Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 28
Den volgenden morgen vroeg verliet de nar het paleis des konings en daalde zingend den weg af, die naar zee voerde. Toen de hovelingen hem vroegen, waar hij heen ging en waarom hij niet wat langer aan het hof bleef vertoeven, antwoordde hij: "Houdt mij niet op met uw dom gepraat. Wat weet gij van de heimelijke oogmerken van mijn gaan en komen? Maar daar gij zoo nieuwsgierig zijt, wil ik u zeggen, dat ik heenga om mijne woning in gereedheid te brengen voor het bezoek der koningin. Mijne dienaren zullen de kamers sieren met slingers van groen en bloemen, mijne koks zullen de fijnste gerechten opdisschen en den edelsten wijn schenken, alle lichten zullen worden ontstoken en ikzelve zal op den drempel staan, om Isolde met de Blonde Haren te verwelkomen, die het huis van den armen nar met hare tegenwoordigheid wil eeren. Daarom laat mij gaan! Eer de zon ter kimme neigt, moet ik thuis zijn om alles voor Hare komst klaar te maken. Lang zal ik niet op Haar behoeven te wachten, Zij zal spoedig komen!" Onder luid gelach van de hovelingen vervolgde Tristan zijn weg. Aan de haven gekomen zag hij nog eenmaal omhoog naar den burcht, die zijne liefste herinneringen binnen zijne muren besloten hield en dien hij nooit weer zou zien, daarna begaf hij zich aan boord van een vaartuig, dat hem weldra naar Bretagne terugvoerde.
Daar begon weer het oude leven. Om zijn steeds weer aangroeiend verlangen te bedwingen, zocht Tristan afleiding in de jacht en in avontuurlijke tochten, waarbij Kaherdin zijn trouwe metgezel was. Zoo waren zij eens uitgetrokken tegen een edelman uit een naburig graafschap, die met behulp van zijne zeven broeders er in geslaagd was, om een jong meisje, de bruid van één der Bretonsche ridders, te ontvoeren. Tristan en zijne vrienden trokken op naar zijn burcht. Langen tijd duurde het beleg, tot eindelijk de sterke muren bezweken en het slot genomen werd. In den strijd op de wallen, welke daaraan voorafging, werd Gouvernail, Tristan's trouwe dienaar, gedood en even daarna werd zijn meester door een vergiftigden pijl in de zijde getroffen.
Met groote moeite slaagde Kaherdin erin, zijn vriend naar diens slot terug te voeren. Isolde met de Blanke Handen was hevig ontsteld over het gebeurde en omringde haren echtgenoot met de liefderijkste zorgen, maar ondanks al hare toewijding en de hulp van kundige artsen uit alle streken van het land, voelde Tristan zijn einde naderen. Hij was gaarne bereid te sterven, want het leven kon hem niets meer schenken dan lijden en smart, maar toch wilde hij niet heengaan zonder zijne geliefde nog éénmaal te hebben weergezien. Daarom riep hij Kaherdin tot zich en sprak tot hem: "Waarde vriend! ik heb een verzoek aan u, het laatste, waarmede ik u lastig zal vallen, want ik voel, dat ik sterven ga. Luister dus goed! Vele jaren geleden, toen ik tegen Morholt heb gestreden om Cornwallis van de Iersche schatting te bevrijden, heeft Isolde van Ierland mij van mijne wonden genezen; ook later, toen ik in het gevecht met den draak door het vergif bedwelmd was, heeft zij mij van den dood in het leven teruggeroepen. Indien er dus één is, die mij redden kan, dan is zij het. Daarom smeek ik u, ga naar Cornwallis en vraag de koningin tot mij te komen en mij te helpen. Tegen de menschen kunt gij zeggen, dat gij eene wijze vrouw gaat halen, die de heelkunst verstaat en die mij wellicht redding kan brengen." In angstige onzekerheid zag Kaherdin zijn vriend aan. "Hoe gaarne zou ik u helpen", sprak hij, "maar ik vrees, dat mijne reis tevergeefsch zal zijn. Nooit zal de koningin mij volgen!" "Twijfel daaraan niet", hervatte Tristan dringend, "zij zal u volgen, waarheen gij haar voeren wilt, wanneer gij haar dezen ring toont en haar zegt, dat Tristan haar roept. Ach, lieve vriend! waarom zou ik het u verzwijgen, ik, die reeds met één voet in het graf sta? Welnu dan, ik bemin Isolde van Ierland met mijn gansche hart en ziel en ik heb nooit eene andere vrouw liefgehad. Zij was de mijne, vóór zij de gemalin van koning Mark werd, voor haar heb ik geleefd en in hare armen wil ik sterven. Ik weet, dat ik uwe zuster misleid en bedrogen heb, maar wees daarover niet te zeer vertoornd, slechts hij, die waarachtig liefheeft, kan oordeelen over wat ik gedaan heb."
Diep getroffen had Kaherdin toegeluisterd; één blik op het zwakke, uitgeteerde gelaat van zijn geliefden vriend had den toorn over de beleediging, zijne zuster aangedaan, doen bedaren en toen Tristan ophield met spreken, zeide hij zacht: "Ik zal gaan en met Gods hulp zal ik de koningin mede terug brengen!" "Dank! dank! edele vriend," stamelde Tristan, "hoe zal ik smachten naar uwe terugkomst! Vóór gij heengaat nog dit ééne: elken dag zal ik mij naar het strand laten brengen, om naar uw schip uit te zien. Wanneer gij nu mijne geliefde met u medebrengt, hijsch dan witte zeilen, mocht uw tocht echter tevergeefsch zijn geweest, laten de zeilen dan zwart, de kleur des doods, zijn. Zoodoende zal ik terstond weten, welke de uitslag van uwe reis geweest is." Na dit gezegd te hebben zonk Tristan uitgeput in de kussens terug.
Nu wilde het toeval, dat Tristan's echtgenoote, Isolde met de Blanke Handen, zich gedurende dit gesprek in de aangrenzende zaal bevond. Toen Tristan begon te spreken over een laatst verzoek, dat hij Kaherdin wenschte te doen, had zij haar oor tegen den muur gedrukt, om beter te kunnen hooren. Een laatst verzoek van Tristan, zoo meende zij, moest ook haar betreffen en wellicht kon zij haren broeder in de uitvoering daarvan behulpzaam zijn. Zoo kwam het, dat zij alles hoorde, wat daarnaast werd besproken; in klimmenden angst luisterde zij toe, tot zij eindelijk, bij het vernemen der vreeselijke waarheid, half bewusteloos tegen den wand van het vertrek ineenzonk.
Terwijl haar lichaam in eene roerlooze verstijving terneerlag, werkte haar geest met eene wonderlijke snelheid. Alles werd haar nu duidelijk. Wat tot nu toe slechts vermoedens waren geweest, vage schimmen harer angstige verbeelding, werd thans alles zekerheid. Eén voor één toetste zij de feiten uit haar huwelijksleven en den tijd daarvóór aan de thans verkregen wetenschap. En ziet, voor alles vond zij eene verklaring. Tristan's somberheid, zoo onbegrijpelijk in een jong en gevierd man, zijne voorkeur voor haar naam, dien hij zoo vaak in zijne liederen bezongen had, en waaruit zij, dwaze, het bewijs had gezien zijner groeiende genegenheid, zijn aarzelen om hare hand aan te nemen, toen haar vader hem die aanbood, zijne woorden op den avond van hun huwelijk, zijne lange afwezigheid en thans zijne berusting in den naderenden dood--dit alles vond eene oorzaak in zijne liefde voor die andere Isolde, daarginds in Cornwallis.
Wee den haat eener vrouw, wanneer zij zich aldus in hare innigste gevoelens gekrenkt en beleedigd ziet! Toen Isolde met de Blanke Handen zich eindelijk van den grond verhief, was zij eene gansch andere vrouw geworden. Liefde, zachtheid en toewijding hadden als angstige schimmen de vlucht genomen uit haar hart om plaats te ruimen voor de booze geesten van toorn en bitterheid. Eén gedachte bezielde haar en hield haar staande: zij wilde zich wreken op den man, die haar zoo smadelijk bedrogen had.
Na het onderhoud met Tristan had Kaherdin zich in aller ijl gereed gemaakt om de reis naar Cornwallis te ondernemen. Zijn schip had hij bevracht met kostbare waren en zichzelf vermomd als een reizend koopman. Zoo kwam hij te Tintagel aan, waar hij verlof vroeg, om den koning zijne waren voor te leggen. Toen hem dit werd toegestaan, koos hij uit het vele schoons, dat hij had medegebracht, eene vaas met kostbaar reukwerk, die hij met eenige welgekozen woorden den vorst ten geschenke bood, uit dankbaarheid voor de welwillendheid, waarmede hij aan het hof was ontvangen. Toen wendde hij zich tot de koningin, die lusteloos aan het venster zat, en toonde haar een gouden gesp, terwijl hij sprak: "Hoe bevalt u dit sieraad, hooge Vrouwe? Het is vervaardigd uit zuiver goud, zonder bijvoeging van ander metaal. Dat ik waarheid spreek, kunt ge zien, wanneer gij den gesp vergelijkt met dezen ring, die overal geprezen wordt om zijne schoonheid. Ziet, wanneer gij de beide naast elkander houdt, kunt gij duidelijk zien, dat het goud van den gesp het wint in schoonheid van glans en kleur."
Dit zeggend, hield hij Isolde den ring van Tristan voor. Deze stond haastig op, een gloeiende blos verspreidde zich over haar gelaat en terwijl zij Kaherdin's arm krampachtig omknelde, fluisterde zij hem toe: "Gij komt van Tristan. Spreek, welke boodschap zendt hij mij?" Met een haastigen wenk in de richting van het overige gezelschap maande Kaherdin haar aan tot voorzichtigheid; Isolde herwon hare kalmte door schier bovenmenschelijke inspanning en sprak op halfluiden toon, zoodat zij, die in hare onmiddellijke nabijheid waren, het hooren konden: "Deze gesp bevalt mij, koopman. Kom daarom even ter zijde, opdat wij het eens worden over den prijs. Mijn echtgenoot behoeft niet te weten hoeveel geld hij mij waard is." In een hoek van de zaal ging de koningin zitten, nu was het met hare kalmte gedaan en op angstigen, dringenden toon smeekte zij Kaherdin haar te melden, hoe het met Tristan ging en waarom hij een bode naar Tintagel had gezonden. Daarop vertelde Kaherdin haar, hoe Tristan verwond was door een vergiftigden pijl en hoe hij nu lag te sterven in zijn slot aan de kust van Bretagne. Hij zeide haar, dat zijn vriend gaarne afstand deed van het leven, maar dat hij de eeuwige rust niet kon ingaan, zonder afscheid te hebben genomen van zijne geliefde. Isolde was stil en bleek geworden; slechts een krampachtig trekken om haren mond verried hare innerlijke ontroering, maar Kaherdin werd getroffen door de vastheid van stem, waarmede zij hem antwoordde: "Heb dank voor uwe mededeeling. Morgen vroeg zal ik aan boord zijn, om de reis naar Bretagne te aanvaarden."
_Hoe Isolde zich op reis begaf naar Bretagne en hoe de beide gelieven daar den dood vonden._ Den volgenden morgen in de vroegte begaven de koningin en Brangwaine zich naar de haven, alsof zij op het vaartuig van den vreemden koopman diens waren in oogenschouw wilden nemen. Geen mensch bewoog zich nog in de straten van Tintagel en niemand zag dus, hoe de zeelieden, toen de koningin zich aan boord had begeven, in aller haast het anker lichtten en koers zetten naar zee.
Middelerwijl lag Tristan op zijn ziekbed te smachten van verlangen naar de terugkomst van Kaherdin en het wederzien met Isolde. Zijne krachten werden gesloopt door de koorts, die hem als vuur in de aderen brandde, elken dag werd hij zwakker en soms scheen het den omstanders of zijn lichaam reeds gestorven was en slechts zijn geest zich nog staande hield in eene uiterste wilsinspanning. Hij kon, hij wilde niet sterven, vóór hij zekerheid had omtrent den uitslag van Kaherdin's onderneming en dus voerde zijn uitgeteerde lichaam, dat zoozeer naar rust verlangde, een strijd met zijne ontembare wilskracht, die hem deed vasthouden aan het leven, zoolang zijn laatste wensch onvervuld bleef.
Zijne vrouw verpleegde hem met dezelfde toewijding als voorheen, maar wanneer zij, bij het vuur gezeten, den zieke hoorde ijlen en hem den naam van Isolde hoorde prevelen, kwam er een glans van haat in hare oogen, die haar gelaat geheel deed veranderen. De eerste dagen na Kaherdin's vertrek liet Tristan zich 's morgens op de wallen van het slot dragen, vanwaar hij de zee tot aan den verren gezichteinder kon overzien, maar reeds spoedig bemerkte hij, dat deze tochten hem te veel inspanden; hij bleef dus in zijn eigen vertrek en moest zich vergenoegen met wat anderen hem meedeelden. Telkens weer vroeg hij Isolde, om uit te zien of Kaherdin's schip nog niet in 't zicht was, maar steeds luidde het antwoord ontkennend. Dan troostte zij hem met zachte woorden, en zeide hem, dat het nu niet lang meer duren kon, eer het schip met de wijze vrouw kwam, die hem zou genezen en hem tot het leven terug zou brengen. Maar de zieke zag niet, hoe hard de uitdrukking harer oogen was en hoe een bittere trek zich om haar mond groefde, zoodra zij hem den rug toekeerde.
Zoo kropen de dagen voorbij in angstige spanning en martelende onzekerheid voor den zieke en zijne verzorgster, tot eens op een morgen Isolde op zee eene donkere stip ontdekte, welke langzamerhand grooter werd en de omtrekken van een schip aannam. De jonge vrouw kon eene beweging van schrik niet onderdrukken, eene koude rilling ging haar door de leden en met wijd opengesperde oogen staarde zij naar buiten. Daar naderde dus haar noodlot in de gestalte dier gehate vrouw, want dat Isolde van Ierland komen zou, daaraan twijfelde zij geen oogenblik. Toch bleef zij in spanning naar het vaartuig turen, nog was het te ver af om de kleuren der zeilen te kunnen onderscheiden, maar het naderde snel, gedreven door een gunstigen wind. Daar klonk eene klagende stem van uit het vertrek: "Waarheen tuurt gij zoo lang? Is er nog geen schip in 't zicht? Ziet gij geen enkel teeken van een naderend vaartuig op zee? Spreek, wat ziet gij daarbuiten?" En Isolde antwoordde: "Heel in de verte zie ik een vaartuig, dat met volle zeilen nadert. Vergis ik mij niet, dan is het dat van mijn broeder, nog een weinig geduld, liefste en gij zijt gered!"
Hijgend verhief de zieke zich van zijne legerstede: "De zeilen, de zeilen!" riep hij uit; "welke kleur hebben zij, spreek vrouw, martel mij niet langer, hoe zijn zij, wit of zwart?" Isolde keerde zich langzaam naar hem toe en zag hem aan. In de oogen van den stervende straalde een hoopvolle glans, die het uitgeteerde gelaat in gloed scheen te zetten. Hij strekte zijne bevende handen smeekend naar haar uit. Welk eene verandering met de doffe, lijdzame houding der vorige dagen, toen elke beweging hem te veel was en zij op haar belangstellend vragen nauwelijks een woord ten antwoord kreeg. Eene doffe woede maakte zich van de jonge vrouw meester, één ding stond vast, zij moest de vonk van geluk in zijne oogen dooven, eer die uitsloeg tot eene laaiende vlam, want die te zien zou haar dood zijn. Zij balde hare handen tot vuisten, zij bedwong zich om het niet uit te gillen van wilden triomf, maar met zekere stem sprak zij: "Het schip nadert snel, liefste en reeds kan ik de kleur der zeilen onderscheiden. Zij zijn zwart."
"Zwart! O, Isolde, geliefde!" met een snijdenden kreet was Tristan in de kussens teruggevallen en nog eer de verschrikte vrouw zijne zijde kon bereiken, had hij den geest gegeven.
Korten tijd daarna bereikte het schip van Kaherdin de haven. Isolde met de Blonde Haren stond op de voorplecht van het vaartuig en tuurde met oogen, die brandden van onvergoten tranen, omhoog naar het kasteel, waar haar geliefde woonde. Zoodra het schip aan de kade lag vastgemeerd, trad zij aan wal en liet zich door Kaherdin den kortsten weg naar het slot wijzen. Doch wat beduidden die opgehoopte menschenscharen in de straten? Waarom gingen er kreten van droefheid en smart op uit de menigte? Waarom hoorde zij Tristan's naam roepen? Het scheen Isolde of een verlammende angst zich over haar gansche lichaam verspreidde en haar het voortgaan belette, maar zij vocht er tegen met al de kracht van haar wezen en vervolgde moedig haar weg. Bij de poort van het kasteel gekomen, leunde zij een oogenblik hijgend tegen den zwaren steenen muur en toen eerst vroeg ze een ouden bedelaar, die haar zijne muts toestak voor eene aalmoes: "Zeg mij eens, vriend, waarom het volk in de straten samenschoolt en klaagt?" "Vanwaar komt gij, schoone vrouwe, dat gij dit vraagt?" antwoordde de grijsaard verwonderd. "Weet gij dan niet, dat Heer Tristan gestorven is?"
Een oogenblik was het of Isolde ineen zou zinken, doch zij hield zich staande en snelde het slot binnen. Als door eene geheime ingeving gedreven vond zij den weg naar Tristan's vertrek; door lange gangen moest zij gaan, waar de knechten en vrouwen in groepen bijeen stonden. Wanneer zij voorbijsnelde, staakten de dienaren een oogenblik hun klagen en zagen met verwondering de hooge vrouwengestalte na. Nog nooit hadden zij zooveel wanhoop en tegelijk zóóveel vastberadenheid op een menschelijk gelaat gelezen.
Daar trad Isolde de zaal binnen, waar Tristan lag. Een oogenblik stond zij stil op den drempel en overzag het ruime vertrek. Door de hooge vensters drong de morgenzon binnen en wierp haar helder schijnsel over wanden en vloer. Zacht klonk het ruischen der zee tot haar door; de zee, die hen te zamen had gebracht in hoogste zaligheid en die hen daarna van elkander gescheiden had gehouden, en hen zoodoende beroofd had van hunne laatste samenkomst. Haar blik gleed langs de voorwerpen en meubels in het vertrek en bleef toen rusten op de legerstede in den hoek, waar eene tengere vrouwengestalte jammerend overheen lag gebogen.
Een wonderzacht licht kwam in Isolde's oogen, toen zij langzaam op het bed toetrad; haar gang was rustig en zeker en haar gelaat glansde van oneindige liefde. In schuchteren eerbied weken de vrouwen, die aan den voet der legerstede zaten terneergehurkt, terug. Aan het bed gekomen bukte zij zich en raakte met den vinger de jammerende vrouwenfiguur aan. Isolde met de Blanke Handen hief het hoofd op en zag haar met verwilderde oogen aan. De koningin echter schoof haar met zachten drang weg van het doode lichaam.
"Ga heen, vrouwe! ik heb hem meer liefgehad dan gij," was het eenige wat zij zeide. Toen strekte zij zich naast den doode op het rustbed uit; zij omvatte hem met hare armen en drukte hem vast tegen zich aan. Hare blonde haren spreidde zij als een sluier over hen beiden uit, toen drukte zij haren mond op den zijne en in dien kus gaf zij den geest.
_Hoe koning Mark van Brangwaine de waarheid omtrent den liefdesdrank vernam en hoe hij de lijken der beide gelieven naar Engeland liet brengen._ Koning Mark vernam weldra het vertrek der koningin. Toen hij hoorde, waarheen zij gegaan was, liet hij een schip uitrusten om de voortvluchtige te achterhalen en zoo landde hij weinige uren later in Bretagne. Vervuld van gedachten van wraak en haat betrad hij het slot en met diezelfde gevoelens bezield kwam hij het doodsvertrek binnen. Daar viel eene weenende vrouwengestalte hem te voet, het was Brangwaine. Met door tranen verstikte stem smeekte zij hem, om haar te straffen voor het gebeurde, aangezien zij de schuld was van alles en toen de koning haar in verbazing vroeg, zich nader te verklaren, vertelde zij hem van den aanvang af, hoe alles zich had toegedragen. Zij verhaalde hem van den liefdesdrank, die de harten der beiden met een onverbreekbaren band had samengebonden, zij beschreef hem hunnen strijd tegen den hartstocht, welke hen doof maakte voor de stemmen van eer en plicht, zij teekende hem hun rusteloos verlangen, wanneer zij gescheiden waren en de innige zaligheid van de daarop volgende oogenblikken van vereeniging. Van hun samenzijn in het woud van Morois vertelde zij hem, waar de liefde hun de armelijke loofhut tot een tooverpaleis maakte, maar ook sprak zij van den strijd in hunne harten, die hen ten slotte, ter wille van elkander, in de samenleving had teruggedreven.
Toen zij ophield met spreken, was het een oogenblik stil in het groote vertrek. Daarop beval koning Mark met diep ontroerde stem om de lijken aan boord van zijn schip te brengen en nog dienzelfden dag zette het vaartuig met zijne droeve lading koers naar Tintagel.
Daar werden de lichamen der beide gelieven gebalsemd en met veel eerbetoon bijgezet in de slotkapel, aan weerszijden van het altaar.
In den nacht na de begrafenis echter, zoo verhalen de oude dichters, ontsproot er een rozenstruik aan het graf van Tristan, welks takken zich slingerden langs het kerkgewelf en weer afdaalden in het graf van Isolde. Zoo werden de lichamen der beide gelieven in den dood verbonden door een slinger van rozen, welke de kerk vervulden met haren zoeten geur, hunne zielen echter namen te zamen de vlucht naar het schoone paleis hunner droomen, waar zij de rust en het geluk vonden, die zij op aarde tevergeefs hadden gezocht.
INLEIDING TOT DE SAGE VAN HEER GARETH.
De sage van heer Gareth, den jongsten zoon van koning Lot en koningin Morgawse, die een jaar lang als keukenjongen aan het hof van koning Arthur diende, is ontleend aan de Engelsche letterkunde, waar wij haar aantreffen in het zevende boek van de Morte d' Arthur van Thomas Malory. Terwijl men voor alle overige verhalen, welke in genoemd standaardwerk zijn opgenomen, eene bron heeft weten te vinden, is men er tot nog toe niet in geslaagd, om te ontdekken aan welk gedicht of prozawerk de sage van "Sir Beaumains" [37] zooals de held door Malory genoemd wordt, ontleend is. Dr. H. Oskar Sommer, de bewerker der beroemde critische uitgave [38] van Malory's werk, meent, dat onze sage wellicht ontstaan is uit een volksverhaal, hetwelk oorspronkelijk geen verband hield met den Arthur-cyclus, totdat Malory, of een ander, onbekend gebleven schrijver vóór hem, het overnam, waarschijnlijk uit een verloren geraakt Fransch gedicht en het in verband bracht met den persoon en het hof van koning Arthur.
Wij vinden onze sage terug onder de Konings-idyllen van Alfred Tennyson, onder den titel: "Gareth and Lynette." In dit gedicht treffen wij enkele afwijkingen aan van den inhoud der oorspronkelijke geschiedenis: Gareth huwt niet Lyonors [39] om wier wille hij zulk een gevaarlijken tocht onderneemt, maar Lynette, zijne gezellin op dien tocht, die hem eerst hoont en bespot om zijn nederigen staat, maar hem tenslotte leert liefhebben en eerbiedigen om zijn grooten moed en zijn nog grooter geduld.
De beschrijving van Gareth's jeugd op het eenzaam slot van zijn vader en van den angst zijner moeder, dat deze jongste zoon haar evenals zijne broeders zal verlaten, heeft Tennyson waarschijnlijk ontleend aan het begin der sage van Parcival, zooals die onder den titel: "Peredur, the Son of Evrawc", voorkomt in den Mabinogion. Hier en daar heeft de dichter nog eenige veranderingen aangebracht in den loop van het verhaal, teneinde de allegorische beteekenis daarvan te doen uitkomen, maar in hoofdzaken stemt hij met Malory overeen in zijne wedergave der sage.
In de volgende bladzijden vindt men het verhaal van den proeftijd van prins Gareth weergegeven, zooals het in de Morte d'Arthur beschreven staat, eenige onbelangrijke bekortingen daargelaten. De vóórgeschiedenis van den jongen held en de naam zijner bruid zijn ontleend aan Tennyson's gedicht.
DE SAGE VAN HEER GARETH.
"Let be my name, until I make my name".
(Alfred Tennyson: "Gareth and Lynette").
_Hoe de zonen van koningin Morgawse naar het hof te Camelot trokken._ Lot, koning der Orcadische eilanden en zijne gemalin Morgawse hadden vijf zonen. Vier van hen: Walewein, Modred, Agravaine en Gaheris waren, zoodra zij den jongelingsleeftijd bereikt hadden, naar het hof van hun oom, koning Arthur, getrokken en keerden slechts nu en dan voor een kort verblijf naar het ouderlijk slot terug. De jongste zoon daarentegen: Gareth, was langer dan zijne broeders in het ouderlijk huis blijven vertoeven, gehoor gevend aan den dringenden wensch zijner moeder.