Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 25
In een hoek van het vertrek stonden eenige wachten half slapend op hunne wapenen geleund, in vage omtrekken teekende zich de rijk gebeeldhouwde legerstede der koningin, welke tegen één der muren was geplaatst, in het zwakke maanlicht af. Tristan richtte zich overeind in zijn bed, dat meer dan eene speerlengte van dat der koningin verwijderd was en speurde voorzichtig in het rond. Geen geluid verbrak de stilte, toen plotseling van uit een hoek der zaal eene kromme, wanstallige gedaante naar voren sloop en zich met geruischloozen tred door het vertrek bewoog. Bij het onzekere schijnsel der maan ontwaarde Tristan, hoe Melot, want het was niemand anders dan deze, den grond tusschen de beide bedden met meel bestrooide, dat hij in een korfje bij zich droeg. Terstond begreep onze held, welken valstrik men hem daar gespannen had en glimlachend over de verijdeling van dien boozen toeleg, legde hij zich weer neder om te overleggen, wat hem te doen stond. Weldra was zijn besluit genomen. Met de oogen mat hij den afstand, die hem van Isolde's legerstede scheidde en toen alles weer stil was in het vertrek, waagde hij den sprong, die hem, zonder den vloer te raken, in het bed der geliefde bracht. Eene korte, innige omhelzing, eenige haastige woorden tot afscheid en Tristan keerde op dezelfde wijze naar zijne slaapplaats terug. Hij was geen oogenblik te vroeg, want reeds klonk het geluid van stemmen aan de deur en kort daarop verlichtte het roodachtig schijnsel van fakkels het gansche vertrek. De wachten schrokken op uit hunne sluimering en grepen haastig naar hunne wapens, daar trad reeds koning Mark, van de mis teruggekeerd, de zaal binnen. Zijn eerste blik gold de koningin, die zich slapend hield, evenals Tristan, daarna keek hij naar den vloer tusschen de beide bedden. Geen sporen van voetstappen waren in het fijngestrooide meel te bekennen, maar wacht, wat beduidde die donkere streep? Bij het licht der haastig bijgehouden fakkels bukte de koning zich diep voorover en tot zijne verbazing bespeurde hij, dat eene reeks bloeddruppels zich op den vloer afteekende, die als een onweerlegbaar bewijsstuk de legersteden der beide schuldigen verbond. Met een vreeselijken kreet was koning Mark in één sprong bij het bed der koningin; hij sloeg het dek terug en ziet, op het blanke linnen kleurden helderroode bloedvlekken. Steunend van felle smart sloeg de vorst de handen voor het gelaat. Hij zonk bijna ineen van schaamte en verdriet, maar toen men hem berichtte, dat ook in Tristan's bed dezelfde roode sporen waren opgemerkt, en dat het bloed scheen voort te komen uit eene pas genezen beenwond, die door de een of andere buitengewone krachtsinspanning was opengesprongen, drong al het vernederende en pijnlijke van het tooneel eerst recht tot hem door. Hij ontstak in hevige woede en beval, dat men de beide schuldigen zou binden en hen zou opsluiten in den donkersten kerker van het paleis. Den volgenden dag, zoo zwoer hij, zouden zij naast elkander den vuurdood sterven en ten aanzien van het gansche volk zouden de lekkende vlammen van den brandstapel den naam des konings reinigen van de smet, die eraan kleefde.
Den volgenden morgen verspreidde zich alras de mare der komende dingen onder de inwoners der stad. Bij alle rangen en standen heerschte diep medelijden met het lot der arme koningin. Al veroordeelde men haar om wat zij gedaan had, toch achtte men de straf te zwaar en met angst en ontsteltenis zag men toe bij het maken der toebereidselen voor de vreeselijke gebeurtenis. Tristan werd het eerst naar den brandstapel geleid.
De weg, dien de gevangenen moesten nemen om het marktplein te bereiken, waar hun vonnis zou voltrokken worden, voerde gedeeltelijk langs de kust en zoo kwamen zij ook langs een punt, waar op een vooruitspringend rotsblok eene kleine kapel gebouwd was. Deze kapel, die als 't ware in de ruimte hing boven het zandige strand, dat langs den voet der rotsen liep, werd veel bezocht door hen, die vrienden en bloedverwanten op zee hadden en aldaar voor hunne veiligheid kwamen bidden.
Toen nu Tristan langs de kapel kwam, verzocht hij zijne bewakers hem toe te staan om zich een oogenblik naar binnen te begeven voor een laatst gebed tot God, Dien hij daar zoo dikwijls had aangeroepen. Begaan met het lot van den jongen ridder, stonden zijne begeleiders hem dit toe; Tristan trad binnen en zij, die bij hem waren, vatten post voor den ingang der kapel. Toen onze held zijne ziel had uitgestort in een vurig gebed, stond hij nog eene wijle te peinzen aan een der hooge vensters die uitzicht gaven op zee en terwijl hij zijn blik liet gaan over het oneindige watervlak, bedacht hij, hoe veel zoeter het moest zijn te rusten in de koele, blauwe golven dan ten aanzien van eene nieuwsgierige menigte een langzamen folterdood in de vlammen te sterven. Één sprong naar beneden en het zou gedaan zijn met allen angst en strijd en wie weet of koning Mark, wanneer hij hoorde, dat Tristan voorgoed uit den weg was, zijne jonge vrouw niet op nieuw in genade zou aannemen. Zoo zou hij misschien Isolde het leven kunnen redden, mocht hij dan aarzelen? Met een enkelen vuistslag verbrijzelde hij één der glasruiten, het volgend oogenblik stond hij in de vensteropening en met uitgespreide armen waagde hij den sprong. Men zegt wel eens, dat er eene afzonderlijke voorzienigheid bestaat voor kinderen en gelieven--zeker is het, dat Tristan's leven als door een wonder gespaard bleef. De wind blies zijn wijden mantel omhoog en maakte er een valscherm van, dat de kracht van zijn val brak en hem ongedeerd deed neerkomen op het zachte zand.
_Hoe Tristan zijne geliefde uit de handen der melaatschen redde._ Toen de krijgsknechten een oogenblik later in de kapel traden om Tristan tot meerderen spoed aan te manen, vonden zij haar ledig. Bij onderzoek verrieden de scherven op den grond en de zeewind, die door het open venstergat blies, langs welken weg hun gevangene ontsnapt was. Zij twijfelden niet, of Tristan had bij den sprong in dien diepen afgrond het leven verloren, dus keerden zij terug naar het paleis om onder angst en beven dit den koning mede te deelen. Alleen Gouvernail, de trouwe dienaar, die zijn meester op diens laatsten tocht gevolgd was, besloot de zaak nader te onderzoeken. Hij begaf zich naar het strand, Tristan's wapenen en strijdros met zich mede nemend en wat hij nauwelijks had durven hopen, bleek waarheid te zijn, hij trof zijn geliefden heer ongedeerd en in goeden welstand aan. Terstond spoorde hij hem aan te vluchten, maar Tristan weigerde te vertrekken, alvorens hij zekerheid had omtrent het lot van Isolde.
Wat was er intusschen met de koningin geschied?
Toen koning Mark vernam, dat Tristan aan zijne straf ontkomen was, ontstak hij in blinde woede. Het baatte niet, of men hem trachtte te overtuigen, dat hij den gevaarlijken sprong onmogelijk levend kon volbracht hebben, Mark hield vol, dat de gevangene ontsnapt moest zijn. Eene uitdrukking van duivelschen haat vertrok zijn gelaat en zijne trekken waren verwrongen van woede en wraaklust, toen hij daarop beval, dat men Isolde naar den brandstapel zou geleiden. "Ik zal dien verrader dat ontnemen, wat hem meer waard is dan zijn eigen leven," zoo sprak hij; "laat hij zelf dan maar ontsnappen, zonder zijne minnares is hem het bestaan toch tot eene kwelling, die erger is dan de pijnen van den brandstapel." Isolde echter hief hare geboeide handen omhoog en dankte God, dat Hij Tristan uit de klauwen des doods gered had.
Reeds knetterden en laaiden de vlammen, reeds had men de touwen losgebonden, waarmede men de koningin geboeid had en bereidde de ademloos wachtende menigte zich voor, om het vreeselijk schouwspel te zien beginnen, toen de menschendrom naar beide kanten uiteenweek om een troep melaatschen door te laten, die zich door de menigte heendrong. Hij, die aan het hoofd van deze afzichtelijke bende liep, riep met drieste stem tot den vorst: "Sire, ons is ter oore gekomen, dat gij heden eene schoone vrouw op den brandstapel dooden wilt. Ziet, wij zijn melaatschen en hebben geene vrouwen, daarom vragen wij u, geef ons deze, gij zult daardoor beter gewroken zijn, dan wanneer gij haar den vuurdood laat sterven."
Een gemompel van afgrijzen ging door de menigte, maar koning Mark, die door haat en hartstocht geheel verblind was, riep uit: "Zoo neem haar dan en doet met haar, wat gij wilt!" Daarbij dacht hij, dat hij inderdaad niet beter gewroken kon worden dan op deze wijze. Wanneer Tristan nog leefde en hij hoorde, wat er met Isolde was geschied, zou die gedachte hem meer folteren dan het bericht van haren dood en tot krankzinnig makens toe zou hem het denkbeeld van zijne geliefde in de armen der melaatschen vervolgen.
Met schelle kreten van vreugde omringden de uitgestootenen de koningin, Isolde strekte smeekend de armen uit naar haren echtgenoot en bad hem, haar toch duizendmaal liever den vuurdood te laten sterven dan een dergelijk lot te doen ondergaan. Maar Mark was onverbiddelijk en zegevierend voerden de melaatschen haar mede naar het woud, waar zij hunne holen en schuilplaatsen hadden.
Zoo kwamen zij voorbij de plek, waar Tristan en Gouvernail, in het struikgewas verborgen, den loop der gebeurtenissen afwachtten. Hunne aandacht werd getrokken door het geschreeuw der bende, die luid joelend naderde en voorzichtig tuurden zij naar den weg om te zien wat er gaande was. Daar naderde de troep van afgrijselijke gestalten, in hun midden trokken en sleepten zij iets voort, wat, dat konden de beide wachtenden niet zoo spoedig ontdekken. Plotseling richtte de gebogen gestalte, die te midden der melaatschen werd voortgesleurd, zich wat hooger op en tot Tristan's onbeschrijfelijke ontzetting herkende hij het bleeke, schoone gelaat zijner geliefde. Met één sprong was hij uit het kreupelhout op den weg, met woeste sabelhouwen dreef hij Isolde's belagers uiteen en het volgend oogenblik hield hij haar in zijne armen en bedekte haar gelaat met wilde kussen.
Daarop steeg hij te paard, nam Isolde vóór zich op het zadel en joeg met Gouvernail in pijlsnelle vaart het bosch in, ver, ver weg naar het woud van Morois, dat aan de grens van Cornwallis was gelegen.
Zoodra koning Mark hoorde, wat er gebeurd was, liet hij een ban uitvaardigen, waarin hij honderd gouden kronen uitloofde aan dengene, die Tristan of Isolde levend of dood zou weten te vangen.
De gelieven vluchtten ver weg tot in 't diepst van het woud, daar eerst voelden zij zich veilig voor de dienaren des konings. Zij bouwden zich eene hut van takken en bladeren en toen hunne woning gereed was, zond Tristan zijn trouwen dienaar terug naar het hof, om na te speuren, wat de koning tegen hen zou ondernemen.
Tristan en Isolde bleven dus alleen in het groote bosch en toen in hunne harten de schrik over het gebeurde allengs vervaagde, begon er voor hen een leven van geluk en vrede, zooals zij het nog nooit gekend hadden. Weliswaar was hun bestaan vol ontberingen, maar het genot elkander geheel te mogen toebehooren, deed hen deze gemakkelijk over het hoofd zien. Wat deerde het, of zij zich moesten voeden met het vleesch der dieren uit het woud en de wilde vruchten, die zij tusschen de struiken vonden? Zij smaakten hun beter dan de fijnste schotels in het paleis van koning Mark, omdat zij ze in elkanders gezelschap mochten verorberen. Wat gaf het, of de wind soms blies door de reten der loofhut, zij drongen zich wat dichter tegen elkander en wisten van geen koude.
En hoe schoon was het bosch! Als de hemel blauw en helder was en de zonnestralen grillige figuren trokken op den bemosten woudbodem, maar ook als de regen op het bladerendak ruischte en witte nevels tusschen de boomstammen zweefden. Altijd ontdekten Tristan en Isolde weer nieuwe schoonheden in het landschap, dat hen omringde, 's Morgens liepen zij op bloote voeten over het bedauwde gras, waar hunne voetstappen blauwige sporen nalieten; tegen den middag zochten zij de schaduw en vlijden zich neder onder de breede kruin van een beuk, of, als de hitte al te drukkend werd, namen zij een bad in het koele water van een beekje en lieten zich door zon en wind drogen.
Als het avond werd, zaten zij langen tijd zwijgend bijeen en luisterden naar den wind, die door de hooge boomen suisde, of naar het lied van den nachtegaal, die in de takken boven hun hoofd zijne zoetste liefdeszangen uitkweelde. Tristan bezat de gave om het zingen der vogels zóó getrouw te kunnen nabootsen, dat hij hen lokken kon, waarheen hij maar wilde. Meermalen kwamen dan de glinsterende goudvink, de schrandere lijster, de kleine, sierlijke meesjes, het lustige winterkoninkje en de nachtegaal, hun aller koning, op zijn lokkend gefluit aanvliegen. Zij streken neer op het dak der loofhut en dan werd het een roepen en zingen, een kweelen en tjilpen, als nooit te voren in het bosch gehoord was. Tristan en Isolde zaten dicht bijeen en luisterden naar het koor van stemmen. Dan voelden zij hoe al die trillende, hijgende vogelkeeltjes een zelfde lied zongen, waarvan zij den weerklank hoorden in hunne eigen ziel--een lied van liefde en geluk, van lente en zonneschijn, dat zoo oud is als de wereld en dat toch steeds nieuw blijft voor hen, die het hooren.
De lente ging voorbij en werd gevolgd door den zomer. Alles bloeide en geurde in het woud en ook het geluk van Tristan en Isolde bereikte zijn hoogtepunt in de rustige kalmte om hen heen. Maar reeds al te spoedig werd het killer in het bosch, de dagen werden koeler en de nachten kouder. Toen zagen de twee gelieven uit naar een passend winterverblijf, dat zij vonden in eene donkere rotsspelonk. Tristan behing de wanden met dierenvellen, afkomstig van het wild, dat hij in de afgeloopen maanden gedood had. Hij maakte eene opening in de rots om den rook te laten ontsnappen en toen de eerste sneeuw begon te vallen, betrokken zij hunne nieuwe woning. De winter kwam met stormen, die gierden om de tochtige spelonk, met vorst, die de beekjes in het bosch deed stollen en de sneeuw deed kraken onder den voet.
Tristan en Isolde zaten te zamen bij het rookende vuur en vertelden elkander verhalen over gelieven uit vroegere tijden, over Phyllis, die zoo lang op haar minnaar wachtte, tot zij veranderd werd in een moerbeiboom, uit welks bladerengeruisch men tot op heden nog duidelijk het zuchten en steunen der arme verlatene vernemen kan. Of van Griseldis, de lijdzame, die door haar gemaal gehoond en versmaad werd en die, toen hij haar op den brandstapel wilde ter dood brengen, met haar kind naar het woud vluchtte, waar zij onder Gods bescherming veilig voortleefde, tot hare onschuld aan het licht werd gebracht. Ook van Dido en Aeneas spraken zij, van Byblis, de koningsdochter, die haar eigen broeder lief kreeg en hem vervolgde over de gansche wereld, tot zij veranderd werd in een vogel, die immer rusteloos over de wateren der aarde drijft. Over al deze gelieven spraken zij met elkander, maar steeds was hunne slotsom deze, dat geen hunner de liefde gekend had, zooals zij die kenden, en dat hunne eigen wederzijdsche genegenheid schooner en inniger was dan twee menschen ooit voor elkander gevoeld hadden. Dan scheen het hun, of de donkere rotsspelonk zich uitbreidde tot eene zaal vol glanzend licht, waar de wanden behangen waren met fonkelende edelgesteenten, waar geen geluid van buiten doordrong, maar waar slechts de zoete stem der liefde gehoord werd; waar de fontein van den hartstocht hare parelende wateren omhoog zond en waar koude en ontbering plaats moesten maken voor koesterende warmte en verzadigenden overvloed.
Wie kent niet het tooverslot der liefde? De een bouwt het in de stad, de ander op het land, want het is aan geen plaats gebonden. Te beklagen zijn zij, die het niet kennen, zij hebben het schoonste in het leven gemist!
Maar van liefde alleen kan men helaas niet leven. Terwijl de harten van Tristan en Isolde zich koesterden in warmen gloed, verstijfden hunne lichamen in de barre koude en allengs zag onze held, hoe zijne geliefde er bleek en lijdend begon uit te zien, terwijl Isolde hetzelfde bij Tristan ontwaarde.
Somtijds, wanneer Isolde vermoeid tegen hem aanleunde en hij zag, hoe haar schoon gelaat mager en ingevallen was, ontwaakte voor een oogenblik bij Tristan de gedachte, of hij zijne geliefde geen onrecht aandeed, door haar aldus bloot te stellen aan een leven vol armoede en ontbering, haar, die geboren en getogen was in weelde en overvloed. En Isolde op hare beurt kon soms een gevoel van smart niet onderdrukken, wanneer zij bedacht hoe Tristan om harentwil afstand had gedaan van al den roem, die hem anders zoo rijkelijk ten deel zou zijn gevallen, hoe hij door haar toedoen rondzwierf als een verstootene, hij, die een der meest gevierde ridders van het land placht te zijn.
Het voorjaar naderde, de beekjes ruischten met onstuimige vaart van de heuvels omlaag, en in het bosch zongen de vogels in de groenende takken der boomen.
Toen gebeurde het, dat koning Mark zich gereed maakte om een grooten tocht, die verscheidene dagen duren zou, te ondernemen naar het woud van Morois. Weldra werd de stilte van het bosch verstoord door vroolijke stemmen, onder de hooge boomen werden de tenten der ridders opgeslagen en groote vuren zonden hunne rookwolken omhoog, tusschen de groene struiken.
Onze gelieven bemerkten niets van dit alles, want het woud van Morois was verscheidene dagreizen diep en tot nog toe was hunne eenzaamheid niet verstoord geworden. Eens op een dag was Tristan reeds vroeg op de jacht getogen en kwam tegen den middag doodelijk vermoeid terug; hij strekte zich uit in de schaduw der loofhut, legde zijn zwaard naast zich neder en viel weldra in een diepen slaap. Isolde zag hem daar liggen. Langen tijd beschouwde zij aandachtig zijn dierbaar gelaat en als eene felle pijn doorschokte haar de gedachte, hoe men in hem, zooals hij daar voor haar lag, nauwelijks meer den fieren edelman zou herkennen, die aan het hof haars vaders was gekomen om hare hand te vragen. Eene wijle bleef zij zoo in droef gepeins verzonken, toen werd ook zij door de loome voorjaarslucht bevangen en weldra sliep zij aan Tristan's zijde.
Nu gebeurde het juist op dien dag, dat koning Mark bij de vervolging van een hert zich verder dan gewoonlijk in het bosch gewaagd had en zoo in de nabijheid der loofhut was gekomen. Uitgeput van vermoeienis had hij eindelijk de jacht opgegeven en zich in de schaduw nedergezet, daarbij had hij zijn jagermeester opgedragen, om hem een frisschen dronk te halen uit het beekje, dat hij in de verte hoorde kabbelen. Dit beekje nu was hetzelfde, waaraan Tristan en Isolde hunnen dorst plachten te lesschen; toen de jachtmeester dus aan den oever van het stroompje genaderd was, ontwaarde hij op eenigen afstand de loofhut en daarvóór, slapend op den grond, de gestalten der beiden. Omzichtig sloop hij door het struikgewas terug naar de plek, waar zijn meester hem wachtte en deelde hem mede, wat hij gezien had. Toen ontwaakten in het hart van den vorst opnieuw de oude wrok en haat tegen de beide wezens, die hem het dierbaarst geweest waren op aarde en die hem zoo jammerlijk bedrogen hadden. Al had hij in het afgeloopen jaar dikwijls berouw gehad over zijne onverzoenlijke houding jegens hen en al had hem meermalen de gedachte gekweld, hoe hij Isolde aan de melaatschen had kunnen overleveren--thans kregen wraaklust en bitterheid opnieuw de overhand in zijne ziel en met het ontbloot zwaard in de hand begaf hij zich naar de hem aangewezen plaats. Inderdaad, daar lagen zij, de beiden, die hem zooveel grievend leed hadden berokkend, maar niet zooals hij ze zich had voorgesteld, dicht aaneengevlijd, in elkanders armen--neen, zij sliepen als twee kinderen zij aan zij met Tristan's zwaard tusschen hen in. Koning Mark werd onwillekeurig getroffen door de verandering, die hij bij hen opmerkte; beiden waren sterk vermagerd, hunne kleederen hingen hun als lompen aan het lijf, maar om hunne lippen speelde een gelukkige glimlach en zij bleven schoon door hunne jeugd en natuurlijke bevalligheid. De stormen in 's konings hart bedaarden; een straal van hoop verlichtte opnieuw zijn binnenste--zouden zij toch onschuldig zijn?
Langzaam bukte hij zich voorover, nam behoedzaam Tristan's zwaard van den grond en legde er het zijne voor in de plaats. Daarna ging hij peinzend heen.
Na eenigen tijd ontwaakte Tristan uit zijne sluimering en zijn zwaard opnemend, bemerkte hij de verwisseling. Snel wekte hij Isolde. "Voort, geliefde!" riep hij uit. "Terwijl wij sliepen is uw echtgenoot hier geweest, zeker is hij heengegaan, om zijne dienaren te halen en ons dan door hen te laten dooden. Laat ons vluchten, eer het te laat is!"
Opnieuw begon toen voor hen het zwerversleven; verder en verder trokken zij het bosch in, bij elk geritsel in de struiken schrikten zij op, achter elken boom speurden zij verraad. Eindelijk meenden zij eene veilige schuilplaats te hebben gevonden. Daar bouwde Tristan opnieuw eene hut en terwijl Isolde zich, uitgeput van vermoeienis, terstond ter ruste begaf, zat hij langen tijd voor den ingang, tuurde omhoog naar den hemel, waar donkere wolken langs het luchtruim joegen en dacht na, wat hem te doen stond. Gedurende de reis had hij met stijgenden angst bemerkt, hoe Isolde ondanks inspanning van al hare krachten, niet meer opgewassen bleek tegen de vermoeienissen van hun zwerversbestaan. Wel had zij dit steeds voor hem verborgen trachten te houden, maar hij, wiens blik door de liefde verscherpt was, had maar al te goed gezien, hoe hare krachten gesloopt werden door de lange dagreizen en hoe zij zich soms nauwelijks staande kon houden.
Opnieuw scheen eene stem hem toe te fluisteren, dat hij verkeerd deed met Isolde langer bloot te stellen aan een leven vol kommer en ontbering. Hoe kon hij het aanzien dat zij, de koningin van een machtig rijk, die gekleed placht te gaan in zijde en fluweel, op wier wenken eene gansche hofhouding vloog, dat die vrouw thans een moeilijker en zorgvoller bestaan voerde dan de minste harer hovelingen, dat zij slapen moest op een bed van bladeren en hare voeten wondde aan de scherpe steenen der boschpaden. Maar ook Isolde kon den slaap niet vatten; zij zag, hoe Tristan in sombere houding zat te peinzen en zij vergeleek hem opnieuw bij den Tristan van vroeger, den fieren jongeling, wiens naam door alle ridders met eerbied werd genoemd, die blijde liederen tokkelde op zijne harp en door zijne hoofsche bevalligheid de harten der vrouwen voor zich wist te winnen. Mocht zij langer van hem vergen, dat hij om harentwil afstand deed van alles wat het hart van een man dierbaar was: roem en aanzien, krijgsmanseer en vertrouwen? Daar trad Tristan de hut binnen, hij nam haar in zijne armen en zeide met diep ontroerde stem: "Isolde! ik heb langen tijd nagedacht over wat koning Mark gedaan heeft en ben tot de overtuiging gekomen, dat hij geen kwade bedoelingen met ons had, toen hij zijn zwaard tusschen ons neerlegde. Immers, wanneer hij zich had willen wreken had hij ons gemakkelijk in den slaap kunnen dooden. Hij heeft dit niet gedaan, dus is hij ons blijkbaar goed gezind. Moeten wij de hand der verzoening, die hij ons reikt, niet aannemen? Wanneer ik u weder veilig in uwe vroegere rechten hersteld weet, verlaat ik het land, maar waar ik ook gaan moog', waarheen het lot mij ook zende, mijn hart blijft steeds bij u en in gedachten zullen wij bij elkander zijn." "Tristan's verlangen gaat uit naar daden van roem en eer", zoo dacht Isolde, maar zij sprak slechts: "Het zij zoo, Heer! Zonder u is mijn leven leeg en waardeloos, maar mijne gedachten zullen u volgen op uwe reizen en wanneer de roem van uwe daden wijd en zijd weerklinkt, zal mijn hart sneller kloppen van trots en vreugde." Zoo verborgen deze beiden hunne innigste gevoelens en poogden slechts elkander moed in te spreken voor de naderende scheiding.