Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 34
Na een hartelijk en dankbaar afscheid van de zijde der gelieven, keerde hij naar de plaats terug, waar hij Enide had achtergelaten. Wie zal de gevoelens van dankbare verlichting beschrijven, waarmede deze haar echtgenoot ongedeerd uit het struikgewas te voorschijn zag komen? Welke folteringen had zij gedurende zijne afwezigheid doorstaan en hoe vaak was zij op het punt geweest hem in het gevaar te volgen, liever dan die martelende onzekerheid langer te dragen! Al waagde zij het niet, een woord te zeggen, toch gaf iedere trek van haar gelaat, iedere beweging van hare gestalte uiting aan hare overgroote vreugde, nu Erec, voor zoover zij zien kon, zonder letsel tot haar was wedergekeerd. Deze laatste had intusschen onder het rijden bemerkt, dat hij gekwetst was. Toen hij zijne hand aan zijne zijde bracht, voelde hij hoe zijne kleeren op die plek kleefden van het bloed, dat hem uit eene diepe wonde vloeide. Hij besloot echter met geen woord hiervan te reppen en te wachten, tot zij aan eene geschikte rustplaats kwamen, waar hij gelegenheid zou hebben, zijne wonde zelf uit te wasschen en te verbinden. Het denkbeeld van zulk een dienst onder deze omstandigheden door Enide te laten verrichten, was hem ondragelijk. Met inspanning van al zijne krachten hield hij zich dus in het zadel overeind, hoewel hij zich door het aanhoudend bloedverlies steeds zwakker voelde worden. Enide reed intusschen in bijna opgewekte stemming voort, zóó groot was de terugslag na haar angst van zooeven. Daar hoorde zij een doffen slag achter zich en haar hart stond bijna stil van schrik, toen zij, omziende, Erec naast zijn paard op den grond zag liggen met gesloten oogen en doodsbleek gelaat.
In een oogwenk lag zij naast hem nedergeknield en terwijl zij met geweld de snikken onderdrukte die haar in de keel kropten, beproefde zij met alle middelen, die haar ten dienste stonden, om de levensgeesten weer bij hem op te wekken. Maar tevergeefs; Erec sloeg de oogen niet op en toen zij inzag, dat al haar pogen nutteloos was, liet zij eindelijk haar tranen den vrijen loop en barstte los in een hartstochtelijk weenen.
_Hoe Enide medegevoerd werd door den graaf van Limors en wat er met haar in diens slot gebeurde._ Hoe lang zij daar zoo troosteloos gezeten had met Erec's hoofd in haar schoot, kon zij zich later niet herinneren; ten slotte geraakte zij in een toestand van verdooving, waaruit ruwe stemmen haar deden opschrikken. Het was de graaf van Limors, een roofridder uit een naburig kasteel, die met zijne manschappen langs de plek kwam rijden, waar Enide bij het als levenlooze lichaam van haren echtgenoot zat te klagen. De graaf hield zijn paard in en vroeg Enide nieuwsgierig, wat er gebeurd was. Zóó zeer werd hij bekoord door haar schoonheid, dat hij zijnen dienaren beval, Erec op te nemen en hem voorzichtig naar zijn slot te dragen. Eigenhandig hielp hij daarna Enide om haar paard te bestijgen en voerde zoo de beiden met zich mede. In zijn slot aangekomen deed hij het lichaam van Erec nederleggen op eene baar in de groote slotzaal; Enide ruimde hij eene plaats in aan zijne zijde, waar hij haar met beleefdheden overlaadde. De onverschilligheid, waarmede zij die in ontvangst nam, spoorde hem tot steeds grooter voorkomendheid aan en deed het vuur van zijn hartstocht aanwakkeren tot eene steeds hooger oplaaiende vlam. Die vrouw moest en zou de zijne worden, en wilde zij zulks niet goedschiks, dan zou hij haar wel weten te dwingen.
Na eenigen tijd werd het sein tot den maaltijd gegeven, waaraan ook Enide gedwongen werd deel te nemen. Vol angst, de oogen in bange vrees op de baar gericht, waar Erec lag, zat zij aan tafel, waar zij alle spijzen ongebruikt aan zich voorbij liet gaan. Maar dit was niet de bedoeling van den graaf. Met luider stem gelastte hij haar om te eten en toen zij ronduit weigerde, dit te doen, zeggend, dat zij niets wilde gebruiken, alvorens haar echtgenoot hiertoe ook weer in staat was, liet de woesteling zich zoodanig door zijne woede overmeesteren, dat hij haar met een ruwen vloek in het gezicht sloeg.
De ridders, die aan tafel waren gezeten, sprongen verontwaardigd overeind; al waren zij gewend aan de woeste zeden en gebruiken in het kasteel van hun meester, een dergelijk feit hadden zij toch nog nooit beleefd! Met eenige heftige verwenschingen beval Limors hun zich niet met zijne zaken te bemoeien en zóó zeer stonden zij onder den dwang van zijne ruwe heerschappij, dat zij zwegen. Limors wendde zich opnieuw tot Enide en gebood haar te eten, maar zijn heerscherstoon en de aanmatigende wijze, waarop hij tot haar sprak, deden in het hart der jonge vrouw den moed ontwaken, die eene lange reeks van dappere voorvaderen haar als erfdeel hadden geschonken. Met opgeheven hoofd en helder klinkende stem weigerde zij ten éénenmale, om zijn bevel op te volgen en verweet hem op krachtige wijze zijne onridderlijke houding tegenover eene zwakke, onbeschermde vrouw.
Limors begroette haar betoog met een schallend hoongelach. Wat kon het hem schelen, of hij zich in hare oogen onridderlijk gedroeg? Zij was immers in zijne macht en wanneer hij zulks wilde, kon hij dat trotsche hoofd in een oogwenk doen buigen. Om haar zijne overmacht te toonen gaf hij haar opnieuw een slag in het gezicht.
Toen eerst drong bij Enide het besef door, hoe volkomen zij aan hem was overgeleverd. Indien de graaf nog den minsten twijfel gevoelde, of Erec wel werkelijk dood was, zou hij zóó niet durven handelen. Het moest dus inderdaad een feit zijn: haar geliefde was dood en zij--al het vreeselijke van haar toestand werd haar nu eerst duidelijk! Onder het slaken van een hartverscheurenden kreet zonk zij ineen.
Die kreet was hare redding. Hij drong door tot in Erec's brein, de nevelen zijner bezwijming verscheurend en riep hem terug tot het leven. Met één sprong was onze held overeind en bij den eersten blik zag hij, wat er geschied was. Zijn zwaard grijpend stortte hij zich op den graaf, die zich juist tot Enide wilde vooroverbuigen en spleet hem met een enkelen slag van zijn wapen den schedel. Vol schrik sprongen de aanwezigen van hunne zetels op; zij meenden niet anders, of Erec was uit den dood opgestaan en onder angstig geschreeuw namen allen de vlucht. Allen--behalve Enide, die in verstomming, maar met een gevoel van onuitsprekelijke verlichting had toegezien. Zij durfde nauwelijks hare oogen gelooven en vreesde bijna, dat het een droom was, waaruit zij zoo straks tot de vreeselijke werkelijkheid zou worden teruggeroepen. Maar neen, hij was het toch, Erec, haar echtgenoot, haar geliefde, die met uitgestrekte handen op haar toetrad, een glans van geluk in zijne oogen, haar in zijne armen nam en haar toefluisterde: "Liefste! van nu af aan verdwijnen alle schaduwen van vrees en wantrouwen tusschen ons. Als voorheen zullen wij elkander liefhebben, al zal die liefde in de toekomst rekening hebben te houden met de plichten, welke wij in de wereld moeten vervullen. Uwe woorden van toen heb ik u vergeven, vergeef gij mij mijne hardheid en wreedheid en laat ons te zamen een nieuw leven beginnen, waarin de liefde ons niet langer omlaag zal trekken, maar integendeel ons omhoog zal voeren tot meerdere eer en roem".
En Enide?--zij snikte zachtkens aan zijne borst, tranen van dankbaarheid en geluk, over de herwonnen liefde van haar echtgenoot. In 't vervolg zou zij niet meer zooals vroeger al zijn doen en denken in beslag nemen, maar zij zou hem steunen en troosten in zijn verdriet, met hem jubelen over den roem, dien hij zou behalen, en hem in alles ter zijde staan als eene trouwe, teedere echtgenoote.
Nu gold het voor hen beiden om weg te komen uit deze omgeving, vóór de ridders, van hunnen eersten schrik bekomen, den dood van hun meester wilden wreken. Op het voorplein vonden zij Erec's strijdros. In een oogenblik zat onze held in het zadel en zich bukkend nam hij Enide vóór zich op het paard. Zoo reden zij spoorslags de brug over, het donkere bosch in, dat zich om het kasteel uitstrekte.
Onverschillig waar het lot hem heenvoerde, zoo het slechts uit de nabijheid van het rooversnest Limors was, liet Erec de teugels van zijn paard los hangen en stond het trouwe dier toe zijn eigen pad te kiezen door de dichte duisternis van het woud. Enide lag stil en gelukkig in zijne armen en onder het voortrijden fluisterde hij haar woorden toe vol hartstocht en teederheid. Het samenzijn in het nachtelijk bosch, waar alles om hen heen in rust verzonken lag, scheen hen nog dichter tot elkander te brengen. Het was of de gansche wereld zich had teruggetrokken, om hen beiden alleen te laten. Als in een droom luisterde Enide naar de liefkoozende woorden van haren echtgenoot; na de angst en spanning der laatste dagen scheen het of zij plotseling van uit de woeste zee in een veilige haven was aangeland. Met een zucht van welbehagen nestelde zij zich nog dichter in Erec's armen, uit welke veilige schuilplaats geene macht ter wereld haar ooit meer zou kunnen verdrijven.
Daar werd de doodsche stilte om hen heen verstoord door naderend hoefgetrappel. Een ruiter naderde--maar met welke bedoelingen kwam die in het holst van den nacht door het woud rijden? Ijlings lichtte Erec zijne geliefde uit het zadel en verzocht haar zich achter de zware boomen verscholen te houden, tot hij had uitgevorscht, wie daar naderde. Mogelijk was het een der ridders van Limors, die zijn meester kwam wreken!
Eene gedaante te paard kwam op Erec af en weldra bemerkte Enide uit het wapengekletter en het snuiven der paarden, dat het tusschen Erec en den onbekende tot een treffen was gekomen. Zij moest zich geweld aandoen om het niet uit te gillen van angst; het was ook te wreed, het nauwelijks herkregen geluk opnieuw in gevaar gebracht te zien. Bovendien wist zij, dat Erec door het vele bloedverlies zeer verzwakt moest zijn, wat haar het ergste deed vreezen. Inderdaad, haar vermoedens werden slechts al te spoedig bewaarheid. In het onzekere maanlicht zag zij, hoe haar echtgenoot zich al minder en minder krachtig tegen den regen van slagen, die op hem neerviel, wist te verdedigen. Daar wankelde hij in het zadel en daar--O, ontzetting! stortte hij met een doffen smak op den grond.
Met een kreet sprong Enide van uit hare schuilplaats te voorschijn en liep met opgeheven handen op den vreemden ridder toe: "Houd op, houd op!" riep zij uit, "schaamt gij u niet een ridder, die zwaar gewond en door bloedverlies uitgeput is, aan te vallen? Wilt gij uw geweten nog verder bezwaren door een moord?"
De vreemdeling hield de teugels van zijn paard in en poogde tevergeefs in het maanlicht de trekken der spreekster te onderscheiden. "Wie zijt gij?" vroeg hij verbaasd, "en waar komt gij zoo plotseling vandaan? Uwe stem heeft een bekenden klank. Spreek, hoe is uw naam en die van uw begeleider?"
"Hij, dien gij zoo lafhartig hebt neergeveld," antwoordde Enide op trotschen toon, "is prins Erec, de eenige zoon en erfgenaam van koning Lac en ik ben Enide, zijne echtgenoote."
De onbekende slaakte een uitroep van ontsteltenis.
"Dan zijt gij het, dien ik zoek!" riep hij uit, "mijn vriend Erec, die, zoo zeide men mij, door de roofridders van Limors gevankelijk was medegevoerd en dien ik uit dat hol van verderf wilde bevrijden! God geve, dat ik in mijne onbesuisdheid geen misdaad heb begaan!"
Dit zeggend, sprong Guivret Le Petit, want hij was het, van zijn paard en liep naar de plaats, waar Erec ter aarde lag, maar de trouwe Enide was hem vóórgeweest en lag reeds bij het lichaam van haar echtgenoot nedergeknield. Met vereende krachten slaagden zij er in, de levensgeesten bij Erec weder op te wekken. Met behulp van eenige takken en Erec's mantel wist Guivret eene tent op te slaan, waarin de gewonde werd neergelegd. Guivret waakte bij den ingang en Enide bracht den nacht door aan de zijde van haar echtgenoot.
Toen de morgen daagde, stelde Guivret zijnen vrienden voor om hem te vergezellen naar zijn slot Penevric, dat niet ver van daar gelegen was. Ginds, zoo hoopte hij, zou Erec onder de goede zorgen van Enide en Guivret's beide zusters spoedig geheel herstellen van de doorgestane vermoeienissen.
Zoo gezegd, zoo gedaan.
In Penevric werden zij door de twee genoemde edelvrouwen op de hartelijkste wijze ontvangen en al wilde Enide den persoonlijken zorg van haren echtgenoot aan niemand anders overlaten, toch volgde zij dankbaar de aanwijzingen harer gastvrouwen, die zich in de heelkunst eene groote bekwaamheid hadden verworven. Spoedig waren Erec's wonden geheel genezen en op een schoonen morgen namen onze held en heldin afscheid van de gastvrije slotbewoners om de terugreis naar het hof van Koning Arthur te ondernemen.
Op het laatste oogenblik vroeg Guivret verlof, hen daarheen te mogen vergezellen, wat hem door Erec gaarne werd toegestaan.
_Van het avontuur, dat men de vreugde van het hof placht te noemen._ Aanvankelijk kenmerkte hunne gezamenlijke reis zich door geen enkel avontuur, tot zij op zekeren avond vanaf den top van een heuvel een ridderslot zagen liggen, aan alle zijden omgeven door water. Getroffen door den fraaien bouw van het kasteel vroeg Erec aan zijn metgezel, of deze hem ook zeggen kon, aan wien het slot toebehoorde. Guivret vertelde hem daarop, dat het de burcht Brandigan was, het eigendom van Koning Evrain. Terwijl hij dit zeide, scheen hij eenigszins verlegen; het was bijna, of hij iets voor Erec verborgen hield. Dit prikkelde de nieuwsgierigheid van onzen held en ten einde de oorzaak van Guivret's geheimzinnige houding te ontdekken, gaf hij zijn voornemen te kennen om in het slot een onderkomen voor den nacht te vragen.
Guivret geraakte over dit voorstel in groote opwinding; hij bezwoer zijn vriend om zijn plan op te geven en liever in de open lucht te overnachten, dan zich naar den burcht Brandigan te begeven. Op Erec's dringend vragen, wat de reden mocht zijn van een dergelijk vooroordeel tegen het kasteel en welke de gevaren konden zijn, die hem daar wachtten, gaf hij eerst slechts ontwijkende antwoorden. Toen Erec echter bleef aandringen, vertelde hij hem eindelijk, dat er aan een bezoek op dit slot een avontuur verbonden was, hetwelk men de Vreugde van het Hof noemde en waarvan nog geen enkel ridder behouden was wedergekeerd. Hij smeekte Erec daarom, zich te bezinnen, eer het te laat was en het slot voorbij te rijden, zonder af te stappen, want, zoo zeide hij, elkeen, die in Brandigan te gast was, moest zich aan het avontuur onderwerpen. Ook Enide zag haar echtgenoot smeekend aan, maar zij weerhield zich een woord te spreken om hem van zijn voornemen terug te brengen. Nooit moest hij ter wille van haar eene gelegenheid laten voorbijgaan om zich roem te verwerven.
Erec aarzelde langen tijd; eenerzijds lokte hem het geheimzinnige avontuur, anderzijds wilde hij zijn leven niet nutteloos in de waagschaal stellen, vooral niet nu het nieuwe geluk er nieuwe waarde aan schonk. Ten slotte werd de verleiding zich nog meer roem te verschaffen hem te sterk en tevens vond hij het eene schoone gelegenheid, om te bewijzen, dat zijne liefde voor Enide, hoe groot en teeder die ook zijn mocht, niet langer zijne ridderplichten in den weg stond. Vastberaden wendde hij zich tot Guivret en zeide hem eene kans te willen wagen, om het avontuur tot een goed einde te brengen. Daarna greep hij onder het rijden Enide's hand en sprak haar moed in door woorden van troost en opbeuring.
In de stad gekomen, die om den burcht Brandigan was gelegen, werden zij terstond omringd door eene luid klagende menigte. Op Guivret's vraag, waarom zij zoo jammerden, gaf men hem ten antwoord, dat zulks geschiedde uit mededoogen voor den schoonen, jongen ridder, wien zulk een droevig lot te wachten stond.
Op het slot bereidde Koning Evrain hun een gul onthaal. Nadat de reizigers zich door een stevig maal versterkt hadden, verzocht Erec den vorst hem zonder omwegen mede te deelen, waarin het avontuur, dat men de Vreugde van het Hof placht te noemen, bestond.
Alvorens hij aan zijn verzoek voldeed, waarschuwde Evrain zijn jongen gast, zich nog eens goed te bedenken, waartoe hij zich verbond. Oudere, meer ervaren ridders dan hij, hadden het avontuur ondernomen en geen van hen was er heelhuids van teruggekeerd. Wilde hij toch eene kans wagen, zoo moest hij zich bij het aanbreken van den dag gereed houden en Evrain zelf zou hem de noodige inlichtingen geven omtrent de wijze, waarop hij te werk moest gaan.
Erec bleef bij zijn eens genomen besluit en den volgenden morgen begaf hij zich geheel gewapend op weg, vergezeld van koning Evrain en diens gevolg. Alle menschen, die zij op hun weg ontmoetten, zagen Erec met meewarige blikken aan en de vrouwen der hovelingen konden zich niet weerhouden te weenen, wanneer zij aan het rampzalig einde dachten, dat de jonge held tegemoet ging.
Even buiten de stad gekomen, stond de koning stil. Hij beduidde zijn gevolg op hem te wachten en wenkte Erec en Enide om hem te volgen. Nadat zij eenige minuten voortgegaan waren, werden zij plotseling omgeven door een dichten nevel, die hun het verdergaan belette. Toen sprak de koning plechtig: "Het oogenblik is gekomen, waarop ik u zal mededeelen, waaruit het avontuur bestaat, dat men de Vreugde van het Hof noemt. Daarom, luistert goed. Op eenige schreden van hier bevindt zich een boomgaard, welke geheel omgeven is door een ondoordringbaren muur van mist. Niemand dan ik kan u daarbinnen toegang verschaffen. In dien boomgaard nu groeien winter en zomer de schoonste bloemen en vruchten en de vogels zingen er, alsof het altijd lente was. Toch schuilt te midden van dit bloeiende leven de dood met al zijne verschrikkingen, hoe, dat zal ik u toonen!" Na deze woorden gesproken te hebben, voerde de koning Erec en Enide dwars door den dichten nevel in een waren toovertuin vol kleuren en geuren. Links en rechts groeiden de fraaiste bloemen; tusschen de takken der boomen bloosden de kostelijkste vruchten en een koor van jubelende vogelstemmen scheen de binnenkomenden te begroeten. Plotseling slaakte Enide een kreet van schrik en greep Erec bij den arm, hem met ontsteld gelaat opmerkzaam makend op eene reeks palen, elk gekroond met een afgeslagen menschenhoofd. De laatste van de rij alleen droeg niet zulk een afgrijselijk versiersel, doch in plaats daarvan een hoorn. Ook Erec kon eene rilling van afschuw niet onderdrukken en zich tot den koning wendend, vroeg hij hem naar de beteekenis van dit vreeselijk schouwspel. Evrain antwoordde: "Zeide ik u niet, dat de dood u bedreigde temidden van al dit schoons? Deze hoofden hebben toebehoord aan de ridders, die vóór u beproefd hebben het avontuur tot een goed einde te brengen; gij ziet wat er van hen geworden is! De hoorn is bestemd voor hem, die als overwinnaar uit den strijd te voorschijn treedt; door hem te blazen, zult ge wijd en zijd verkondigen, dat gij er in geslaagd zijt, de Vreugde van het Hof tot werkelijkheid te maken. Wanneer gij echter niet gelukkiger zijt dan uwe voorgangers, zoo zal nog heden uw hoofd prijken, waar thans de hoorn hangt en voor dezen laatsten zal een nieuwe paal uit den grond verrijzen. Nu weet gij alles; het verdere moet ge zelf ondervinden. Er blijft mij slechts over u kracht en sterkte toe te wenschen en u in Gods heilige hoede aan te bevelen. Neem thans afscheid van uwe geliefde, ik zal haar bij de kromming van den weg afwachten. Vaarwel!"
Toen de koning heengegaan was, nam Erec zijne vrouw in zijne armen en omhelsde haar innig. Hij kon daarbij niet beletten, dat de tranen van aandoening hem over de wangen stroomden. In het aangezicht van den dood, met die afgrijselijke staken vóór zich, kwam het leven hem dubbel schoon en begeerenswaard voor en bijna berouwde het hem, niet naar Guivret's raad geluisterd te hebben. Hij bedwong echter zijne smart zooveel hij kon om het afscheid voor Enide niet nog moeilijker te maken en poogde haar met opbeurende woorden moed in te spreken, hoe zwaar hem dit ook viel.
Eindelijk scheidden zij; Enide liep met wankelende schreden het pad af, waarlangs zij gekomen waren en Erec ging den boomgaard verder in. Voorzichtig naar alle kanten spiedend of er ook gevaar dreigde, het getrokken zwaard in de hand, liep hij verder, tot hij, een hoek omslaande, plotseling vol verrassing stilstond.
Eenige passen voor hem uit, onder de breede kruin van een wilden vijgeboom, stond een zilveren bed, dat rustte op vier gouden voetstukken. Daarin lag eene jonkvrouw, naar het scheen in diepen slaap verzonken. Nieuwsgierig trad Erec naderbij om het vreemde schouwspel nader te onderzoeken, toen plotseling uit de struiken een ridder te voorschijn schoot, gekleed in eene vuurroode wapenrusting. Met donderende stem beval hij Erec hem genoegdoening te verschaffen over dit schaamtelooze binnendringen in het heiligdom zijner geliefde.
In den strijd, die weldra tusschen hen ontbrandde, bemerkte Erec al spoedig, dat hij nog nooit zulk een geweldig tegenstander had gehad als nu. De vreemdeling was zijn meerdere zoowel in grootte, als ook in lichaamssterkte, Erec daarentegen won het in vlugheid van beweging.
Lang duurde de strijd; het zweet liep den beiden ridders in stroomen langs het gelaat, hun adem kwam hijgend en zwoegend, terwijl zij steeds weer in verblinde woede op elkander indrongen. Eindelijk begon Erec's tegenstander sporen van vermoeidheid te vertoonen, zijne bewegingen werden langzamer en zijne slagen verminderden in hevigheid. Dit bemerkend, verdubbelde Erec zijne inspanning. Zijne laatste krachten bijeenrapend stormde hij nogmaals op zijn vijand los en wist hem met eenen handigen stoot van zijn zwaard het evenwicht te doen verliezen.