophield met lezen, heerschte er eene doodsche stilte, die plotseling verbroken werd door een fluisterend gemompel van: "Lanceloet! Daar komt hij zelve!"
Inderdaad kwam onze held, gevolgd door Lavaine, naderbij getreden om de oorzaak van de ongewone drukte aan den steiger te vernemen. Toen Lanceloet de gestalte van Elaine in de boot ontdekte, deinsde hij een oogenblik achteruit, terwijl schrik en ontsteltenis zich op zijn gelaat afspiegelden. Aller blikken waren op hem gevestigd, maar hij herstelde zich spoedig en wendde zich tot den koning om van hem eene nadere verklaring van dit vreemde schouwspel te vernemen. Daarop reikte Koning Arthur hem den brief.
Toen Lanceloet dien gelezen had, werd hij zeer bleek en staarde eene wijle zwijgend en met een blik vol innig medelijden, naar het gelaat van haar, wier ondergang hij geweest was. Daarna wendde hij zich tot de aanwezigen en sprak: "Sire! en gij allen, die hier tegenwoordig zijt--ik verklaar u op mijn woord van edelman, dat ik niet bij machte ben geweest om deze noodlottige gebeurtenis te verhinderen. Niemand kan meer getroffen zijn door den dood van dit jonge, schoone kind, dan ik, die er de oorzaak van ben geweest. Zij was rein en goed en beminde mij met eene liefde, zooals men die maar zelden ziet. Maar--de gevoelens des harten laten zich niet dwingen, vooral niet wanneer men, zooals ik, zijne eerste jeugd achter zich heeft. Ik roep echter haar broeder Heer Lavaine tot getuige, dat ik nooit aanleiding heb gegeven haar te doen vermoeden, dat ik haar liefde beantwoordde. Meer kan ik niet zeggen!"
Koning Arthur reikte zijn vriend de hand en sprak met bewogen stem: "Wij allen kennen en vertrouwen u. Ware liefde kan niet afgedwongen worden, maar moet als eene natuurlijke bron uit het hart omhoog wellen. Laat ons haar, die daar ligt, naar binnen dragen en laat ons trachten haar eene passende begrafenis te geven; het is het eenige, dat wij doen kunnen!"
Zoo geschiedde het. Lanceloet zelve droeg in zijne sterke armen het doode lichaam de trappen op naar het paleis en legde het op een zacht rustbed neer.