Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 29

Chapter 293,946 wordsPublic domain

Met angst en vreeze in 't hart zag koningin Morgawse den dag naderen, waarop de laatste en liefste harer zonen de wijde wereld zou intrekken en haar alleen zou achterlaten in het eenzame slot van haren gemaal, waar zij zich in de lange jaren van haar huwelijk nooit geheel thuis had gevoeld. Misschien was dit laatste toe te schrijven aan het groote verschil in landaard tusschen de bevolking uit hare geboortestreek, het Zuiden van Engeland, en die van haar nieuwe vaderland. Ginds was men gewoon het leven te genieten, hier, onder de stugge eilandbewoners, zocht men zijn geluk in het rustig volbrengen zijner dagelijksche plichten, zonder naar verstrooiing of genot te vragen. Mogelijk ook was de onvoldaanheid der koningin voor een deel te wijten aan het koude, zwijgzame karakter van haren echtgenoot, die elke uiting van uitbundige levensvreugde van de zijde zijner gemalin met koele onverschilligheid trachtte te dempen. Deze had ten slotte geleerd zichzelve te beheerschen en voor het uiterlijk de statige, trotsche vrouw te zijn, die hij zich als gemalin wenschte, maar niemand in hare omgeving kon vermoeden, hoe zij leed onder dit bedwingen van hare werkelijke persoonlijkheid. Als de kille zeedamp het eilandenrijk dagenlang met een ondoordringbaren nevelmuur omringde en het krijschen der zeemeeuwen het eenige geluid was, dat de stilte verbrak, als de vrome eilandbewoners nedergeknield lagen voor hunne heiligenbeelden en gebeden prevelden voor het welzijn van hen, die daar ginds op de baren zwalkten, zat koningin Morgawse in hare eigen vertrekken en staarde naar buiten in den grijzen mist. Dan kwam haar hart soms in opstand tegen het onverbiddelijk noodlot, dat haar, die voor vreugde en blijdschap geschapen scheen, veroordeelde om haar leven te slijten in deze sombere omgeving, waar niemand haar begreep en liefhad.

Dat de verhouding tusschen de beide echtgenooten te wenschen overliet, was geen geheim voor hunne omgeving en de hovelingen, die hunnen vorst met groote trouw aanhingen, weten dit geheel aan de koningin, die zich zoo moeilijk had weten aan te passen aan hare nieuwe omgeving. Men beschuldigde haar van lichtzinnigheid, ja zelfs van ergere dingen, want toen kort nadat de koningin van eene reis naar haar geboorteland was teruggekeerd, haar tweede zoon Modred geboren werd, ging er een gerucht, dat deze geen kind van koning Lot was, maar dat hij gesproten was uit eene onwettige verbintenis, welke de vorstin daarginds in het Zuiden gesloten had. De juistheid van dit vermoeden werd nooit met stelligheid bevestigd, maar een feit bleek het, dat Modred, toen hij opgroeide, zoowel uiterlijk als innerlijk geheel verschilde van zijne broeders.

Het scheen aanvankelijk, of koningin Morgawse in hare kinderen vergoeding zou vinden voor wat zij in den omgang met haren echtgenoot te kort kwam. Zij had hen allen zonder onderscheid hartstochtelijk lief; hoe zwaar moest het haar dus vallen, om hen, zoodra zij tot jongeling waren gerijpt, te moeten afstaan en hen te zien heentrekken naar het hof van haren broeder.

Alleen Gareth, die met zijne oudere broeders aanmerkelijk in leeftijd verschilde en daardoor langer kind was gebleven dan zij, restte haar nu nog van het vroolijke vijftal, dat de zalen van het oude kasteel had doen daveren van zijn wilde spelen. En ziet--nu werd ook die jongste zoon onrustig en sprak den laatsten tijd van niets anders dan van zijn plan om zich op zijne beurt naar het hof te Camelot te begeven en aldaar het volle leven te leeren kennen. Hoe zijne moeder hem ook bad en smeekte, het mocht niet baten; zijn hart was daarginds, bij zijne broeders en hij had geen rust, vóór hij de toestemming van zijne ouders had ontvangen, om zich bij hen te voegen.

Eindelijk was de koningin wel gedwongen, hem die te geven, maar--slechts onder ééne voorwaarde; en deze, zoo meende zij, was van dien aard, dat zij den jongeling eens voor al van zijn voornemen zou terugbrengen. Zij eischte namelijk van Gareth, dat hij, aan het hof gekomen, een jaar lang als keukenjongen in 's konings dienst zou treden en al dien tijd zijn naam en afkomst voor zijne omgeving geheim zou houden. Den trotschen aard van haar zoon kennend, meende koningin Morgawse, dat deze voorwaarde hem onuitvoerbaar zou toeschijnen en dat hij dus, hoe ongaarne ook, zijne reis naar het hof zou opgeven. Maar neen! Sterker nog dan zijn gevoel van eigenwaarde was de lust naar avontuur in het hart van den jongeling en na zich eene wijle bedacht te hebben, stemde hij toe in den eisch zijner moeder. Van dat oogenblik af moest de koningin met leede oogen toezien, hoe Gareth zich beijverde om de toebereidselen voor zijn vertrek in den kortst mogelijken tijd te treffen en weldra brak dan ook de gevreesde dag aan, waarop de reis naar Camelot bepaald was.

Vergezeld door twee zijner dienaren, ging Gareth vervuld van de schoonste verwachtingen voor de toekomst, op weg. Wel lachte het denkbeeld om een jaar in de keuken van het koninklijk paleis te moeten dienen, hem niet bepaald toe, maar--zoo redeneerde hij met jeugdige zorgeloosheid,--twaalf maanden zijn gauw voorbij! Hij had nu toch zijn zin; hij ging naar Camelot, waar de ridders woonden, van wier heldendaden hij zooveel had hooren vertellen, waar de groote tournooien werden gehouden, waar men op de jacht ging naar herten en zwijnen, waar de vreemde speellieden hunne liederen kwamen zingen, kortom: waar men het leven in al zijne rijkdom en heerlijkheid kon leeren kennen! Wat deed het er dan toe, of hij voorloopig slechts toeschouwer mocht zijn bij al dat schoons? Honderd-, neen duizendmaal liever was hij een eenvoudige keukenjongen in Camelot dan een prins in zijns vaders koninkrijk.

Na lange dagen reizens kwam het kleine gezelschap voor de poorten van Camelot aan. Naar het uiterlijk schenen zij drie eenvoudige landlieden, die van verre gekomen waren, om hun vorst te begroeten. Gareth had zorg gedragen, dat zijne kleeding in geen enkel opzicht afweek van die zijner reismakkers.

_Hoe Gareth als keukenjongen bij koning Arthur in dienst trad en hoe hij door Key gehoond werd._ Zonder eenige moeite slaagde het drietal erin om tot de tegenwoordigheid des konings te worden toegelaten, daar deze zich steeds op dezen tijd van den dag beschikbaar placht te stellen voor een ieder, die zich met eenig verzoek tot hem wenschte te richten. Gareth en zijne volgelingen werden dan ook terstond door een der paleisdienaren door een doolhof van gangen en portalen naar de groote slotzaal geleid, waar de koning, omringd door zijne gansche hofhouding, zitting hield om de wenschen en klachten van zijn volk aan te hooren. Lieden van allerlei slag knielden neer voor zijn troon en nooit gebeurde het, dat zij onvoldaan huiswaarts moesten keeren.

Terwijl Gareth zijne beurt afwachtte, liet hij zijne blikken dwalen door de ruime zaal, waarvan de wanden bedekt waren met eene bonte reeks van geschilderde tafereelen, welke een overzicht gaven van Arthurs krijgstochten tegen de heidenen. Meer echter nog dan door de fraaie wandschilderingen werd zijne aandacht geboeid door de personen, die zich in de zaal bevonden. Allereerst bleef zijn blik rusten op de vorstelijke gestalte des konings, zooals hij daar in fiere houding op zijn troon gezeten was, de linkerhand aan de greep van een glinsterend zwaard, dat met de punt op den grond rustte, de rechter steunend op de leuning van zijn zetel. Met eene uitdrukking van vriendelijke belangstelling luisterde hij naar het relaas eener arme weduwe, die zijne hulp kwam inroepen om het erfdeel van haren echtgenoot, dat men haar ontstolen had, te herwinnen. Vol bewondering hoorde Gareth toe, op welk eene welwillende en oordeelkundige wijze de vorst de weenende vrouw te woord stond en het hart van den jongeling klopte luide van ontroering, toen hij de ongelukkige haren dank hoorde stamelen. Daarna zag hij verder om zich heen en tuurde langs de rijen der hovelingen, of hij onder hen ook zijne broeders kon ontdekken. Weldra vond hij hen, die hij zocht: de kloeke, mannelijke gestalte van Walewein, die in de onmiddellijke nabijheid des konings was gezeten; het donkere gelaat van Modred, dat steeds eene uitdrukking van arglistig wantrouwen droeg, daarnaast, als gewoonlijk, de tengere gestalte van Agravaine, die zijn ouderen broeder als een schaduw placht te volgen, en eindelijk, onder de jongere edellieden, zijn vierden broeder: Gaheris. Gareth kon een glimlach niet onderdrukken, toen hij bedacht, hoe verbaasd zijne broeders zouden zijn, indien zij wisten, wie de eenvoudig gekleede jongeling was, die zich onder de wachtende menigte bevond, maar hij behoefde geen vrees te hebben dat zij hem zouden herkennen, zóó lang was het geleden, sinds zij hem de laatste maal in hun vaderlijk slot gezien hadden.

Intusschen was de beurt aan hem gekomen om den koning zijne verlangens kenbaar te maken. Eerbiedig viel hij voor Arthur op de knieën, daarna richtte hij het gebogen hoofd op, zag den vorst frank en vrij in de oogen en sprak:

"Sire, mijne beide makkers en ik zijn uit verre streken hierheen gekomen om u te huldigen en te dienen. Daar ik vernomen heb, dat gij elkeen, die hier binnentreedt, veroorlooft, om u zijne verlangens mede te deelen, zoo durf ik het wagen, u mijne wenschen voor te dragen. Sire! sta mij toe, dat ik u om drie gunsten vraag; geloof mij, al klinkt mijn verzoek wellicht onbescheiden, de gunsten, die ik bedoel, zijn van dien aard, dat, indien gij wilt, gij ze zonder bezwaar kunt inwilligen. De eerste wilde ik u thans vragen, de beide andere daarentegen zou ik u eerst na verloop van een jaar wenschen mede te deelen. Vergeef mij, indien ik te veel van uwe goedheid verg!"

Hier zweeg prins Gareth en zag den koning met eenige beschroomdheid aan. Arthur had met welgevallen naar de woorden van den jongeling geluisterd, wiens innemende verschijning en aangenaam, bescheiden optreden het hart van den vorst voor zich gewonnen hadden. Toen hij zweeg, aarzelde de koning dan ook niet lang, hoe hij zijn verzoek zou opnemen en sprak vriendelijk: "Welnu dan, vriend, welke zijn die gunsten, die ge mij wildet vragen. Ik beloof u vooruit, ze te zullen inwilligen, indien zij tenminste de grenzen van het betamelijke niet overschrijden. Spreek, wat verlangt ge van mij?"

"Sire", antwoordde Gareth, "ik zou u willen vragen, mij gedurende een jaar eene plaats in te ruimen onder uwe keukenbedienden. Als zoodanig wilde ik u twaalf maanden dienen en eerst na verloop van mijn diensttijd hoop ik u mijne beide andere wenschen voor te leggen."

Verbaasd en eenigszins teleurgesteld zag koning Arthur hem aan, zulk een verzoek had hij allerminst verwacht uit den mond van dien kloeken, rijzigen jongeling. Toch klonk zijne stem welwillend als altijd, toen hij Gareth ten antwoord gaf:

"Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik van u een gansch anderen wensch verwacht had. Het verbaast mij, dat een jong, krachtig man als gij, geene hoogere eerzucht kent, dan eene plaats te verkrijgen onder mijne bedienden. Ik doe evenwel mijn woord gestand. Aan uw wensch zal worden voldaan en Heer Key, onze opperhofmeester, zal u uw nieuwen werkkring aanwijzen." Dit zeggend, wenkte de vorst een der ridders uit zijne naaste omgeving, een somber uitziend man, en droeg hem op, om den jongeling eene plaats te geven onder het personeel van de hofkeuken.

Heer Key zag den knaap minachtend aan en gelastte hem op ruwen toon hem te volgen. In de ruime keuken van het paleis aangekomen, wees hij hem, welk werk hem te doen viel. Het bestond hierin, dat hij zich ten allen tijde gereed moest houden om de koks bij hun arbeid behulpzaam te zijn. Den overigen tijd moest hij besteden met het spoelen van vaatwerk en het poetsen en schuren der keukengereedschappen. Eene ongewone bezigheid voor een prins van den bloede! Geen wonder dan ook, dat het bloed Gareth naar de wangen steeg bij de gedachte, dat dit zijn werk zou zijn en dat hij een geheel jaar in deze omgeving zou moeten doorbrengen. Maar meer nog dan dit vooruitzicht ergerde hem de onheusche toon, waarop Heer Key tot hem sprak. Wel was hij zoo verstandig, met geen enkel woord te antwoorden op de norsche bevelen, die hem als 't ware naar het hoofd werden geslingerd, maar uit zijne saamgeknepen lippen sprak duidelijk genoeg zijne nauwelijks te verkroppen ergernis. Key scheen die ook te bemerken; hij besloot althans zijne opdrachten met de woorden: "En pas op, dat ik geenerlei klachten ontvang over uw optreden tegenover uwe meerderen! Alles, wat u opgedragen wordt, ook al is het werk niet geheel naar uw zin, zult gij stipt ten uitvoer brengen. Bij het eerste woord van tegenspraak, dat mij ter oore komt, zullen wij elkander nader spreken. Weet wel, met mijne ongenade valt niet te spotten. En nu vooruit, aan het werk! en vlug ook!"

"Key, Key!" zoo klonk eene diepe, bedarende stem, "wat vaart gij toch uit tegen een knaap, die u tot dusverre niets misdaan heeft! Kunt ge dan niet zien, dat het werk, hetwelk gij hem opdraagt, nieuw voor hem is en dat hij allerminst gewend is, om op zulk een toon toegesproken te worden? Matig u toch, zulk een optreden strekt u niet tot eer!"

"Eer, eer!" gaf Key den binnengetreden ridder ten antwoord: "wat bazelt gij over eer, Heer Lanceloet! Zou ik niet het recht hebben, om een ellendigen keukenjongen, een deugniet, die waarschijnlijk het ouderlijk huis ontvlucht is, op zijne plichten te wijzen? Ik raad u aan, mij voortaan met rust te laten en eerst eens na te gaan, hoe het met uwe eigen eer gesteld is!" Dit zeggend, verliet hij met een sarrend hoongelach het vertrek, op den voet gevolgd door den vreemden ridder, wiens gelaat, zooals Gareth nog juist gelegenheid had om op te merken, bij Key's laatste woorden met een diep hoogrood overtogen werd.

Onze jongeling bleef achter in een toestand van verwarring. Eene bonte mengeling van indrukken beklemde zijne ziel, maar alle werden overheerscht door een gevoel van vereering en dankbaarheid voor den man, die zooeven zijne partij gekozen had. Dat was dus de groote Lanceloet, over wien hij zijne broeders zooveel had hooren spreken, welnu, zij hadden niet te veel gezegd van hun held! Welk een edel gelaat, welk eene nobele gestalte en bovenal: welke eene vriendelijke gedachte van zulk een hooggeplaatst ridder om voor een armen koksjongen in de bres te springen! Vol jeugdig vuur nam Gareth zich voor, om in alles den grooten Lanceloet tot voorbeeld te nemen, daarna begaf hij zich met een zucht aan zijn werk.

Een jaar verliep en gedurende al dien tijd diende onze held in de keukens van het vorstelijk paleis. Het was een harde proeftijd voor den jongen prins, want het werk viel hem ongewoon zwaar en de behandeling was somtijds verre van zacht. Toch duurde het niet lang, of Gareth had zich in zijne nieuwe omgeving vele vrienden gemaakt. De koks prezen zijne nauwlettendheid en ijver en werden het liefst door hem gediend, maar ook de andere koksjongens mochten hem gaarne lijden, daar hij altijd vroolijk was en steeds bereid, hen te helpen. Wanneer hunne dagtaak ten einde liep en het keukenpersoneel zich in een wijden kring om den schouw had verzameld, placht Gareth zijne ruwe makkers te vertellen van het leven in zijn vaderland. Hij beschreef de nachten, waarin de schippers uitvoeren ter vischvangst, en de stormen en gevaren, waarmede zij te kampen hadden. Dan luisterden zijne toehoorders, die voor het meerendeel de zee nooit gezien hadden, met open mond naar zijne levendige beschrijvingen, tot hij, het praten moede, hun op zijne beurt tot vertellen drong. Dan kwamen de verhalen los over de groote tournooien, over de gastmalen en hoffeesten, welke in het paleis te Camelot gegeven werden en nu was het Gareth, die gretig toehoorde en niet ophield met vragen. Soms gingen die vragen boven het bereik zijner eenvoudige vertellers en kreeg hij dus geen bevredigend antwoord.

Zoo leerde Gareth van uit zijn nederigen schuilhoek de hofwereld kennen. Uit de opmerkingen en verhalen der bedienden kreeg hij een helder inzicht in de karakters der verschillende ridders, nog vóór hij hen persoonlijk had leeren kennen. Hij hoorde van hunne vriendschappen en kibbelpartijen, hij wist nauwkeurig te zeggen, wie van hen de sterksten in het strijdperk en wie de vroolijksten aan den disch waren. Ook andere, minder gunstige dingen hoorde hij van hen vertellen. Soms staken de koksjongens de hoofden bijeen en fluisterden den naam eener schoone, aan wie een der ridders een nachtelijk bezoek had gebracht. Wanneer zij dan echter Gareth in hun gesprek wilden betrekken, wilde deze nimmer naar hen luisteren. Hij begon dan een vroolijk lied te zingen of een lustig deuntje te fluiten. Aanvankelijk werd hij hierom door zijne makkers gehoond, maar ten slotte kregen zij eerbied voor zijn optreden en verloren zelf den lust tot dergelijken lasterpraat.

De eenige, die Gareth een kwaad hart toedroeg, was Heer Key. Of hij onwillekeurig gevoelde, dat de knaap zijn meerdere was in afkomst en beschaving, of het was, dat hij zich ergerde over het onverstoorbaar goed humeur, waarmede Gareth zijne schimpscheuten verdroeg, zeker is het, dat hij nooit naliet, den jongeling, waar hij maar kon, te hinderen. Hij droeg hem het zwaarste en vuilste werk op, had steeds aanmerkingen op al wat hij deed, kortom, hij scheen het er op aan te leggen, om Gareth zijn geduld te doen verliezen en een twist met hem uit te lokken, die hem eene reden zou geven, zich over hem bij den koning te beklagen. Maar Gareth hield zich goed. Al kookte hij ook inwendig van woede over Key's onheusche houding en al snakte hij er naar om hem zijne verachting in het gezicht te slingeren, toch wist hij zijne uiterlijke kalmte te bewaren. Daarbij besefte hij zeker niet, hoezeer deze moeilijke les in zelfbeheersching hem later ten goede zou komen.

_Hoe eene jonkvrouw naar het paleis te Camelot kwam en hoe Gareth gelegenheid had den koning zijne beide andere gunsten te vragen._ Eindelijk liepen de twaalf lange maanden ten einde en Gareth zag den dag naderen, waarop hij de hem toekomende plaats aan het hof zou kunnen innemen. Toen gebeurde het, dat op een fraaien lentemorgen eene jonkvrouw de poorten van het vorstelijk paleis binnenreed en den toegesnelden dienaren beval, haar terstond naar koning Arthur te geleiden, daar zij den vorst over eene dringende aangelegenheid wenschte te spreken.

Het was een der laatste dagen van Gareth's diensttijd en onze held was bezig met eenig huiswerk in de groote slotzaal, toen de deuren wijd werden geopend om de vreemde bezoekster binnen te laten. Deze liep terstond naar den hoek van het vertrek, waar koning Arthur in gezelschap van eenigen zijner ridders zich bevond en viel luid jammerend voor den vorst op de knieën.

Ontsteld boog deze zich voorover om het weenende meisje te doen opstaan en liet haar plaats nemen op een zetel aan zijne zijde. Eindelijk had de jonkvrouw zich in zooverre hersteld, dat zij kon spreken en onder tranen en snikken zeide zij als volgt:

"Sire! ik ben herwaarts gekomen om de hulp van één uwer ridders in te roepen voor mijne zuster, Vrouwe Lyonors, die sinds maanden in haar kasteel belegerd wordt door een boozen roofridder, die bekend staat als de Ridder der Roode Vlakte. Deze woestaard, die een wanhopigen hartstocht voor mijne zuster heeft opgevat, zweert dat zij de zijne zal worden, al moest het beleg jaren duren. Velen van onze ridders hebben hem tot een tweegevecht uitgedaagd, maar helaas! hij heeft hen allen verslagen en hunne lijken op de gruwelijkste wijze verminkt. Thans gaat de mare door het land, dat hij zich wenscht te meten met een uwer ridders, zij het Lanceloet of Lamorak of een ander, en dat, wanneer hij er in geslaagd is hem te verslaan, hij zich met geweld een toegang zal verschaffen tot het kasteel en wat er dan met mijne arme zuster geschieden zal...." hier brak hare stem en de aandoening belette haar verder te gaan.

Diep ontroerd hadden allen naar deze droeve mare geluisterd; onder hen ook Gareth. Ontzet poogde hij zich den gemoedstoestand in te denken van die vrouw daarginds, die zich omringd wist door vijanden en bedreigd door de booze lusten van een ellendeling. Hij zag hoe de ridders, onder den indruk van het verhaal, onthutst stilzwegen, dit bracht hem op een denkbeeld, dat hem het bloed naar de wangen joeg en hem plotseling deed opspringen. Hij snelde naar den koning toe en riep met luide stem:

"Heer koning! mijn diensttijd is op enkele dagen na verstreken! Sta mij toe, dat ik u thans om de beide andere gunsten verzoek, welke gij mij beloofd hebt!"

In spanning wachtte hij op het antwoord van zijn vorst en wie beschrijft zijne blijdschap, toen Arthur sprak:

"Ik herinner mij onze afspraak. Spreek, wat wenscht gij?"

"Sire", hernam Gareth, "sta mij toe, deze jonkvrouw te volgen naar het kasteel harer zuster en de eer uwer ridders hoog te houden tegenover dien wellusteling, die de veiligheid van Vrouwe Lyonors bedreigt. Als tweede gunst verzoek ik u, dat ik tot ridder geslagen mag worden en wel door de hand van den edelsten onder uwe edelen, Heer Lanceloet. Wanneer deze mij op mijn tocht vergezellen wil, zal er zich wellicht eene gelegenheid voordoen, om mij die hooge onderscheiding waardig te keuren."

Koning Arthur had onder het spreken met welgevallen neergezien op het gelaat van den jonkman, dat straalde van ijver en edele geestdrift voor de zware taak, welke hij geheel vrijwillig op zich nam. In het afgeloopen jaar had de vorst zich nu en dan doen inlichten over het optreden van den jongen vreemdeling in zijne nederige omgeving en wat hem daarvan ter oore was gekomen had er niet weinig toe bijgedragen om den gunstigen indruk, welken hij op het eerste gezicht van den knaap had gekregen, nog te versterken. Hij was ervan overtuigd, dat de eenvoudige kleedij, waarin Gareth naar het hof was gekomen, slechts eene vermomming was en dat er aan zijn verschijnen aldaar een geheim was verbonden, dat te rechter tijd zou worden opgehelderd. Zonder aarzelen gaf hij Gareth daarom ten antwoord: "Wanneer gij ten volle den omvang beseft van de verplichtingen, welke gij door dit verzoek op u neemt, zoo wil ik u mijne toestemming niet onthouden. Ga daarom heen, om u voor de reis gereed te maken en moge God u behouden tot ons doen wederkeeren!"

Verheugd en dankbaar drukte Gareth een eerbiedigen kus op de hand, welke Arthur hem toestak, daarop ijlde hij heen, maar nog vóór hij het vertrek had verlaten, klonk hem een doordringende kreet in de ooren. Het was de jonkvrouw, die daarin uiting gaf aan hare gevoelens van afschuw over de handelwijze des konings. Verontwaardigd riep zij uit:

"Wat hoor ik, Sire? Wilt gij een knecht, een armzaligen keukenjongen de taak opdragen, waartoe ik den edelsten onder uwe ridders kwam oproepen? Is dat uwe hooggeroemde hulpvaardigheid? Beseft gij dan niet, dat gij mij nog beter zonder hulp kondt wegsturen, dan mij zulk een geleider mede te geven? O, wat zal die ellendeling daarginds mij hoonen, wanneer hij hoort, wie de ridder is, die komt om hem te bestrijden! Mijne arme zuster! Een keukenjongen, gewend om het braadspit te draaien! Het is te erg! Ik ga heen, vóórdat hij mij met zijne tegenwoordigheid kan lastig vallen en nooit, nooit keer ik hier terug!" Dit zeggend, snelde zij met opgeheven handen de zaal uit. Gareth had niets van dit alles vernomen. Zonder zich te storen aan wat er achter hem geschiedde, had hij de zaal verlaten om afscheid te nemen van zijne makkers en zich voor de reis gereed te maken. Zijn hart was vol dankbaarheid jegens zijn vorst, welke nog toenam, toen hij bij zijn terugkeer uit de keukens op het voorplein een gezadeld strijdros en eene volledige wapenrusting vond, die de koning hem als loon voor zijne trouwe diensten ten geschenke bood.