Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 35

Chapter 353,705 wordsPublic domain

Toen hij zijn tegenstander voor zich op de knieën zag vallen, stak Erec met een gevoel van groote dankbaarheid zijn zwaard in de schede, reikte den overwonnene de hand en beduidde hem op te staan. De vreemdeling rees verheugd overeind en dankte Erec voor diens ridderlijk optreden. Tevens verzocht hij hem zijn naam te noemen, opdat hij weten zou, wie hem overwonnen had. Erec zeide hem dien, maar verlangde wederkeerig van hem te vernemen, met welk doel hij zich in den boomgaard bevond en waarom men het avontuur, dat hem derwaarts had gevoerd, de Vreugde van het Hof noemde. Hierop antwoordde de vreemdeling hem als volgt: "Mijn naam is Mabonagrain; ik ben afkomstig uit een naburig hertogdom, en een jongere zoon van den regeerenden hertog. Van mijne jeugd af, zoolang ik mij herinneren kan, had ik de jonkvrouw lief, die daar ginds op het rustbed ligt. Zij beminde mij eveneens en beiden haakten wij naar het oogenblik, waarop onze levens voorgoed aan elkander verbonden zouden worden. In afwachting van dien dag eischte zij echter van mij, dat ik alle plichten en genoegens, die mij van hare zijde wegriepen, om harentwil zou opgeven. Het onredelijke van haar verzoek en de onmogelijkheid om er mij steeds aan te houden waren aanleiding tot twisten en oneenigheid tusschen ons, wat ons geluk verstoorde. Meestal was ik het, die toegaf, want ik kon het niet over mij verkrijgen om haar, die ik boven alles beminde, eenig verdriet aan te doen. Zoo naderde onze huwelijksdag. Op den avond tevoren, toen wij ons in den tuin van het slot haars vaders bevonden, vroeg ze mij, haar eene gunst te willen bewijzen. Verliefde dwaas, die ik was, zwoer ik een duren eed, dat ik elk verzoek, hetwelk ze mij doen mocht, onvoorwaardelijk zou inwilligen. Weinig dacht ik, dat zij zóó berekenend en listig zou zijn om misbruik te maken van mijne opgewonden stemming. Toch was dit het geval. De gunst, welke ze mij verzocht, was niets minder dan eene belofte mijnerzijds om mijn gansche leven met haar in dezen boomgaard te slijten. Bovendien moest ik elken ridder, die hier binnendrong, uitdagen tot een tweegevecht en slechts wanneer ik daarin verslagen werd, stond zij mij toe den boomgaard te verlaten. Ik had mijn woord verpand en moest dus doen, wat van mij gevraagd werd; maar meen niet, dat het met mijne instemming geschiedde! Menigmaal heb ik terugverlangd naar het volle leven aan gene zijde van den nevelmuur en vaak heeft het mij verdroten, dat om mijnentwil, of eigenlijk ter voldoening aan de gril eener zelfzuchtige vrouw, zoovele wakkere mannen het leven moesten laten. Thans echter is mijne ballingschap voorbij! Ziet, ginds trekken de nevelwolken tusschen de boomen omhoog! Voortaan zullen de voorbijtrekkende ridders veilig kunnen vertoeven in het slot van Koning Evrain, de ommuurde boomgaard met zijne grimmige heg van doodshoofden zal verdwijnen en de druk van geheimzinnigheid en doodsgevaar zal van het land worden weggenomen. Wanneer gij dit alles door een stoot op den hoorn aan de omgeving bekend maakt, zult gij inderdaad de brenger zijn van "de Vreugde van het Hof!" Daarom verzoek ik u niet langer te dralen en het teeken te geven tot mijne bevrijding!"

Daarop begaven de beide ridders zich naar de plaats, waar de hoorn aan den staak hing en weldra verkondigde een lustig geschal den goeden afloop van het avontuur aan de angstig wachtenden daarbuiten. Toen de laatste tonen wegstierven, verdwenen ook de laatste nevelsluiers tusschen de struiken en de boomgaard lag open voor de oogen der hovelingen. Vol blijdschap stroomde het gansche gezelschap naar binnen, voorop Enide aan den arm van Koning Evrain met den trouwen Guivret aan hare zijde.

Wat een vreugde en geluk, toen Erec hen ongedeerd tegemoet trad en met welk eene belangstelling luisterde men naar het verslag van zijn wedervaren! Alle aanwezigen drukten hem de hand en gevoelden behoefte om hem te danken voor wat hij gedaan had; een ieder roemde om strijd zijne dapperheid. Ook Mabonagrain werd vriendelijk begroet, toen men zijne geschiedenis van Erec vernomen had; dat hij zelf innig verblijd was over zijne bevrijding stond duidelijk op zijne gelaatstrekken te lezen.

Zoo betoonden allen zich verheugd over den uitslag van het gebeurde, behalve ééne en dat was de geliefde van Mabonagrain. Zij besefte maar al te goed, dat zij door hetgeen er geschied was, de macht over haren echtgenoot grootendeels verloren had en tevens vreesde zij met recht, dat zijne liefde voor haar door hare zelfzuchtige dwingelandij zeer geleden zou hebben. Somber zat zij in een hoek van het vertrek, waar de anderen feestvierden, en peinsde over haar toekomstig leven. Daar vond Enide haar en de jonge vrouw, die zelve zoo innig gelukkig was, beijverde zich terstond om haar te troosten en op te beuren. Zij vertelde haar van het leed, dat zij had moeten doorworstelen, alvorens zij geleerd had, de behoeften aan geluk van haren echtgenoot te stellen boven de hare. Zij wees er de mismoedige op, dat het leven van een man niet enkel gevuld kan worden door liefde, dat het ook verlangen heeft naar roem en eerbetoon, wat voor eene vrouwenziel onbegrijpelijk is. Waar de bevrediging dier verlangens echter bijdraagt tot zijn geluk is het de plicht der vrouw om ze in hem aan te wakkeren, ook al handelt zij daardoor schijnbaar tegen haar eigen belangen in. De eenige ware manier, zoo besloot Enide, om gelukkig te worden, is te trachten zichzelf te vergeten en slechts te leven om anderen gelukkig te maken.

Nadat zij was heengegaan, om zich bij het vroolijke gezelschap aan tafel te voegen, waarheen Erec haar riep, bleef de andere jonge vrouw nog langen tijd in gemijmer verzonken. Enide's woorden hadden haar wakker geschud uit hare ijdele zelfzucht en toen zij zich dien avond te slapen legde, was het met een hart vol goeden wil. Zij nam zich ernstig voor om goed te maken, wat zij jegens haren echtgenoot had misdreven en te trachten, door een nieuw leven vol zorg en toewijding zijne liefde te herwinnen.

Erec en Enide begaven zich den volgenden morgen opnieuw op weg, vergezeld door Guivret Le Petit. Na eenige dagen reizens kwamen zij in Cardiff aan, waar zij met groote vreugde door koning Arthur werden begroet. Aan zijn hof bleven zij vertoeven, totdat eenige jaren later het bericht van den dood van Erec's vader onzen held naar zijn eigen land terugriep. Daar aanvaardde hij het bestuur over zijn volk, dat hij tot in hoogen ouderdom met wijsheid wist te regeeren. Steeds bleef hij gelukkig in zijn huwelijk met Enide en toen de jaren verliepen, groeide er een jong en krachtig kroost rondom hen op, dat door zijne frissche jeugd hun de zorgen des ouderdoms verlichtte.

INLEIDING TOT DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE.

De voorname plaats, welke Lanceloet bekleedt onder de ridders van koning Arthur, alsook zijne verhouding tot koningin Ginevra, maken het wenschelijk, dat wij in deze inleiding een weinig dieper ingaan op de geschiedenis van dien held, dan, strikt genomen, voor een juist begrip van onderstaande legende noodzakelijk is.

De figuur van Lanceloet, die zulk eene belangrijke rol zou vervullen in den Arthur-cyclus, doet haar intrede gedurende het tweede, Fransche tijdperk der Arthur-sagen.

In de oude verhalen van Wales en in het bekende Middel-Engelsche gedicht "Brut" van Layamon, wordt Lanceloet's naam niet genoemd; het eerst lezen wij dien in "Erec" van Chrétien de Troies, waar onze held als derde genoemd wordt onder de ridders van Arthur's hof. In dit gedicht, alsook in het latere "Cligés", eveneens van Chrétien's hand, is Lanceloet slechts een naam. Opmerkelijk is het, dat het laatste gedicht tot onderwerp heeft de liefde van den held, Cligés, voor de jonge vrouw van zijn oom _en vorst_ en dat, terwijl wij daarin veelvuldige toespelingen vinden op de sage van Tristan en Isolde, er toch met geen enkel woord wordt gerept van de verhouding tusschen Lanceloet en Ginevra! In het volgende gedicht van Chrétien de Troies, dat getiteld is: "Le Chevalier de la Charrette" [49] staan wij plotseling voor eene geheel uitgewerkte en in bijzonderheden vertelde beschrijving van Lanceloet's verhouding tot de schoone koningin. Deze verhouding, waarover in de vorige gedichten in 't geheel niet werd gesproken, is thans een voldongen feit en levert de stof voor eindelooze beschouwingen en bespiegelingen over de liefde. In het volgende gedicht: "Yvain" vinden wij slechts één vluchtige vermelding van Lanceloet's naam; in Chrétien's laatste werk: "Perceval", wordt hij in het geheel niet genoemd.

Hoe nu dit alles te verklaren?

Volgens Jessie Weston, de schrijfster van "The Legend of Sir Lancelot du Lac", Grimms Library, vol. XIII, is de oorsprong van de Lanceloet-legende te vinden in een van die vele Bretonsche liederen, de beroemde "lais bretons", welke de minnezangers van Wales en Bretagne in de 12e eeuw plachten te zingen in de kasteelen der Normandische en Fransche edelen en die zooveel hebben bijgedragen tot de verspreiding der Arthur-sagen. De inhoud van dit lied zou dan geweest zijn de roof van een koningszoon door eene waterfee. Dit blijkt het eenige gegeven omtrent onzen held te zijn, dat in al zijne levensbeschrijvingen voorkomt; onder welke gedaante hij ons vertoond wordt, steeds is en blijft hij "Lancelot _du Lac_."

Het eerste verslag van zijne lotgevallen vinden wij in een Middel-Duitsch gedicht: "Lanzelet", dat dagteekent uit de eerste jaren der 13e eeuw en geschreven werd door Ulrich van Zatzikhoven. Hoewel het werk van lateren datum is dan Chrétien's gedicht, is de stof, die daarin verwerkt wordt, van veel ouderen oorsprong en moet het dus ook als ouder beschouwd worden. Uit den lossen bouw van het gedicht maakt Jessie Weston op, dat het is samengesteld uit een aantal "_lais_", die elk op zichzelf een afzonderlijk geheel vormden.

De Fransche dichter was evenwel de eerste, die den naam van den held in verband heeft gebracht met dien van de schoone, jonge gemalin van koning Arthur. Zijn "Chevalier de la Charrette" werd geschreven op bevel en waarschijnlijk volgens aanwijzingen van gravin Marie de Champagne, die zulk eene belangrijke rol heeft gespeeld in het letterkundige leven van haar tijd. Bovengenoemd gedicht is eene verheerlijking der hoofsche liefde, zooals zij in die dagen werd gepredikt in de galante kringen van Frankrijk. De held is in blinde aanbidding verzonken voor zijne geliefde, die door hare grillen en luimen de standvastigheid zijner gevoelens op de proef tracht te stellen. De bewondering voor zulk eene onnatuurlijke verhouding was het gevolg van de over-beschaving uit die dagen en de overdreven verheerlijking der vrouw was eene verklaarbare reactie op de geringschatting, waarmede men in de voorafgaande eeuwen op haar nederzag. Ons echter, die dergelijke toestanden ontgroeid zijn, treft bovenal het gekunstelde van zulke verhoudingen en daarom kan ons Chrétien's gedicht, waarin deze gevoelens op de spits worden gedreven, niet werkelijk ontroeren. Hoe geheel anders worden wij getroffen door de sage van Tristan en Isolde, ongeveer in denzelfden tijd ontstaan, maar waarin, dat voelen wij terstond, van werkelijke liefde en hartstocht sprake is.

De Lanceloet-sage komt tot voltooiing in den Franschen prozaroman: "Lancelot", waar de geschiedenis van den held in verband wordt gebracht met de Graal-sage. [50]

Het handschrift van "Lancelot" dagteekent uit de 14e eeuw, maar Dr. Jonckbloet, de bewerker van den Middel-Nederlandschen "Lanceloet", de eenige in dichtmaat geschreven vertolking van het Fransche werk, is van meening, dat de tekst van veel ouderen datum is.

Alvorens over te gaan tot eene nadere beschouwing van den oorsprong van onderstaande sage, dient hier nog een enkel woord gezegd te worden over de reeds bovengenoemde verhouding tusschen onzen held en koningin Ginevra. Reeds in de oudste Arthur-verhalen vinden wij melding van Ginevra's ontrouw aan haren echtgenoot, maar haar medeschuldige is hier niet Lanceloet, maar Modred, die volgens sommige schrijvers de neef, volgens anderen tevens de natuurlijke zoon was van koning Arthur.

In de letterkunde van Wales, waar Lanceloet zelfs niet bij name bekend was, wordt de volle nadruk gelegd op Ginevra's schuld en betuigen de schrijvers hunne diepe verontwaardiging over haar gedrag. Geheel anders is de houding, welke de latere Fransche schrijvers tegenover haar aannemen. In hunne werken blijft Ginevra's zedelijk karakter geheel onaangetast door hare verhouding tot Lanceloet en in de "Quête del St.Graal", een werk van beslist godsdienstige strekking, wordt haar naam zelfs met eerbied genoemd. Volgens Jessie Weston is de zaak aldus: de ongunstige voorstelling van Ginevra's persoonlijkheid in de oude verhalen van Wales wijst op eene vroegere, meer primitieve, maar gezondere samenleving dan die uit den Franschen riddertijd.

De oorspronkelijke minnaar der koningin was waarschijnlijk Walewein, welke stelling door vele aanwijzingen in de oudste Keltische overleveringen gesteund en bevestigd wordt. In latere verhalen werd echter Modred als minnaar genoemd; het Christelijk-ethische element, dat zich in de Arthur-sagen begon te ontwikkelen, maakte het onmogelijk, dat Walewein anders eene eervolle plaats onder de volgelingen des konings bleef innemen. Hetzelfde bezwaar deed zich gelden voor Ginevra en wij zien haar dus allengs voorgesteld als valsch en bedriegelijk.

Een tijd lang nemen de dichters en schrijvers eene streng afkeurende houding tegenover haar aan, dan volgt er een tijdperk, dat van de Fransche proza-romans, waarin hare afdwaling van het pad der deugd wordt vergoelijkt en ten slotte geheel uit het oog verloren. In deze romans wordt zij, gelijk reeds hierboven werd vermeld, beschreven als eene deugdzame vrouw, die door sommige schrijvers [51] zelfs wordt geacht hooger te staan dan haar echtgenoot.

De opvatting van 19e eeuwsche schrijvers, zooals Tennyson is begrijpelijkerwijze gegrond op overwegingen, welke geheel verschillen van die uit bovengenoemde tijden. De moderne dichters keuren Ginevra's verhouding tot Lanceloet af, maar hunne afkeuring is vermengd met medelijden.

Hoe kwam het nu, dat Lanceloet de plaats ging innemen van den valschen, listigen Modred? Dit geschiedde om twee redenen: 1º om te voldoen aan de eischen der hoofsche liefde, 2º om zijne geschiedenis te doen gelijken op de zeer populair geworden Tristan-sage.

Reeds hebben wij er op gewezen, dat de verhouding tusschen Lanceloet en Ginevra toch altijd eene gansch andere blijft als die, welke bestaat tusschen de gelieven van Cornwall. De eerste draagt geheel het stempel van den tijd, waarin zij ontstond, het is de ware "amour courtois", die zich uit in slaafsche aanbidding en onderdanig huldebetoon aan de zijde van den ridder en in hooghartig neerzien en heerschzuchtigen trots aan de zijde van zijne "_dame_". Eene dergelijke liefde, die kenschetsend was voor de zeden en gewoonten uit dien tijd, was voorbestemd om met dien tijd te verdwijnen. De liefde van Tristan en Isolde daarentegen heeft door de eeuwen heen de menschheid weten te boeien, omdat zij eene natuurlijke uiting is van het menschelijk hart, dat door alle tijden heen hetzelfde is gebleven.

Bepalen wij thans onze aandacht tot de sage, welke in de volgende bladzijden vermeld wordt. Zij verhaalt van de noodlottige liefde, welke de jonkvrouw van Astolat voor onzen held had opgevat, toen deze op zijne reis naar het tournooi te Camelot, eenige dagen in haars vaders kasteel vertoefde. Het verhaal, zooals het hieronder is weergegeven, is ontleend aan Malory's "Morte D'Arthur", waar het deel uitmaakt van het achttiende boek. Gelijk ook het geval is met de andere verhalen, welke wij in Malory's verzameling aantreffen, moeten wij den oorsprong dezer sage elders zoeken en wel in het eerste deel van den Franschen prozaroman: "Lancelot". In dit eerste deel schildert de schrijver, Walter Map, ons het ridderleven in de daartoe geëigende bontheid van kleuren. De episode van Lanceloet's verblijf op het kasteel Astolat valt op een tijdstip, waarin onze held reeds geheel onder den ban verkeert van zijne liefde voor koningin Ginevra.

Behalve in Thomas Malory's werk vinden wij in de Middel-Engelsche literatuur nog eene tweede vertolking van de Sage van Lanceloet en Elaine, daar deze ook het gegeven vormt van een Middel-Engelsch gedicht uit het einde der 14e eeuw. De schrijver van dit werk is, evenals de meeste dichters uit zijn tijd, onbekend gebleven, maar uit de schrijfwijze blijkt, dat hij behoord moet hebben tot de klasse der minnezangers. Het gedicht, dat getiteld is: "Le Morte Arthur" (aangezien het voor het grootste deel gewijd is aan eene beschrijving van de gebeurtenissen, die leidden tot Arthur's dood) is geschreven in acht-regelige coupletten; het dialect is dat van het Noordwesten van Engeland. Hoewel de letterkundige schoonheid van het gedicht niet zeer groot is, verdient het toch onze belangstelling, niet alleen om de aantrekkelijkheid van het onderwerp, maar ook om de aangename, zij het soms ietwat eentonige wijze van vertellen. Op groote oorspronkelijkheid kan de dichter niet bogen, zijne beschrijvingen vertoonen een zeker gebrek aan verbeeldingskracht, maar daar staat tegenover, dat hij ons nu en dan weet te treffen door de eenvoudige, gevoelvolle wijze, waarop hij de lotgevallen zijner heldin verhaalt. Bovendien heeft zijn werk de verdienste, de eerste Engelsche bewerking te zijn van het Lanceloet-Elaine verhaal en van de romantische sage van Arthur's dood, al werd van deze laatste reeds eene korte aanduiding in Layamon's "Brut" aangetroffen.

Wat nu de verhouding tusschen "Le Morte Arthur" en de vertolking onzer sage in Malory's prozawerk betreft, zoo is door sommige geleerden de stelling opgeworpen, als zou de laatste aan het Middel-Engelsche gedicht zijn ontleend.

Latere geleerden zijn het hiermede niet eens en de algemeene meening is thans wel, dat beide afstammen van eene gemeenschappelijke bron: een verloren gegaan handschrift van den Franschen "Lancelot", waarin de gebeurtenissen eenige afwijkingen vertoonen van die uit het bewaard gebleven manuscript.

Alfred Tennyson wijdde één zijner Koningsidyllen aan de behandeling onzer sage. Hij gebruikt als bron het Middel-Engelsche gedicht, en neemt daar dus ook uit over de ongunstige rol, welke de dichter van "Le Morte Arthur" Walewein daarin laat spelen.

Gelijk wij elders [52] gelegenheid hadden te bespreken, heeft het karakter van dezen ridder, aanvankelijk een der aanzienlijkste en edelste helden van Arthur's hof, in de latere Fransche prozaromans--dus ook in den "Lancelot"--eene opmerkelijke verandering ten kwade ondergaan en Tennyson, die de sagen in haren ouderen vorm niet schijnt gekend te hebben, beschrijft Walewein in zijne gedichten als een onbetrouwbaar en lichtzinnig man.

In Malory's vermelding van Walewein's bezoek op Astolat, speelt deze geen dubbele rol, daarom is ook in onderstaande wedergave der sage zijn goede naam onaangetast gebleven.

DE SAGE VAN LANCELOET EN ELAINE.

"Allas", they sayden, "launcelot du lake, That euyr shuldistow se the quene!"

("Le Morthe Arthur", Middel-Engelsch gedicht uit de 14e eeuw).

_Van het steekspel te Camelot en hoe Lanceloet daarvan thuis bleef, maar door de koningin werd aangespoord om toch te gaan._ Koning Arthur had ter eere van het feest, waarop de Hemelvaart der Heilige Maagd werd herdacht, zijne edelen opgeroepen tot een groot steekspel te Camelot aan de Theems. De koninklijke herauten hadden opdracht gekregen, de mare hiervan wijd en zijd in den lande te verkondigen en alle ridders op te wekken tot deelname aan dit tournooi, dat alle voorafgaande feesten in luister en pracht verre zou overtreffen. De koning zelve, zoo verklaarden zij aan een ieder, die het hooren wilde, zou ditmaal in eigen persoon aan den strijd deelnemen en had zich bereid verklaard, om tezamen met zijne ridders een kamp aan te gaan tegen elke groep tegenstanders, die zich daarvoor aanbood. Onnoodig te zeggen, dat dit bericht de belangstelling voor het komende steekspel aanmerkelijk deed stijgen. Velen, die anders zeker tegen de moeite en kosten, aan den langen tocht naar Camelot verbonden, zouden hebben opgezien, besloten thans toch de reis te ondernemen, ten einde dit belangwekkende schouwspel bij te wonen.

Ook in het paleis van koning Arthur sprak men weken van te voren over niets anders dan over de komende feesten te Camelot. Uren lang wikten en wogen de ridders de kansen van hen, die zich reeds als deelnemers aan den strijd hadden aangemeld en verdiepten zich in gissingen omtrent het aantal der vreemde ridders, die zich alsnog daarbij zouden voegen. De edelvrouwen aan het hof bespraken ijverig de keuze hunner kleederen en verlustigden zich bij voorbaat in het vele schoons, dat zij in Camelot te zien zouden krijgen.

Koningin Ginevra nam geen deel aan deze gesprekken. Gedurende het grootste deel van den afgeloopen winter was zij lijdende geweest aan de gevolgen eener zware gevatte koude en nog steeds gevoelde zij zich zwak en lusteloos. Den ganschen dag bracht zij door in een hoogen zetel aan het raam van een harer eigen vertrekken, het gepraat der vrouwen vermoeide haar en 't liefst was zij alleen. Dan zat zij uren lang naar buiten te staren en aan de uitdrukking van haar gelaat kon men zien, dat hare overpeinzingen niet van de vroolijkste waren. Tegen den middag, als de lentezon koesterend over de paden van het slotpark scheen, wist koning Arthur haar met zachten dwang te overreden om hare vertrekken voor een oogenblik te verlaten en met hem naar buiten te gaan. Dan wandelde Ginevra, leunend op den arm van haren gemaal, eenigen tijd in de tuinen rond het paleis en met genoegen bemerkte de vorst, hoe bij het huiswaarts keeren een zacht rood de wangen der zieke kleurde. Ook Ginevra zelve voelde, dat de zoele voorjaarslucht haar goed deed. Wanneer zij aldus alleen met haar echtgenoot was, temidden der vrije natuur, terwijl om haar heen de vogels tjilpten en kweelden en alles sprak van een nieuw ontwakend leven, scheen het, of ook in haar arm, gefolterd hart iets van den ouden levensmoed terugkeerde. Als zij dan opzag naar 's konings edel gelaat, dat zich vol zorg en toewijding tot haar neerboog, trachtte zij zich zelve op te dringen, dat hij het was, dien zij liefhad en niet die andere, Lanceloet, wiens beeld haar steeds voor oogen zweefde. Waarom kon zij niet gelukkig zijn, zij, die zich boven zoo vele vrouwen begenadigd moest voelen door de liefde van één, die goed en nobel was als geen ander?

Zij zou, zij moest gelukkig worden en dien ander trachten te vergeten; hier buiten, in den koesterenden zonneschijn, met haar arm in dien van haar echtgenoot en zijne vriendelijke, opbeurende stem in hare ooren, meende zij ook werkelijk dat zij het zou kunnen. Maar, eenmaal terug in hare vertrekken, als men haar alleen liet en de vermoeienis der wandeling haar afgemat deed neerzinken in de kussens van haren zetel, miste zij de kracht om zich te verzetten tegen den stroom van bitterzoete herinneringen, welke zich van hare ziel meester maakten. Tegen den avond voelde zij zich dan weer moe en slap en de wijze artsen schudden hunne geleerde hoofden en spraken van geduld en langzamen vooruitgang.