Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 36
Nu de algeheele beterschap der koningin zoo lang op zich liet wachten, kon er geen sprake van zijn, dat zij den koning naar het tournooi te Camelot zou kunnen vergezellen. De vermoeienissen van een dergelijken tocht zouden haar te veel aangrijpen. Hoezeer het koning Arthur ook leed deed zijne gemalin alleen achter te laten, toch zag hij in, dat het niet anders kon. Maar nog eene andere teleurstelling wachtte hem. Daags voor zijn vertrek kwam Lanceloet, de dapperste zijner ridders bij hem en verzocht hem om van deelname aan het tournooi te worden vrijgesteld. Als reden tot dit verzoek gaf hij op eene nog niet geheel genezen beenwond, welke hij eenigen tijd tevoren bij een val van zijn paard had opgeloopen en die hem in den strijd hinderlijk kon zijn. Geheel uit het veld geslagen hoorde Arthur toe; een steekspel zonder Lanceloet miste voor hem zijne grootste bekoring en juist nu hij zelf aan den strijd dacht deel te nemen, viel het hem dubbel zwaar in de afwezigheid van zijn meest geliefden ridder te moeten berusten. Geen oogenblik kwam het bij hem op, verband te zoeken tusschen diens thuisblijven en dat der koningin; toen hij zag, dat elke poging om Lanceloet tot meegaan te bewegen, vruchteloos was, gaf hij hem met een zucht de gevraagde toestemming. Daarbij ontging hem de glans van vreugde, die zich over het gelaat van den ridder verspreidde, toen deze zich omwendde om het vertrek te verlaten.
De dag van vertrek was aangebroken en een lange stoet van ridders en onderhoorigen stond op het voorplein opgesteld, gereed om de reis naar Camelot te aanvaarden. Arthur begaf zich naar de vertrekken der koningin om afscheid van haar te nemen. Vol teedere zorg over haar welzijn, liet hij Ginevra beloven, gedurende zijne afwezigheid de uiterste voorzichtigheid in acht te nemen. Toen zij hem veel genoegen te Camelot wenschte, schudde hij het hoofd en sprak: "Zonder u en Lanceloet is mij het zijn aldaar veeleer eene kwelling dan een genoegen. Hoezeer zal ik uw dierbaar gelaat missen onder de rijen der vrouwen, die het tournooi met hare tegenwoordigheid zullen opluisteren en hoe zal ik in den strijd den sterken arm en het nooit falend zwaard ontberen van Lanceloet, mijn trouwen vriend en strijdmakker. Neen, het genoegen van het spel te Camelot is mij vergaan, nu ik de beiden, die mij 't liefst zijn op aarde, daar niet zien zal. Ware ik niet de koning, maar slechts een eenvoudig ridder, ik zou niet aarzelen om thuis te blijven. Het is echter mijn plicht mijn volk niet teleur te stellen en daarom ga ik heen. Mijn eenige troost is, dat ik u thans in de beste hoede achterlaat!"
De koningin had tot dusverre niets vernomen omtrent Lanceloet's thuisblijven. Deze had haar willen verrassen en haar daarom niet van te voren over zijn plan gesproken. Hare eerste gewaarwording was dan ook een gevoel van onstuimige vreugde, toen haar vlugge geest haar in eene reeks van visioenen voor oogen tooverde, wat dit thuisblijven voor hen beiden beteekende. Maar toen Arthur voortging met spreken en al zijne woorden uiting gaven aan zijne groote liefde voor haar en aan het onbegrensd vertrouwen, dat hij in haar en ook in Lanceloet stelde, maakte dat gevoel van blijdschap plaats voor een van bittere schaamte. Zij moest zich geweld aandoen om niet neer te knielen voor haren echtgenoot en hem hare schuld te belijden, maar zij deinsde terug voor de gevolgen van die bekentenis. Toen losten hare schaamte en wroeging zich op in een gevoel van bittere ergernis tegen Lanceloet, die de schuld was van dit alles. Nadat de koning vertrokken was en zij hem vanuit haar venster een laatst vaarwel had toegewuifd, liet zij Lanceloet bij zich ontbieden. Met een gelaat, waarop hij tevergeefs beproefde, de vreugde over dit samenzijn te verbergen, trad de ridder het vertrek binnen. Deze uitdrukking van blijdschap, waaruit tevens de zekerheid sprak over de liefdevolle ontvangst, die hem van hare zijde zou ten deel vallen, droeg er het hare toe bij de geprikkelde stemming, waarin de koningin verkeerde, nog te verhoogen. De houding, waarin zij hem ontving, was dan ook gansch anders, dan Lanceloet zich had voorgesteld. Eerbiedig knielde hij voor haar neer, maar zij bleef rechtop in haren zetel zitten en reikte hem zelfs niet de hand ten groet. Op ijskouden toon voegde zij hem toe:
"Wat beduidt uwe aanwezigheid hier, als alle ridders zijn vertrokken? Hebt gij dan allen eerbied voor mij uit het oog verloren, dat ge mij aldus blootstelt aan den lasterpraat van nieuwsgierige hovelingen, die ons doen en laten met venijnige blikken bespieden? Hoe durft gij aldus handelen, zonder eerst met mij in overleg te zijn getreden, waar het eene zaak betreft, die mij zoo nauw aangaat? Nog is het tijd, om allen boozen vermoedens den kop in te drukken. Daarom, maak u gereed en begeef u alsnog naar Camelot. Het zal u niet moeilijk vallen den koning in te halen, daar hij door den langen stoet, die hem vergezelt, slechts langzaam vooruitkomt. Haast u en verlaat dit vertrek, waar ge reeds lang genoeg hebt vertoefd, om de achterdocht der hovelingen gaande te maken!"
Met somberen blik zag Lanceloet haar aan.
"Gij zijt plotseling wel zeer wijs en verstandig geworden, edele vrouwe", sprak hij, "en toch was er een tijd, dat gij de eischen van het hart wist te stellen boven die der voorzichtigheid. Spaar mij echter uwen toorn, nog heden zal ik den koning naar Camelot volgen. Daar ik echter eene verklaring moet vinden voor het feit, dat ik niet terstond ben mede gegaan, zoo ben ik van zins als een onbekend ridder aan het tournooi deel te nemen. Het zal dan tevens blijken, of ik ook zonder den steun van mijn naam, bij machte ben om mij in den strijd te onderscheiden." Dit zeggend boog hij eerbiedig voor de koningin en wilde het vertrek verlaten. Zóó kon Ginevra hem echter niet laten gaan. Zijne woorden en nog meer de sombere uitdrukking van zijn gelaat hadden den muur verbroken, waarmede zij in hare stemming van ergernis haar hart had trachten te omringen en zij voelde, hoe haar gansche wezen doorstroomd werd door de liefde voor dezen man. Met een kreet van verlangen strekte zij de armen naar hem uit en het volgende oogenblik lag zij aan zijne borst en snikte hare wanhoop uit in een vloed van tranen. Lanceloet hield haar vast omklemd, maar toen zij hem smeekte, haar niet te verlaten en den tocht naar Camelot op te geven, maakte hij zich zachtkens los uit hare omarming, leidde haar naar eene rustbank en knielde voor haar neder, zeggende:
"Liefste, weet gij, waarom uwe booze woorden van zooeven mij zoo dubbel griefden? Het was, omdat zij eene kern van waarheid bevatten. Gij hadt gelijk met mij mijn thuisblijven te verwijten. Ik had moeten bedenken, hoezeer ik uw goeden naam daarbij in de waagschaal stelde. Niet langer is onze liefde een geheim voor onze omgeving. Ridders als Modred en Agravaine loeren en spieden om ons te verraden. Het past ons thans dubbel voorzichtig te zijn, daarom bid ik u, laat mij gaan!"
Weenend verborg Ginevra het hoofd in de kussens. Ook zij begreep, dat het wijzer was Lanceloet te laten vertrekken, maar hoeveel kostte het haar om afscheid van hem te nemen! De indruk van Arthur's afscheidswoorden was geheel weggevaagd; haar geheele wezen klopte en beefde van hartstocht voor hem, die daar geknield voor haar lag. Toch moesten zij scheiden en na een laatst vaarwel, eene laatste, lange omhelzing verliet Lanceloet het vertrek om zich voor de reis gereed te maken.
Eenige uren later reed hij de poorten van het vorstelijk paleis uit, in verbazing nagestaard door de achtergebleven ridders, die maar niet konden begrijpen, waarom Heer Lanceloet zoo plotseling op zijn besluit om niet naar het tournooi te gaan, was teruggekomen.
Een storm van aandoeningen ging hem onder het voortrijden door de ziel, want de liefde voor Ginevra bracht hem naast oogenblikken van innigste zaligheid ook tijden van folterend berouw. Wanneer hij zijn vorst in het gelaat zag en in zijne oogen de liefde en het vertrouwen las, welke deze voor hem koesterde, moest hij zich geweld aandoen om het niet uit te schreeuwen van felle zielepijn. Hoe dikwijls nam hij zich voor om het gezelschap der koningin te vermijden en te trachten haar uit zijn hart te verbannen! Tevergeefs! telkens weer trok zij hem met onweerstaanbare macht tot zich en koning Arthur werkte in zijne argeloosheid hun beider samenzijn vaak in de hand.
Geheel verdiept in zijne sombere overpeinzingen had Lanceloet niet bemerkt, dat het allengs avond was geworden. De schaduwen op het boschpad werden langer en langer; nu en dan struikelde zijn paard over een boomwortel, die over den weg groeide en weldra was het onmogelijk om op eenigen afstand voor zich uit te zien. Uit zijn gepeins ontwakend, besloot Lanceloet, zoo spoedig mogelijk een onderkomen voor den nacht te zoeken en daar hij wist, dat hij zich in de nabijheid van het kasteel Astolat moest bevinden, dat op eenigen afstand van Camelot aan de Theems was gelegen, stuurde hij zijn ros in de richting der rivier. Nadat hij eenigen tijd langs den oever was voortgereden, zag hij bij eene kromming van den stroom de donkere massa van een ridderslot voor zich oprijzen.
Bij het laatste schemerlicht, dat over de velden langs den rivieroever hing, zocht hij den ingang van het slot en meldde zich aan bij de poortwacht als een ridder van koning Arthur, die op weg naar Camelot door den nacht was overvallen en thans om een onderkomen voor zich en zijn paard verzocht. Het noemen van 's konings naam deed de wachters haastig de poort voor hem ontsluiten en spoedig daarna trad hij de zaal binnen, waar het gezin van den slotheer rond den avonddisch zat geschaard. De oude graaf Bernard van Astolat trad hem met een vriendelijk welkomstwoord op de lippen tegemoet. Hij werd gevolgd door zijne beide zonen: Torre, een bleeken, ziekelijk uitzienden jongeling en Lavaine, een frisschen blozenden knaap van nauwelijks achttien jaren. Daarachter kwam schuchter en verlegen Heer Bernards eenig dochtertje Elaine, de jongste van het drietal en nog bijna een kind in leeftijd en uiterlijk. Blozend reikte zij den vreemden ridder de hand en toen deze die eerbiedig kuste, zag zij in angstige verlegenheid op naar haar vader, als om hem te vragen, wat haar thans te doen stond.
Graaf Bernard trok vroolijk lachend zijn dochtertje naar zich toe en zeide: "Onze Elaine is een natuurkind, Heer ridder, en kent de gebruiken van het hof niet. Gij moet haar dit niet ten kwade duiden, wij leiden hier een eenvoudig en teruggetrokken leven en ik stel er prijs op, dat mijn dochtertje zoo lang het mogelijk is, hare blijde jeugd geniet. Later zal zij dan moeten leeren, hoe zich in de hofwereld te gedragen."
"Dat zal haar niet moeilijk vallen", antwoordde Lanceloet met de hem aangeboren hoffelijkheid, "jeugd en schoonheid zijn twee machtige beschermers, waarvan men de waarde ook ginds weet te waardeeren. Wanneer men die bezit, is men er zeker van, dat men overal vriendelijk ontvangen wordt, de rest volgt dan van zelf."
"Ho, ho! Heer vreemdeling," lachte de oude graaf, "dergelijke vleitaal hoort hier niet thuis en is allerminst geschikt voor de ooren van een jong meisje als onze Elaine, wier hoofdje gij er licht mee op hol zoudt kunnen brengen. Maar kom, genoeg van dit alles. Zet u neder aan onzen eenvoudigen maaltijd en vertel ons, wat u hier henen voert."
Lanceloet voldeed aan dit verzoek en vertelde zijn vriendelijken gastheer, dat hij tot de ridders der Tafel Ronde behoorde en op weg was naar Camelot om aldaar aan het tournooi deel te nemen. Tevens verzocht hij hem, van het noemen van zijn naam verschoond te mogen blijven, daar hij als onbekende aan den strijd wenschte deel te nemen. Na afloop van het steekspel, zoo beloofde hij, zou hij zich aan graaf Bernard bekend maken, tot zoo lang verzocht hij zijn gastheer, hem te willen verontschuldigen.
Met de grootste welwillendheid ging de graaf op het voorstel van zijn vreemden gast in en toen deze hem vervolgens een schild ter leen vroeg om het geheim van zijn persoon nog beter te kunnen bewaren, antwoordde hij vriendelijk: "Met genoegen wil ik u dit geven. Doordat mijn oudste zoon, Torre, bij het eerste gevecht, waaraan hij deelnam, nadat hij tot ridder geslagen was, eene ernstige verwonding heeft opgeloopen, kan hij voorloopig zijn schild niet gebruiken en stel ik dat thans gaarne te uwer beschikking. Ik heb echter wederkeerig een verzoek aan u en wel, dat deze knaap",--hierbij legde hij zijne hand op het blonde hoofd van Lavaine, die naast hem zat--"met u mede mag rijden naar Camelot. Sedert weken houdt hij niet op mijne toestemming te vragen om aan het tournooi deel te mogen nemen. Ik vond hem echter te jong om alleen daarheen te gaan, maar beloofde hem, dat, indien zich een geschikt geleide voordeed, ik zijne zaak zou bepleiten. Spreek, hebt gij er geen bezwaar tegen hem met u mede te nemen?"
Lanceloet zag lachend in het gelaat van den knaap, dat bij zijns vaders woorden hoogrood werd gekleurd en hem nu vol spanning aanzag, daarna sprak hij: "Niet in 't minst, waarde graaf! Het is mij steeds eene aangename taak, de eerste schreden van een jongeling op het pad des roems te leiden, dus neem ik gaarne uw zoon met mij mede. Gij kunt gerust zijn, dat ik goed voor hem zorgen zal!"
Nu alles zoodoende tot ieders genoegen was geschikt, verliep de maaltijd verder onder vroolijk gekout. Na afloop schaarde het gezelschap zich om de breede schouw, waar een helder vlammend vuur eene aangename warmte afstraalde en de kilte van den vroegen voorjaarsavond verjoeg.
De graaf noodde zijn gast om hem en zijnen zonen het een en ander van zijne krijgstochten te vertellen en Lanceloet, die zich dankbaar gestemd voelde door de gulle ontvangst op het slot, verklaarde zich gaarne daartoe bereid. Met aandacht luisterde Heer Bernard naar het verslag zijner krijgsavonturen, ook Torre's belangstelling werd door het gehoorde opgewekt en hij zette zich wat rechter overeind in zijn stoel. Lavaine hing in ademlooze spanning over den rug van zijns vaders zetel en genoot met hart en ziel van Lanceloet's verhalen; in gedachten leefde hij mede met den verteller en stelde hij zich zelven in diens plaats. Zijn hart klopte luider van vreugde bij de gedachte, dat ook hij spoedig dergelijke avonturen zou beleven en dankbaar zag hij den vreemdeling aan, die voor hem de poorten van de wonderschoone wereld zou ontsluiten.
Aan de voeten van haar vader, op een laag bankje bij het vuur zat Elaine. Het was haar lievelingsplekje, waar zij steeds placht te zitten, wanneer haar vader en broeders na het avondmaal spraken over jacht en landbouwbedrijf en de dagelijksche voorvallen in huis en hof. Dan vond zij er een genot in om urenlang in de haardvlammen te staren en met hare levendige verbeelding zich daarin allerlei schoons voor oogen te tooveren. Temidden van den rossen vlammengloed bouwde zij zich een sprookjespaleis, zóó schoon, zóó rijk, als er op aarde geen te vinden was. Daar troonde zij in één der zalen, waarvan de muren glinsterden als goud, en aan hare voeten knielde een ridder. Hoe die ridder er uitzag, hoe hij heette en vanwaar hij kwam, waren slechts bijkomstige omstandigheden, waarin zij zich tot dusverre nooit verdiept had; de hoofdzaak was, dat hij eens komen zou en dat hij haar lief zou hebben en vereeren, zooals de schoone vrouwen uit de liederen der minnezangers, die somtijds in haars vaders slot kwamen, bemind plachten te worden.
En nu was hij gekomen, de held harer droomen, de prins uit haar sprookjespaleis. In de gestalte van een edelen vreemdeling zat hij thans te praten met haar vader, zóó kalm en rustig, als ware heden door zijne komst niet het groote wonder geschied, waarop zij reeds zoo lang wachtte! Zou hij er zelf geen besef van hebben, welk een gewichtige dag het voor hen beiden was? Het scheen bijna van niet, maar toch--had hij hare hand niet gekust, had hij haar niet schoon genoemd en haar daarbij aangezien, wel ernstig, ja, maar zóó vriendelijk en zacht, dat zijn blik haar hartje had doen kloppen van eene vreemde, warme ontroering?
Nooit nog had één der makkers van hare beide broeders haar zóó aangezien, beteekende die blik dan niet, dat hij haar ook gaarne zag?
Met glanzende oogen zag Elaine naar den vreemdeling op; ditmaal keurde zij de heldere haardvlammen geen blik waardig, zelfs keerde zij het vuur bijna den rug toe om toch maar vooral geen woord te verliezen, van wat de vreemde ridder sprak. Zij hoorde hem vertellen, hoe hij op het slot Corbin had gestreden tegen een vuurspuwenden draak, die de eer en veiligheid der slotvrouwe bedreigde, en terwijl hij sprak, beschouwde zij aandachtig zijn gelaat. Hij zag er nu geheel anders uit, dan toen hij voor 't eerst bij hen binnentrad. Zijne oogen, die toen zoo somber voor zich uitzagen, hadden nu eene bijna vroolijke uitdrukking aangenomen; zijne stem klonk helder en opgewekt en men kon zien, dat hij met hart en ziel bij zijn verhaal was. Eindelijk werd het tijd om zich ter ruste te begeven, want den volgenden morgen zouden de reizigers reeds in alle vroegte op weg moeten gaan. Toen Elaine bij het goeden nacht wenschen opnieuw Lanceloet's lippen op hare hand gevoelde, ging er eene rilling door al hare leden en haastig vlood zij heen, naar haar eenzaam torenkamertje, waar zij van kindsbeen af geslapen had. Daargekomen opende zij haar venster en staarde naar buiten, waar de sterren flikkerden en straalden aan den helderen avondhemel. De bevende handjes tegen haar hart gedrukt luisterde zij toe, tot alle geluiden in het kasteel verstomd waren, toen begaf ook zij zich ter ruste, maar het duurde lang, eer zij den slaap kon vatten.
_Hoe Lanceloet en Lavaine zich op weg begaven en hoe de eerste zijn schild ter bewaring gaf aan Elaine._ Tegen het krieken van den morgen maakten Lanceloet en Lavaine zich gereed om den tocht naar Camelot te ondernemen. In de grijze ochtendschemering betraden zij het slotplein, waar de stalknechts van Graaf Bernard hunne paarden bij den teugel op en neer leidden. De diepe stilte, die aan den dageraad voorafgaat, heerschte om hen heen, slechts nu en dan verbroken door het kraaien van een haan of het getjilp van een vroegen vogel. Terwijl Lanceloet het tuig van zijn paard onderzocht om te zien of alles in orde was, ging Lavaine het kasteel binnen om zijns broeders schild te halen, hetwelk zijn vader aan hun gast beloofd had. Toen hij met vluggen tred de hoofddeur binnenliep en in één der vóórvertrekken verdween, zag hij niet, hoe eene kleine gedaante langs de breede trap omlaag kwam sluipen. Het was Elaine.
Alvorens zij dien nacht was ingeslapen, had zij besloten, dat zij den volgenden morgen vroeg op wilde staan om den vreemden ridder nog éénmaal te zien, vóór hij heenging. Het gestamp der paardehoeven op het voorplein onder haar raam had haar uit hare onrustige sluimering gewekt; ijlings was zij opgestaan en had zich met bevende vingers, aangekleed. Zoo kwam zij thans beneden en een zucht van verlichting ontsnapte haar, toen zij door de open deur de paarden der vertrekkenden nog op het voorplein zag staan. Goddank! zij was nog juist op tijd.
Een oogenblik later meende Lanceloet, die in gebukte houding bij de paarden stond, een zacht geritsel achter zich te hooren; haastig zag hij om, denkend dat het Lavaine was, die hem het schild kwam brengen. Op het zien van Elaine kon hij een kreet van verrassing niet onderdrukken. En inderdaad, wel mocht de plotselinge aanblik van het jonge meisje, zooals hij haar daar roerloos en met neergeslagen oogen zag staan, hem treffen. In haar witte kleedje, waarvan zij de slippen over den arm geslagen had, opdat ze haar bij het voortgaan niet zouden hinderen, met de lange blonde haren golvend om haar heen en het fijne gelaat, waaruit de aandoening alle kleur verdreven had, geleek zij een wezen uit eene andere wereld, eene fee van den dageraad, die zoo aanstonds, als de wereld uit hare sluimering ging ontwaken, weer heen zou vluchten naar het schimmenrijk, waar zij thuis behoorde.
De nabijheid van haren held had Elaine al haren moed ontnomen en zoo bleef zij met neergeslagen oogen vóór hem staan, terwijl hare vingers onrustig heen en weer gleden langs de plooien van haar kleed. Lanceloet van zijn kant staarde haar in klimmende verbazing en ontroering aan; de diepe indruk, dien hare plotselinge verschijning op hem maakte, belette hem het spreken.
Eindelijk waagde Elaine het de oogen naar hem op te slaan en stamelde, zóó zacht, dat hij zich voorover buigen moest om te verstaan, wat zij zeide: "Ik ben gekomen om u en Lavaine eene goede reis te wenschen. Moge God u behoeden en beschermen in het gevaar."
Terwijl zij deze woorden sprak, kwam Lavaine uit het slot aanloopen, met het schild van Torre. Op het zien van zijne zuster, slaakte hij een uitroep van verbazing en naderbij gekomen, plaagde hij het jonge meisje op vroolijken toon met haar vroege opstaan. Zijne woorden joegen Elaine het bloed naar de wangen. Lanceloet haalde verruimd adem, nu aan de spanning van het oogenblik een einde was gekomen en hij in haar weer een menschelijk wezen kon zien, een jong meisje dat blozen kon als elk ander, bij een schertsend woord van haar broeder.
Terwijl Lavaine zich bukte om zich eveneens te vergewissen, dat zijn paard behoorlijk voor den tocht was uitgerust, legde Elaine haar handje op Lanceloet's mouw en sprak snel: "Heer ridder, ik heb een verzoek aan u, dat ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Zoo gaarne zou ik zien, dat gij in het tournooi te Camelot een herinneringsteeken van mij wildet dragen. Wilt ge dat doen?"
"Heb dank voor uw aanbod," antwoordde Lanceloet, "en geloof mij, wanneer ik u zeg, dat ik van niemand liever dan van u een teeken zou willen dragen. Toch kan ik niet aan uw verzoek voldoen, daar ik, om persoonlijke redenen, nooit aan die gewoonte heb medegedaan. Duid het mij niet euvel, indien ik hierdoor onhoffelijk mocht schijnen. Elk ander verzoek van u zal ik met graagte inwilligen, slechts dit niet."
Elaine echter liet niet los. Zij trad nog eene schrede dichterbij en den ridder met hare groote oogen smeekend aanziend, zeide zij: "Ik bid u, weiger mij mijn verzoek niet. Het zou mij zoo innig gelukkig maken, te weten, dat gij in den strijd eene kleine herinnering aan mij medenaamt. En wat uw bezwaar daartegen betreft, hebt ge ons gisterenavond niet verteld, dat gij in Camelot onbekend wenscht te blijven? Welnu dan, hoe kunt gij u op meer afdoende wijze vermommen, dan dat gij, die nooit het geschenk eener dame draagt, thans daarmede in het perk verschijnt? Zelfs uwe beste vrienden zullen, uw beginsel hieromtrent kennend, er door om den tuin worden geleid."
Lanceloet kon zich de waarheid harer woorden niet ontveinzen. Inderdaad, nooit zou men gelooven, dat hij, Lanceloet, zich had laten bewegen om in een tournooi uit te komen met het geschenk eener vrouw als talisman. Bovendien werd het hem steeds moeilijker om den dringenden blik van Elaine's reine kinderoogen te weerstaan, daarom greep hij hare hand, die op zijne mouw rustte, drukte die hartelijk en sprak: "Gij hebt gelijk! Door aan uw verzoek te voldoen, zal ik in den strijd dubbel onherkenbaar zijn. Daarom zal ik ditmaal van mijne gewoonte afwijken. Maar," zoo voegde hij er lachend aan toe, "ware gij het niet geweest, die het mij vroeg, zou zoo ik er zeer zeker niet toe hebben kunnen besluiten!"
Het was Elaine, of eene warme golf van ontroering haar doorstroomde; diep blozend stamelde zij eenige woorden van dank en reikte den ridder eene mouw van karmozijnrood fluweel, bezet met blanke paarlen.
Lanceloet nam zich den helm van het hoofd, maakte den wuivenden vederbos er van los, en bevestigde de mouw daarvoor in de plaats. Daarna zette hij hem weer op het hoofd en zeide vroolijk: "Moge het mij gegeven zijn, het geschenk in ongeschonden staat aan de schoone geefster terug te brengen!"