Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 3

Chapter 33,837 wordsPublic domain

De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel--naar alle zijden strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht, waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn.

Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd zijner troepen en ziet--het scheen of deze met een onweerstaanbaren moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren.

Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek, waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden.

Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen, die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van het meer.

Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen, geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend zwaard omhoog hief.

Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje, dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal, sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand stond de naam van het zwaard te lezen: _Excalibur_.

Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog, duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht.

_Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra._ Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg, of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende.

Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op zijne veldtochten placht te dragen.

De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid.

Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door een groepje personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld.

Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra, de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene, dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn verderen tocht.

Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen, die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning.

Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten, en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de zegewenschen der gansche bevolking.

Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren.

Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht, hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn.

De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit, zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij den mond tot spreken en zeide: "Sire, liever, duizendmaal liever had ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar u geen geluk brengen. Integendeel," hier werd zijne stem luider en nadrukkelijker, "ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon, ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur geven boven al hare zusteren?"

Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden lach. "Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn," riep hij uit, "en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven, zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!"

Merlijn haalde gelaten de schouders op. "Tegen den overmoed der jeugd en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden," zeide hij, "de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft." Maar Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra's hand en de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde hij niet te aarzelen, Lanceloet, den dappersten zijner ridders, zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze van weten te kwijten. Aldus geschiedde het.

Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending, vervulde hem met trots en vreugde.

Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis met zich brengen zou!

Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het haar niet vergund eene eigen meening te bezitten.

Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet bij zich en sprak tot hem: "Heer ridder! morgen zult gij onze woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een passend bruidsgeschenk willen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u, zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?"

Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis naar Camelot ondernomen.

In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland.

Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard, waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen.

De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeer eenvoudig en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving.

En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het, dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was, of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied, maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de sombere wouden om haar vaderlijk slot!

Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem, waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm, hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover, hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag!

Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende, eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders genadiglijk tot den handkus toeliet.

De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het fraais, waarmede men haar omringde, haar als 't ware bedwelmden, gelijk een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met "Hooge Vrouwe", voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en--dit kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor--die den ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man, met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid, het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof, zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had aan de strenge etiquette van het hof.

Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse verschuldigd was. Maar wanneer hij haar dan had ingehaald en zij zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen, die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat.

Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich af kon schudden en jong kon zijn met haar.

_Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten._ Zoo verliepen de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra's vroolijk gesnap werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. 's Avonds viel ze niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten, droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei vreemde gestalten voor haar verscheen.

Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en vermeed hij Ginevra's gezelschap zooveel hij maar kon.

Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden, toen plotseling als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden, eens en voor altijd.

Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten.

Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van zijn schoonsten droom had toegestaan.

Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op, het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige inwijding der Tafel Ronde plaats hebben.

_Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken._ Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep bewogen stem smeekte hij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten, die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het heil van zijn land en zijn volk.

Dankbaar ging zijn oog over de schare in 't wit gekleede ridders, die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan, zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad, wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan, waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had.

Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen, maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong.

Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden zich voor 't eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte.

Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening, toen hij hen smeekte, hem tot steun te willen zijn bij zijn pogen, om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen.

Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen in de oogen kreeg.

Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking van zijne idealen. Plechtig klonk het "ja! dat zweren wij" uit hunne monden en een glans van voldoening gleed over 's konings gelaat.