Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 32

Chapter 324,055 wordsPublic domain

Bij deze woorden leidde de grijze edelman Erec naar den middenbouw van het kasteel, het eenige gedeelte, waarvan de muren zich hadden staande gehouden. Door de hoofddeur traden zij eene ruime zaal binnen, waar zich twee vrouwen bevonden, bezig met eenig huiswerk. De eene was eene bejaarde dame, wier waardig voorkomen en statige houding aantoonden, dat het werk, hetwelk zij thans verrichtte, haar vroeger vreemd moest zijn geweest, de andere scheen de dochter des huizes te zijn. Nooit nog had Erec een lieftalliger verschijning gezien dan die van dit jonge meisje. Haar gelaat was frisch en bloeiend als eene roos, haar blonde haren hingen haar in twee vlechten op den rug en het eenvoudige, grijze kleedje, dat zij droeg, deed de slanke lijnen harer gestalte voordeeliger uitkomen, dan het fraaiste staatsiekleed zou kunnen doen. Maar het was niet alleen hare schoonheid, die Erec's hart sneller deed kloppen, er was iets in haren oogopslag, in de onbewuste gratie, waarmede zij over haar werk gebogen zat, dat hem onweerstaanbaar bekoorde. Zijn gastheer maakte zijne echtgenoote en dochter aan hem bekend en verzocht de laatste, om het paard van den gast naar den stal te leiden en van voedsel te voorzien. Haastig sprong Erec op, ten einde haar bij die taak behulpzaam te zijn, maar zijn gastheer hield hem terug met de woorden: "Bij gebrek aan een stalknecht, neemt Enide, mijne dochter, diens plichten op zich. Weerhoud haar niet wat ik u bidden mag, want de gedachte zou ons ondraaglijk zijn, dat een gast zelve zijn paard moest verzorgen". Zoo moest Erec dus lijdelijk toelaten, dat Enide met vluggen tred het vertrek verliet, zijn ros bij den teugel nam en het met zich mee voerde. Zoolang hij kon volgde hij haar met de oogen, toen zette hij zich neer en begon op aandringen van zijn gastheer te vertellen, wat hem herwaarts had gevoerd.

Bij de beschrijving, die hij gaf van den vreemden ridder met zijne dame en den dwerg, knikte de grijsaard eenige malen bevestigend met het hoofd en toen Erec eindigde met hem te vragen, wat wel de oorzaak kon zijn van de ongewone drukte en beweging in den omtrek, gaf hij ten antwoord: "De reden daarvan is vlug genoeg gezegd. Morgen zal hier het groote jaarlijksche steekspel gehouden worden, dat bekend staat als het Steekspel van den Sperwer. De deelnemers daaraan strijden om den schoonheidsprijs voor hunne dame, welke prijs bestaat uit een gouden sperwer, rustend op eene zilveren staaf, die aan de ééne zijde van het strijdperk tusschen twee vorken is opgehangen. De ridder, dien gij zoekt, is de laatste twee jaren als overwinnaar uit het perk te voorschijn getreden; mocht het hem dit jaar opnieuw gelukken, zijne tegenstanders te verslaan, dan wordt de gouden sperwer en daarmede het recht der schoonste, voorgoed toegekend aan zijne geliefde."

"Dat mogen alle heiligen verhoeden!" riep Erec uit, "ik zelve zal tegen hem in het veld treden en bitter zal hij boeten voor de beleediging, mijne vorstin aangedaan! Wanneer ge mij slechts de noodige wapenen wilt verschaffen, zal ik deze gelegenheid om mij te wreken, niet onbenut laten voorbijgaan!"

"Wapenen kan ik u wel bezorgen", hernam de grijsaard, "maar om eene andere reden zal het u, vrees ik, onmogelijk zijn, aan den strijd deel te nemen. Allen, die dit doen, moeten vergezeld zijn van eene dame, voor wie zij den schoonheidsprijs opeischen en gij reist immers alleen?"

Bij deze woorden schoot Erec het bloed naar de wangen. Gedurende den ganschen tijd, dat hij met zijn gastheer in gesprek was geweest, hadden zijne blikken de bekoorlijke gestalte van het jonge meisje gevolgd, dat na haren terugkeer uit den stal zich onledig had gehouden met het bereiden van een eenvoudig avondmaal. De kalme opgewektheid, waarmede zij hare bezigheden verrichtte, de vriendelijke wijze, waarop zij hare moeder het werk uit handen nam, en de teederheid, waarmede zij hare bejaarde ouders scheen te omringen, hadden op het gemoed van den jongen man een diepen indruk gemaakt, die nog versterkt werd door haar liefelijk voorkomen. Zonder zich een oogenblik te bedenken, gehoor gevend aan eene plotselinge ingeving van zijn hart, riep hij uit: "Laat mij uw dochters rechten op den schoonheidsprijs mogen verdedigen! Geene, die hem meer waardig is dan zij. Daarom, vergun mij te trachten hem voor haar te veroveren en wanneer ik ongedeerd uit den strijd te voorschijn treed, schenk mij dan hare hand! Sedert ik hier binnentrad, ken ik geen grooter wensch op aarde, dan haar de mijne te mogen noemen; geloof mij, ik zal haar gelukkig maken en haar mijn leven lang eeren en liefhebben. Nog steeds weet ge niet, wie ik ben. Mijn naam is Erec, ik ben de zoon van koning Lac en een ridder van koning Arthur. Reeds lang drong mijn vader er op aan, dat ik eene vrouw zou nemen; hij zal dus uwe dochter met vreugde welkom heeten en haar met geschenken overladen. Ook aan uwe armoede zal hij een einde maken; de goede tijden van weleer zullen wederkeeren en uw hart zal zich verjongd gevoelen door het geluk van uw kind!"

Toen hij zweeg, vatte Enide's vader hem geroerd bij de hand en sprak: "Gij hebt waardig en eerlijk gesproken; uw naam en die van uw vader waarborgen ons, dat het u ernst is, met wat ge zegt. Daarom, wanneer Enide geen bezwaar heeft, zal zij uwe vrouw worden. Moge God u morgen in den strijd bijstaan en u langen tijd voor ons kind gespaard houden! En nu, wat denkt Enide zelve ervan, waar is zij?" Dit zeggend, zag de edelman om zich heen, maar Enide was nergens te bespeuren; bij het hooren van haar naam had zij ijlings het vertrek verlaten, door maagdelijken schroom gedreven. Lachend zagen hare ouders elkander aan en de moeder stond fluks op om hare dochter te volgen, terwijl Erec met zijn gastheer diens wapenen in oogenschouw ging nemen, om daaruit zijne keuze voor den volgenden dag te doen.

De morgen van het groote steekspel brak helder en zonnig aan. Tegen het aanvangsuur stond een dichte menschenhaag geschaard om het ruime grasveld, waar het tournooi gehouden zou worden. Aan de ééne zijde glinsterde en flikkerde de gouden sperwer in den zonneschijn, aan de andere zijde van het perk waren de tenten der ridders opgesteld, die aan den strijd zouden deelnemen. Een aantal schoone vrouwen bevonden zich onder de toeschouwers en wierpen begeerige blikken naar den prijs.

Daar kwam Erec aanrijden op zijn vurig ros en aan zijne zijde reed Enide, de blonde haren golvend in den wind en een blos van opwinding op de wangen.

Juist toen de herauten het sein wilden geven, dat de strijd zou beginnen, reed de vreemde ridder in woeste vaart het strijdperk binnen, gevolgd door zijne geliefde. Met ruwe hand greep hij den sperwer van de zilveren staaf, zwaaide hem uitdagend boven het hoofd en reikte hem toen aan zijne dame met de woorden: "Als de schoonste onder de schoonen overhandig ik u dezen prijs en daag tevens een ieder, die lust daartoe gevoelt, uit, om mij het recht daartoe te betwisten!"

Alle aanwezige ridders zwegen, maar Erec drukte de sporen in de flanken van zijn paard en reed het perk binnen, terwijl hij uitriep: "Dat doe ik en wel op grond, dat mijne geliefde schooner is dan de uwe. Voorts heb ik nog eene rekening met u te vereffenen wegens de grievende wijze, waarop uw dwerg mijne vorstin en mij beleedigd heeft. Laat ons zien, wie het recht aan zijne zijde heeft!"

Daarop begon een lange en hevige strijd, waarin de beide ridders wedijverden in kracht en behendigheid. Nu eens scheen Erec, dan weer zijn onbekende tegenstander het onderspit te moeten delven, maar telkens herstelden zij zich en vielen met hernieuwde kracht op elkander aan. Eindelijk gelukte het Erec, zijn vijand uit den zadel te lichten; met een behendigen zwaai sprong ook hij van zijn paard, zette den vreemdeling de punt van zijn zwaard op de borst en riep uit: "Geef u gewonnen of ik dood u!" De aldus toegesprokene wierp zijn wapen weg en smeekte om genade, daarop beval Erec den ridder op te staan en hem zijn naam te noemen. "Gaarne wil ik dat doen", antwoordde de vreemdeling, "want ik erken uwe meerderheid. In een open en eerlijk gevecht hebt ge mij verslagen en de rechten uwer geliefde op den schoonheidsprijs op mannelijke wijze verdedigd. Geen ridder behoeft het zich tot eene schande te rekenen door u verslagen te worden. Weet dan, mijn naam is Yder, en van nu af aan stel ik mijne diensten tot uwe beschikking."

"Als dat zoo is," hernam Erec, "zoo draag ik u op naar het hof van koning Arthur te gaan en de koningin te melden, wie ge zijt en vanwaar gij komt. Tevens kunt gij haar mededeelen, dat ik weldra volgen zal en dat ik eene schoone, jonge bruid van mijne reis mede terugbreng."

Yder deed, wat hem bevolen was en Erec begaf zich met Enide, die den gouden sperwer met zich mededroeg, in gezelschap van hare ouders huiswaarts.

Groote vreugde heerschte dien avond in het bouwvallige kasteel; de oude graaf was opgewonden over den goeden afloop van den strijd en over al het geluk, dat zijn gezin daardoor ten deel zou vallen. Telkens weer drong hij er bij Erec op aan hem te vertellen, hoe zich alles aan het hof toedroeg, wie zijne vrienden waren en op welke wijze zij den tijd doorbrachten. Ook hoorde hij gaarne beschrijvingen van hoffeesten en aan de schittering in zijne oogen kon men zien, dat hij met zijne gedachten weer in het verleden verkeerde, toen ook hij bij dergelijke festijnen tegenwoordig placht te zijn. Nu en dan bleef zijn blik vol trots op zijne dochter rusten en stelde hij zich voor, hoe zij weldra aan het hof de plaats zou innemen, waarop zij door hare geboorte en schoonheid aanspraak mocht maken.

Enide bewoog zich intusschen rustig en kalm door het vertrek en verrichtte hare huiselijke bezigheden als gewoonlijk. Slechts nu en dan zond zij een verstolen blik in de richting van Erec en wanneer het dan zoo trof, dat zijne oogen eveneens de hare zochten, verspreidde zich een warme blos over hare wangen en boog zij zich haastig over haar werk met eene uitdrukking van bekoorlijke verlegenheid op het schoone gelaat.

Des avonds, toen Enide zich ter ruste had begeven, drong Erec er bij hare ouders op aan, dat zij reeds den volgenden morgen hem naar het hof zou vergezellen. Nadat hij de toestemming daartoe had verkregen, wilde de gravin zich ijlings verwijderen om het een en ander voor de reis in gereedheid te brengen; Erec hield haar echter terug en zeide: "Nog een ander verzoek heb ik aan u, dat u wellicht vreemd zal toeschijnen. Gaarne zou ik zien, dat Enide mij volgde in hetzelfde eenvoudige kleed, waarin ik haar gisteren voor 't eerst gezien heb en waarin zij mijn hart heeft weten te bekoren. Langen tijd geleden zeide koningin Ginevra eens tot mij, dat, zoo ik ooit eene bruid aan het hof mocht brengen, zij zelve haar de kleederen en sieraden wenschte te schenken, die aan haren rang pasten. Het aanbod was te vriendelijk om af te slaan, daarom, bid ik u, doe wat ik u verzoek."

Hoewel Enide's moeder het denkbeeld niet aangenaam was, dat hare dochter in zulk eene eenvoudige kleedij aan het hof zou verschijnen, kon zij Erec's verzoek niet weigeren en werd dus aan zijn wensch voldaan.

Den volgenden morgen vroeg begaven Erec en Enide zich op weg, nadat de laatste een teeder afscheid had genomen van hare ouders en van de woning harer kindsheid.

Welk eene heerlijke reis was dat voor het jonge paar! Onder het helderblauwe hemelgewelf, door het zonbeschenen landschap, reden zij naast elkander voort. Aanvankelijk wilde het gesprek niet vlotten; het was alles nog zoo nieuw en vreemd voor hen, maar weldra raakten de tongen los en hadden zij elkander honderd dingen te vragen en te vertellen van hun beider jeugd, hunne vrienden en speelgenooten en hunne droomen en verlangens voor het leven.

De uren vlogen voorbij, zonder dat zij het bemerkten; tegen den middag rustten zij eene wijle tegen een begroeiden heuvelrug en gebruikten een eenvoudig maal, dat Enide's moeder hun had medegegeven. Daarna drong Erec er op aan, dat het jonge meisje wat rust zou nemen en ondanks haar aanvankelijke tegenwerpingen bleek zij daar wel behoefte aan te hebben, althans zij viel al ras in eene lichte sluimering. Erec zat naast haar en beschouwde haar bekoorlijk gelaat. Een gevoel van trots en voldoening maakte zich van hem meester, toen hij bedacht, hoe men aan het hof zou staan te kijken, wanneer hij zijne bruid daar binnenvoerde en hoe naijverig de andere ridders zouden zijn op het bezit van zulk eene schoone vrouw. Ook het besef, dat hij van nu af aan haar natuurlijke beschermer was, dat zij vol vertrouwen met hem was meegegaan in het vreemde land en daar nu zoo rustig onder zijne hoede lag te sluimeren, gaf hem een streelend gevoel van zelfvoldoening. Toen hij haar eenigen tijd zwijgend had gadegeslagen, kon hij de verleiding niet langer weerstaan en hij wekte haar met een kus op de frissche lippen. Blozend rees Enide overeind en toen hij zijn kus wilde herhalen, en zij hem lachend afweerde werd het een vroolijk spel van stoeien en kozen tusschen de geurende bloemen en struiken.

Onder scherts en gelach werd de reis voortgezet en tegen den avond bereikten de beiden den burcht te Cardigan. Den ganschen dag had de koningin de torenwachters doen uitzien naar Erec's komst en toen zij eindelijk van hen bericht ontving, dat een ridder met eene jonkvrouw te paard het kasteel naderde, ging zij in eigen persoon de komenden tot op het voorplein tegemoet. Minzaam ontving zij het jonge meisje, dat beschroomd en vol ontzag voor hare hooge gastvrouw, op haar toetrad en terstond nam zij Enide mede naar haar eigen vertrekken, terwijl Erec zich naar den koning begaf om verslag uit te brengen over zijn wedervaren.

In de groote slotzaal vond hij den vorst met zijne gansche hofhouding bijeen, want dienzelfden avond zou beslist worden, aan welke der edelvrouwen koning Arthur--want hij was het, die het witte hert had weten te dooden--den kus als schoonheidsprijs zou toekennen. Met belangstelling luisterde men naar Erec's avonturen en toen de herauten na eenigen tijd de komst der koningin aankondigden, richtten aller oogen zich vol verwachting naar de deur van het vertrek.

Daar trad koningin Ginevra binnen, schoon en bevallig als altijd, maar ditmaal hadden de aanwezigen weinig aandacht voor hare schoonheid, zóó zeer werd aller belangstelling geboeid door de lieftallige verschijning aan hare zijde.

Ook Erec kon zijne oogen nauwelijks gelooven. Was deze vorstelijke verschijning, die hare kostbare kleederen zoo sierlijk en natuurlijk wist te dragen, alsof zij nooit anders gewend was geweest, inderdaad Enide, het eenvoudige, jonge meisje in haar grijze kleedje, dat hem daar ginds bediend en verzorgd had?

Inderdaad, zij was het, met haar vriendelijk gelaat, hetwelk thans overtogen was met een diepen blos van opwinding, met hare lieve, blauwe oogen, die terstond bij haar binnentreden in de zaal de zijne zochten en met hare blonde haren, glinsterend als gesponnen goud, waartusschen zich nu een keten van blanke paarlen slingerde.

Met bonzend hart en stralende oogen ging Erec zijne bruid tegemoet en leidde haar tot aan de treden van den troon onder het algemeen stilzwijgen der aanwezigen. Koning Arthur daalde van zijn zetel af en heette Enide met eenige welgekozen woorden welkom aan het hof; daarop liet hij haar aan zijne zijde plaats nemen en vond Erec gelegenheid om de koningin dank te zeggen.

Spoedig daarop had de beslissing plaats aan wie de vorst den schoonheidskus zou schenken. Onder luide toejuichingen van het gansche hof verklaarde koning Arthur, dat hij Enide, de bruid van prins Erec, deze onderscheiding het meest waardig keurde en de daad bij het woord voegend, stond hij op en kuste het blozende meisje op beide wangen.

Korten tijd daarna begonnen de voorbereidselen tot de bruiloft, die met Pinksteren gevierd zou worden. Ter gelegenheid van Erec' s huwelijk schreef de koning een groot tournooi uit, waaraan de edelste ridders uit het land deelnamen. Vele dagen duurden de bruiloftsfeesten, maar eindelijk naderde de zoo vurig verbeide dag, waarop de beide jonge menschen in den echt verbonden werden.

Nadat zij eenigen tijd na hun huwelijk aan het hof hadden vertoefd, was de tijd gekomen, dat Erec zijne jonge vrouw naar zijn land zou voeren, om haar aan zijn vader, koning Lac, voor te stellen. Na van allen aan het hof een hartelijk afscheid te hebben genomen en na beloofd te hebben, dat zij spoedig zouden wederkeeren, vertrokken Erec en Enide, begeleid door een gevolg van zestig ridders, naar Carnant [48] in Zuid-Wallis, waar koning Lac verblijf hield. Daar werd hun eene feestelijke ontvangst bereid. Reeds bij den eersten aanblik van Enide toonde Erec's vader zich ten zeerste ingenomen met de keuze van zijn zoon, terwijl ook de leden der hofhouding zich er zeer over verheugden.

Weldra gevoelde Enide zich geheel thuis in hare nieuwe omgeving en onder de algemeene belangstelling en welwillendheid bereikte het geluk van het jonge paar zijn vollen bloei.

Naarmate de weken en maanden verliepen, ging Erec zich steeds meer aan zijne schoone vrouw hechten. Voortdurend zocht hij haar gezelschap; op de feesten aan het hof week hij niet van hare zijde en ook in zijn eigen slot verloor hij Enide geen oogenblik uit het oog.

Soms zat hij uren lang naast haar, terwijl hare nijvere vingeren zich onledig hielden met eenig naaldwerk, en staarde in verrukking naar haar schoon gelaat. Wanneer een der aanwezigen dan iets tegen hem zeide, antwoordde hij nauwelijks, zóó zeer was al zijn denken door Enide in beslag genomen. Als in een der naburige landstreken een steekspel werd uitgeschreven en de ridders van koning Lac hem verzochten, hen daarheen te vergezellen, wist hij steeds een voorwendsel te vinden, om thuis te kunnen blijven, zóó ondragelijk was hem de gedachte om voor één of meerdere dagen zijne geliefde te moeten verlaten. Ook wanneer zijne vrienden uitreden op jacht naar wolven of wilde zwijnen, placht hij zijn tijd door te brengen in de vrouwenvertrekken, aan de voeten van Enide.

_Hoe de hovelingen Erec bespotten over zijne liefde voor Enide en hoe deze hem dit mededeelde._ Weldra begon men aan het hof te fluisteren over de verandering, die in Erec had plaats gegrepen, en achter zijn rug werd spottend gemompeld over zijn hartstocht voor Enide, die hem tot een laffen dwaas maakte. In bedekte toespelingen verweet men hem zijn gedrag, dat zulk slecht voorbeeld was voor de jonge ridders uit zijne omgeving.

Erec, in zijne verblindheid, bemerkte niets van de afkeurende stemming om hem heen, maar Enide, wier blik door de liefde gescherpt was, bespeurde alras, hoe men over hunne verhouding dacht. De spottende blikken, welke men op haren echtgenoot wierp, wanneer hij haar na het middagmaal naar hare vertrekken volgde, de heimelijke toespelingen en de schampere opmerkingen uit hare omgeving wondden haar in 't diepst harer ziel, maar nochtans vond zij niet den moed om haren echtgenoot eerlijk en ronduit te zeggen, wat haar het hart beklemde.

Eens op een morgen, toen Enide vroegtijdig was ontwaakt en den slaap niet meer kon vatten, zette zij zich naast de legerstede van haren echtgenoot en beschouwde aandachtig diens slapende gestalte. Het kon niet anders, of zij moest getroffen worden door de schoonheid van zijn mannelijk voorkomen, zooals hij daar in rustige sluimering verzonken lag. De groote liefde, die zij voor hem gevoelde en haar trots op zijne kracht en dapperheid deden haar hart sneller kloppen, maar tegelijk drong de gedachte zich bij haar op, hoe zeer het te betreuren viel, dat zulk een edel en dapper man zich door den hartstocht zoodanig liet beheerschen, dat hij roem en aanzien, ja zelfs zijn goeden naam als ridder, er door dreigde te verliezen. In 't diepst van haar gevoelig hart maakte Enide er zich een verwijt van, dat zij de oorzaak was van dit alles en bijna wenschte zij, dat Erec haar nooit gezien had, zóó zeer kwelde haar de gedachte, dat hij door haar toedoen een onteerd man zou worden. Hoe langer zij het geliefde gelaat bezag, des te treuriger werd het haar te moede, tot zij eindelijk zachtkens begon te weenen. Een harer tranen viel op het gelaat van den slapende en deed hem ontwaken. Hevig verschrikt door den aanblik zijner weenende vrouw, rees Erec overeind en bezwoer Enide hem de oorzaak van haar verdriet mede te deelen.

Toen, plotseling moed vattend, zeide zij, zonder hem te sparen, hoe de ridders en hovelingen hem achter zijn rug uitlachten en bespotten, hoe zij hem verweten, dat hij onverschillig geworden was voor roem en eer, hoe ze hem voor verwijfd en lafhartig scholden en voor een zwakkeling, die zijn wil had leeren te onderwerpen aan de luimen en grillen eener vrouw.

De uitwerking harer woorden op Erec was vreeselijk. Het was hem, of de wereld, zijne wereld, waarin hij zoo trotsch en gelukkig voortleefde, uit hare voegen werd gerukt. Wat! hij een zwakkeling, hij buigen voor de grillen eener vrouw, hij, Erec, de fiere koningszoon, wiens wil wet was in het rijk zijns vaders en die, in het bewustzijn van zijn hoogen rang, vol hoogmoed placht neer te zien op de ridders uit zijne omgeving! Hoe durfden zij het wagen, die laffe vleiers en kruipers, om hem achter zijn rug te bespotten! Die gedachte joeg hem het bloed naar het hoofd en hij kon zich nauwelijks bedwingen met het zwaard in de hand naar buiten te snellen en hun rekenschap te vragen van hun schandelijk gedrag.

En zij, Enide, het eenvoudige meisje, dat hij uit de diepste armoede tot zich had omhoog geheven, dacht zij misschien zooals die anderen? Gevoelde ook zij in haar hart slechts eene spottende geringschatting voor den armen dwaas, dien zij zoo geheel in hare macht had weten te krijgen? Beschuldigde zij hem soms ook van lafheid en eerloosheid? Dit denkbeeld deed hem nog veel meer leed dan het vorige, maar hij was te trotsch om haar te vragen, hoe zij over hem dacht. Zijn hart was slechts vervuld van één verlangen: haar en al die anderen te toonen, wie hij was! Door daden van dapperheid zou hij hen dwingen te erkennen, dat zij hem onrecht hadden aangedaan met te zeggen, dat hij een lafaard en zwakkeling was! Maar niet hier, aan het hof van zijn vader kon hij dit bewijzen; geen oogenblik langer dan noodig was, wilde hij in deze nu zoo gehate omgeving blijven, waar tot zelfs de muren hem zijne zwakheid schenen te verwijten.

Niets had Erec geantwoord op hetgeen Enide gezegd had en de laatste, die reeds lang berouw gevoelde over haar openhartigheid, maakte zich inwendig de hevigste verwijten, dat zij door hare woorden den vrede tusschen hen verstoord had. Plotseling klonk Erec's stem, koud en hard, zooals zij die nog nooit gehoord had. "Het is genoeg!" zeide hij. "Wij zullen zien, of uwe woorden waarheid bevatten." Maak u gereed tot eene lange reis, wij vertrekken over een uur van hier." Daarop verliet hij het vertrek.

Toen Enide een uur later, bevend van angst en spanning, het voorplein betrad, vond zij daar Erec, staande naast twee gezadelde paarden, omringd door een aantal hovelingen. Ook koning Lac bevond zich bij de groep van ridders en trachtte met hen de oorzaak te ontdekken van dit plotseling vertrek. Maar Erec was er niet toe te bewegen, iets anders daaromtrent mede te deelen, dan dat het hem behaagde om vreemde streken te bezoeken. Op het dringend verzoek van zijn vader om althans eenige ridders als gevolg mede te nemen, ten einde hem in het gevaar bij te staan, gaf hij kortaf ten antwoord, dat hij geen ander gezelschap wenschte dan dat zijner vrouw, omdat hij meende zich zelven en haar voldoende tegen elken aanval te kunnen beschermen.

Nadat alle aanwezigen een hartelijk afscheid van Enide hadden genomen, reden de beiden zwijgend de slotbrug over. Nog éénmaal zag Enide om naar het kasteel, waar zij zulk een innig gelukkigen tijd had doorgebracht, nog éénmaal wuifde zij haren vrienden een laatst vaarwel toe, toen zette zij zich met een zucht vaster in den zadel en wierp tersluiks een angstigen blik op het booze gelaat van haren echtgenoot, die, zonder om te zien, somber voor zich uit starend, voortreed.