Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 24
Zoo ging het leven aan het hof eenigen tijd voort en allengs werden de beide gelieven stoutmoediger in het beramen hunner plannen. Niet slechts in de bosschen en tuinen om het paleis, maar ook in het slot zelf kwamen zij samen en overmoedig geworden door het welslagen van hun pogen, begonnen zij langzamerhand de noodige voorzichtigheid uit het oog te verliezen. Het spreekt dus van zelf, dat hunne verhouding niet langer een geheim kon blijven voor hunne omgeving. Hier en daar geraakten de booze lastertongen in beweging en naijverige hovelingen bespiedden hunne gangen en zonnen op verraad. Tot dezen behoorde Meriadoc, een der ridders van koning Mark.
Sinds langen tijd was hij jaloersch op Tristan, wien hij diens hooge plaats aan het hof misgunde en nu hij vermoedde, dat er eene schuldige verhouding tusschen hem en de koningin bestond, was al zijn denken en doen er op gericht, om bewijzen te verkrijgen, waarmede hij den nietsvermoedenden koning zou kunnen overtuigen. Het duurde niet lang, of hij verkreeg de zoo zeer gewenschte zekerheid. Om Tristan's handelingen nauwkeuriger te kunnen bespieden had hij, onder voorwendsel van groote vriendschap voor hem te gevoelen, hem verzocht om zijn slaapvertrek met hem te mogen deelen en zoo sliepen de beide ridders thans te zamen in een der zijgebouwen van het paleis. Eens op een nacht ontwaakte Meriadoc door een kouden tocht, die hem langs het gelaat streek en vond tot zijne verbazing de buitendeur van het vertrek openstaan. Onmiddellijk tastte hij naar het bed van Tristan en wat hij vermoedde, bleek juist te zijn: het was onbeslapen. Haastig schoot Meriadoc eenige kleedingstukken aan en begaf zich naar buiten. Het was October en dien nacht was de eerste sneeuw gevallen. Bij het schijnsel der maan bespeurde hij een spoor van versche voetstappen, dat in de richting van het slot leidde. Voorzichtig voegde Meriadoc zijne schreden naar die van zijn voorganger en ziet, bij de omheining gekomen, welke de vertrekken des konings omringde, bemerkte hij, hoe iemand zich door het wegnemen van eene plank toegang had verschaft tot het afgesloten gedeelte. Door de opening heen zag hij, dat de voetsporen rechtstreeks voerden tot de vensters der koninklijke vertrekken. Nu was geen twijfel meer mogelijk; met eene boosaardige grijns op het gelaat zocht Meriadoc zijne legerstede weer op en besloot den volgenden morgen den koning over het gebeurde in te lichten.
Door listige toespelingen en sluwe aanduidingen wist hij den argwaan van koning Mark op te wekken en deelde hem ten slotte zijne vreeselijke vermoedens omtrent de koningin en Tristan mede.
In hevige verontwaardiging wees de vorst de aantijging van de hand en het scheelde niet veel, of hij had den valschen lasteraar in zijne blinde woede terneergeveld. Maar deze gaf den strijd niet op. In geveinsden ootmoed boog hij zich voor zijn vorst en smeekte hem om vergiffenis; hij zwoer hem, slechts de eer van zijn meester voor oogen te hebben bij het indienen zijner aanklacht en wendde voor alleen gedreven te worden door heilige verontwaardiging over het schandelijk bedrog en de grievende beleediging, zijn heer aangedaan. Zijne woorden bleven niet zonder uitwerking op het gemoed van den koning en al wierp hij elke verdenking van zijne jonge vrouw verre van zich af, toch begon hij haar onwillekeurig nauwer gade te slaan in haar doen en laten. Wanneer zij met hare vrouwen bij het haardvuur zat te spinnen en zij Tristan riep, om haar een lied voor te zingen, zwierven de blikken van den vorst onrustig heen en weer tusschen de beide jonge menschen, die zoo vroolijk met elkander praatten en schertsten. Onwilllekeurig trachtte hij in hunne woorden en gebaren eene geheime beteekenis te zoeken en luisterde hij scherper toe, wanneer zij hunne stemmen tot een zacht gefluister lieten dalen. Wanneer hij hen dan bijeen zag, beiden zoo jong en schoon en zijn blik viel toevallig op een der lange wandspiegels, waarin hij zijn eigen beeld weerkaatst zag, gleed er soms een bittere glimlach over 's konings gelaat en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat het geen wonder zou zijn, indien Isolde het gezelschap van een jong en schoon ridder als Tristan verkoos boven het zijne.
Zoo werd het gemoed van koning Mark gepijnigd door vrees en twijfel en weldra kende hij nog slechts één wensch: zekerheid te hebben, ook al ontnam die hem zijne laatste hoop op geluk. Om die zekerheid te verkrijgen verzon hij eene list. Eens op een avond zeide hij tot Isolde: "Liefste, sedert langen tijd rust op mij de verplichting om een pelgrimstocht te ondernemen naar verre streken. Ik wil dien tocht niet langer uitstellen, maar er is één ding, dat mij ervan terughoudt: in wiens zorg zal ik u hier achterlaten? Spreek, aan welken van mijne ridders zou ik u het best kunnen toevertrouwen?" Een glans van vreugde kwam in Isolde's oogen en zij antwoordde zonder aarzelen: "Aan wien beter dan aan Tristan, Heer? Onder zijne hoede zal mij geen kwaad geschieden!" De koning wendde zich zwijgend af, het was hem of eene ijskoude hand zich op zijn hart legde en er alle warmte uit verdreef, nu had hij immers zekerheid aangaande de gevoelens zijner vrouw? Deze echter snelde naar Brangwaine en deelde haar vol blijdschap mede, dat de koning voor langeren tijd op reis dacht te gaan en haar verzocht had, een beschermer te kiezen, die zijne plaats gedurende zijne afwezigheid zou innemen. "Wien hebt gij gekozen?" vroeg Brangwaine en hare meesteres antwoordde lachend" Wien anders dan Tristan!" Maar Brangwaine schudde het hoofd en wees haar op het onvoorzichtige harer woorden, die den koning, zoo hij wellicht eenigen argwaan koesterde, op het spoor harer gevoelens zouden kunnen brengen. Op haar aanraden zeide Isolde den volgenden morgen tot haren gemaal: "Heer, den ganschen nacht hebben mij uwe woorden van gisterenavond in de ooren geklonken en ik begin te gelooven, dat het u ernst was, met hetgeen ge zeidet. Aanvankelijk meende ik, dat ge slechts schertsen wildet en daarom heb ik u ook in scherts geantwoord." Een straal van hoop verlichtte het gelaat van koning Mark. "Wat wilt ge dan?" vroeg hij. "Hebt ge niet Tristan, mijn neef, uitgekozen, om hier te blijven en u te behoeden tegen mogelijk gevaar?" "Zwijg over dien man!" riep Isolde met fonkelende oogen, "meent ge werkelijk, dat ik hem, den moordenaar van mijn oom, tot mijn beschermer zou kiezen? Ik weet, weliswaar, dat hij mij met smeekende oogen en vleiende woorden achtervolgt, maar dat is slechts uit angst voor mijne wraak. Neen, indien hij niet uw neef was, zou ik niet rusten, vóór hij zijne gerechte straf had ondergaan."
Het hart van koning Mark was gerust; zou eene vrouw zóó spreken over hem, dien zij liefhad? Hij schold Meriadoc uit voor verrader en dreigde hem met de vreeselijkste straffen, indien hij zijne beschuldiging durfde herhalen.
Deze liet wijselijk eenigen tijd voorbijgaan, alvorens hij opnieuw met zijne verdachtmakingen bij den koning aankwam en ditmaal ging hij nog omzichtiger te werk, zoodat hij den vorst als 't ware zelf op het denkbeeld deed komen, om zijne gemalin nogmaals op de proef te stellen.
"Vrouwe", zoo sprak hij tot Isolde, "eenigen tijd geleden hebt ge mij gezegd, welk een haat gij mijn neef Tristan toedraagt. Nu ben ik tot het besluit gekomen, dat ik hem liever naar zijn land wil terugzenden, dan dat zijn aanblik u hier eene dagelijksche kwelling is. Daarom wil ik hem vóór mijn vertrek van hier sturen, zoodat hij u gedurende mijne afwezigheid geen overlast kan aandoen". Isolde ontstelde hevig, toen zij deze woorden hoorde en riep terstond: "Neen, edele Heer! dat moogt gij niet doen. Tristan is uw zusters zoon en heeft nooit eenig kwaad jegens u misdreven, integendeel, hij heeft u altijd trouw en eerlijk gediend. Wat deert het u, of ik hem niet lijden mag? Om mijnentwil moogt gij geene onrechtvaardige daad begaan en bovendien zal ik mij wellicht in den loop der jaren met hem verzoenen, daar ik wel inzie, dat hij een dapper ridder is!"
Opnieuw zaaiden hare woorden wantrouwen in het hart des konings en treurig verliet hij het vertrek. Toen Isolde Brangwaine deelgenoote maakte van wat haar bedreigde, wees deze laatste haar ten tweede male op het gevaar van zich aldus bloot te geven en haren raad volgend, sprak Isolde dienzelfden avond tot haren gemaal: "Heer, indien gij werkelijk meent, dat gij, zonder Tristan onrecht aan te doen, hem naar zijn land kunt doen terugkeeren, zoo zou mij niets aangenamer zijn. Zoolang gij hier blijft, is het mij mogelijk zijne tegenwoordigheid te dulden, maar wanneer gij vertrekt, zal de ergernis van hem dagelijks te moeten zien, mij het leven ondragelijk maken. Het beste zou zijn, wanneer gij hier zoudt kunnen blijven of mij met u medenemen."
Ook ditmaal wist zij de stem van twijfel in het hart van haren echtgenoot tot zwijgen te brengen; vol verrukking klemde koning Mark haar aan zijne borst en zwoer, haar nimmer te zullen verlaten.
Zoo waren dus rust en kalmte wedergekeerd in 's konings gemoed, maar de verraders rustten niet en waren er steeds op bedacht, om nieuwe bewijzen van de schuld der koningin te ontdekken. Ter bereiking van dit doel had Meriadoc een dwerg, Melot genaamd, in zijn dienst genomen, die bekend stond om zijne groote geslepenheid. Hij had hem opgedragen, scherp toe te zien op de gangen van de koningin en Tristan. Weldra was ook Melot zeker van hun beider schuld, al was het hem tot nu toe onmogelijk gebleken, hen op heeterdaad te betrappen. In zijne verdenking versterkt door Melot's aanwijzingen begaf Meriadoc zich met eenigen zijner vrienden naar den vorst en eischte op hoogen toon, dat de koning, ter wille van zijn goeden naam en dien van het gansche rijk, Tristan van het hof zou verbannen. Aanvankelijk weigerde Mark om aan hun verzoek te voldoen, maar ten slotte moest hij wel toegeven. Hij begaf zich dus naar Tristan en zeide tot hem: "Booze tongen spreken kwaad van uwe verhouding tot de koningin. Al geloof ik zelf, dat het slechts vuige laster is, wat zij zeggen, toch moet men ook den schijn van het kwade vermijden. Daarom verzoek ik u niet langer de vorstin in hare vertrekken te bezoeken en u voor eenigen tijd van het hof te verwijderen."
Tristan boog het hoofd en ging heen, maar toen hij de ophaalbrug over reed om het kasteel te verlaten, scheen eene plotselinge loomheid in armen en beenen hem het voortgaan te beletten. Hij kwam niet verder dan het marktplein der stad Tintagel, daar huurde hij een woonvertrek en bracht zijn tijd door in droef gepeins over het lot der geliefde.
_Hoe Tristan en Isolde door middel van een beekje met elkaar spraken._ De weken gingen voorbij, Tristan en Isolde kwijnden weg van verlangen en smart. De koningin zat uren lang aan haar venster en staarde zwijgend naar buiten, mijmerend over haar droevig lot. Tristan zat in een hoek van zijn eenzaam vertrek met gebalde vuisten en verwenschte zijn koning en zichzelf. Eindelijk begon Brangwaine, die wist waar Tristan zich schuil hield, zich zóó ongerust te maken over het lijdend uitzien harer meesteres, dat zij peinsde en zon, tot zij ten laatste een middel gevonden had, om de beide gelieven te helpen.
Door de tuinen van het paleis stroomde een helder beekje, dat zijn oorsprong dankte aan eene bron in het naburig bosch. Dit beekje vloeide ook door de vertrekken der koningin, waar het in de warme zomerdagen koelte en verkwikking bracht en den vrouwen eene gelegenheid bood om zich door een bad in het heldere bronwater te verfrisschen. Dit beekje nu moest als liefdesbode dienen. Wanneer Tristan de kans schoon zag om de koningin tot een onderhoud in den slottuin uit te noodigen, wierp hij, op aanraden van Brangwaine, eenige berkentakjes, waarop hij met een scherp voorwerp inkervingen had gemaakt, in het water, om de plaats van samenkomst aan te geven. Het beekje droeg die takjes op den stroom mede en onder de marmeren overkapping door het paleis binnen, tot in de kamer van Isolde. Zoo konden dus de beiden met elkander spreken, zonder dat iemand vermoedde, wie daarbij hun tolk was.
Wie beschrijft de vreugde van het eerste ontmoeten na zoo lange scheiding? Als een donkere vlinder zweefde Isolde in het nachtelijk uur den slottuin in, waar Tristan haar met uitgespreide armen en een onderdrukten kreet van verlangen ontving. Hij voerde haar mede naar een donkeren hoek van het park, waar de sterren door het dichte gebladerte gluurden en het klateren van het beekje het eenig geluid was, dat de stilte verbrak. Den ganschen nacht bleven zij te zamen in de hoogste zaligheid en eerst in de grijze ochtendschemering, toen de omtrekken van het paleis zich vaag begonnen af te teekenen tegen den roodgekleurden morgenhemel, sloop Isolde terug naar hare vertrekken.
Eenigen tijd lang gelukte het hun, deze nachtelijke bijeenkomsten voor hunne bespieders verborgen te houden, maar weldra ontdekte het waakzaam oog van Melot hun zoet geheim. Vol trots ging hij tot den koning en zeide hem, dat, indien hij slechts zijn voornemen te kennen gaf om voor eenige dagen op de jacht te gaan, hij, Melot, hem weldra het overtuigend bewijs van de schuld der koningin zou kunnen leveren.
Het hart vol bittere schaamte over deze slinksche handelwijze voldeed koning Mark aan het verzoek. Hij zeide tot Isolde, dat hij een verren jachtrit ging ondernemen en dus voor eenige dagen van huis zou zijn. Wat de dwerg vermoed had, gebeurde. Dienzelfden avond nog sloop Tristan den tuin van het kasteel binnen, begaf zich naar de bron en wierp eenige takjes in het beekje, die op den vluggen stroom heendreven in de richting van het paleis. Peinzend stond hij daarna aan den rand van het water en volgde in gedachten de boden zijner liefde, die Isolde tot hem zouden roepen. Maar--wat zag hij daar in het door de maan beschenen water--In de takken van den boom, welke in het beekje weerspiegeld werden, bewogen twee gestalten: het waren de koning en Melot, die zich daar verborgen hadden, ten einde hun samenzijn te bespieden. Bliksemsnel kruisten de gedachten door Tristan's brein, vóór alles vreesde hij, dat Isolde, die zoo dadelijk, nietsvermoedend, daarheen zou komen, door hare woorden, haar groet, al dadelijk hun geheim zou verraden. Wat te doen? Ongetwijfeld hadden de takjes Isolde nu reeds bereikt en wellicht maakte zijne liefste zich op dit zelfde oogenblik gereed om vol vreugde naar hem toe te snellen. Angstig tuurde hij in de richting van het paleis en ziet, daar naderde reeds eene donkere gedaante. Het was Isolde, die ook hem reeds bemerkt had. Haar hart klopte onstuimig van vreugde en verlangen, zoo dadelijk zou hij op haar toesnellen en haar omvatten met zijne sterke armen. Maar waarom bleef hij zoo onbeweeglijk staan, waarom kwam hij haar niet als gewoonlijk tegemoet om haar te omarmen, nog eer zij de plaats van samenkomst had bereikt? Hare denkvermogens waren door de liefde en de geheimhouding zoozeer gescherpt, dat zij terstond onraad vermoedde en nauwkeurig speurde zij dus rond om te ontdekken, vanwaar het gevaar kon komen. Daar ontdekte zij in den boom de twee gedaanten en onmiddellijk wist zij, wat haar te doen stond. Met kalmen tred naderde zij de plek, waar Tristan haar stond op te wachten en sprak op koelen, hooghartigen toon: "Heer ridder! aan uw dringend verzoek om een onderhoud heb ik gehoor gegeven. Het moet inderdaad wel een zeer gewichtige reden zijn, waarom ge mij op dit nachtelijk uur naar buiten roept. Zeg mij vlug, wat gij op het hart hebt, want weet, dat door hier te komen, ik mijn goeden naam in gevaar breng. Wat zou de koning ervan denken, indien hij wist, dat ik aldus bij nacht en ontij in het park ronddool, om u te ontmoeten? Spreek dus en wees een volgend maal verstandiger in de keuze van uw tijd!" Tristan begreep terstond, waarom Isolde zoo sprak en hij antwoordde haar dus ootmoedig: "Edele Vrouwe! ik liet u om een onderhoud verzoeken, omdat ik u smeeken wilde, de goede verstandhouding tusschen mijn koning en mij te herstellen. Mijn geheele leven heb ik hem trouw gediend; de heerschappij over mijn land heb ik om zijnentwil afgestaan; Morholt heb ik met gevaar van mijn leven verslagen en ik heb door mijne worsteling met den draak eene schoone vrouw voor mijn vorst veroverd. Wat is mijn dank voor dit alles? Als een lastigen bedelaar zendt hij mij weg van het hof, zoodra hem zulks belieft!" "Inderdaad", antwoordde Isolde, "ik heb medelijden met uw droevig lot, maar hoe kan ik u helpen? Wanneer ik uwe zaak bij den koning bepleit, zullen mijne woorden slechts strekken om zijn wantrouwen aan te wakkeren en uw lot zal daardoor eer slechter dan beter worden. Zijn trouw en edel hart is vergiftigd door de valsche leugens, welke men hem inblaast en ik sta machteloos daar tegen".
"Welnu dan", hernam Tristan, "het zij zoo! Leugen en bedrog zijn machtiger vijanden dan ijzer en staal. Van dit oogenblik af geef ik den strijd daartegen op en zal morgen van hier trekken, om nimmer terug te keeren! Vaarwel Vorstin! gij hebt mij twee maal het leven gered, geen wonder dus, dat ik u aanhang in onderdanige liefde en trouw. Moge het u wel gaan en moge uw gemaal spoedig het onrecht inzien, dat hij u aandoet."
Met deze woorden scheidden de twee gelieven, koning Mark echter, die tot in het diepst van zijn hart geroerd was door hetgeen hij gehoord had, keerde zich vol woede tegen den dwerg, slingerde hem uit den boom tegen den grond en zou hem zeker gedood hebben, als niet Melot zich met een behendigen sprong uit de voeten gemaakt had. Hij vluchtte uit het rijk en besloot niet terug te keeren, vóór de koning hem gunstiger gezind zou zijn dan thans.
Den volgenden morgen reeds keerde de vorst terug naar zijn paleis. Zóózeer verlangde hij naar zijne jonge vrouw, van wier onschuld hij thans ten volle overtuigd was, dat hij eene reden verzon om zijne voorgewende reis te onderbreken en in aller ijl naar Tintagel terugkeerde. Toen hij Isolde vroeg, hoe zij gedurende zijne afwezigheid den tijd had doorgebracht, antwoordde zij hem: "Heer, wij vrouwen zijn vreemde wezens. Wie op ons medelijden werkt, kan met ons doen, wat hij wil en kan onze hulp en steun inroepen voor zijne zaak, ook al heeft die zelve niet onze volle instemming." "Wat bedoelt gij, liefste?" vroeg de koning. "Heer", antwoordde Isolde, "bij het spreken dezer woorden dacht ik aan Tristan. Hij heeft zich bij mij beklaagd over de hardvochtige wijze, waarop hij door u behandeld is geworden. Hij ziet zich gedwongen, van hier te gaan, al doet het hem leed u te verlaten. Hoewel gij weet, dat ik hem niet mag lijden, werd ik toch door zijne woorden geroerd en besloot om nog éénmaal een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Daarom verzoek ik u, zijne trouw en zijne verdiensten te gedenken, alvorens gij hem naar zijn land laat terugkeeren."
"Dat zal ik", riep de vorst vol vreugde uit. "Nog heden zend ik een boodschapper om Tristan op te sporen en van nu af aan zal hij weer zijne oude plaats innemen aan mijn hof en in mijn hart, vanwaar naijver en boosheid hem verjaagd hadden."
Zoo geschiedde het. Tristan keerde terug naar het hof en ten aanzien der geheele hofhouding verzoende de vorst zich met zijn neef. Wel morden en klaagden de baronnen, maar de koning was voor het oogenblik geheel doof voor hunne aantijgingen en genoot met volle teugen van zijn herkregen geluk.
Maar ook ditmaal was zijne rust niet van langen duur. Meer en meer verspreidde zich onder de leden der hofhouding het gerucht van de zondige verhouding, die bestond tusschen koningin Isolde en Tristan, den neef des konings. Zelfs het volk in de straten van Tintagel lachte meesmuilend, wanneer de grijze vorst met zijne jonge gemalin voorbij reed en bespotte hun koning over zijne verblindheid. Toen kwamen op een dag de baronnen in grooten getale bijeen, begaven zich naar koning Mark en eischten, dat hij in deze zaak recht zou doen en zijne eer en die van zijn hof voor verderen smaad zou behoeden.
Het duurde lang, eer zij Mark konden overtuigen, dat hij handelend moest optreden, indien hij wilde voorkomen, dat zijn huwelijk tot een onderwerp van spot werd voor het gansche volk. Eindelijk dreigden zijne ridders hem dat, indien hij niet aan hunnen wensch wilde voldoen, zij zich in hunne burchten zouden terugtrekken en hem allen gezamenlijk den oorlog zouden aandoen. Voor deze bedreiging moest de vorst zwichten en hij stemde erin toe, om Melot uit zijne ballingschap terug te roepen en hem nogmaals eene kans te geven, zijne beschuldiging door overtuigende bewijzen waar te maken.
De gelegenheid daartoe liet niet lang op zich wachten. Eens op een avond nam de dwerg den koning ter zijde en sprak tot hem: "Sire, het oogenblik is gekomen, waarop ik u door feiten kan aantoonen, dat, wat ik zeide omtrent de koningin en Heer Tristan, waarheid was. Let nu goed op, wat ik u zeg. Heden avond, wanneer Tristan reeds te bed ligt, moet gij hem opdragen, om vóór het aanbreken van den dag eene dringende boodschap naar het hof van koning Arthur te brengen. Gij zelve moet uw voornemen te kennen geven om te middernacht de mis bij te wonen. Daardoor zult gij uwe gemalin alleen achterlaten. Voor wat verder dient te geschieden zal ik zorg dragen."
De koning deed, wat hem verzocht was. Eenigen tijd nadat Tristan zich ter ruste had begeven in een hoek van de groote zaal, waar ook de koning en koningin sliepen, trad Mark aan zijne legerstede en beval hem, om bij het eerste ochtendgloren zijn paard te zadelen en zich op weg te begeven naar het paleis van koning Arthur te Winchester, om hem een dringenden brief te overhandigen.
De eerste gedachte van Tristan was, dat hij niet heen kon gaan zonder afscheid te hebben genomen van Isolde en zoodra hoorde hij niet, dat Mark zich gereed maakte om de nachtelijke mis in de slotkapel te gaan bijwonen, of hij besloot van die afwezigheid gebruik te maken, om zijn plan te volvoeren.
Stilte heerschte in de groote zaal, waaruit de koning met zijn gevolg zooeven ter kerke was getogen.