Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 33
Toen zij eenigen tijd zwijgend naast elkander waren voortgereden, hield Erec zijn paard in. Voor 't eerst sedert zij het slot hadden verlaten, zag hij Enide aan. Met eene uitdrukking van grimmigen ernst op zijn gelaat voegde hij haar toe: "Luister! Indien een verzoek van mij nog eenige waarde voor u heeft, zoo vraag ik u bij deze, om, wat er ook geschiede en wat gij ook zien moogt op uw pad, niet tegen mij te spreken. Hebt ge mij begrepen?" Enide knikte zwijgend; het spreken was haar onmogelijk, zóó zeer snoerde het verdriet over Erec's harde woorden haar de keel toe.
Met gebogen hoofd reden zij verder en zonder het elkander te verraden maakten zij beiden onwillekeurig eene vergelijking tusschen dezen tocht en hun eersten gezamenlijken rit naar het hof, toen alles in hen jubelde en zong van blij geluk. Welk een verschil met thans, nu gekrenkte trots en angstige beschroomdheid hen van elkander verwijderd hielden! Zouden zij ooit weer tot elkaar komen?
Nauwelijks hadden zij eenige mijlen afgelegd, of Enide bespeurde, hoe langs den zoom van het woud, dat vóór hen oprees, drie roovers kwamen aanrijden. Zonder zich een oogenblik te bedenken, riep zij uit: "Heer, wees op uw hoede! Ginds naderen drie mannen te paard, die zeker niet veel goeds in hun schild voeren!"
"Heb ik u dáárom verboden tot mij te spreken?" voer Erec toornig uit: "dat gij bij de eerstkomende gelegenheid mijn gebod overschrijdt? Gij denkt zeker, dat ik te laf en te zwak ben geworden, om mij tegen die drie te verdedigen en dat ik u dus onbeschermd hier zal achterlaten! Gij behoeft echter niet bevreesd te zijn, zoover is het nog niet met mij gekomen!"
Enide sloeg beschaamd de oogen neer, om aanstonds weer op te zien, toen zij bemerkte, hoe Erec in volle vaart op de roovers afstoof en hen met getrokken zwaard te lijf ging. Met een geweldigen zwaai van zijn wapen scheidde hij één zijner tegenstanders het hoofd van den romp en bracht den tweeden zulk een slag met zijn schild toe, dat de roover bewusteloos van zijn paard stortte. De derde was door het lot van zijne makkers zóó ontsteld, dat hij uit het zadel sprong en door het dichte struikgewas te voet het hazenpad koos.
Enide, die op eenigen afstand den strijd had gadegeslagen, ademde verruimd op, toen zij Erec ongedeerd tot haar zag wederkeeren. Het eenige, wat hij haar van het voorgevallene toevoegde, was: "Ziet ge nu wel, dat uwe vrees ongegrond was?" daarna beval hij haar, de drie paarden bij den teugel te nemen en ze voor zich uit te drijven. Hij eindigde met haar nogmaals op het hart te drukken, om vooral niet tegen hem te spreken.
Voor eene wijle gingen zij ongestoord huns weegs, toen plotseling Enide's waakzaam oog vijf ruiters ontdekte, die met gevelde lans op hen kwamen toerijden. Een oogenblik voerde zij een zwaren strijd in haar binnenste. Zou zij opnieuw zondigen tegen Erec's gebod en hem waarschuwen voor het dreigend gevaar? Het zou gewis zijne gramschap tegen haar nog doen toenemen, maar aan den anderen kant, bij een onverhoedschen aanval van zulk eene verpletterende overmacht zou hij zeer zeker het onderspit delven. Neen, liever nog haalde zij zich zijn toorn op den hals, dan dat zij zou verzuimen hem voor een dergelijk gevaar te waarschuwen. Zich omwendend naar Erec, die achter haar reed, riep zij hem toe: "Heer, opnieuw dreigt gevaar! Ditmaal zijn het vijf ridders, die u willen aanvallen. Ik smeek u, wees op uwe hoede!"
De angst en bezorgdheid in haren toon waren Erec niet ontgaan en deden zijn gewond hart goed, maar zijne stem klonk nog barscher dan voorheen, toen hij Enide ten antwoord gaf: "Hoe dikwijls moet ik u hetzelfde verzoeken? Gij schijnt inderdaad allen eerbied voor mij verloren te hebben, dat gij mijn wil zoo herhaaldelijk wederstreeft. Wat die vijf schelmen betreft, ik zal ze eene passende ontvangst bereiden, daar kunt ge zeker van zijn!"
Van achter een boom zag Enide in angstige spanning toe, hoe haar echtgenoot den ongelijken strijd tegen het vijftal aanbond, maar ook thans wist Erec door zijn onstuimigen aanval en verpletterende zwaardslagen zijne vijanden te verslaan. Drie der ridders lagen weldra op den grond te zieltogen, de beide anderen vluchtten met achterlating van hunne paarden en wapenen. Zonder een woord te spreken bond Erec de teugels der dieren samen, overhandigde ze aan Enide en beval haar voort te rijden. Met groote moeite hield deze de acht onwillige paarden in bedwang en toen Erec dit bespeurde, kwam het een oogenblik bij hem op om haar te hulp te komen en haar de teugels uit handen te nemen. Hij dwong echter met kracht elke aandoening van zachtheid in zijn hart terug en vervolgde zwijgend zijn weg.
Het was allengs avond geworden en de beide reizigers zagen zich gedwongen, in het bosch te overnachten. Toen zij aan eene daarvoor geschikte plek waren gekomen, bond Erec de paarden aan een boom vast en begon hout te verzamelen voor een vuur. Enide was uitgeput op het gras neergezonken, maar toen Erec haar kortaf beval eenige rust te nemen, terwijl hij zou waken, weigerde zij met ongekende beslistheid, zulks te doen. Aan zijne gelaatstrekken en zijne gebogen houding zag zij, hoezeer de zware strijd hem vermoeid had en hoezeer hij behoefte had aan eenige uren slaap. Daarom liet zij niet af, alvorens hij zich naast het vuur had uitgestrekt en toen zij even daarna aan zijne rustige ademhaling bemerkte, dat hij was ingesluimerd, kwam er een glans van voldoening op haar gelaat. Op hare teenen sloop zij naar hem toe en spreidde haren mantel over hem uit, daarna zette zij zich naast hem neer en bracht den nacht wakende door. Hare overpeinzingen, terwijl zij daar zoo zat, waren niet van vroolijken aard. In den slaap was de booze, harde uitdrukking van Erec's trekken weggevaagd en het scheen zelfs, of er iets van een glimlach om zijne lippen speelde. Nu zij hem zoo zag liggen en zich de gebeurtenissen van dien dag in het geheugen terugriep, kwam het haar schier ongeloofelijk voor, dat de hovelingen het hadden durven wagen Erec van lafheid te beschuldigen. Opnieuw verweet zij zich hare openhartigheid, die het hart van haren geliefde voor haar had gesloten en zijne ziel met wrok en wantrouwen had vervuld. Was dit haar dank voor alles, wat hij voor haar gedaan had, dat zij het zijn moest, die hem deze pijnlijke wonde toebracht? Maar--zoo sprak eene andere stem in haar binnenste, had zij het niet gedaan uit liefde voor hem, was het niet beter hem eerlijk te wijzen op zijne fouten, dan hem te laten voortleven in een bestaan, dat hem tot oneer strekte?
Zoo wikte en woog Enide het vóór en tegen van hare handelwijze en tobde zich af met het uitdenken van middelen, die Erec met haar zouden verzoenen, totdat het eindelijk begon te dagen tusschen de boomen en kort daarop de zonnestralen haar koesterend omvingen. Toen ontwaakte Erec, geheel verfrischt door zijne lange sluimering. Na een karig maal gebruikt te hebben, hervatten beiden zwijgend hunne reis.
Tegen den middag lieten zij het bosch achter zich en zagen voor zich uit de tinnen oprijzen van een kasteel, dat gelegen was op den top van een heuvel, tegen welks helling eenige woningen verspreid lagen. Langs een pad, dat van den heuvel naar omlaag voerde, naderde een jongeling met eene groote mand op de schouders, waaruit een geur van versch gebakken brood opsteeg. Ondanks zijne zware vracht liep hij vlug en opgewekt, onder het voortgaan een lustig liedje neuriënd. Erec hield hem staande: "Wat hebt ge daar in uwe mand, vriend?" sprak hij, "en waar brengt gij ze heen? Indien het iets eetbaars is, wat ge draagt en het is voor geld te koop, zoo geef het ons. Wij hebben den nacht in het bosch doorgebracht en zijn zeer hongerig."
De jongeling lachte vroolijk. "Ik wil u gaarne afstaan, wat ik draag, edele Heer," gaf hij ten antwoord, "het is brood en landwijn, die ik brengen moet aan de maaiers van mijn meester, Graaf Galoain, die daar ginds in de velden aan het werk zijn. Ik kan echter zoo noodig gemakkelijk nieuwen voorraad uit het slot halen, dus neem, waar ge lust in hebt." Dit zeggend, plaatste hij zijne mand op den grond en haalde er een verschgebakken brood en eenige kruiken wijn uit.
Erec en Enide lieten zich niet tweemaal nooden. Zij zetten zich in het lange gras aan den kant van den weg en lieten zich het aangeboden voedsel kostelijk smaken. Toen zij gegeten en gedronken hadden, bood Erec den vriendelijken jongeling, die intusschen zijne mand aan de maaiers gebracht had, één zijner buitgemaakte paarden aan, tot belooning voor zijne welwillendheid. Opgetogen van vreugde dankte de knaap hem voor dit kostbare geschenk en toen Erec hem verzocht, hun een geschikt onderkomen voor den nacht aan te wijzen, verzekerde hij hem, daar gaarne voor te willen zorgen.
Het drietal begaf zich nu den heuvel op en weldra had Erec met behulp van den knaap eene herberg gevonden, waar men hem een ruim vertrek aanwees als nachtverblijf voor hem en Enide. De jongeling was intusschen naar het kasteel teruggekeerd, waar hij vol trots aan een ieder, die het hooren wilde, vertelde, wat hem overkomen was. Het verhaal van zijn wedervaren kwam zoodoende ook ter oore aan Graaf Galoain zelven, die den knaap vóór zich liet verschijnen en zich persoonlijk verslag deed uitbrengen van zijne avonturen. Deze gaf hem zulk eene opgetogen beschrijving van den gullen en vriendelijken vreemdeling en de wonderschoone dame, die hem vergezelde, dat de graaf lust begon te gevoelen, zelf eens kennis te gaan maken met die onbekende gasten in zijne stad. Daarom beval hij zijn paard te zadelen en weinigen tijd later stapte hij af aan de herberg, waar Erec zijn intrek genomen had. Deze werd door den waard van de komst van zijnen hoogen bezoeker verwittigd en toen de graaf met zijn gevolg in het vertrek binnentrad, vond hij aldaar eene feestelijk gedekte tafel aangericht, bedekt met eene keur van kostelijke spijzen. Terstond werd hij getroffen door de hoffelijkheid, waarmede Erec hem tegemoet kwam, maar meer nog door de bevallige gratie van Enide. Na afloop van het middagmaal bleven de ridders tot laat in den avond bijeen. Onder een beker schuimenden wijn geraakten de tongen los en weldra zochten zij elkander te overtreffen in opgewonden verhalen van avonturen, die zij in den loop der jaren beleefd hadden. Enide had zich, zoo spoedig zij dit ongemerkt kon doen, van het gezelschap verwijderd en plaats genomen aan een open venster.
Naar buiten, starend in den zwoelen zomernacht, geraakte zij weldra geheel verdiept in hare droeve overpeinzingen en hoorde niets meer van het luidruchtig gelach en gepraat der ridders. Ook bemerkte zij niet, hoe de graaf, wiens hoofd door den wijn verhit was, steeds vaker zijne blikken in hare richting liet dwalen. Eindelijk kon hij zich niet langer bedwingen en vroeg Erec vergunning om vóór zijn vertrek nog afscheid te mogen nemen van zijne schoone gastvrouw. Met een onverschillig handgebaar gaf Erec hiervoor zijne toestemming en een oogenblik later werd Enide opgeschrikt door de stem van den graaf aan haar oor, die haar op heeschen toon toefluisterde: "Waarom wendt gij uw schoon gelaat zoo hardnekkig van ons allen af? Is het om hem niet te zien, die uw echtgenoot is, maar die u niet gelukkig maakt? Want gelukkig zijt ge niet, dat zie ik aan de treurige uitdrukking uwer oogen, aan den droeven trek om uw mond. En toch zijt gij geschapen om blij en vroolijk te zijn, om te worden aangebeden als het schoonste en kostbaarste kleinood, dat een man ten deel kan vallen. Hij daar ginds is een dwaas, een lompe vlegel, die niet in staat is, uwe gaven naar waarde te schatten. Maar"--hier zag hij haar diep in de oogen--"er zijn anderen, die dit wel kunnen, die het zich tot een onschatbaar voorrecht zouden rekenen, u te mogen dienen en liefhebben. Eén woord van u en ik dood uw echtgenoot met een enkelen slag van mijn zwaard. Dan voer ik u mede naar mijn kasteel, waar gij heerschen zult over mij en de mijnen. Spreek, gij hebt slechts te bevelen!"
Bij het vernemen dezer woorden voelde Enide zich een oogenblik als verlamd van schrik. Eén blik in de richting van haren echtgenoot toonde haar, dat hij ongewapend was en dus een gemakkelijk slachtoffer zou zijn voor een onverhoedschen aanval zijner gasten. Wat te doen? Met den graaf in zijn opgewonden geestestoestand viel niet te praten, dat begreep zij maar al te goed. Een oogenblik was zij radeloos, toen verzon haar vlugge geest eene list. Al hare wilskracht verzamelend om den afkeer te overwinnen, dien Galoain haar inboezemde, boog zij zich tot hem voorover, zag hem vast in de oogen en sprak fluisterend: "Gij hebt gelijk! Mijn echtgenoot maakt mij niet gelukkig en eene verandering van lot, zooals gij mij die voorspiegelt, zou mij dan ook niet onaangenaam zijn. Eene arme vrouw als ik kan echter niet voorzichtig genoeg zijn, waar het haar goeden naam betreft. Wanneer gij mijn echtgenoot thans dooddet, zouden uwe ridders mij steeds kunnen verwijten, u daartoe aangezet te hebben en nooit zouden zij voor mij den eerbied kunnen gevoelen, dien zij aan uwe echtgenoote verschuldigd zijn.
Daarom smeek ik u, ga thans heen, maar keer morgen in de vroegte terug om mij te halen. Uwe daad zal dan den schijn dragen van eene plotselinge overrompeling, waartegen ik mij niet kan verzetten."
Opgetogen over hare instemming met zijn plan, beloofde de graaf, haren raad te zullen opvolgen en verliet kort daarop met zijn gevolg de herberg, na een hartelijk afscheid van zijn gastheer te hebben genomen.
Deze begaf zich weldra ter ruste en ook Enide maakte zich in den tegenovergelegen hoek van het vertrek voor den nacht gereed. Hare sluimering was echter slechts van korten duur. Nog vóór het eerste morgenkrieken was zij reeds weer op de been en sloop geruischloos door het vertrek om alles voor een plotselingen aftocht gereed te maken. Toen zij Erec's kleederen en wapenen had klaargelegd, begaf zij zich naar het venster en wachtte daar het aanbreken van den morgen af. Zoodra het daarbuiten licht begon te worden, wekte zij Erec en deelde hem in haastige woorden het plan van den graaf mede. Toen hij vernomen had, wat er zou gebeuren, ontbood hij ijlings den waard en beval hem hunne paarden te zadelen. Daarop schonk hij hem als betaling de zeven paarden, welke hij aan de roovers ontnomen had en spoedig daarna begaven hij en Enide zich op weg.
Niet lang nog waren zij voortgereden, of zij hoorden achter zich een luid geschreeuw en getier, benevens hoefgetrappel, dat de nadering van eene groote schare ruiters aankondigde. Omziende zagen zij, in een dichte stofwolk gehuld, een aantal ridders naderen, die hevig joelend met gevelde lans op hen toereden; de graaf aan de spits. Deze was kort na het vertrek der beiden in de herberg gekomen en toen hij vernam, dat de vreemde gasten in alle vroegte vertrokken waren, had hij begrepen, dat hij om den tuin was geleid. Met eene schaar van honderd ridders had hij toen de vluchtenden achtervolgd en nu hij hen ingehaald had, daagde hij op hooghartigen toon Erec tot een tweegevecht uit. In den strijd, die nu volgde, moest Galoain het echter tegenover de groote krijgsmanskunst van zijn vijand weldra afleggen en toen Erec hem eene diepe wonde in de zijde had toegebracht, zonk hij op de knieën en smeekte om genade. Terwijl hij daar geknield lag, viel zijn blik op Enide en toen hij de uitdrukking van innige dankbaarheid over den afloop van den strijd op hare ontspannen trekken las, besefte hij eerst, hoe zij haren man met hart en ziel moest liefhebben, ook al gaapte er op dat oogenblik een diepe kloof tusschen hen beiden. Hij schaamde zich over zijn hartstocht van den vorigen avond, die hem bijna tot zulk eene oneervolle daad had gebracht en zich omwendend, beval hij zijnen ridders huiswaarts te keeren, waarheen hij hen langzaam en in gedachten verzonken, volgde.
Erec en Enide zetten intusschen hunne reis verder ongehinderd voort, tot zij aan eene breede rivier kwamen, aan welker oever een fraai ridderslot was gelegen. Dicht onder de muren van het slot voerde eene breede brug over den stroom en daar Erec niemand op de wallen bespeurde, aan wien hij inlichtingen omtrent den te nemen weg kon vragen, besloot hij, de rivier over te steken om te zien, wat zich aan genen oever daarvan bevond. Nauwelijks echter had zijn rijpaard de brug betreden, of een uitroep van Enide deed hem omzien. "Heer!" riep zij uit, "ginds nadert een ruiter, blijkbaar de eigenaar van het kasteel, tot wiens eigendommen ook deze brug schijnt te behooren. Zeker wil hij u ter verantwoording roepen over het feit, dat gij zonder zijne toestemming wilt trachten de rivier over te steken. Ik bid u, wees voorzichtig en vermijd zoo mogelijk een nieuwen strijd, nu gij nauwelijks van de vermoeienissen van een vorig gevecht zijt bekomen." Uit hare woorden sprak zóó duidelijk hare bezorgdheid voor hem, dat een warm gevoel van vreugde Erec doorstroomde. Had zij hem dan tòch nog lief, na al hetgeen er gebeurd was en was het werkelijk slechts vrees voor zijn leven en niet vrees voor haar eigen veiligheid geweest, die haar ondanks zijn verbod tot spreken had gedwongen? Al brak een straal van hoop door de duisternis, die Erec's ziel vervulde, toch klonk zijne stem koel en hard als te voren, toen hij tot Enide sprak: "Het schijnt nutteloos te zijn, u iets te gebieden, want keer op keer overschrijdt gij mijne bevelen. Doe daarom voortaan, wat u goed dunkt, ik zal er mij niet langer om bekommeren."
Bij deze woorden deed hij zijn paard op de brug omkeeren en reed langzaam den naderenden ridder tegemoet.
Deze was zóó klein van gestalte, dat hij bijkans een dwerg geleek, maar al was hij smal en nietig van bouw, toch glinsterden zijne oogen van moed en strijdlust, toen hij Erec tot den kamp uitdaagde. De strijd was spoedig beslist, de vreemde ridder moest weldra inzien, dat hij tegen de meerdere kracht van zijn tegenstander niet bestand was. Hij verdedigde zich echter met zulk een moed en volharding, dat Erec eene groote bewondering in zich voelde opkomen voor den durf, waarmede hij den ongelijken strijd was aangegaan. Hij weerhield zich dus van hem te dooden en vergenoegde zich met hem zijn zwaard uit handen te slaan. Daarop sprak hij: "Laat ons dezen onnutten strijd niet langer voortzetten; de natuur heeft mij met meerdere lichaamsgrootte en kracht bedeeld dan u; aan deze en aan geene andere oorzaken dank ik het, dat ik in dezen strijd overwinnaar ben gebleven. Ik koester echter grooten eerbied voor uw moed en dapperheid. Wanneer gij mij dus wilt toestaan, uw vriend te worden, zal ik dit als eene hooge eer beschouwen!"
De aangesprokene nam zijn edelmoedig aanbod dankbaar aan; hij verklaarde toen Guivret Le Petit te heeten en heer te zijn over uitgestrekte landerijen in den omtrek. Nadat Erec zijn aanbod om eenigen tijd zijn gast te zijn had afgeslagen onder voorwendsel, dat dringende zaken hem elders riepen, namen de beide ridders afscheid van elkander onder warme vriendschapsbetuigingen.
Na eenige uren rijdens kwamen Erec en Enide in een dicht woud, waar zij zich slechts met moeite een weg door het kreupelhout konden banen. Plotseling werd de diepe stilte om hen heen verbroken door een luid gejammer, dat uit de struiken tot hen kwam. Op het hooren van dit klagelijk geluid greep Erec terstond naar zijn zwaard en nadat hij Enide bevolen had op hem te wachten, drong hij te paard door het dichte struikgewas in de richting van het geluid. Spoedig kwam hij aan eene open plek in het bosch, waar hij eene luid weenende jonkvrouw op den grond vond uitgestrekt. Op zijn deelnemend vragen vertelde zij hem, dat haar geliefde door twee reuzen was weggevoerd, die hem met de vreeselijkste folteringen bedreigden en die gezworen hadden terug te zullen keeren om ook haar hetzelfde lot te doen ondergaan. Terstond beloofde Erec haar al het mogelijke te zullen doen, om haren geliefde te bevrijden en nadat hij van de ongelukkige eenige aanwijzingen had ontvangen omtrent de richting, waarin de roovers vertrokken waren, begaf hij zich terstond op weg. Inderdaad had hij nog niet lang gereden, toen hij op eenigen afstand den ontvoerden ridder ontwaarde. Hij verkeerde werkelijk in een deerniswekkenden toestand. Zijne beulen hadden hem, bijna geheel ontkleed, op een rijpaard vastgebonden en liepen elk aan een kant van hun slachtoffer, dat zij met hunne zware knuppels op de vreeselijkste wijze mishandelden. Eene hevige verontwaardiging maakte zich van Erec meester, toen hij dit erbarmelijk schouwspel aanzag. In vliegende vaart stoof hij op de reuzen af en dezen, die in 't geheel niet voorbereid waren op zulk een onverwachten aanval, waren er zóó door uit het veld geslagen, dat zij na een korten strijd luid schreeuwend het hazenpad kozen. Erec's eerste werk was toen om den vreemden ridder, die half bewusteloos op zijn paard hing, te ontdoen van zijne knellende banden en te trachten hem tot bewustzijn terug te brengen. Boven verwachting gelukte hem dit vrij spoedig. Hoewel zeer stijf en pijnlijk, had de gevangen ridder geene enkele gevaarlijke kneuzing opgeloopen en zoo kon hij aan Erec's arm strompelend de plek bereiken, waar zijne geliefde hem wachtte. Het was roerend de dankbaarheid der beiden jegens hun redder aan te zien. Zij vielen voor Erec op de knieën, en kusten zijne handen, terwijl de tranen van blijdschap en geluk hun over de wangen stroomden. Het werd Erec bij het zien van hunne vreugde over het feit, dat zij voor elkander behouden waren gebleven, vreemd te moede. Ook hem wachtte ginds eene geliefde, die in spanning verkeerde over den afloop van het avontuur, en al zou hare blijdschap over zijn behouden wederkeer niet zoo uitbundig zijn als deze, toch,--dit voelde hij in 't diepst zijner ziel als eene onomstootelijke waarheid--, zij zou haar in innigheid zeer zeker evenaren, zoo niet overtreffen. Waarom kon hij dan den muur niet breken, die hen scheidde en het woord van verzoening spreken, dat haar in zijne armen zou voeren? Het was zijn gekrenkte trots, die hem daarvan terughield en die meerdere boetedoening eischte van de vrouw, die hem door hare woorden zoo diep beleedigd had. Hier werd hij uit zijn gepeins opgeschrikt door den vreemden ridder, die zich aan hem bekend maakte als Heer Cadroc van Tabriol en nu wederkeerig wenschte te weten, welke de naam was van zijn bevrijder. Maar Erec, wiens weeke stemming van zooeven weer geheel verdwenen was, weigerde kortaf dien te noemen en beval Heer Cadroc naar het hof van koning Arthur te gaan om hem aldaar te vernemen.