Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 31
Hoe het ook zij, de geschiedenis van Erec en Enide, zooals wij die in den Mabinogion aantreffen, maakt op den lezer een geheel anderen indruk dan het Fransche verhaal. Alles wat naar hoofsche sier en fijnere beschaving zweemt, heeft de schrijver van het proza-verhaal zorgvuldig ter zijde gelaten, ook zijn alle gevoelsuitingen en beschrijvingen uit de vertelling verdwenen. Zelfs het hoofdthema, dat in het Fransche gedicht bestaat in den strijd tusschen liefde en riddereer in het hart van den held, is hier geheel verschillend: Erec's handelwijze wordt verklaard door een nieuw motief, dat der jaloezie, waarvan in het oorspronkelijke werk geen sprake is. Dit motief vinden wij terug in Alfred Tennyson's vertolking van de Erec-sage, welke onder den titel van "Geraint and Enid" (in de uitgave van 1888 gesplitst in: "The Marriage of Geraint" en "Geraint and Enid") deel uitmaakt van zijne Koningsidyllen. De geschiedenis wordt hier weergegeven, zooals wij haar vinden in het Mabinogion-verhaal, alleen het laatste avontuur: "de Vreugde van het Slot", ontbreekt; in Tennyson's gedicht keeren Erec en Enide na het gebeurde in het kasteel van Limors zonder verder oponthoud naar het hof van koning Arthur terug. Nu wordt dit laatste avontuur in het Mabinogion-verhaal ook eenigszins vaag en onduidelijk geteekend en schijnt daardoor, meer nog dan in het gedicht van Chrétien, los te staan van de rest der vertelling. Toch is dit slechts in schijn het geval en is het avontuur wel degelijk van beteekenis voor den samenhang van het geheel. Erec neemt er aan deel, onmiddellijk na zijne verzoening met Enide, als wilde de dichter ons een overtuigend bewijs leveren van de vrijheid van handelen, welke het nauwelijks herwonnen geluk den held moet blijven veroorloven en ook werkelijk veroorlooft.
Alvorens op de sage zelve nader in te gaan, dient hier nog melding gemaakt van de proza-bewerking, uit de 15e eeuw, vervaardigd in den kring van het Bourgondische hof in Vlaanderen. Ook het bestaan van eene bewerking uit dien kring is een punt van overeenkomst tusschen de Erec-sage en die van Yvain.
Niet alleen echter in de lotgevallen der beide sagen, ook in het wezen der legenden zelve, vertoonen deze twee verhalen groote overeenkomst. Beide behandelen hetzelfde gegeven: dat, wat Hartmann von Aue in zijne Erec-vertaling het "Verliegen" noemt, n.l.: de verwaarloozing der ridderplichten terwille van de liefde voor eene vrouw. Hoe het kwam, dat dit vraagstuk zoozeer de aandacht van den dichter trok, bespraken wij reeds in de Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
Volgens Gaston Paris bestond reeds in de 12e eeuw bij de Kelten in Wales de vrees voor eene te groote macht der vrouw in het leven van den ridder, die zoodoende uit liefde voor haar zijne plichten zou kunnen verzuimen. Indien deze bewering waarheid bevat, kan dus de Erec-sage, zooals Paris ons wil doen gelooven, ontstaan zijn in eene Keltische samenleving en door de Bretonsche zangers zijn overgebracht naar de Fransche hofwereld, waar zij de aandacht heeft getrokken van Chrétien de Troies, die het verhaal heeft aangepast aan de minder ruwe zeden van zijn tijd en er een gedicht van gemaakt heeft, met toevoeging van vele nieuwe bestanddeelen.
Professor W. Foerster daarentegen is hieromtrent eene gansch andere meening toegedaan. Volgens hem zijn de begrippen van het "Verliegen"--alsook van de innige, echtelijke liefde tusschen held en heldin--zuiver Fransche bestanddeelen, die slechts door een Fransch dichter als Chrétien aan het verhaal kunnen zijn toegevoegd. Volgens hem waren deze beide voorstellingen den Kelten geheel vreemd, eene stelling welke derhalve in lijnrechte tegenspraak is met die van Paris. Wel vinden wij hetzelfde thema reeds vóór het ontstaan van "Erec" behandeld in den "Roman d' Alexandre", maar ook in de figuur van den Macedonischen held wordt het ideaal van een Fransch ridder uit dien tijd geteekend. [43] Volgens Foerster dient dus aan Chrétien in de vervaardiging van zijn "Erec" de grootst mogelijke oorspronkelijkheid te worden toegekend.
Waar nu zooeven werd gezegd, dat de beide gedichten: "Erec" en "Yvain" gewijd zijn aan eene beschouwing van hetzelfde vraagstuk, zoo dient hier terstond te worden vastgesteld, dat de oplossing daarvan in het eerstgenoemde werk geheel verschillend is van die in het latere gedicht.
In "Erec" moet de liefde zich buigen voor de gemeenschapsplichten van den held. De vrouw is de teeder liefhebbende echtgenoote, wier wil onderworpen is aan dien van haren man. Erec is en blijft de meester. Wanneer hij inziet, hoezeer hij Enide heeft miskend, komt het niet bij hem op, zich voor haar te verootmoedigen; zelfs op het oogenblik, dat hij innig berouw gevoelt over zijn hardvochtig optreden, spreekt uit zijne woorden een zeker gevoel van meerderheid. Trots en heerschzucht zijn de hoofdtrekken van zijn karakter; wanneer Enide, die hij toch oprecht liefheeft, hem mededeelt, hoezeer men hem om zijne overgroote liefde voor haar bespot en veracht, weet zijn gekrenkte hoogmoed voor eene wijle alle gevoelens van liefde en teederheid uit zijn hart te verbannen en is hij zelfs in staat tot grove en onridderlijke handelwijzen. Daarom zijn wij ook de meening toegedaan van Myrrha Borodine, die in haar werk, getiteld: "La Femme dans l'Oeuvre de Chrétien de Troyes" betoogt, dat nòch het motief der jaloezie, dat door Gaston Paris [44] en Ferdinand Lot [45] wordt verdedigd, nòch dat der "mésalliance", hetwelk in Hartmann's vertaling meer naar voren wordt gebracht en dat ook door Foerster in de Inleiding tot zijne Erec-uitgave met klem wordt bepleit, aan Erec's handelingen ten grondslag kunnen liggen. Volgens Myrrha Borodine zijn Erec's houding tegenover Enide, zijn vertrek uit zijns vaders slot en zijn gedrag nadien, alleen te verklaren uit een gevoel van diep gekrenkten trots. Eerst wanneer de wonde, die Enide's woorden hem geslagen hebben, geheeld is door de overtuiging, dat hij inderdaad de held gebleven is, die hij was, en dat hij nog in staat is een ieders eerbied, ook dien van zijne vrouw, op te wekken, wijkt de bitterheid uit zijn hart, om plaats te maken voor de zachtere gevoelens van liefde en vertrouwen.
In "Yvain" nu is, zooals wij gezien hebben, [46] de oplossing van het vraagstuk eene gansch andere, men zou bijna zeggen, dat de slotsom, waartoe de dichter komt, juist tegenovergesteld is aan die in "Erec". In "Yvain" zegeviert de vrouw en in haar de liefde over den trots van den man. Deze laatste poogt weliswaar zich los te maken van de banden, die hem aan de schoone Laudine gebonden houden, ten einde opnieuw zijn vroeger leven op te vatten, maar weldra ziet hij in, dat hij niet zonder zijne geliefde kan leven. Na een zwaren beproevingstijd keert hij tot haar terug, als een ootmoedig zondaar valt hij voor haar op de knieën en voortaan zal, zoo voelen wij, haar wil de wet zijn, waaraan hij zijn leven zal onderwerpen.
Wanneer wij ons de vraag stellen, welke van deze beide opvattingen zich het meest in de gunst des dichters kon verheugen, behoeven wij niet lang te aarzelen. Uit de wijze, waarop hij de karakters der beide heldinnen teekent, spreekt zoo duidelijk mogelijk zijne voorkeur voor de persoonlijkheid van Enide. Zij is in de oogen des dichters de ideale vrouw, teeder en zachtmoedig, maar met een ondergrond van kracht en rechtgeaarde fierheid, die tot uiting komen, wanneer zij in het kasteel van Limors hare eer bedreigd ziet.
Zooals reeds eerder vermeld werd, is "Erec" het eerste gedicht van Chrétien de Troies, dat voor ons in handschriften bewaard is gebleven. Het aantal dezer handschriften is zeven. Over den tijd van ontstaan is in het gedicht geenerlei aanwijzing te vinden, zelfs ontbreekt elke toespeling op tijdgenooten of gelijktijdige gebeurtenissen. Wij kunnen dus de plaats, welke "Erec" inneemt onder de dichtwerken van Chrétien, slechts vaststellen aan de hand van toespelingen daarop, voorkomende in zijne andere gedichten. Deze toespelingen zijn echter zóó duidelijk, dat er over dit punt geenerlei twijfel bestaat en wij "Erec" zonder aarzelen kunnen rangschikken tusschen den verloren geganen "Tristan" en "Cligés". Dat het dichtwerk bij de tijdgenooten van den schrijver in den smaak is gevallen, staat vast; als bewijs daarvoor dienen de vele navolgingen van en toespelingen op de sage, welke wij in andere werken van dien tijd aantreffen. De naam van den held komt voor in verscheidene Arthurromans, zooals in: "Durmart", "Fergus", "Desconnus", "Claris" etc. In andere ridderverhalen vinden wij zelfs geheele episodes uit onzen roman opgenomen, zoo komt het verhaal van den dwerg met zijne zweep voor in "Fergus", "Meraugis", "Meriaduc" en andere, de jacht op het witte hert wordt genoemd in "Fergus" en in "Raguidel", de sperwer-episode in "Meraugis", "Desconnus" en "Durmart". Het avontuur van de Vreugde van het Hof [47] vinden wij op plompe wijze nagebootst in "Meraugis" en in "Rigomer".
De naam Erec vindt volgens professor Zimmer zijn oorsprong in het Germaansche Euric, volgens Gaston Paris daarentegen stamt hij af van het Bretonsche Weroc, een naam, welke gedragen werd door een der voornaamste Britsche hoofden, die zich in de 5e eeuw in Bretagne kwamen vestigen.
DE SAGE VAN EREC EN ENIDE.
"O purblind race of miserable men How many among us at this very hour Do forge a life-long trouble for ourselves, By taking true for false, or false for true."
(Alfred Tennyson: "Geraint and Enid").
_Hoe koning Arthur en zijne ridders op jacht gingen naar het witte hert en wat er dien dag verder geschiedde._ Het was aan den vooravond van het Paaschfeest. Koning Arthur hield hof te Cardigan in Wallis en de ridders van de Tafel Ronde hadden met hun gevolg hun intrek genomen in het vorstelijk paleis, om aldaar gezamenlijk het feest der Opstanding te vieren. Toen men des avonds in wijden kring bijeenzat, om te bespreken, op welke wijze men de komende dagen zou doorbrengen, kwam een der jagermeesters des konings de zaal binnentreden met het bericht, dat in de wouden rondom de stad een wit hert van buitengewone schoonheid was ontdekt. Terstond besloten de ridders eene poging te wagen om dit zeldzame wild te vangen en koning Arthur liet tegen den volgenden morgen een jachtrit uitroepen, waaraan een elk, die lust daartoe gevoelde, kon deelnemen. Tevens verklaarde hij, dat degene, die erin slaagde het hert te dooden, tot belooning het recht zou verkrijgen, om de schoonste vrouw van het hof een kus te geven.
Walewein wees hem op het gevaar, dat deze belofte inhield. "Nijd en afgunst zullen het gevolg zijn van een dergelijk besluit", sprak hij, "immers, er is geene enkele vrouw aan het hof, of zij bezit een echtgenoot, vader of broeder om hare aanspraken op die onderscheiding, desnoods met kracht van wapenen, te doen gelden. Geen uwer ridders zal dulden, dat eene andere vrouw dan de zijne, verklaard wordt de schoonste te zijn!" De koning echter kon zijn eens gegeven woord niet herroepen en zoo bleef zijne belofte van kracht.
Gedurende het overige deel van den avond heerschte er onder de ridders en hovelingen groote bedrijvigheid, om alles voor de komende jacht in gereedheid te brengen. Temidden der toebereidselen trad koningin Ginevra op haren echtgenoet toe en vroeg hem vergunning, om hem op dien tocht te vergezellen. Dit werd haar gaarne toegestaan en verheugd begaf de vorstin zich ter ruste, om den volgenden morgen vroegtijdig bij de hand te kunnen zijn.
Bij het eerste morgenkrieken verliet Arthur zijne legerstede en maakte zich voor den rit gereed. De koningin sluimerde echter nog zoo rustig, dat haar gemaal het niet over zich kon verkrijgen, haar te wekken. Hij gaf hare kamervrouwen last, haar niet te storen en verliet in alle stilte het vertrek, om zich met zijne ridders op weg te begeven.
Eenige uren later ontwaakte Ginevra uit haren diepen slaap door een zonnestraal, die door het venster juist op haar gelaat viel. Even bleef zij liggen in dien toestand tusschen droomen en waken, waarin het besef van wat er gedurende den vorigen dag is geschied, langzaam tot den geest terugkeert. Zoo drong ook de herinnering aan den voorgenomen jachtrit allengs tot haar brein door en, nu zij geheel ontwaakt was, trof haar de ongewone stilte, die in het paleis heerschte. Verschrikt rees zij overeind. Zou zij te lang geslapen hebben en zich daardoor het genot ontzegd zien van de vroolijke jacht, waar zij zich zóó op verheugd had? Hare kamervrouwen bevestigden haar vermoeden en vertelden haar, dat de koning zelve bevel gegeven had, hare rust niet te storen. Verdrietig over deze teleurstelling besloot Ginevra zich in aller ijl naar het woud te begeven, in de hoop ten minste bij het einde der jacht tegenwoordig te kunnen zijn. Zij beval hare dienaressen haar zoo snel mogelijk bij het kleeden behulpzaam te zijn en al zeer spoedig reed zij op haren witten telganger, vergezeld van één harer vrouwen de slotbrug over. Nauwelijks waren zij den zoom van het woud genaderd of het geluid van een dravend paard achter haar, deed de beide vrouwen omzien. In de verte naderde in vliegenden draf een ruiter, die, toen hij naderbij kwam, een der ridders van het hof bleek te zijn. Het was Erec, de zoon van koning Lac, welke laatste tot de aan Arthur schatplichtige vorsten behoorde. Blijkbaar had ook hij de jacht verzuimd, want hij droeg geene wapenrusting en geen ander wapen dan een zwaard met gouden greep. Om zijne schouders hing een purperen bandelier, aan welks beide uiteinden een gouden appel was bevestigd, die lustig heen en weer zwaaide bij den vluggen draf van zijn paard. Zijn breede mantel hing in zware plooien tot over den rug van zijn rijdier, onder dien mantel glinsterde zijn zijden buis, dat met gouddraad bestikt was.
Minzaam hield de koningin haar rijpaard in, tot Erec haar had ingehaald. Deze boog eerbiedig het hoofd, maar Ginevra reikte hem vriendelijk lachend de hand en zeide: "Wij beiden zijn lotgenooten, Heer Prins! daarom moeten wij trachten, elkander te troosten. Wat dunkt u, zou het ons nog mogelijk zijn, om iets van de jacht te zien?"
Erec bedacht zich even, toen antwoordde hij: "Niet ver van hier is een heuvel, vanwaar men den ganschen omtrek kan overzien. Indien wij ons daarheen begeven, zullen wij misschien den jachtstoet tusschen de boomen van het woud ontdekken en kunnen wij ons wellicht nog bij het overige gezelschap voegen, vóór de jacht ten einde is."
Zijne aanwijzingen volgend, reed het kleine gezelschap eenige minuten voort, tot het bij eene verhevenheid in den woudbodem kwam, vanwaar men een ruimen blik had over het omliggende land. Aandachtig spiedde het drietal tusschen het dichte geboomte van het woud of zij niet de groene gestalten der jagers ontdekten, maar niets bewoog zich dan de wisselende schaduwen van takken en twijgen. Toen zij eenigen tijd zwijgend hadden staan wachten, kwam op een smal pad, dat langs den voet van den heuvel liep, een ridder aanrijden, in volle wapenrusting, met gesloten vizier en gevelde lans. Aan zijne zijde reed eene jonkvrouw en achter hen volgde een dwerg te paard, die het schild van den ridder droeg. Nieuwsgierig volgde Ginevra met hare blikken het vreemde drietal, dat zwijgend aan haar voorbijreed; nòch de jonkvrouw, nòch de ridder waren haar bekend. Waar zouden zij vandaan komen en wat zou het doel zijn van hunne reis? Zich tot hare dienares wendend, sprak de koningin: "Gaat heen en vraag gindschen ridder zijn naam en dien zijner gezellin!"
De aangesprokene deed, wat haar bevolen was; zij stuurde haar paard den heuvel af in de richting der voorbijtrekkenden, maar toen zij dezen wilde naderen, reed de dwerg haar tegemoet en vroeg haar, wat zij verlangde. Op hare mededeeling, dat hare meesteres wenschte te weten, wie de vreemde ridder was, die daar henen reed, werd haar op ruwen toon ten antwoord gegeven, dat de vreemdeling weigerde zijn naam te noemen. Toen zij, verontwaardigd over deze onheusche bejegening, bleef aandringen, sloeg de dwerg haar zóó hardhandig met eene lange rijzweep in het gelaat, dat het bloed haar langs de wangen vloeide. Weenend van pijn en schaamte vluchtte het jonge meisje terug naar de plek, waar de koningin en Erec den uitslag van het onderhoud afwachtten en toen de laatste zag, hoe zij door den dwerg mishandeld was, gaf hij terstond zijn paard de sporen, om den onbeschaamde te straffen voor de grove beleediging, welke deze zijne vorstin in hare dienares had aangedaan.
Opnieuw plaatste de dwerg zich in het pad, dat Erec nemen moest, en wachtte met eene boosaardige grijns op het gelaat diens nadering af. Op hoogen toon gelastte de ridder hem, terstond den naam zijns meesters te zeggen, maar ook tegenover hem bleef de dwerg in zijne weigering volharden. Erec wendde zijn paard in de richting van den vreemden ridder, die, zonder zich te bekommeren over hetgeen achter hem voorviel, zijn weg vervolgde, om dien ridder zelven rekenschap te vragen over de beleedigende houding, die zijn dienaar tegenover Erec aannam. Toen de dwerg Erec's plan bemerkte, reed hij hem in den weg en sloeg hem met zijne zweep in het gezicht. Dit was te veel voor den trotschen ridder. Kokend van woede wilde hij zich op den dwerg werpen, om hem met zijn zwaard den schedel te splijten, maar hij bedwong zich juist bijtijds. Het ging toch niet aan, dat hij, een ridder der Tafel Ronde, zich in een tweegevecht zou begeven met een erbarmelijk wezen als dezen dwerg, boven wien hij zich zóó hoog verheven voelde als boven het stof onder zijne voeten! En dan nog wel ten aanzien van zijne geëerbiedigde vorstin, neen, die vernedering zou te groot zijn! Hij deed beter met dien vreemden ridder, die daar zoo kalm en onverstoord zijn weg vervolgde, terwijl zijn dienaar zich aan dergelijke grofheden schuldig maakte, ter verantwoording te roepen. Maar--zoo bezon hij zich--de vreemdeling was in volle wapenrusting en bovendien voorzien van lans en schild--hij zelve daarentegen droeg zijne hofkleedij: het zijden buis met den wijden mantel, die hem bij het vechten in zijne bewegingen zou belemmeren. Toch, zoo zwoer hij bij zich zelven, zou hij zich niet straffeloos laten beleedigen! Zich op de lippen bijtend van verbeten woede, reed hij den heuvel weer op, waar Ginevra hem wachtte en vroeg haar verlof om den vreemdeling te volgen, tot hij aan eene plaats zou komen, waar hij zich wapenen en rusting kon verschaffen, om zich over de hem aangedane beleediging te wreken. Na verloop van drie dagen hoopte hij aan het hof terug te keeren, tot zoolang verzocht hij Ginevra, hem bij den koning te willen verontschuldigen.
Gaarne stond de vorstin hem zijn verzoek toe; ook zij gevoelde zich diep gekrenkt door de handelwijze van den dwerg en de gedachte, dat hem daarvoor eene gerechte straf zou worden toegediend, kon haar dus niet anders dan aangenaam zijn.
Erec nam dus afscheid van zijne meesteresse en haastte zich, den vreemden ridder, die reeds bijna uit het gezicht verdwenen was, weder in te halen. Urenlang volgde hij hem op eenigen afstand; langs velden en beemden, door uitgestrekte, donkere bosschen liet hij zich door het vreemde drietal leiden, tot hij hen tegen het einde van den middag eene hooge helling zag bestijgen. Op den top van den heuvel aangekomen, staken hunne gestalten een oogenblik als drie donkere schimmen tegen den helderen voorjaarshemel af, daarna schenen zij weg te duiken aan gene zijde des heuvels. Erec gaf zijn paard de sporen en draafde de hoogte op. Toen hij den top bereikt had, zag hij aan zijne voeten een dal, aan alle zijden omgeven door begroeide heuvels. Door het dal stroomde eene rivier en aan den oever daarvan verrees een ridderslot, welks tinnen glinsterden in de namiddagzon.
Rondom het slot lagen een aantal woningen door het dal verspreid en bij nadering bleek het Erec, dat daarin eene ongewone drukte heerschte. Van alle zijden klonk een geluid als het hameren van staal op een aanbeeld en inderdaad, overal bleken smeden aan het werk te zijn. Ook waren de straten vol van dringende, schreeuwende menschen en spoedig was het onzen held duidelijk, dat men zich hier aan den vooravond van eene gewichtige gebeurtenis bevond. Één ding was zeker: zoo ergens, zou hij er hier in slagen, zich wapenen te verschaffen, waarmede hij zich op zijn onbekenden vijand wreken kon. Deze was intusschen voor Erec's oogen in het slot aan de rivier verdwenen, waar hij met gejuich door de bewoners was binnengehaald. Erec kreeg allengs behoefte aan rust en daar de avond begon te vallen, besloot hij vóór alles naar een geschikt nachtverblijf om te zien. Het viel hem echter niet gemakkelijk, dit te vinden; overal werd hij afgewezen, het scheen wel, of de gansche stad volgepakt was met menschen. Eindelijk verwees men hem naar een vervallen kasteel, niet veel meer dan een bouwval, dat zich op geringen afstand van het slot bevond.
Bij de brug over de uitgedroogde slotgracht zat een grijsaard en staarde somber voor zich uit. Zijne kleeding toonde aan, dat hij betere dagen gekend had; de stof moest eens fraai en kostbaar geweest zijn, maar was thans vaal en versleten. De oude leunde met het hoofd op de hand en peinzend speelden zijne vingers met zijn langen, grijzen baard. Aarzelend trad Erec naderbij, iets in het gelaat van den grijsaard en in de wijze, waarop deze hem bij zijne nadering tegemoet trad, scheen erop te wijzen, dat hij van goede afkomst was, en dat slechts de dwang der omstandigheden hem tot dezen staat van gebrek had gebracht.
Op hoffelijken, bescheiden toon vroeg Erec om een onderkomen voor den nacht. Toen hij uitgesproken was, antwoordde de grijsaard: "Wanneer gij u wilt vergenoegen met een eenvoudig maal en een nederig nachtverblijf, heet ik u welkom in mijne woning. Armelijk en vervallen is zij en gansch verschillend van haren vroegeren staat, maar nooit nog hebben wij den voorbijtrekkenden vreemdeling een onderkomen behoeven te weigeren. Daarom, treed binnen en wees nogmaals welkom geheeten in mijn huis."
Erec reed de brug over en het voorplein op, waar het onkruid wortel had geschoten tusschen de verbrokkelde steenen. Overal werd zijn oog getroffen door sporen van armoede en verval. De muren van het slot waren gedeeltelijk ingestort en op de bouwvallen tierden welige woekerplanten. Hier had een enkel stuk muur zich staande gehouden, en zag Erec den roodgekleurden avondhemel door de omlijsting van wat eens een boogvenster was geweest; ginds bespeurde hij eene torentrap, waarvan de omringende muren waren ingestort en die nu nutteloos was geworden; lange klimopranken hingen langs de trap omlaag en bedekten de uitgesleten treden met hare groene slingers. Getroffen door al deze kenteekenen van tegenspoed en achteruitgang zag Erec zijn gastheer aan en deze, die op het gelaat van zijn gast kon lezen, wat er in hem omging, lachte bitter en zeide: "Ik bemerk, dat gij getroffen zijt, door het armoedig uitzien mijner woning. Het gevoel van medelijden, dat ik op uw gelaat weerspiegeld zie, doet uw goede hart eer aan. Inderdaad, wel zijn de omstandigheden veranderd bij vroeger, toen een ieder het zich tot eene eer rekende, in mijn huis te worden ontvangen, waar ik steeds open tafel hield, en waar de zalen weergalmden van blijde stemmen en vroolijk gelach. Kwade lastertongen hebben het hunne gedaan, om mij ten val te brengen, ook mijne eigen goedgeloovigheid en te groote mildheid zijn daaraan schuld. Maar kom, niet langer getreurd over wat voorbij is! Treed binnen in onze nederige woning; gij vindt er een even gastvrij, zij het een minder ruim onthaal dan vroeger".