Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 27

Chapter 274,052 wordsPublic domain

Na maandenlange omzwervingen kwam hij in het rijk van den ouden graaf van Bretagne, wiens eigendommen bedreigd werden door een zijner vazallen, Heer Riol. Daar Tristan het zich steeds tot taak stelde om de verdrukten te helpen en te strijden voor het recht, besloot hij den hertog te hulp te komen. Deze was door den vijand teruggedrongen in eene zijner laatste versterkingen, een machtigen burcht aan de rotsige kust van Bretagne. Door het nachtelijk duister beschermd slaagden Tristan en Gouvernail erin, zich toegang tot het slot te verschaffen, na de wachters overtuigd te hebben van hunne vriendschappelijke bedoelingen. Met luid gejubel werden zij door den ouden graaf en zijn zoon Kaherdin begroet; de naam van Tristan was hun goed bekend en waarborgde hun een machtigen steun. De jonge Kaherdin, die terstond eene groote vereering voor den beroemden gast opvatte, nam hem met zich mede en leidde hem rond door het gansche kasteel. Zoo kwamen zij ook in het vrouwenvertrek, waar Kaherdin's moeder en zuster bezig waren met op een vergulden achtergrond bontgekleurde vogels en bloemen te borduren.

Vol trots maakte Kaherdin zijn gast op het fijne naaldwerk opmerkzaam. "Wat dunkt u van dit fraaie stiksel?" sprak hij tot Tristan, "is het niet fijn en kunstvol? Toch bevallen mij nog beter de figuren, die mijne zuster met hare slanke vingeren op het doek weet te tooveren. Zeg mij, edele Heer, heb ik geen gelijk wanneer ik haar Isolde met de Blanke Handen noem?"

Een hevige schok doortrilde onzen held, toen hij zoo plotseling den geliefden naam hoorde noemen en met een langen, doordringenden blik zag hij het jonge meisje aan, die zoo heette. Voorwaar, als iemand het waard was, dien dierbaren naam te dragen, dan was zij het, die hier voor hem zat en onder zijn blik bedeesd de oogen neersloeg. Zij was fijn en tenger van gestalte, de jonge gravin; onder hare donkere haren zagen hare oogen met eene uitdrukking van rein en kinderlijk vertrouwen de wereld in en om haar mond speelde een zachte glimlach. Men kon het haar aanzien, dat zij tot dusverre bewaard was gebleven voor hevige aandoeningen van smart en vreugde en dat de stormen des levens hare jeugdige ziel tot heden onberoerd hadden gelaten.

Weldra gevoelde Tristan zich geheel thuis in het gezin van den graaf. Aan het hoofd der dappere bezetting waagde hij menigen goedgeslaagden uitval in het kamp van Heer Riol en deed vele van diens krijgsknechten sneuvelen. Tusschen hem en Kaherdin was eene hechte vriendschap ontstaan, die door de gezamenlijk volbrachte wapenfeiten tot een steeds inniger band aangroeide.

Wanneer zijne krijgsmansplichten hem niet opvorderden, bracht Tristan meerendeels zijn tijd door in het vrouwenvertrek. Uren lang kon hij peinzend toezien, hoe Isolde's blanke handen over het borduurraam heen en weer bewogen. Ook nam hij dikwijls zijne harp ter hand om haar een lied voor te zingen, dan bleven de vingeren der jonge gravin rusten in haren schoot en hingen hare oogen aan de lippen van den vreemden ridder, die zulke wonderschoone wijzen wist te zingen. Dikwijls werd in die liederen de naam Isolde genoemd en dan kwam er een plotselinge glans in de oogen van den zanger, die zijne toehoordster verlegen maakte en haar haastig naar de naald deed grijpen, om haar blozend gelaat aan zijne blikken te onttrekken. Zij, die haar liefhadden, hare ouders en Kaherdin, verheugden zich over deze teekenen van een inniger verstandhouding tusschen Isolde en den edelen gast. Wien zouden zij liever hunne dochter en zuster toevertrouwen dan aan Tristan, den dappersten en hoffelijksten aller ridders! En onze held zelf?

Wanneer hij in stille achtermiddagen, als het strijdgedruisch om de muren van den burcht eene wijle verstomd was, aan de zijde van het jonge meisje zat en zwijgend toezag, hoe hare blanke handen speelden tusschen de zijden draden van haar werk, beving hem een gevoel van welbehagen, van innige rust en kalmte, en ging het hem als een zeeman, die na langen strijd tegen de woelige baren zijn vaartuig eindelijk in eene veilige haven voelt binnenloopen. Dit jonge meisje, dat zoo weinig vroeg, dat hem steeds vriendelijk en met zachte toegevendheid tegemoetkwam, bekoorde hem, zooals de onschuld van een kind den man bekoort, die het leven met al zijn schijn en leugen heeft leeren haten. Wanneer Isolde hem dan aanzag met haren reinen, teederen blik, die zoo duidelijk verried, wat er in hare ziel omging, doemde voor een oogenblik bij Tristan de gedachte op aan een mogelijk huwelijk met haar, waarin een kalm en rustig geluk zijn deel zou worden. Maar--dan werden steeds met volle kracht de oude herinneringen in hem wakker en met verontwaardiging verwierp hij eene dergelijke gedachte weer. Wat, zou hij ontrouw worden aan zijne geliefde, die hij gezworen had, voor eeuwig te zullen beminnen? Voor zijn geestesoog vergeleek hij de beide Isoldes. Hoe zonk het jonge meisje ondanks al hare slanke gratie in het niet bij de koninklijke gestalte van Isolde van Ierland, hoe weinig wist dit schuchtere kind van de liefde tusschen man en vrouw, van de hoogten van hartstocht en de diepe valleien van zoeten weemoed, waarlangs zijne geliefde en hij te zamen gegaan waren. Hoe kon hij, die het geluk eens in de opperste volmaking gekend had, zich tevreden stellen met wat daarvan slechts een poovere weerschijn kon zijn? Wanneer dergelijke gedachten zijn brein doorkruisten, placht hij het gezelschap der jonge gravin te vermijden; uren lang liep hij dan rond op de wallen en in de tuinen van den burcht en niemand waagde het in die oogenblikken hem te storen, zóó somber lichtten zijne oogen!

Toch keerde hij dan na eenige dagen weer bij Isolde terug, die hem steeds met onverholen blijdschap placht te begroeten. Als balsem vielen hare vriendelijke woorden in zijne gewonde ziel en spraken tot hem van berusting in het onvermijdelijke en van hoop op eene nieuwe toekomst. In die stemming placht hij zijne gedachten aan een mogelijk geluk te verontschuldigen door zich wijs te maken, dat Isolde van Ierland hem misschien reeds lang vergeten had, dat zij in zijne afwezigheid zich had laten troosten door haren echtgenoot en dat de zilveren klokjes van Petitcrû hare smart in blijdschap hadden doen verkeeren.

De strijd om het kasteel werd met wisselend succes gevoerd, tot eindelijk Heer Riol, wien het langdurig beleg begon te mishagen, eene laatste kans besloot te wagen om den burcht te veroveren. In alle stilte beraamde hij een nachtelijken aanval, die van alle zijden tegelijk moest worden uitgevoerd, maar de belegerden ontdekten nog tijdig zijnen toeleg en besloten hem vóór te zijn. In twee afdeelingen, onder aanvoering van Tristan en Kaherdin, stormde de wakkere bezetting de poorten van het slot uit, terwijl zij door luid krijgsgeschreeuw bij den vijand den indruk trachtten te vestigen, dat zij in aantal aanmerkelijk sterker waren, dan inderdaad het geval was. In eene niet te stremmen vaart leidden de beide vrienden hunne volgelingen tot midden in de vijandelijke legerplaats. Wel werden zij van alle kanten met pijlen en lansen bestookt, maar als dooreen wonder bleven de beide aanvoerders gespaard. Met den kreet van "Tristan! Kaherdin!" volgden de getrouwen van den graaf en bij het hooren van Tristan's naam verspreidden zich schrik en ontzetting onder de vijandelijke gelederen. Toen onze held kort daarop met zijn zwaard Heer Riol doodde, was het gedaan met het uithoudingsvermogen van de huurtroepen des hertogen. In wilde wanorde sloegen zij op de vlucht, het geheele kamp en het lijk van hun meester in de handen hunner vijanden latend.

Groot was de vreugde in het slot over de wonderbaarlijke bevrijding en in rumoerige feestgelagen huldigde men Tristan als den redder uit den nood. Dien avond nam Kaherdin zijn vader ter zijde en sprak tot hem: "Vader, wat zou, dunkt u, eene passende belooning zijn voor al wat Tristan voor ons gedaan heeft? Zonder hem zouden wij zeker in handen onzer vijanden zijn gevallen. Is het dan niet zaak, hem door eene kostbare gift aan ons huis en ons land te binden, zoodat wij ook in de toekomst op zijn sterken arm zullen mogen rekenen? Gij weet, welke de kostbare gift is, die ik bedoel, ook gij hebt u verheugd in de groeiende genegenheid tusschen Isolde en onzen gast. Aan wien zouden wij haar beter kunnen afstaan dan aan Tristan?" "Gij hebt gelijk, mijn zoon!" antwoordde de grijze graaf, "nog hedenavond zal ik met Tristan spreken en indien onze vermoedens waar blijken te zijn, zal niets mij gelukkiger maken dan mijne dochter aan de zijde van dien edelen man te zien."

Hij hield woord. Nog dienzelfden avond bood hij Tristan in tegenwoordigheid van zijn geheele gevolg in plechtige bewoordingen de hand zijner dochter aan.

Schuchter en blozend zat Isolde aan de zijde harer moeder; toen haar vader opgehouden had met spreken en alle aanwezigen in gespannen verwachting het antwoord van Tristan verbeidden, hield zij hare oogen neergeslagen en drukte de hand tegen haar hart om het angstig kloppen tegen te gaan. Tristan zag onwillekeurig hare richting uit en terstond, als voelde zij zijn blik op zich rusten, sloeg zij de oogen op en zag hem aan. In dien blik las Tristan zóóveel liefde en aanhankelijkheid, zóóveel hoop op de toekomst en bovenal zóóveel roerend vertrouwen in het antwoord, dat hij geven zou, dat hij daaraan geen weerstand kon bieden. Hij trad op Isolde toe, nam haar bij de hand en voerde haar naar haren vader, wien hij met ontroerde stem om zijnen zegen smeekte. Terwijl hij dit deed, scheen het of eene weldadige kalmte zich over zijn gansche wezen verspreidde, die de stormen in zijn gemoed deed bedaren en hem vertrouwen schonk op de toekomst.

In wijdsche praal en luister werden de bruiloftsfeesten gevierd en ten slotte was het oogenblik gekomen, waarop men de jonggehuwden in het bruidsvertrek alleen liet. Toen Tristan zich ontdeed van zijn zijden overkleed, bleef de ring, dien Isolde van Ierland hem tot afscheid geboden had, toevallig haken en gleed van zijn vinger. Rinkelend viel het sieraad op den vloer van het vertrek.

Haastig bukkend raapte hij den ring op en stak hem weer aan zijne hand. Peinzend bleef zijn oog hangen aan den fonkelenden steen, die een blauw-groenen glans afwierp. Blauw de kleur der trouw, die ondanks scheiding en gemis het hart warm doet kloppen voor de afwezige geliefde; groen de tint der hope, die de ziel doet uitzien naar een wederzien in de toekomst, waarin het leed om de gedwongen scheiding vergoeding zal vinden. Hoe had hij, Tristan, die gevoelens van trouw en hoop verzaakt! Daar stond hij nu naast zijne schoone, jonge vrouw, gereed een nieuw leven te beginnen en daar ginds in het slot van Tintagel, waakte zijne geliefde en bad tot God, dat Hij hem zou behoeden voor gevaren en hem tot steun zou zijn op zijn eenzamen levensweg. Weinig vermoedde zij, dat die weg niet langer eenzaam was en dat eene andere haar plaats in zijn hart had ingenomen. Een stroom van herinneringen brak zich baan in Tristan's hart en vóór alles verrees in scherpe lijnen voor zijn geestesoog het beeld van zijn laatste samenzijn met Isolde van Ierland in den paleistuin te Tintagel, toen zij hem den ring had geschonken. Hij doorleefde weer die oogenblikken van hoogste zaligheid; hij zag weer het dierbare gelaat zijner geliefde, bleek van sidderenden hartstocht, hij hoorde hare stem die hem eeuwige trouw beloofde.

Daar riep eene stem aan zijn oor hem tot de werkelijkheid terug. "Tristan, geliefde, wat deert u?" zoo klonk het zacht en vóór hem stond zijne jonge vrouw. Als vertwijfeld zag Tristan om zich heen in het rijk versierde vertrek. Hoe kon hij haar tot de zijne maken, terwijl zijn hart en ziel vervuld waren van het beeld eener andere: Isolde met de Blonde Haren, Isolde van Ierland! Was het geen verraad, dat hij pleegde, verraad aan zijne bruid, aan zijne geliefde en aan zichzelf? Hij kon, hij mocht niet verder gaan met dit afschuwelijk spel.

Met zachte hand voerde hij Isolde naar eene rustbank, deed haar plaats nemen en knielde voor haar neer; daarop sprak hij: "Isolde, mij drukt een zwaar gevoel van schuld, nu mij eene bekentenis van 't hart moet, die ik reeds vroeger had moeten afleggen. Jaren lang werd ik gekweld door eene vreeselijke kwaal, waarvoor een wijs heelmeester mij ten slotte genezing beloofde. Onder de voorschriften, welke hij mij oplegde, behoorde ook de verplichting, om, indien ik trouwde, eerst een jaar na mijn huwelijk mijne bruid tot mijne vrouw te maken. Zeg mij, kunt ge mij mijn stilzwijgen vergeven en wilt gij mij helpen om den raad, welke mij gegeven werd, op te volgen?"

Isolde boog het donkere hoofd; het licht in hare oogen en de blos op hare wangen waren verdwenen, maar zij zeide zacht: "Heer! het geschiede alles volgens uwen wensch."

Den volgenden morgen kwamen hare moeder en hare dienaressen en tooiden haar met de kleederen en sieraden, die pasten aan hare nieuwe waardigheid. Toen zij geheel gereed was, voerden zij haar voor den spiegel, om haar te toonen hoe schoon zij was, maar niemand harer begreep, waarom er, bij het aanschouwen van haar spiegelbeeld, zulk eene droeve glimlach gleed over het gelaat der jonge vrouw.

De maanden verliepen en Tristan's verlangen naar Isolde van Ierland werd sterker en sterker. Ten slotte besloot hij eene laatste kans te wagen, om zekerheid te verkrijgen omtrent het welzijn zijner geliefde. Tot zijne vrouw zeide hij, een pelgrimstocht te willen ondernemen, die voor eenigen tijd zijne afwezigheid noodzakelijk zou maken. Na het noodige geregeld te hebben, scheepte hij zich in en na eene voorspoedige reis zag hij weldra de rotsen van Tintagel uit de zee omhoog rijzen. Hoe klopte zijn hart bij de gedachte, dat daar ginds, in het oude slot, dat zich hoog boven de huizen der stad op de rotsen verhief, zijne geliefde woonde en misschien op dit oogenblik op hem neerzag! Maar hoe haar nu te bereiken?

Tristan dwaalde langs de kust tot hij bij de woning van een armen visscher kwam, van wien hij een oud stel kleederen kocht. Daarop schoor hij zijne haren af, bestreek zijn gelaat met een bijtend sap, schilderde zijne wenkbrauwen zwart en zijne lippen rood en toen hij zich ten slotte met rood krijt een kruis op den kalen schedel geteekend had, zou niemand in dien haveloozen nar den schoonen ridder van voorheen herkend hebben.

Met een knuppel in de hand ging Tristan met dansende schreden den weg op, die naar den ingang van het kasteel voerde en verzocht onder een stortvloed van grappen en dwaze spotternijen toegang tot het slot.

Dienzelfden morgen zat koningin Isolde in haar vertrek en staarde droevig naar buiten. Hare gedachten waren als altijd bij haren afwezigen geliefde en terwijl zij zich treurig afvroeg, wat er toch van hem geworden zou zijn en waar hij zou vertoeven, grepen hare handen naar de snaren der harp en ontlokten daaraan een weemoedig lied. Daar ging de deur open en binnen trad, Heer Kariol, een graaf in dienst van koning Mark, die sedert lang de koningin met begeerige oogen aanzag en alle middelen in het werk stelde, om zich in hare gunst te dringen. Met vleiende stem vroeg hij: "Waarom zingt gij zulk een droevig lied, edele vorstin? Het schijnt wel, alsof gij den dood van een geliefden vriend beweent, is het soms de mijne? Dit zou zeer wel mogelijk zijn, want gij moet immers sinds lang bemerkt hebben, dat ik sterf van liefde voor u!" Smalend antwoordde Isolde: "Indien dit zoo is, zoo zou ik wenschen, u reeds begraven te zien, daar ik nog na uw dood uw ijdel gepraat moet aanhooren."

Hare woorden deden Kariol in woede ontsteken, maar hij bedwong zich, wetend dat hij een wapen had, waarmede hij Isolde eene diepere wonde kon slaan, dan zij hem ooit kon toebrengen. Langzaam, haar vast in de oogen ziende, zeide hij: "Vóór het zoover is, schoone vorstin, zij het mij vergund, u eene blijde mare mede te deelen, die u zeker genoegen zal doen. Zij betreft uwen neef, Tristan van Ermonie. Hij heeft in den vreemde eene schoone, jonge vrouw gehuwd, met wie hij gelukkig te zamen leeft aan het hof van haren vader, den graaf van Bretagne. Is dit nu geene blijde tijding voor hen, die Tristan liefhebben?"

Sidderend over haar geheele lichaam had Isolde naar de booze woorden van Heer Kariol geluisterd. Het scheen, of hemel en aarde, het gansche heelal om haar ineenstortten en of zij medegetrokken werd, om onder te gaan in een afgrond van smart en schaamte.

Zoodra zij alleen was, liet zij Brangwaine tot zich komen en aan de borst dezer trouwe vriendin snikte zij al haar droefheid uit. Aan tafel zat zij bleek en zwijgend, doch toen koning Mark haar bezorgd vroeg, wat haar toch scheelde, antwoordde zij hem met geveinsde vroolijkheid, dat zij zich nooit beter en opgewekter had gevoeld dan op dien dag. Even daarna kwam het bericht, dat een nar, uit vreemde streken afkomstig, toegang verlangde tot het slot en de vorst, die hoopte dat zijne komst de koningin eenige verstrooiing zou bezorgen, gaf bevel hem binnen te laten.

Met opgeheven hoofd kwam Tristan de zaal binnen en bijna ontzonk hem de kracht tot spreken, toen zijne oogen Isolde's gestalte ontwaarden. Hij hield zich echter goed en toen de koning hem schertsend vroeg, wat het doel zijner komst was, had hij zich voldoende hersteld om zijne rol te kunnen volhouden.

"Heer koning!" zoo riep hij met schallende stem, "gij vraagt mij, waarom ik hier gekomen ben? Welnu dan, mijn verlangen gaat uit naar Isolde van Ierland, Isolde met de Blonde Haren, zij, die mijne meesteresse is en de uwe. Om u de waarheid te zeggen, was zij eerst de mijne, gij hebt haar mij ontstolen. Daarom, o koning, geef ze mij terug en zoek u eene andere vrouw uit de vele schoonen van het land. U zal dit niet moeilijk vallen, maar welke andere vrouw zal in mij, armen, dwazen nar, behagen vinden?"

De koningin fronste de wenkbrauwen, maar koning Mark en zijne edelen lachten luid en de vorst sprak: "Gij zijt een bescheiden dwaas, maar hoe weet gij, dat gij de koningin bevallen zult?"

"Dat heeft zij mij zelve verzekerd", antwoordde Tristan, "niet eens, maar vele malen. Veel heb ik voor haar gedaan en om harentwille ben ik nar geworden."

"En waar wilt gij haar heenvoeren," vroeg de koning verder "wanneer zij de uwe is? Moet zij mede gaan bedelen door het land?"

Toen sprak Tristan: "O neen, Sire, wees verzekerd, dat ik Isolde naar waarde zou weten te schatten! Ik zou haar medenemen naar een fraai kasteel, gelegen tusschen hemel en aarde, waar het altijd zomer is, waar de bloemen geuren en de vogels zingen, waar geene plaats is voor tranen of zuchten, maar waar een ieder gelukkig is. Daar zouden wij te zamen wonen: Isolde met de Blonde Haren en de arme, dwaze nar." Steeds luider lachten de baronnen, maar de koningin verhief zich toornig van haren zetel en wilde het vertrek verlaten. Haar echtgenoot hield haar echter bij eene slip van haar kleed terug en zeide: "Liefste, wat bekommert gij u over de woorden van een dwaas? Lach liever zooals wij, dat zal u goed doen en de wolken van uw voorhoofd verdrijven." Daarop wendde hij zich opnieuw tot Tristan en zeide schertsend: "Eén ding hebt gij ons nog verzwegen en dat is uw naam. Wie zijt gij en waar komt gij vandaan?"

Daarop antwoordde Tristan: "Sire en gij allen, edele heeren, die hier te zamen zijt, het verbaast mij, dat gij mij eene dergelijke vraag stelt. Herkent gij mij dan niet? Ik ben Tristan van Ermonie, uw neef en dienaar, hij, die aan uw hof placht te vertoeven en die sindsdien naar verre landen is getrokken." Hierop barstten alle aanwezigen in een onbedaarlijk lachen uit; het was ook al te dwaas, de vergelijking tusschen Tristan's fiere, mannelijke gestalte, zooals zij allen die zich zoo goed herinnerden, en deze onnoozele narrenfiguur! Isolde echter was bij het hooren van Tristan's naam omhoog gerezen en, in 't diepst van hare ziel gegriefd over de krenkende wijze, waarop er met haren geliefde de spot gedreven werd, verliet zij het vertrek, terwijl zij met fonkelende oogen uitriep: "Nu is het genoeg! Ik verkies niet langer het onderwerp te zijn van den dronkemanspraat van een ellendigen nar!" Tristan hield met eene diepe buiging de deur voor haar open, daarbij zag hij haar diep in de oogen en zeide: "Dronken, ja, dat ben ik, schoone vorstin! Hebben wij niet te zamen, daarginds op de wiegende golven, den wijn gedronken, die ons dronken maakte van liefde en geluk en waarvan de nawerking het gansche leven voortduurt?" Als door een slag getroffen, deinsde Isolde terug bij het hooren dezer woorden, maar zij herstelde zich terstond en met een: "Zwijg! dwaas, die gij zijt!" ijlde zij de kamer uit.

Als gewoonlijk, wanneer zij in nood verkeerde, begaf zij zich naar Brangwaine en viel haar snikkend om den hals. "Nu zou ik 't liefste sterven", klaagde zij, "nu Tristan mij niet alleen vergeten heeft, maar ook onze dierbaarste herinneringen toevertrouwt aan dwazen, als dezen nar, die ze tot een voorwerp van spot voor de geheele wereld maakt! Hoe anders weet hij van wat er op zee is gebeurd, indien Tristan het hem niet heeft verteld?" Brangwaine poogde haar te troosten. "Het is mogelijk, dat deze nar een bode is van Heer Tristan", sprak zij, "en dat hij door deze woorden, waarvan gij alleen de beteekenis kondt doorgronden, uwe aandacht heeft willen trekken. Laat ons hem hierheen ontbieden en zien of mijne veronderstelling juist is." Maar de koningin wilde hiervan niets weten; nooit meer wenschte zij dien gehaten nar te zien, zoo zwoer zij! Den ganschen nacht zat zij aan haar venster en treurde over haar verloren geluk; terwijl Tristan op zijn strooleger in een hoek van den stal lag en zon op middelen, om zich aan Isolde bekend te maken. Plotseling schoot hem iets te binnen, waardoor hij de koningin bewijzen kon, dat hij inderdaad Tristan was.

Toen Isolde zich den volgenden morgen vroeg met Brangwaine in den slottuin begaf, om hare oogen, die brandden van het weenen, door de frissche morgenlucht te laten verkoelen, zagen de beide vrouwen plotseling hoe Husdan, Tristan's hond, dien hij Isolde als afscheidsgeschenk had gelaten, onder luid geblaf naar eene plek sprong, waar aan den kant van het pad een mannengestalte lag uitgestrekt. Deze was in volle wapenrusting gekleed, maar toen de beide vrouwen naderden, nam hij den helm, dien hij diep in de oogen gedrukt had, van het hoofd en vertoonde het kaalgeschoren hoofd van den nar.

Bevend klemde Isolde zich vast aan Brangwaine, maar Husdan, die den drang van zijn onfeilbaar instinct volgde, rende in groote sprongen om Tristan heen, blafte van vreugde en trachtte zijn gelaat en handen te likken. Nu drong ook het begrip van wat zij vóór zich zag tot Isolde door. Tristan was opgestaan en kwam met uitgestoken handen op zijne geliefde toe, zacht haar naam noemend. Het volgend oogenblik rustte zij aan zijne borst.

Gedurende eenige weken bleef de nar aan het hof van koning Mark en vermaakte een ieder met zijne potsierlijke grappen en kunsten, maar 's avonds, als de schemering viel, sloop Tristan naar de vertrekken der koningin en vierde met haar het feest der liefde.

Lang kon deze toestand niet duren, dat voelden zij beiden en daarom sprak Tristan eens op een dag: "Geliefde! wij moeten scheiden. Reeds werpen de hovelingen steelsche blikken op mij en vragen, wat ik toch voor gewichtigs te bespreken heb in de vertrekken der koningin. Hoe gaarne zou ik bij u blijven of met u samen vluchten, maar wij zijn niet vrij. Uwe plaats is aan de zijde des konings, op mij rust de taak om tot mijne vrouw terug te keeren, die reeds lang over mij in ongerustheid zal zijn. Daarom moet ik u vaarwel zeggen, echter slechts voor korten tijd, dat voel ik. Het is of eene stem in mijn binnenste mij toeroept, dat mijn einde nadert; welnu dan, als dit zoo is, zal ik u roepen vóór ik sterven ga en gij zult komen, niet waar? Dan zal God ons misschien vergunnen om samen dit leven te verlaten en dan, liefste, neem ik u mede naar het wonderschoone slot onzer droomen, waar men scheiding noch harteleed kent en waar wij rust zullen vinden na al ons lijden."