Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 30
Met welk een welgevallen wierp Gareth de donkere kleederen van zich af, die hem alle vernederingen van het afgeloopen jaar in herinnering brachten en met welk een schuchteren eerbied kleedde hij zich in zijne wapenrusting, de eerste, die hij ooit gedragen had. Thans was hij gereed en onder de juichkreten van zijne vroegere metgezellen reed hij de slotbrug over.
_Van Gareth's eerste wapenfeiten en hoe hij tot ridder geslagen werd._ Tevergeefs had Gareth bij het verlaten van het paleis uitgezien naar de jonkvrouw, wie hij zijne hulp had toegezegd. Thans, nu hij den weg opreed, welke naar het aangrenzende woud voerde, ontwaarde hij in de verte hare vluchtende gestalte. Hij drukte zijn paard de sporen in de zijden en het duurde niet lang, of hij had haar ingehaald. Vóór hij echter den mond tot spreken kon openen, hief zij met een afwerend gebaar de hand op en riep uit:
"Wat ik u bidden mag, zwijg en beleedig mijne ooren niet met uwe platte taal. Laat het u genoeg zijn, dat ge mij uw onwelkom gezelschap opdringt, maar spaar mij uwe gesprekken!"
Gareth was op het punt haar een heftig antwoord te geven, maar hij bedacht zich nog juist bijtijds. Hoe kon de jonkvrouw ook weten, dat hij niet inderdaad was, die hij scheen, en hoe zou het hem in hare plaats te moede zijn, indien hem in stede van een hooggeboren en dapper ridder een arme keukenjongen als geleide werd medegegeven?
Op dit oogenblik weerklonk het geluid van naderende hoefslagen en omziend bemerkte hij een ridder, die in gestrekten draf vanuit de richting van het paleis hem achterop kwam rijden. Het was Heer Key. Toen hij de plek genaderd was, waar Gareth hem in alle kalmte opwachtte, riep hij uit: "Wat beteekent het, dat gij u op dit uur buiten het paleis bevindt? Weet gij dan niet, dat binnen enkele uren het middagmaal in de groote zaal moet worden opgediend? Terug, naar de keuken, daar is uwe plaats, niet hier, in gezelschap eener edele jonkvrouw!"
Onder het hooren van deze woorden, brak zich bij Gareth al de ergernis baan, welke hij een jaar lang had moeten verkroppen. Hij gevoelde een plotselingen aandrang, om zich thans, nu de gelegenheid daartoe schoon was, te wreken over al de beleedigingen, welke hij in de afgeloopen maanden had moeten verdragen. Met gevelde lans stoof hij Heer Key tegemoet, terwijl hij hem met luider stem toeriep: "Mijn diensttijd is voorbij, zooals gij zeer wel weet! Van nu af aan erken ik u niet langer als mijn meerdere, integendeel, ik beschouw u als den onwellevendsten ridder aan het gansche hof. Wanneer gij met die beschouwing geen genoegen neemt, laat dan de wapenen beslissen, wie van ons beiden gelijk heeft."
Woedend over dezen uitval trok Heer Key zijn zwaard, om den jongeling voor zijn overmoed te straffen, maar Gareth was hem vóór en eer Key wist, wat er geschiedde, werd hij uit het zadel gelicht en lag hij languit op den grond.
Terwijl Gareth vol voldoening op hem neerzag, trad er iemand tusschen de struiken te voorschijn. Het was Heer Lanceloet, die van daar uit het gevecht had gadegeslagen. "Flink zoo! wakkere vriend!" riep hij uit, "die zege hebt gij ruimschoots verdiend, en voor Heer Key zal het eene les zijn, die hem heugen zal! Van den koning vernam ik, dat gij door mij tot ridder wenscht geslagen te worden. Wat dunkt u, is het thans geene geschikte gelegenheid, om tot die plechtigheid over te gaan? Door uw koenen durf van zooeven, maar nog meer door uwe maandenlange zelfbeheersching en plichtsbetrachting hebt ge die onderscheiding ten volle verdiend!"
Het is te begrijpen, dat onze jonge held vol vreugde het voorstel van Heer Lanceloet aannam en weinige oogenblikken daarna legde hij in de koele stilte van het woud de plechtige gelofte af, waardoor hij zich verbond, de drie ridderdeugden: mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid onder alle omstandigheden des levens getrouw te zullen betrachten.
Niemand hoorde zijne getuigenis, behalve Heer Lanceloet en de jonkvrouw, welke laatste hem op eenigen afstand met minachting gadesloeg, maar voor onzen held was zijne gelofte desondanks even heilig en bindend als wanneer hij ze in eene volle zaal, ten aanhoore der gansche hofhouding, had afgelegd.
Toen Lanceloet hem met de punt van zijn zwaard tot ridder geslagen had en de plechtigheid hierdoor was beëindigd, nam hij afscheid van onzen held en keerde naar het paleis terug.
Gareth wendde zich tot de jonkvrouw en verzocht haar hem de richting te wijzen, welke zij moesten volgen, maar bij het eerste woord, dat hij tot haar richtte, hield ze spottend hare vingers in de ooren, terwijl zij uitriep:
"Zwijg, Heer keukenridder! Heb ik u niet verzocht om mij niet lastig te vallen met uwe gesprekken? Meent gij, dat gij thans, nu Heer Lanceloet u tot ridder heeft geslagen, mijn gelijke zijt geworden? Vlei u niet, in mijne oogen blijft gij, die gij waart, een keukenjongen, die thuis behoort onder koks en hunne maats!"
Gareth zweeg, maar hij moest zich op de lippen bijten om zijn geduld niet te verliezen. Toch gelukte het hem kalm te blijven en onder een drukkend stilzwijgen vervolgden de beiden hunne reis.
Tegen den middag kwamen zij aan eene open plek in het bosch, waar een bloeiende haagdoorn groeide. Tusschen de bloesems hing een zwart schild en daarnaast wapperde een zwarte banier. Tegen den stam leunde eene scherpgepunte speer en achter den boom bemerkte Gareth een groot zwart paard, dat in onbewegelijke houding stond te wachten. Vol verbazing zag onze held naar dit alles, maar plotseling deinsde hij verschrikt achteruit, toen daar uit het struikgewas de gestalte van een reusachtigen ridder te voorschijn sprong. Deze was van het hoofd tot de voeten in eene dof-zwarte wapenrusting gekleed, ongetwijfeld behoorden de wapenen daar ginds bij den boom hem toe. In een oogwenk was de Zwarte Ridder op het paard gesprongen, had het schild en de speer ter hand genomen en kwam in dreigende houding op Gareth af. Nog vóór hij hem echter bereiken kon, stuurde de jonkvrouw haar paard tusschen de beide ridders in en riep den vreemdeling toe:
"Bezin u wel, Heer ridder, alvorens gij u met dezen knaap in het gevecht begeeft! Zeker meent gij in hem een ridder der Tafel Ronde te zien! Welnu dan, ik zeg u, dat hij niet waard is, door u bestreden te worden, want hij is niets meer dan een armzalige koksjongen uit de keukens van het koninklijk paleis!"
De vreemde ridder barstte uit in een spottenden schaterlach. "Een mooi geleide voorwaar!" riep hij uit, "voor eene jonkvrouw als gij! Als gij mijn raad wilt aannemen, keer dan terug naar het hof en haal u een anderen metgezel. Wat dezen knaap betreft, ik zal mij vergenoegen met hem te ontwapenen. Het ware jammer, om den koks van koning Arthur zulk een wakkeren steun te ontnemen!"
Thans was het gedaan met de zelfbeheersching van onzen held. Het bloed kookte hem in de aderen van woede en schaamte over den hoon, die hem werd aangedaan. Met vaste hand greep hij zijn zwaard, rende op den Zwarten Ridder toe en nog vóór de lach op diens lippen bestorven was, had onze held hem met een geweldigen zwaardslag den schedel doorkliefd.
Toen steeg hij van zijn paard, ontdeed zijn vijand van diens wapenrusting en verwisselde die met de zijne. Daarna sprong hij opnieuw in het zadel en beduidde de jonkvrouw met een kort handgebaar om haren weg te vervolgen.
Deze had stilzwijgend het gebeurde gadegeslagen; de uitdrukking van trotsche minachting op haar gelaat had plaats gemaakt voor een blik van ontzetting over het vreeselijk einde van den Zwarten Ridder; tevens kon zij een gevoel van bewondering voor den koenen moed van den jongeling nauwelijks onderdrukken. Dit gevoel duurde echter niet lang en vóór zij verder reden, voegde zij Gareth op smalenden toon toe:
"Gij meent zeker, thans aanspraak te kunnen maken op den naam van held, nu gij den Zwarten Ridder bij verrassing verslagen hebt! Maar dit zeg ik u, er wachten u nog gansch andere gevaren! Deze ridder, dien gij op zulk eene wreede wijze overrompeld hebt, heeft twee broeders: één van hen is de ridder, die mijne zuster in haar kasteel belegert; in den strijd met hem zult gij stellig het onderspit delven! De vraag is echter of gij het ooit zoover brengen zult, dat gij u met hem in het gevecht begeeft, want de andere broeder, de Groene Ridder, doolt hier in den omtrek rond en zal den dood van zijn broeder niet ongewroken laten. Daarom raad ik u aan, alsnog naar het hof terug te keeren en uw vroeger bedrijf weer op te vatten!"
"Vrouwe", antwoordde Gareth, "uwe woorden kunnen mij niet deren! Zij gelijken op een zwerm kwade vliegen, die zich neerzetten op den rug van mijn paard en het trachten te steken, maar die het dier met eene enkele beweging van zich afslaat. Op dergelijke wijze schud ik uwe booze woorden van mij af. In uw hart weet gij, dat ge mij onrecht aandoet door zoo te spreken en eens zal er een oogenblik komen, dat gij spijt zult gevoelen, mij zoo behandeld te hebben. Thans bid ik u, voort te rijden en mij den weg te toonen naar het slot uwer zuster."
Opnieuw reden zij eenigen tijd zonder spreken naast elkander voort, tot zij bij het vallen van den avond bij eene kromming van den weg werden staande gehouden door een ridder te paard, die geheel in het groen was gekleed. Toen hij Gareth in zijne zwarte wapenrusting bemerkte, wilde hij vol vreugde op hem toe ijlen, denkend, dat het zijn broeder was, maar Lynette, zoo heette de jonkvrouw, stak waarschuwend hare hand omhoog en riep uit:
"Vergis u niet, edele Heer! De man, dien ge vóór u ziet, heeft uw broeder, den Zwarten Ridder, gedood en zich in diens wapenrusting gestoken om uwe wraak te ontkomen. Spaar hem niet, bedenk, dat hij uw broeders moordenaar is!"
De Groene Ridder had geen verdere aansporing noodig. Met een kreet van toorn stormde hij op Gareth los, maar deze was op zijn aanval voorbereid en wist met eene behendige zwenking van zijn paard zijn zwaardslag te ontwijken. Daarop viel hij op zijne beurt aan en weldra waren de beiden in een heet gevecht gewikkeld.
Na een langen strijd gelukte het Gareth zijn tegenstander diens wapenen uit de hand te slaan. De Groene Ridder stak beide handen omhoog en smeekte om genade, maar Gareth, die opgewonden was door den gunstigen afloop van het gevecht, riep uit:
"Slechts onder ééne voorwaarde wil ik u het leven schenken en die is, dat de jonkvrouw Lynette mij dit als eene gunst verzoekt. Weigert zij zulks te doen, dan zijt gij een kind des doods."
Lynette ontstak in hevige verontwaardiging. "Ik u iets verzoeken?" riep zij uit; "nimmer zal ik dat doen! Alles wil ik doen, om het leven van dezen ridder te sparen, maar dat nooit, neen nooit!" Maar toen zij zag, dat het Gareth ernst was met wat hij zeide en dat hij zijn zwaard reeds omhoog hief om den Groenen Ridder den genadeslag toe te brengen, kreeg haar gevoel van medelijden de overhand boven haar trots en sprak zij:
"Welnu dan, het zij zoo! Ik verzoek u als eene persoonlijke gunst het leven van dezen ridder te sparen." Na deze woorden gesproken te hebben, wendde zij zich af en verborg het schaamrood gelaat in hare handen.
Vol vreugde over zijne redding dankte de Groene Ridder Gareth voor zijne genade en verzocht hem en zijne gezellin den nacht in zijn kasteel door te brengen. Gaarne namen zij zijne uitnoodiging aan en na een verkwikkenden slaap begaven zij zich den volgenden morgen versterkt en uitgerust op weg. Het kasteel van Vrouwe Lyonors was nu nog slechts eene dagreis verwijderd van de plaats, waar zij zich bevonden, en zij hadden hoop het reeds den daaropvolgenden morgen te kunnen bereiken.
De dag verliep zonder verdere avonturen en toen de avond begon te vallen betraden zij het gebied van Lyonors.
Op aanraden van Lynette zochten zij een onderkomen in de woning van een kluizenaar, wien Lyonors een ruimen voorraad spijzen en dranken had doen toekomen om haren bevrijder, indien hij mocht komen, te laven en voor den komenden strijd te sterken.
Het vooruitzicht van den op handen zijnden strijd belette Gareth om lang te slapen en reeds vóór het krieken van den dag was hij bezig, zijne wapenen na te zien, of alles voor het gevecht in orde was. Ook de jonkvrouw was vroeg uit de veeren en na een haastig ontbijt verlieten de beiden de eenzame kluis.
Na eenige uren rijdens rezen de tinnen van een statig ridderslot op eenigen afstand voor hen op en weldra betraden zij de vlakte, welke zich aan den voet van het slot uitstrekte. Daar trof een vreeselijk schouwspel hun oog.
In de vlakte waren vele tenten opgeslagen, welke tot huisvesting moesten dienen aan het leger van den Rooden Ridder en aan de boomen, die daar omheen groeiden, hingen--O schrik!--de afschuwelijk verminkte lijken van een aantal ridders.
Vol ontzetting vroeg Gareth de jonkvrouw naar de beteekenis van dit afgrijselijk schouwspel, waarop Lynette hem op half spottenden, half medelijdenden toon ten antwoord gaf:
"Heer, het zijn de lijken van uwe voorgangers, ridders, die, evenals gij, getracht hebben om mijne zuster te bevrijden. Ge ziet, hoe het hun daarbij vergaan is. Wat dunkt u, hebt ge nog moed om uwe kans te wagen?"
Gareth aarzelde geen oogenblik, maar vroeg zijne gezellin kortaf om hem te wijzen, waar de Roode Ridder zich bevond. Toen bracht Lynette hem naar een wilden vijgeboom, in welks knoestige takken een reusachtige hoorn hing, en verzocht hem hierop te blazen.
Gareth deed zulks en reeds bij den eersten hoornstoot vulden de wallen van het kasteel zich met vrouwen en ridders, die in angstige spanning omlaag zagen, om den nieuwen strijder voor hunne bevrijding te aanschouwen. In een der hoofdtorens van het kasteel werd een venster geopend en op een kreet van Lynette richtte Gareth zijne oogen daarheen. En ziet--voor het venster vertoonde zich eene vrouwengestalte, die zich in blijkbare spanning vooroverboog en Gareth recht in het gezicht zag. Bij het aanschouwen van dit bekoorlijk gelaat maakte eene ongekende ontroering zich van Gareth meester. Al zijne vernederingen en krenkingen waren vergeten, hij staarde en staarde naar dit lieflijk gelaat, en kon zich maar niet verzadigen aan den aanblik van die schoone oogen, die hem zoo angstig smeekend aanzagen. Plotseling werd hij zich met een schok bewust, dat dit de geliefde moest zijn uit zijne jongelingsdroomen, die zijne wenschen naar liefde en geluk zou verwezenlijken en die datgene, wat hem tot nu toe slechts in vage, zoete droomen had voorgezweefd, tot wonderschoone werkelijkheid zou maken. Zóózeer was de jongeling verdiept in de aanschouwing der schoone vrouwe, dat hij geheel vergat, welk een zware strijd hem wachtte, alvorens hij zich tot haar kon begeven. Een luide uitroep van Lynette riep hem tot de werkelijkheid terug en zich omwendend zag hij uit een der tenten een ridder te voorschijn treden, gekleed in eene bloedroode wapenrusting en voorzien van een schild en speer van diezelfde kleur. De ridder daagde hem op ruwen toon uit tot een tweegevecht op leven en dood, maar gebood hem, zich vooraf bekend te maken.
Toen was het lang verbeide oogenblik gekomen, dat Gareth zich in zijne ware gedaante mocht vertoonen. Zijn blik gleed langs het gelaat van Lynette, waarop de hem bekende uitdrukking van minachting zetelde, toen zag hij omhoog naar Lyonors en riep met luider stem, zoodat ook de slotbewoners het hooren konden:
"Mijn naam is Gareth, ik ben de zoon van koning Lot, die heerscher is over de Orcadische eilanden. Ik ben herwaarts gekomen om Vrouwe Lyonors te bevrijden, daar het de plicht is van ieder ridder om de zwakken in den nood bij te staan. Ik beschuldig u van verzaking uwer ridderplichten en bedreiging van vrouweneer. Die beschuldiging zal ik met kracht van wapenen staven!"
Hierop begon het gevecht, dat in hevigheid alle voorgaande gevechten, welke de Roode Ridder gevoerd had, overtrof. Met al de kracht van zijne frissche jeugd wierp Gareth zich op zijn tegenstander en, mocht deze hem al in lichaamsgrootte en kracht overtreffen, zoo behaalde onze held menig voordeel door zijne meerdere vlugheid. Daarbij was het gevoel, onder de oogen zijner geliefde te strijden, hem eene aansporing te meer om zich tot het uiterste in te spannen en de gedachte aan het lot, dat haar bedreigde, wanneer hij in den strijd het onderspit zou delven, schonk hem eene schier bovenmenschelijke kracht.
Toen het gevecht eenigen tijd had geduurd, begon de Roode Ridder teekenen van vermoeidheid te vertoonenen zoodra Gareth dit bemerkte, verdubbelde hij zijne krachtsinspanning. Toen zijn tegenstander kort daarop zijn schild ophief om een zwaardslag van Gareth, welke op zijn hoofd gericht was, af te weren, maakte onze held hiervan gebruik om hem met de linkerhand zijne scherpe speerpunt in de zijde te drukken. Met een kreet van pijn liet de Roode Ridder zijn schild uit de hand vallen en verklaarde zich overwonnen.
Welk eene vreugde! Van de muren van het kasteel schalden de juichkreten, de poorten werden geopend, de breede slotbrug werd neergelaten en eene blijde menigte volks kwam Gareth tegemoet, toen hij zich aan de hand van Lynette naar den ingang van het slot begaf. Het jonge meisje had hem onder een stortvloed van tranen haar leedwezen betuigd over haar gedrag en hem gesmeekt haar te willen vergeven, maar onze held luisterde nauwelijks naar wat zij zeide.
Bevend van spanning verzocht hij haar hem naar hare zuster te brengen en zoo gingen zij te zamen de brug en het slotplein over en naderden de hoofddeur van het kasteel. Daar werden de wijde vleugeldeuren geopend en naar buiten trad de schoone slotvrouwe, die met betraande oogen en uitgestrekte handen op Gareth toekwam. Toen zij hem zag in al den bloei zijner mannelijke schoonheid en in zijne oogen de bewondering las, die hij voor haar gevoelde, ontvlamde wederkeerig in haar hart de liefde voor dezen jongen held, die haar door zijne dapperheid voor een vreeselijk lot bewaard had.
Eenige dagen later werd hunne verloving gevierd en te zamen keerden zij kort daarop terug naar het hof des konings. De laatste had intusschen uit een schrijven van zijne zuster, koningin Morgawse, vernomen, wie de jongeling was, die hem in de afgeloopen maanden zoo trouw had gediend. Geen wonder dus, dat de terugkomst van onzen held met spanning door het gansche hof werd verbeid.
Toen hij als overwinnaar terugkeerde en nog wel met eene schoone bruid aan zijne zijde, kende de algemeene vreugde geene grenzen.
Weldra werd het huwelijk tusschen het jonge paar voltrokken en op dienzelfden dag werd Gareth plechtig opgenomen onder de ridders der Tafel Ronde. Thans waren zijne stoutste droomen verwezenlijkt: liefde en eer, geluk en aanzien waren zijn deel geworden. Lange jaren brachten hij en zijne schoone gemalin in vrede en voorspoed door aan het hof van koning Arthur. Hij bewees zijn vorst in den loop der jaren vele en gewichtige diensten, onderscheidde zich in menig gevaarvol avontuur, maar nooit vergat hij zijn proeftijd aan het hof, noch zijn eersten tocht als ridder naar het kasteel van Lyonors.
INLEIDING TOT DE SAGE VAN EREC EN ENIDE.
De eerste vorm, waaronder deze sage hare intrede heeft gedaan in de Middeleeuwsche letterkunde, was een gedicht van Chrétien de Troies. Omstreeks het jaar 1160 schreef deze zijn "Erec", dat als het oudste bestaande dichtwerk van zijne hand voor ons bewaard is gebleven. De dichter zegt als bron te hebben gebruikt een "conte d'aventure", dus een verhaal, dat hem bij monde van een reizend zanger of speelman ter oore was gekomen. Op deze "estoire" beroept hij zich eenige malen, maar toch moeten wij aannemen, dat de sage in hoofdzaak eene oorspronkelijke schepping van den dichter is geweest, al mag hij er hier en daar eene episode uit een reeds bestaand verhaal doorheen geweven hebben.
Van het werk van Chrétien de Troies werden in de Middeleeuwen drie dichterlijke bewerkingen gemaakt. Als eerste dient genoemd het Middel-Hoogduitsche gedicht: "Erec", geschreven in de 13e eeuw door Hartmann von Aue, denzelfden dichter, die ook Chrétien's "Yvain" vertaalde. [40] Terwijl Hartmann zich in laatstgenoemde bewerking slechts enkele kleine wijzigingen veroorlooft, vertoont zijn "Erec" daarentegen groote oorspronkelijkheid in de behandeling van het Fransche gegeven. Dit wordt door Prof. W. Foerster, den bekenden uitgever van Chrétien's gedichten, hierdoor verklaard, dat Hartmann bij de bewerking van "Yvain" niet geheel naar zijn eigen wil heeft gewerkt, maar om de een of andere reden zich heeft moeten schikken naar den wensch van een vriend of beschermheer, die een getrouwer beeld van het Fransche gedicht verlangde, dan de dichter indertijd van "Erec" had gegeven.
Als tweede bewerking noemen wij de Noorsche "Erex-saga", die dagteekent uit de 14e eeuw en die behoort tot den kring van Noorsche vertalingen, welke vervaardigd werden op last van Eufemia, gemalin van koning Haakon, in het begin der 14e eeuw.
In "Germania" XVI, bld. 382-414, vinden wij eene studie van E. Kölbing, waarin voor de eerste maal de verhouding tusschen het Noorsche gedicht en dat van Chrétien nauwkeurig onderzocht wordt. De schrijver komt dan tot de slotsom, dat de Erex-saga over 't algemeen als eene getrouwe navolging van het Fransche dichtwerk kan worden beschouwd. Op sommige plaatsen evenwel stemt de loop der gebeurtenissen niet overeen met die in Chrétien's vertelling, maar wel met die in Hartmann's werk. Daaruit wil Kölbing afleiden, dat de Erex-saga en het Duitsche gedicht weliswaar op Chrétien's werk berusten, maar dat voor deze beide vertalingen een ander handschrift gebruikt werd dan hetgeen men thans gewoonlijk voor de kennismaking met den Franschen "Erec" benut.
Behalve de beide genoemde bewerkingen treffen wij de geschiedenis van Erec en Enide ook aan onder de verhalen van den Mabinogion, de reeds meermalen genoemde Keltische sagenverzameling, welke eveneens eene bewerking van "Yvain" bevat. Onze sage verschijnt in de bekende Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest onder den titel "Geraint, the Son of Erbin." De naam Geraint heeft een bekenden klank in de oude letterkunde van Wallis, hij komt voor in de Triaden, waar de drager een beroemd zeeheld is, zelfs vinden wij melding van een heilige van dien naam.
Evenals bij de beide andere verhalen [41] uit den Mabinogion, welke overeenstemmen met gedichten van Chrétien de Troies, bestaat ook in het geval van de Erec-sage bij de geleerden verschil van meening omtrent de verhouding tusschen de vertelling, zooals zij in den Mabinogion voorkomt en het overeenstemmende Fransche gedicht.
De Duitsche geleerden, onder aanvoering van Foerster, Zimmer en Golther houden vol, dat de drie bovenbedoelde verhalen in den Mabinogion wel degelijk te beschouwen zijn als vertalingen van Chrétien's gedichten, [42] Gaston Paris daarentegen tracht in Romania XX, 1891, bld. 148-166, aan te toonen, dat de schrijver van deze verhalen behalve Chrétien nog eene andere Fransche bron voor zijn werk gebruikt moet hebben.