Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 37
Lavaine had thans het onderzoek van zijn paard beëindigd en stelde Lanceloet voor om te vertrekken. Deze was terstond bereid, maar, alvorens hij zich te paard zette, wendde hij zich nogmaals tot het jonge meisje en zeide vriendelijk: "Sta mij toe, u wederkeerig om een dienst te verzoeken. Uw broeder heeft mij zoo juist het schild gebracht, dat uw vader mij zoo welwillend ter leen heeft afgestaan. Mijn eigen schild is thans overbodig geworden, wilt gij het zoo lang voor mij bewaren, tot ik het na afloop van het steekspel in eigen persoon kom terughalen? Niet gaarne zou ik willen, dat het in verkeerde handen geraakte, want het roept de herinnering in mij wakker aan vele roemrijke veldtochten, waarin het mij steeds trouw gediend heeft!"
Vol vreugde nam Elaine het schild in ontvangst, dat Lanceloet haar toereikte.
Een oogenblik later zaten de beide ridders in den zadel en reden na een laatst vaarwel de slotpoort uit. Even dreunde de ophaalbrug onder de hoeven hunner paarden, daarna draafden zij den breeden heirweg op in de richting van Camelot.
Het jonge meisje was hen tot aan de slotpoort gevolgd, daar tuurde zij hen na, leunend op het zware schild, terwijl haar hartje klopte van vreugde en verlangen en in hare ooren nog steeds de woorden weerklonken: "Ware gij het niet geweest, zoo zou ik er zeer zeker niet toe hebben kunnen besluiten!"
Met den weerklank van die woorden in het hoofd, keerde zij langzaam naar het slot terug en besteeg de breede trappen naar haar torenkamertje. Moeizaam torste zij het schild in hare armen; af en toe moest zij even stilstaan, om uit te rusten, maar toch kwam het niet bij haar op, om den zwaren last aan andere handen toe te vertrouwen, voor niets ter wereld zou zij hem hebben afgestaan.
In haar eigen vertrek gekomen, zette zij zich neder in de breede vensternis, het schild op hare knieën. Aandachtig bezag zij het kostbare snijwerk en met eene huivering van angst en nieuwsgierigheid gleden hare vingers over de vele deuken en krassen, welke het in de verschillende gevechten had opgeloopen. Daarbij poogde zij zich voor te stellen, op welke wijze en onder welke omstandigheden die slagen waren toegebracht. Zoo droomde zij van haar held en volgde hem in gedachten op zijn tocht, die hem ook thans weer in het gevaar zou brengen. Telkens, wanneer zij aan het steekspel te Camelot dacht, ging er eene rilling van angst door hare leden; dan klemde zij hare handjes vast ineen en zond een vurig gebed omhoog, waarin zij Maria en alle Heiligen smeekte om haren geliefde in den strijd te beschermen.
Lanceloet en Lavaine hadden intusschen in weinige uren den afstand afgelegd tusschen het kasteel Astolat en Camelot. Aldaar gekomen, vonden zij de stad in groote opwinding over het tournooi, dat den volgenden dag zou beginnen. Het bleek onmogelijk om nog een geschikt onderdak te vinden, daarom besloot Lanceloet den volgenden nacht door te brengen bij een bevrienden kluizenaar in het naburig bosch, in wiens woning hij reeds meermalen gastvrijheid had genoten. Op weg daarheen vertelde hij zijn jeugdigen metgezel, wie hij was, hem tevens verzoekend, zijn geheim te willen bewaren.
Het hooren van zijn beroemden naam maakte diepen indruk op het ontvankelijk gemoed van den jongeling, die, van zijne jeugd af aan, Lanceloet vereerd en bewonderd had en geen vuriger wensch koesterde, dan hem eens, zij het ook van verre, te mogen aanschouwen. En nu reed hij in gezelschap van den held zijner droomen naar Camelot en deze, de beroemde, gevierde ridder behandelde hem als zijn vriend en gaf hem op kameraadschappelijken toon allerlei wenken en raadgevingen voor den komenden strijd.
Bij den kluizenaar aangekomen, vond het tweetal een gastvrij onthaal; reeds vroeg begaven zij zich ter ruste, ten einde den volgenden morgen zoo frisch en krachtig mogelijk in het perk te kunnen verschijnen.
_Van het steekspel te Camelot en hoe Lanceloet gewond werd._ Het tournooi zou gehouden worden op een uitgestrekt weiland aan de rivier. Daarheen begaven zich reeds in alle vroegte de bewoners van Camelot met hunne vrouwen en kinderen. De gansche stad liep leeg; slechts zij, die door ziekte verhinderd waren hunne woning te verlaten, bleven in huis, verder stroomde jong en oud, rijk en arm naar de plaats, waar het lang verbeide feest zou plaats vinden.
De beide partijen der strijdenden stonden reeds aan weerskanten van het perk opgesteld, toen Lanceloet en Lavaine vanuit het woud kwamen aanrijden.
Aan de ééne zijde van het veld bevonden zich koning Arthur en zijne ridders, die gesteund werden door koning Anguish van Ierland en den koning der Schotten; hunne tegenstanders waren de koningen van Noord-Wallis en Northumberland, met hunne ridders en volgelingen.
Lanceloet en zijn metgezel hielden zich schuil achter het geboomte, dat de weide omzoomde om het verloop van den strijd af te wachten. Zij waren namelijk overeengekomen, dat zij zich voegen zouden bij de zwakste partij, onverschillig welke die zijn mocht. Weldra bleek het, dat de tegenpartij van koning Arthur het niet lang zou kunnen volhouden tegen den onstuimigen aanval der Tafel Ronde. Toen Lanceloet zag, hoe de ridders van Wallis en Northumberland langzaam maar zeker het veld moesten ruimen, gaf hij Lavaine een wenk en beiden stortten zich onder luide kreten van aanmoediging in het strijdgewoel.
De uitwerking van hunne deelname aan het gevecht was verbluffend. De ridders, die op het punt waren den strijd op te geven, schepten nieuwen moed en drongen met kracht voorwaarts. Bij de tegenpartij daarentegen veroorzaakte hunne plotselinge verschijning een oogenblik van verwarring, waarvan Lanceloet terstond gebruik wist te maken. Met Lavaine aan zijne zijde joeg hij op zijne tegenstanders los, zijn slagzwaard door de lucht zwaaiend. Verwarring en ontsteltenis verspreidden zich door de gelederen der Arthur-ridders. Met bijkans bijgeloovige vrees zagen zij naar den vreemden ridder met het wapperende, roode kenteeken op zijn helm, die in woeste vaart op hen toe kwam rijden. Een gemompel van "Lanceloet" ging door de gelederen der strijdenden, geen ander toch wist zóó krachtig zijn zwaard te hanteeren. Maar--Lanceloet was thuisgebleven en bovendien, zelfs al zou hij zich op het laatste oogenblik bedacht hebben, men had hem toch nooit met het geschenk eener dame als helmteeken in den strijd zien treden. Het scheen intusschen, of de roode mouw den drager geluk aanbracht, want nog nooit had hij zich zóó roekeloos gewaagd, zonder dat hem het minste letsel werd toegebracht. Ook Lavaine hield zich wakker, geen oogenblik week hij van Lanceloet's zijde en hij steunde hem, waar en wanneer hij kon. Reeds liep de strijd ten einde, toen één van de ridders der Tafel Ronde, Heer Bors, een der beste vrienden van Lanceloet, kans zag, hem van ter zijde te benaderen en hem zijne scherp gepunte speer in de zijde drukte.
Even daarna bliezen de herauten het sein, dat de strijd was afgeloopen en verkondigde de scheidsrechter, dat den ridder met de roode mouw de prijs der overwinning was toegekend, welke hij vóór de tent des konings in ontvangst kon komen nemen. Lanceloet echter schudde het hoofd. Eene felle pijn brandde hem in de zijde en benam hem bijna het bewustzijn. De gedachte zich daar ginds te laten huldigen en vieren, was hem ondragelijk; hij snakte naar rust en kalmte en verlangde niets liever, dan zoo spoedig mogelijk te ontsnappen aan die juichende, joelende menschenmenigte.
In haastige woorden verzocht hij Lavaine hem te volgen en gebruik makend van de algemeene verwarring verliet hij ijlings het strijdperk. Met de uiterste krachtsinspanning wist hij zich in het zadel overeind te houden, tot zij door het dichte geboomte onttrokken werden aan de blikken van hen, die hunne overhaaste vlucht hadden opgemerkt. Toen was het echter met zijn uithoudingsvermogen gedaan. Met een klagelijken kreet van pijn sloeg hij de armen omhoog en stortte bewusteloos van zijn paard.
Men kan zich de ontsteltenis van Lavaine voorstellen, toen hij zijn vriend plotseling zulk een val zag doen. In een oogwenk was ook hij van zijn paard gesprongen en knielde bij zijn strijdmakker neer. Bij een haastig onderzoek naar de oorzaak van Lanceloet's bezwijming ontdekte hij de speerpunt, die in zijne zijde stak. Met een kloek besluit trok hij het wapen uit de wonde en na deze haastig verbonden te hebben, zoo goed en zoo kwaad als het ging, tilde hij het bewustelooze lichaam van zijn vriend opnieuw in den zadel en leidde zijn paard aan den teugel naar de woning des kluizenaars, welke gelukkig niet ver van de plek des onheils verwijderd was.
Het duurde niet lang, of de vrome man wist zijn gast uit diens verdooving te doen ontwaken door het toedienen van eenige opwekkende middelen, waarvan hij het geheim verstond. Lanceloet's wonde liet zich echter ernstig aanzien en de wijze heremiet voorspelde Lavaine, dat het langen tijd zou duren, alvorens zijn vriend weder geheel hersteld zou zijn.
In het strijdperk te Camelot verdiepte men zich intusschen in gissingen omtrent het plotseling verdwijnen van den vreemden ridder. Sommigen beweerden, dat zij hem in gezelschap van een jongeling het bosch hadden zien inrijden, anderen weer hielden vol, dat hij het veld niet had verlaten.
Koning Arthur vooral was zeer teleurgesteld, dat hem de kans werd ontnomen om kennis te maken met den man, die zich zoo meesterlijk in den strijd gedragen had. Zijne geheime hoop om dien vreemdeling voor zijne Tafel Ronde te winnen, moest hij nu ook opgeven. Mistroostig luisterde hij naar de opgewonden gesprekken om hem heen, tot eindelijk Walewein, de teleurstelling van zijn vorst bemerkend, aanbood om den vreemdeling te gaan zoeken. Zijne naspeuringen waren echter tevergeefs!--na eenige dagen keerde hij onverrichter zake in Camelot terug.
Spoedig daarop ondernam de vorst met zijn gevolg de terugreis naar Londen en ziet, toen gebeurde het, dat Walewein, die op zekeren avond in de vallende duisternis van het overige gezelschap was afgedwaald, zich genoodzaakt zag om gastvrijheid te vragen in het kasteel Astolat, waar Lanceloet eenigen tijd te voren om een onderkomen had aangeklopt.
Heer Bernard ontving hem met dezelfde gulle hartelijkheid, welke hij Lanceloet had betoond en Walewein's belangstelling werd alras opgewekt door het zoo uiteenloopende drietal: de eerbiedwaardige grijsaard, zijn linksche, zwijgzame zoon en het bekoorlijke, jonge meisje. Toen de gast zich in den loop van den avond liet ontvallen, dat hij uit Camelot kwam, waar hij het beroemde steekspel had bijgewoond, ging er een schok van ontroering door het kleine gezelschap en met bevende stem vroeg Heer Bernard hem, of hij hun ook eenig bericht kon geven omtrent zijn zoon, die in gezelschap van een vreemden ridder ten strijde was getrokken. De naam van Lavaine bleek Heer Walewein echter geheel onbekend te zijn, dus kon hij den bezorgden vader geenerlei tijding over het welzijn van den knaap verschaffen. Wel beschreef hij hun den loop van het tournooi en onder het vertellen prees hij telkens weer het moedige gedrag van den vreemden ridder, die ten slotte overwinnaar was gebleven. Op Heer Bernard's verzoek om hem dien stoutmoedigen vreemdeling eens nader te beschrijven, gaf hij ten antwoord, dat de ridder voorzien was van een wit schild en dat hij op zijn helm eene roode mouw droeg, met paarlen bezet.
Bij het hooren van deze woorden slaakte Elaine, die vol spanning had zitten luisteren naar hetgeen Heer Walewein verhaalde, een kreet van verrassing. Verbaasd zagen haar vader en zijn gast haar aan; zij was opgesprongen van haar zetel en stond met glinsterende oogen en blozend gelaat voor hen, terwijl zij uitriep: "Hoort gij het, Vader en gij, Torre, die daar zoo suf voor u uit zit te staren? Hoort gij, wat Heer Walewein vertelt? Hij is het, de vreemdeling, die hier overnacht heeft en ons zulke wonderschoone verhalen van den koning en zijne ridders wist te vertellen. Ik dacht het wel, dat er niemand sterker en moediger was dan hij! O, hoe gaarne zou ik bij het tournooi tegenwoordig geweest zijn om hem toe te juichen en als overwinnaar te huldigen!"
Walewein had verbaasd naar hare woorden geluisterd; nu zij ophield met spreken, wendde hij zich met eene hoffelijke hoofdnijging tot haar en sprak: "Indien gij weet, wie de ridder met de roode mouw zijn kan, zoo smeek ik u, mij zijn naam te noemen. Koning Arthur stelt er hoogen prijs op, dien te weten en ook in zijn eigen belang is het beter, dien niet langer geheim te houden. Hij is zwaar gewond uit het strijdperk verdwenen, mogelijk ligt hij ergens weg te kwijnen door gebrek aan hulp en verzorging. Daarom, nog eens, zeg mij, wie hij is en ik zal onverwijld maatregelen nemen om zijne schuilplaats te ontdekken."
Een doodelijk wit had Elaine's gelaat overtogen, bij het hooren van die vreeselijke tijding. Hare ledematen schenen als verstijfd; zij hoorde de stem van Heer Walewein, maar de beteekenis van wat hij zeide kon zij niet in zich opnemen. Alleen de woorden: "hij is zwaar gewond uit het strijdperk verdwenen", klonken haar in de ooren en riepen haar de vreeselijkste visioenen voor den geest: Lanceloet gewond, badend in zijn bloed--Lanceloet dood, met verstarde trekken en groote, verglaasde oogen. Een oogenblik sloot zij de hare om dat vreeselijk droombeeld buiten te sluiten, daarna deed zij eene bijna bovenmenschelijke poging om hare kalmte te herwinnen en sprak: "Zijn naam kunnen wij u helaas niet zeggen, Edele Heer, daar hij ons dien niet heeft medegedeeld. Indien gij echter, zooals gij zooeven zeidet, ook tot Arthur's hof behoort, zoo weet ik eene andere wijze, waarop gij kunt ontdekken, wie de vreemde ridder was. Bij het heengaan liet hij zijn schild hier achter, en verzocht mij, dit voor hem te willen bewaren. Mogelijk herkent gij het." Na dit gezegd te hebben, verliet zij met rassche schreden het vertrek en snelde de trappen op naar hare kamer. Zij nam het schild, dat haar toevertrouwd was, van den wand en begaf zich ermede naar de zaal, waar Walewein in spanning haar terugkeer verbeidde.
Alvorens hem het schild in handen te geven, ontdeed zij het van het zijden omhulsel, waarmede hare handige vingeren het hadden voorzien. Toen reikte zij het den ridder met de woorden: "Hem, dien het toebehoort, heb ik lief met mijn gansche hart en ziel, red mij daarom uit de kwellende onzekerheid en zeg mij, zoo gij kunt, wie en waar hij is!" Diep ontroerd nam Walewein het schild van haar aan. Eén blik erop was hem voldoende; met een luiden uitroep van verrassing herkende hij het schild van zijn wapenmakker. Een stroom van tegenstrijdige aandoeningen ging hem door de ziel, toen hij de oogen van Elaine vol angstige spanning op zich gericht voelde en een overweldigend gevoel van medelijden maakte zich van hem meester. Nooit had zijne stem zóó zacht geklonken, als toen hij tot haar zeide:
"Inderdaad, thans weet ik, wie de vreemde ridder is geweest. Het was niemand anders dan Lanceloet, de dapperste, edelste ridder van het hof. Geen wonder, dat hij in den strijd de overwinning behaalde, want er is geen man ter wereld, die hem ooit heeft kunnen verslaan. Gij hebt uw hart aan geen onwaardige geschonken, schoone jonkvrouw, en wat geene vrouw ter wereld nog vermocht, hebt gij weten te volbrengen. Nooit nog zag ik hem in den strijd verschijnen met de gift eener vrouw op zijn helm!"
Walewein zag, hoe Elaine's oogen begonnen te stralen van geluk. Een oogenblik vroeg hij zich af, of het wellicht mogelijk kon zijn, dat Lanceloet haar inderdaad had liefgekregen, maar toen rees het beeld van koningin Ginevra voor hem op en zijn hart werd vervuld van zorg en angst voor dit jonge kind, dat hem zoo argeloos hare liefde toonde en zoo overtuigd scheen te zijn, dat die werd beantwoord.
Nog zachter en vriendelijker klonk zijne stem toen hij voortging: "Zooals ik u reeds zeide, verkeert men in ongerustheid omtrent het lot van uw vriend. Hij is spoorloos uit het strijdperk verdwenen, niemand weet waarheen, maar wel weten wij, dat hem even vóór het einde van den strijd eene gevaarlijke wonde werd toegebracht door de hand van een zijner beste vrienden, Heer Bors. Ach, wat zal die ongelukkig zijn, wanneer hij verneemt, wie het is, dien hij gewond heeft! Maar nu ter zake. Hoe ter wereld zullen wij ontdekken, waar Lanceloet zich schuil houdt en wie zal den koning mededeelen, dat hij het was, die in den strijd zich zoo schitterend heeft onderscheiden?"
Toen klonk het kalm en vastbesloten uit Elaine's mond: "Dat zal ik u zeggen. Gij, Heer ridder, keert terug naar het hof van koning Arthur en meldt hem, wat gij hier gehoord hebt. Intusschen zal ik mij op weg begeven om hem te zoeken, indien mijn vader zulks goedkeurt. Verbied het mij niet," ging zij onstuimig voort, toen zij zag, dat graaf Bernard eenige tegenwerpingen wilde maken, "ik bid u, vadertje, sta mij toe om te gaan. Alles kan ik dragen, behalve deze martelende onzekerheid omtrent zijn lot." De oude graaf zag zijne dochter diep ontroerd in de oogen, toen haalde hij gelaten de schouders op en zeide: "Ga dan, mijn kind, God behoede u op uw zwaren tocht!"
_Hoe Elaine haar held ging zoeken en hoe zij Lanceloet verpleegde tot hij geheel hersteld was._ Den volgenden morgen vroeg zette Walewein zijne reis naar Londen voort en kwam nog dienzelfden avond in het koninklijk paleis aan. Daar vertelde hij zijn vorst op welke vreemde wijze hij het geheim van den ridder met de roode mouw ontdekt had. Toen Arthur hoorde, dat de vreemdeling niemand anders was geweest dan Lanceloet, toonde hij zich blij verrast, al werd zijne bezorgheid voor het leven van den dapperen held er des te grooter om. Met groote belangstelling luisterde hij naar Walewein's beschrijving van zijne ontvangst op het kasteel Astolat en toen deze hem vertelde, dat de roode mouw een geschenk was van het bekoorlijke dochtertje van graaf Bernard, gleed er een glans van genoegen over 's konings gelaat, terwijl hij opmerkte: "Dat is inderdaad goede tijding, die gij brengt. Reeds lang was het mijn wensch, dat ook Lanceloet het geluk der liefde zou leeren kennen. Ondanks al zijn roem en aanzien, lijdt hij een eenzaam leven en allen, die hem liefhebben, zouden er zich hartelijk in verheugen, wanneer hij op zijne beurt eene bruid aan het hof bracht!"
Allen, die hem liefhebben--echter niet koningin Ginevra. Uiterlijk bedaard en kalm, maar inwendig bevend van woede en schaamte over Lanceloet's trouweloosheid, had zij naar Walewein's woorden geluisterd. Vlammen van hartstocht en nijd zetten haar in gloed en met gebalde vuisten zwoer zij in stilte een duren eed van wraak op de vrouw, die haar het hart van haar minnaar ontstolen had.
Bij Heer Bors daarentegen, die, zonder het te willen, Lanceloet had gewond, wekte het verhaal van Walewein een gevoel van diep leedwezen op. Weliswaar had hij zich niets te verwijten, daar Lanceloet zelf door zijne vermomming tot deze vergissing aanleiding had gegeven, maar toch smartte het hem diep, dat hij aldus oorzaak was geweest van het lijden, wellicht den dood van een zijner beste vrienden. Zijn besluit was spoedig genomen; na den koning daartoe verlof te hebben gevraagd, begaf hij zich onverwijld naar Camelot om zijn vriend te zoeken.
Laat ons zien, hoe het intusschen met onzen held gesteld was.
Denzelfden dag, dat Walewein van het kasteel Astolat vertrokken was, had ook Elaine zich op reis begeven.
Zij koos den kortsten weg naar Camelot, waar zij haar intrek nam bij een haar bevriend gezin. Zonder haar gastheer en gastvrouw in kennis te stellen met het doel harer reis, dwaalde zij den ganschen dag in den omtrek van de stad rond. Zij had de stellige overtuiging, dat hij, dien zij zocht, zich niet ver van de plaats zijner verwonding zou bevinden. En ziet--haar verwachting werd niet beschaamd. Na verloop van eenige dagen ontdekte zij op één harer ronddwalingen plotseling de gestalte van haar broeder Lavaine, die op eene weide, even buiten de stadsmuren, bezig was zijn paard af te rijden.
Welk een vreugdevol weerzien was dat voor hen beiden! Lavaine geraakte niet uitgepraat over den moed van zijn nieuwen vriend en Elaine luisterde met gretige aandacht naar zijne opgewonden verhalen. Toen kwam haar beurt om te spreken en zonder omwegen vertelde zij haar broeder, met welk doel zij naar Camelot was gekomen. Op haar angstig vragen, hoe de gewonde het maakte, antwoordde Lavaine, dat hij volgens het zeggen van den vromen kluizenaar, die hem verpleegde, thans buiten gevaar verkeerde, maar dat het nog geruimen tijd zou duren, alvorens er van een algeheel herstel sprake kon zijn. Toen Elaine hem vroeg, haar naar hunne verblijfplaats te geleiden, voerde hij haar langs een dicht begroeid boschpad naar de woning des kluizenaars en weinige oogenblikken later stond het jonge meisje aan het leger van hem, dien zij liefhad.
Er was niet veel overreding toe noodig om den vromen vader te bewegen, zijne plaats naast het ziekbed aan haar af te staan. Hij was geheel uitgeput door de zware, lange verpleging en nu het gevaar toch geweken was, gaf hij zijne taak volgaarne aan andere handen over.
Van dat oogenblik af waakte Elaine elken dag aan Lanceloet's sponde. Iederen morgen in de vroegte sloop zij door de stille straten van Camelot naar het bosch, iederen avond kwam zij als eene bleeke schim tusschen de zwarte schaduwen van het woud te voorschijn glijden om zich weer naar hare woning te begeven. Den loodzwaren last van hare vermoeidheid voelde zij allengs niet meer; haar tenger lichaam werd met den dag magerder, hare oogen straalden onnatuurlijk groot in het smalle gelaat, maar toch hield zij vol en onder hare teedere zorgen herstelde Lanceloet langzaam maar zeker van zijne zware verwondingen. De eerste weken herkende hij haar nauwelijks en verkeerde hij meestentijds in een toestand van verdooving, maar langzamerhand herwon hij zijn bewustzijn en toonde weer eenige belangstelling voor de menschen en dingen om hem heen. Zoo moest Elaine hem vertellen, wie haar zijn naam had verraden, maar toen zij hem over het bezoek van Walewein sprak en hem zeide, hoe deze terstond naar het hof was gereisd om daar het geheim van zijne vermomming op te lossen, gleed er een donkere schaduw over het gelaat van den zieke en scheen zijne belangstelling plotseling gedoofd. Dien nacht en vele volgende nachten en dagen schilderde hij zich in zijne door koorts verhitte verbeelding de ontvangst af, welke Walewein's bericht, aan het hof ten deel zou zijn gevallen. Vóór alles echter stelde hij zich de verbazing en ergernis van koningin Ginevra voor, toen zij vernomen had, onder welke omstandigheden hij aan het tournooi had deelgenomen. Zou haar liefde sterk genoeg zijn om den schok van de ontdekking dezer schijnbare ontrouw te doorstaan? Dit was de vraag, waarmede hij zich afpijnigde en die hem geen rust liet. Elaine zag wel, dat er iets was, dat hem bezwaarde, daarom verdubbelde zij hare teedere zorgen, maar tevergeefs! de zieke bleef moe en lusteloos.