Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 26

Chapter 263,990 wordsPublic domain

Den volgenden morgen begaven zij zich op weg naar de woning van een vromen kluizenaar, die daar in de eenzaamheid van het woud leefde. Hem vertrouwde Tristan de zorg over zijne geliefde toe, hij zelf begaf zich naar Tintagel, waar hij een pijl, omwikkeld met een brief van den volgenden inhoud, in de kamer van koning Mark schoot: "Sire! nog éénmaal waag ik het een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Zonder eenig vertoon van rechtspraak hebt gij uwe gemalin, eene prinses van den bloede, veroordeeld tot den brandstapel. Alsof dit niet genoeg was, hebt gij haar op het laatste oogenblik overgeleverd aan een lot, waarvan de gedachte alleen het menschelijk gemoed van ontzetting doet rillen. Van dit lot heb ik met Gods hulp haar kunnen redden. Elke poging om haar tot u terug te brengen hebt gij door uw ban en den prijs, dien gij op onze hoofden zettet, verijdeld. Thans is een jaar verstreken. Het teere gestel der koningin heeft zeer geleden door de ontberingen, welke ik haar niet heb kunnen besparen. Zijn er nog onder uw gevolg, die den lasterpraat over den goeden naam der vorstin volhouden, zoo ben ik bereid, hun met het zwaard in de vuist daarover te woord te staan. Ik bied u hierbij aan, koningin Isolde tot u terug te brengen, mits gij uw koninklijk woord geeft, haar eene haar passende ontvangst te bereiden. Ik zelve zal dan het land verlaten, om mogelijke nieuwe beschuldigingen te voorkomen. Wanneer gij mijn voorstel aanneemt, laat dan uw antwoord toekomen aan den kluizenaar in het woud van Morois, weigert gij om Isolde als uwe wettige echtgenoote te erkennen, dan blijft ons geen andere uitweg dan de dood, maar wacht u in dat geval voor de wraak van koning Gumurun en de zijnen; wanneer zij vernemen zullen, wat er is geschied!"

Nog dienzelfden dag riep koning Mark zijne edelen bijeen, om hunnen raad in te roepen. Hij las hun Tristan's boodschap voor en vroeg met luider stem wie van hen bereid was, met Tristan te strijden over het goed recht zijner beschuldiging, maar allen zwegen, ook Meriadoc, die, de kracht van Tristan's arm kennend, zich niet met hem in het gevecht wenschte te begeven.

Met minachtenden blik zag koning Mark om zich heen. Waar bleven nu de hooghartige woorden, waarmede de edelen hunne vorstin hadden aangeklaagd? Verbitterd over zooveel lafhartigheid wendde hij zich tot zijn kanselier, een eerwaardigen grijsaard en sprak tot hem: "Vader, mijn hart is vervuld van onrust en twijfel, ik weet niet, wat te doen. Wilt gij mij helpen en mij een uitweg toonen uit deze bange onzekerheid?" Daarop antwoordde de grijze kanselier: "Mijn zoon, ik ben een geestelijke en als zoodanig gehoorzaam aan de wetten en voorschriften der Heilige Kerk. Wat God heeft samengebracht, zal de mensch niet scheiden. Koningin Isolde is uwe wettige echtgenoote; als zoodanig zult gij haar eeren en beschermen, hoe kondt gij haar dan al dien tijd aan de zorg van een anderen man overlaten? Bovendien ben ik overtuigd, dat zij onschuldig is. Wij beiden zijn oud en grijs, maar Tristan en Isolde zijn kinderen, jong, dartel en onervaren. Het is mijns inziens uw plicht om de koningin opnieuw de plaats toe te kennen, die haar toekomt. Tristan echter zou ik, zooals hij zelf voorstelt, voor eenigen tijd van het hof verwijderd houden, om allen argwaan tegen te gaan."

Dankbaar luisterde koning Mark naar de woorden van zijn trouwen dienaar en ijlings zond hij naar de woning van den kluizenaar een boodschapper, die Tristan verzoeken moest om de koningin op eene vastgestelde plaats te brengen, waar haar gemaal haar op eervolle wijze zou ontvangen.

De plek, die Mark voor de samenkomst had bestemd, was eene doorwaadbare plaats in de rivier, die langs den zoom van het woud van Morois vloeide. Daarheen begaven zich de beide gelieven op den aangewezen tijd. Alvorens afscheid te nemen van zijne hooge gasten, was de kluizenaar naar de naastbijgelegen stad gereden en had daar van zijne moeizaam vergaarde spaarpenningen een stel kleederen voor de koningin gekocht, waarin zij op passende wijze voor haren gemaal zou kunnen verschijnen. Op een wit muildier gezeten, eveneens een geschenk van den vromen vader, reed Isolde langzaam naar den oever der rivier, aan hare zijde ging Tristan, nog steeds in lompen gekleed. Beiden zwegen, het scheen of hunne kelen dichtgesnoerd waren van smart, hun harten waren beklemd en als gedrukt door een zwaren last, zóó vreesden zij de naderende scheiding. Ten laatste verbrak Isolde de stilte en sprak: "Tristan, dierbare vriend, vóór wij scheiden heb ik eene laatste bede aan u, die ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Wanneer ge mij straks tot mijn echtgenoot voert, en gij verlaat dit land, blijf ik hier geheel alleen achter. Wie zal zeggen, of de koning mij werkelijk goed gezind is; of het hem ernst was, toen hij beloofde, mij opnieuw als zijne gemalin te zullen eeren en beschermen? Wie zal mij helpen, indien hij gedurende uwe afwezigheid booze plannen tegen mij smeedt? Daarom smeek ik u, om u voorloopig schuil te houden in de nabijheid der stad, mocht ik uwe hulp noodig hebben, dan behoef ik slechts Brangwaine naar u toe te zenden en ge zijt bij mij. Indien de koning echter woord houdt en mijne vrees dus ongegrond blijkt te zijn, zoo zou ik u willen verzoeken, om nog éénmaal in den tuin van het paleis te komen voor een laatst vaarwel, eer ik u voor altijd moet verliezen. Dit zal dan de laatste verboden daad zijn, waartoe ons de liefde brengt." Tot in het diepst van zijne ziel bedroefd beloofde Tristan de koningin aan haar verzoek te voldoen en zwijgend vervolgden zij hun zwaren tocht.

Aan den oever der rivier wachtte het volk van Tintagel met wuivende banieren en wapperende vaandels zijne koningin op; in schitterende kleedij stonden de hovelingen om hun koning geschaard. Daar naderden de beide gestalten aan den anderen oever. Een luid gejuich steeg op uit de menigte, toen het rijdier der koningin voet aan wal zette en zij hunne geliefde meesteres opnieuw in hun midden zagen. Koning Mark trad naar voren en nam de teugels van het muildier uit Tristan's handen over, de laatste sprak daarop met luidklinkende stem, zoodat alle aanwezigen het hooren konden: "Heer koning! ik breng u hier Isolde, uwe echtgenoote, weder. Zij is de uwe, zooals zij dit altijd geweest is. Vóór ik heenga, wend ik mij hier tot mijne vijanden onder uwe baronnen en daag hen uit tot een eerlijken kamp, waarin zal worden beslist, aan welke zijde meer onrecht is geschied."

Niemand antwoordde hem. Toen vatte Dinas van Lidan, een trouw en eerlijk ridder en een waar vriend van Tristan, moed; hij nam den koning ter zijde en vermaande hem, om Tristan niet aldus te laten vertrekken en daardoor een der beste en edelste ridders van zijn hof te verliezen. Maar de overige ridders, die Tristan vijandig gezind waren, spoorden den koning aan, om in zijn heengaan te berusten, waar dit hem den vrede aan zijn hof zou verzekeren.

Met een enkelen handdruk scheidden de gelieven, Tristan wendde zich om en wilde heengaan; toen eerst sprak koning Mark tot hem: "Ik kan u niet aldus in lompen zien vertrekken. Zoo ge wilt, ga dan naar mijne schatkamer en neem daaruit, zooveel gij voor uwen tocht denkt noodig te hebben!" Tristan echter wierp het hoofd in den nek en antwoordde trotsch: "Geen penning, Heer, zou ik van u willen aannemen. Ik hoop mij in den vreemde loon genoeg te kunnen verwerven!" Daarop ging hij heen en Isolde volgde hem met hare blikken.

Eenigen tijd scheen het of de rust en vrede aan het hof waren teruggekeerd. De koning was opgewekter dan hij in lang geweest was en de verraders: Meriadoc, Melot en hunne handlangers verheugden zich over de wijze, waarop zij Tristan uit den weg hadden geruimd. Toen gebeurde het, dat Meriadoc zelve liefde opvatte voor zijne schoone vorstin en hoopte wederkeerig door haar bemind te zullen worden. Isolde echter behandelde hem met koele minachting en zag hem nauwelijks aan, wanneer hij het woord tot haar richtte. Al hare gedachten, al hare verlangens waren bij Tristan, hoe zou zij dan een blik over hebben voor dezen lafaard, die, zooals zij heel goed wist, haar en haren geliefde verraden had.

_Hoe Meriadoc den koning trachtte over te halen om Isolde de vuurproef te doen ondergaan._ Langzamerhand begon het in de ziel van Meriadoc te koken van woede en hartstocht, hij zon op een middel om zich te wreken en toen hij meende dit gevonden te hebben, sprak hij gedurende een jachtrit tot koning Mark: "Sire, wij allen weten thans, dat de koningin rein en onschuldig is, het volk echter mort en klaagt en roept om bewijzen. Zooals gij vroeger Tristan en Isolde zonder eenige rechtspraak tot den vuurdood hebt veroordeeld, zoo hebt gij uwe gemalin eveneens zonder rechtspraak wederom in uwe gunsten aangenomen. Het volk meent, dat gij de wetten des lands door zoo te handelen met voeten treedt. Wat doet nu een man, wiens vrouw ten onrechte van trouwbreuk beschuldigd wordt? Hij laat haar door de vuurproef in het aangezicht van alle menschen hare onschuld bewijzen. Handel gij eveneens zoo en het volk zal tevreden zijn."

Koning Mark barstte bij het hooren van deze woorden uit in een stortvloed van verwenschingen tegen den spreker, die hem zijne rust niet gunde en hem steeds weer met nieuwe verwijten overstelpte. Meriadoc en zijne vrienden lieten echter niet af en dreigden het hof te zullen verlaten, indien hij bleef weigeren aan hun verzoek te voldoen.

In toornige stemming keerde de vorst huiswaarts. Isolde, die terstond vreesde, dat zijne ontstemming in verband stond met Tristan, wiens schuilplaats wellicht ontdekt was, rustte niet, vóór zij den waren grond van zijn toorn ontdekt had. Verruimd haalde zij adem, toen zij den eisch der baronnen hoorde; nog was Tristan dus veilig en wellicht bood zich hier eene gelegenheid om alle verdenking voorgoed uit den weg te ruimen.

Daarom sprak zij: "Heer! ditmaal beschuldigt gij uwe edelen ten onrechte. Zij hebben gelijk; dit is de eenige wijze, waarop ik mij in de oogen van het volk van alle blaam zal kunnen zuiveren. Daarom ben ik bereid, de vuurproef te ondergaan, echter niet alleen in tegenwoordigheid uwer baronnen, die toch niet zouden ophouden mij te belasteren! Neen, ik verzoek u dringend, een bode te zenden naar koning Arthur van Engeland en hem uit te noodigen met zijn geheele gevolg bij het komende godsgericht tegenwoordig te zijn. Hij zelve zal dan mijn getuige zijn!"

Aanvankelijk wilde de koning niets van haar plan hooren, maar Isolde bleef aandringen en eindelijk besloot hij aan haren wensch gehoor te geven. Aan den oever der rivier die de rijken van Cornwallis en Engeland scheidde, zou men samenkomen om van het plechtig Godsgericht getuige te zijn. Toen men tijd en plaats bepaald had, zond de koningin hare dienares naar Tristan en verzocht hem, zich, als pelgrim vermomd, daarheen te begeven en hare komst af te wachten, daar zij meende zijne hulp noodig te zullen hebben.

Op den dag, die voor de vuurproef was vastgesteld, kwamen koning Mark en koningin Isolde met hunne gansche hofhouding naar den oever der grensrivier. Aan de overzijde wachtte koning Arthur hen reeds op, omgeven door zijne ridderschap. Aan beide zijden was aan de oevers eene dichte menigte samengestroomd, die in spanning de komende gebeurtenissen afwachtte. Aan den rand van het water zat Tristan, gekleed in een wijden pelgrimsmantel; hij hield den voorbijgangers zijn houten geldbakje voor en smeekte hun op klagelijken toon om eene aalmoes. Daar naderde de boot, die de koningin over den stroom moest brengen. Langs den oever was het water zeer ondiep, waardoor het vaartuig niet geheel aan land kon komen en de inzittenden moesten over den modderigen rivieroever den vasten bodem bereiken. Isolde stond op de voorplecht van het schip en zag hoe men toebereidselen begon te maken om te landen. Daarop riep zij uit: "Zeg mij, edele heeren, hoe ik den oever zal bereiken zonder mijne kleederen te bevuilen op den modderigen waterkant. Ik wil niet, dat een man van ridderlijken stam mij aanraakt alvorens ik de vuurproef heb doorstaan, maar ziet, ginds zit een vrome pelgrim aan den rand van het water, die kan mij veilig aan wal dragen."

Met gebiedende stem riepen de ridders den pelgrim naderbij, deze nam Isolde vast in zijne armen en waadde met haar door den stroom. Terwijl hij haar zoo voortdroeg, fluisterde zij: "Liefste, wanneer wij op den oever zijn gekomen, laat u dan met mij in uwe armen in het zand vallen." Tristan deed, wat hem geboden was: zoodra hij voet aan wal gezet had, struikelde hij en viel op den grond, de koningin steeds omvat houdend.

Met stokken en speren snelden de ridders en dienaren naderbij, om den onhandige te straffen, maar vóór zij Tristan konden bereiken, was de koningin overeind gesprongen en sprak vriendelijk: "Laat hem met vrede. Hij is moede en uitgeput van zijn langen pelgrimstocht." Daarop reikte zij den pelgrim een gouden gesp, dien zij loshaakte van haar kleed en begaf zich naar de plek, waar koning Arthur hen wachtte.

Vóór de vorstelijke tent stonden op eene houten tafel de heilige reliquieën uitgestald, die door de ridders eerbiedig werden bewaakt. Op eenigen afstand was een groot vuur aangelegd, waarin enkele roodgloeiende bouten staken. Daar omheen hadden zich de geestelijken geschaard, die geheel verdiept waren in het prevelen hunner gebeden.

Isolde begaf zich naar de voor haar ingerichte tent en ontdeed zich van hare kostbare bovenkleederen. Zij nam zich de gouden kroon van het hoofd, legde hare sieraden af en hulde zich in een wijd boetekleed.

Zoo trad zij voor hare rechters. In ademlooze stilte zag het volk toe, hoe zij zich naar de plek begaf, waar de beide vorsten naast elkander hadden plaats genomen, waarop zij de volgende woorden sprak: "Sire, mijn echtgenoot, en gij, Sire, die heer zijt over het machtige Engeland, ik verschijn hier voor u beiden, in het kleed eener boetelinge, om mijne onschuld te bewijzen, ten aanzien van allen, die hier tegenwoordig zijn. Daarbij zweer ik, dat geen man ter wereld ooit aan mijne zijde gelegen heeft, noch mij in zijne armen heeft gehouden dan gij, mijn echtgenoot, en"--hier gleed een schalksche glimlach over haar gelaat--"de vrome pelgrim, die mij zooeven aan land gedragen heeft. Deze woorden ben ik bereid om door de vuurproef waar te maken."

Daarop ging Isolde met vaste schreden, doch met angstig kloppend hart, naar het vuur, greep den gloeienden ijzeren bout, die er in stak, met beide handen vast en droeg dien tot vóór den zetel des konings. Daar gekomen liet zij hem op den grond vallen, en stak hare beide handen omhoog, de palmen naar de beide vorsten gericht. Een kreet van verlichting steeg op uit de menigte, Isolde's handen waren blank en ongedeerd.

Plechtig daalde koning Mark van zijn hoogen zetel af en kuste zijne gemalin op beide wangen. Het bewijs harer onschuld was nu geleverd en niemand zou het meer wagen, een vinger tegen haar op te heffen.

Onder luid vreugdebetoon trok het volk huiswaarts en ook de beide vorsten namen afscheid van elkander, waarbij koning Arthur Isolde verzekerde van zijn steun, indien zij dien ooit noodig mocht hebben.

In gelukkige stemming reisde koning Mark terug naar zijn paleis, de laatste schaduw van twijfel was uit zijn hart verdwenen en hij bouwde zich de schoonste luchtkasteelen van zijn toekomstig samenleven met zijne jonge vrouw.

Helaas! ze zouden weldra in rook verdaan

Toen Isolde in het slot te Tintagel was teruggekeerd, zond zij terstond Brangwaine met eene boodschap naar Tristan om hem uit te noodigen tot een laatste samenzijn, alvorens hij het land zou verlaten.--De tuinen om het paleis lagen te stoven in zomersche hitte, toen de beide gelieven zich naar de afgesproken plek begaven. Geen windje beroerde het dichte loof der boomen, de zon schoot hare verzengende stralen neer op bloemen en struiken; mensch en dier zochten tevergeefs naar eene koele plek om de brandende hitte voor eene wijle te ontvluchten.

Brangwaine had de wacht betrokken voor den ingang van den boomgaard, waar Tristan en Isolde hun laatste, bitter-zoete samenzijn genoten. Alle inwoners van het slot hadden zich in de koele zalen teruggetrokken, niemand dreigde dus hen te storen. Nog éénmaal hield Tristan Isolde in zijne armen, nog éénmaal spraken zij over hunne liefde en de pijn en zaligheid, welke deze hun gebracht had, daarop stak de koningin Tristan eenen ring aan den vinger, waarmede hij haar, waar hij zich ook bevond, tot zich kon roepen, indien hij hare tegenwoordigheid om de een of andere reden dringend vereischte. In ruil voor dit geschenk vroeg zij Tristan, haar zijnen hond Husdan af te staan, aan welk verzoek hij gaarne voldeed. Zoo spraken zij over het naderend afscheid en zwoeren elkander onwankelbare trouw, tot zij eindelijk, uitgeput door de groote hitte en de aandoeningen, welke zij doorstaan hadden, in elkanders armen in slaap vielen.

Eenigen tijd nadien begaf koning Mark, die ongerust begon te worden over het lang uitblijven der koningin, zich in den tuin om Isolde te zoeken. Een dienaar, dien hij daar ontmoette, verwees hem naar den boomgaard, waar hij meende de koningin te hebben zien binnengaan. De koning wendde zijne schreden daarheen, ging de doodelijk verschrikte Brangwaine met een vriendelijken groet voorbij en trad den boomgaard binnen, weinig vermoedend, welk een vreeselijke aanblik hem daar wachtte.

Zoo gebeurde het, dat, juist toen koning Mark volle zekerheid meende te hebben verkregen omtrent de onschuld zijner gemalin, juist toen Tristan en Isolde elkander voor eeuwig vaarwel hadden gezegd, de beide gelieven werden ontdekt. Bij eene kronkeling in het pad ontdekte koning Mark hunne gestalten, rustend in het gras onder de groene vruchtboomen. In enge omarming hielden zij elkander omstrengeld, hunne hoofden waren dicht te zamen gevlijd en hunne monden waren vereenigd in een kus. Mark streek zich verward over het voorhoofd. Droomde of waakte hij? Waren dit inderdaad Isolde, zijne geliefde gemalin, en Tristan, zijn neef, die hem dierbaarder was dan zijn eigen zoon? Was het dus toch waar, wat de baronnen over hen gezegd hadden? Vol afgrijzen, met de handen in wanhoop omhoog geheven, ijlde de koning terug naar zijn paleis om getuigen te halen bij dit ontzettend schouwspel. Het geluid zijner wegsnellende voetstappen deed Tristan ontwaken, nog juist zag hij de gedaante des konings om den hoek van het pad verdwijnen. In een oogwenk was hij overeind en wekte Isolde. "Vlug, liefste, wij zijn ontdekt! Uw echtgenoot is hier geweest en is nu heengegaan om getuigen te halen. Vóór hij terugkomt, moet ik verdwenen zijn!" Nog ééne omarming, een laatste stamelen van den geliefden naam en Tristan verdween tusschen de boomen.

Toen de koning spoedig daarop in den boomgaard trad, gevolgd door eene schaar van edelen en baronnen, lag Isolde in slapende houding in het gras. Het hoofd met de golvende blonde haren rustte op haren arm en zij ademde kalm en rustig als een kind. Weinig vermoedden zij, die haar zoo zagen liggen, dat stormen van hartstocht en verlangen door haar hart joegen en dat hare ziel tot stervens toe bedroefd was.

Sprakeloos van verbazing zag koning Mark neer op het liefelijk beeld der slapende. Was het dan slechts een droom geweest, het vreeselijk visioen, dat in vlammende lijnen in zijn brein gegrift stond? De baronnen konden een glimlach niet onderdrukken, toen zij den verbaasd ontstelden blik des konings ontmoetten en Dinas van Lidan riep uit: "Het is slechts een gevolg van uw overspannen geestestoestand geweest, Sire, die u schimmen voor den geest toovert en ze u voor werkelijkheid doet aanzien. Wij allen weten immers, dat Tristan na den terugkeer der koningin het land heeft verlaten. Wij allen weten ook, dat uwe gemalin rein en onschuldig is, wilt gij dan nog sterker bewijs dan dat van de onlangs doorstane vuurproef? Bedwing toch uw wantrouwen, Sire, het voert u op dwaalwegen en doet uwe wijsheid geen eer aan!"

Beschaamd hoorde de koning deze woorden aan en wendde zich af, overtuigd, dat Heer Dinas inderdaad waarheid had gesproken.

_Hoe Tristan rondzwierf in vreemde landen en hoe hij tevergeefs trachtte om zijne geliefde te vergeten._ Tristan reisde over de zee en kwam in het land van een jongen hertog, Gilain genaamd, wien hij zijne diensten aanbood. Weldra maakte hij zich beroemd door zijne daden van dapperheid en hertog Gilain kreeg hem lief als een broeder. Tevergeefs beproefde Gilain de somberheid, die op het gelaat van zijn vriend zetelde, door scherts en lach te verdrijven, steeds bleef Tristan neerslachtig en terneergedrukt. Hij begaf zich temidden van het volle, woelige leven, om die ééne stem in zijn binnenste tot zwijgen te brengen, de lokkende stem van Isolde van Ierland, maar het gelukte hem niet. Nu had hertog Gilain eenigen tijd tevoren een wonderbaar geschenk ontvangen van eene fee uit het eiland Thule, die hem reeds lang in stilte beminde. Het was een tooverhondje, Petitcrû genaamd. Het diertje was vervaardigd uit verschillende soorten van edelgesteenten en om den hals droeg het een band, waar zilveren klokjes aan bengelden. Wie nu die klokjes liet luiden, vergat als door een tooverslag al het leed, dat hem ooit wedervaren was, en zijne ziel werd licht als die van een kind.

Eens op een dag kwam Gilain tot Tristan en gaf hem het hondje met de woorden: "Neem gij dit kleinood van mij aan, dat mij liever is dan iets ter wereld. Ik ben jong en heb geen toovermiddel noodig, om vroolijk te zijn. Gij echter, die de smarten des levens hebt leeren kennen, kunt door de toovermacht, die er aan verbonden is, uwe zorgen vergeten en blij en vroolijk worden als weleer."

Diep getroffen dankte Tristan zijn gastheer voor diens waardevol geschenk en voegde er aan toe: "Niet voor mij goede vriend, maar voor eene edele koningin, die onder zwaar leed gebukt gaat, neem ik het dankbaar van u aan!"

Daarna zond hij Gouvernail met het hondje naar Isolde om het haar uit zijn naam aan te bieden. Na veel moeite slaagde de trouwe dienaar erin, het de koningin in handen te geven, en van dit oogenblik af keerden de glans in Isolde's oogen en de blos op hare wangen terug. Zij liet een kostbaar kastje van blank ivoor vervaardigen, waarin zij het hondje steeds met zich droeg. Telkens weer liet zij de zilveren schelletjes klinken en wanneer zij zich dan zoo vroolijk en opgeruimd gevoelde als zij in langen tijd niet geweest was, schreef ze dit toe aan het feit, dat zij bij het hooren ervan aan Tristan dacht, die het haar gegeven had.

Maar allengs bemerkte zij, dat het beeld van haren geliefde voor haren geest steeds flauwer en flauwer werd en dat zij zich, bij het luisteren naar de klokjes, zijne trekken nauwelijks meer voor oogen wist te halen. Toen begreep zij, dat zij hare terugkeerende opgewektheid aan eene betoovering dankte, die van het geschenk scheen uit te gaan.

Dadelijk was haar besluit genomen. Nooit zou het hart van Tristan tevergeefs het hare zoeken; liever wilde zij den lijdensbeker, dien zij aan de lippen gezet had, tot den bodem ledigen. Zij maakte den band, die om den hals van het hondje was gebonden los, en wierp de zilveren klokjes uit het open venster in zee. De bittere droefheid, die daarna opnieuw haar hart binnensloop, was haar liever dan de zorgelooze blijheid der laatste weken, die haar van haren geliefde had pogen te vervreemden.

Tristan zwierf intusschen in den vreemde rond en poogde tevergeefs in het dichtst van het krijgsgewoel vergetelheid te vinden voor de liefdesmart, die hem het leven tot een last maakte. Wijde landstreken en breede stroomen, bergen en dalen plaatste hij tusschen zijne geliefde en zichzelf, maar alles tevergeefs; zijne ziel bleef in kluisters gebonden voor de poorten van Tintagel. Wel verwierf hij zich roem en eer, wel huldigde men hem om zijne dapperheid en krijgsmansgaven, maar dit alles had geene waarde voor hem en hij bleef steeds somber en terneergedrukt.