Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 23

Chapter 233,932 wordsPublic domain

Isolde zag hem peinzend aan. Vanwaar toch dat fiere zelfbewustzijn in dien eenvoudigen speelman? Zou men niet denken, dat hij van edele geboorte was, wanneer men hem hoorde spreken en zingen? Zijne beschaafde, zachte stem, zijn edele bouw en fiere gelaatsuitdrukking, alles scheen er op te wijzen, dat hij slechts voorgaf een eenvoudig muzikant te zijn. Wie weet, was hij niet een koningszoon, die, gedreven door een luim of gril, met zijne harp door het land trok uit zucht naar avontuur! De romantische verbeelding van het jonge meisje werd geprikkeld door de schoonheid en hoffelijkheid van den jongen vreemdeling en vaak onderzocht zij zijne wapenen en kleederen, of zij niet een kenteeken kon ontdekken, dat haar eenig licht omtrent zijne afkomst kon verschaffen.

Wanneer Tristan haar aldus bezig zag, kon hij een glimlach niet onderdrukken en deze versterkte Isolde in hare overtuiging, dat hij iets voor haar verborgen hield. Eens op een dag, dat zij bij Tristan's legerstede was gezeten en hij haar opnieuw verteld had, hoe hij den draak had gedood, nam zij spelend het zwaard op, dat naast zijn bed hing, trok het uit de scheede en liet de zonnestralen in het glinsterend staal weerkaatsen. Haar oog werd getroffen door den edelen vorm van het wapen en langzaam gleed haar blik langs het blinkend lemmer, tot hij rusten bleef op eene kerf onderaan bij het gevest. Hoe vreemd, dat een prachtig zwaard als dit zóó geschonden was, waar had zij dien vorm van keep toch meer gezien? Plotseling schoot haar iets te binnen en snel opspringend liep zij naar een hoek van het vertrek, waar zij in een fraai houten kistje den metaalsplinter bewaarde, welken men in Morholt's schedel gevonden had. In een oogwenk had zij dien in het zwaard gevoegd en ziet, hij paste volkomen! Een oogenblik scheen het, of haar hart stilstond, toen begon het te bonzen en te kloppen van woede en schrik. Hare moeder en zij hadden dus Tristan, den moordenaar van haar dierbaren oom, met zoo veel zorg verpleegd. Tantris, de speelman, was Tristan--Tantris--Tristan! zoo flitste het door haar brein, klonk dat niet als een raadsel, een eenvoudig spelletje, waarmede men kinderen zoet houdt en waardoor zij beiden om den tuin waren geleid? Stikkend bijna van woede en schaamte liep zij met het zwaard in de opgeheven hand op Tristan toe, terwijl zij uitriep: "Laffe moordenaar, die ons door listig woordenspel wildet misleiden! Thans weet ik, wie gij zijt en dit zweer ik u, gij zult uwe gerechte straf niet ontgaan! Hetzelfde zwaard, waarmede gij Morholt den doodslag toebracht, zal ook uw dood zijn!" Dreigend zwaaide zij het wapen boven zijn hoofd. Tristan echter zag haar onverschrokken in de oogen en antwoordde kalm: "Sla toe, schoone Isolde, maar bedenk, dat hij, dien gij doodt, uw gast is, die zich vol vertrouwen in uw huis gewaagd heeft en dat hij geene andere zonde bedreven heeft, dan dat hij in een eerlijken strijd, waartoe hij bovendien door Morholt was uitgedaagd, zijn tegenstander heeft verslagen! Wilt gij nochtans uw wraakzuchtig voornemen ten uitvoer brengen, zoo ben ik bereid te sterven. Mocht ge ooit wroeging over deze daad gevoelen, zoo zult gij in de armen van Agavin al ras het onrecht vergeten, dat gij uw gast hebt aangedaan!" Deze laatste woorden misten hun doel niet! Weenend sloeg de jonge prinses de handen voor het gelaat en verliet haastig het vertrek.

Tristan echter begaf zich naar koning Gumurun en bekende hem openlijk zijn naam en afkomst. Daarbij deelde hij den vorst het doel zijner komst mede en verzocht hem eerbiedig om de hand zijner dochter voor zijn oom, koning Mark van Cornwallis. In levendige termen schilderde hij hem af, welke voordeelige gevolgen deze verbintenis voor het gansche rijk zou medebrengen en welke hulde en eerbetoon prinses Isolde in het rijk van haren toekomstigen gemaal te wachten stonden. Zijne woorden hadden de gewenschte uitwerking; weldra stemde Gumurun toe in het vereerend aanzoek, dat vrede en vriendschap zou brengen tusschen Ierland en Cornwallis. In aller ijl begaf Tristan zich nu aan boord van zijn schip, waar men zich reeds hevig ongerust begon te maken over zijne afwezigheid en gebood den baronnen zich in hunne fraaiste kleederen aan land te begeven en de koffers met bruidsgeschenken, welke voor Isolde bestemd waren, met zich mede te brengen.

Inmiddels was de dag aangebroken, waarop Agavin met de Roode Haren in tegenwoordigheid der gansche hofhouding zijne aanspraken op de hand van prinses Isolde zou bewijzen en haar openlijk als zijne bruid zou opeischen.

De groote troonzaal van het paleis was gevuld met eene dichte menigte, die in druk gepraat de kansen van den drost besprak. Plotseling viel eene diepe stilte onder de verzamelden en aller oogen richtten zich naar de deur, door welke de honderd ridders en de twintig edelen uit Cornwallis in plechtigen optocht de zaal binnentraden.

Vol bewondering staarden de aanwezigen naar de schitterende uitrusting en de fiere houding der vreemdelingen en verbaasd vroeg men elkander af, vanwaar deze ridders gekomen waren. Tristan's volgelingen namen zwijgend plaats ter rechterzijde van den troon. Weldra verschenen ook koning Gumurun met zijne gemalin en de jonge prinses, die bleek en angstig om zich heen zag. Nadat de herauten tot stilte hadden gemaand, stond Agavin met de Roode Haren, die ter linkerzijde van den troon was gezeten, op van zijn zetel en begon in snoevende bewoordingen verslag uit te brengen van de wijze, waarop hij den draak had omgebracht. Met druk stemgeluid en heftig handgebaar poogde hij zijne hoorders van de waarheid zijner woorden te overtuigen en toen hij ophield met spreken en als laatste bewijsstuk den kop van den draak aan de voeten des konings neerlegde, zag hij triomfantelijk rond als om de aanwezigen te tarten, het verhaalde te logenstraffen.

In de diepe stilte, die op zijne woorden volgde, viel met donderend geluid Tristan's stem, die uitriep: "Sire, ik beschuldig dezen man voor God en u allen van leugen en bedrog! Niet hij heeft den draak gedood, maar ik! Niet hij heeft daarom recht op de hand der prinses, maar ik! Wanneer gij zulks eischt, wil ik mijne bewering met kracht van wapenen staven!"

De drost was onwillekeurig achteruitgedeinsd bij het vernemen dezer beschuldiging, en toen Tristan zweeg en hem verwachtend aanzag, poogde hij tevergeefs eenig zelfvertrouwen uit zijne stem te doen klinken, toen hij antwoordde: "Wat behoeft men door wapenen te bewijzen, wat door de feiten reeds zonneklaar is aangetoond? Heb ik niet den kop van den draak meegebracht als getuigenis voor wat ik deed en blijkt hieruit niet reeds voldoende, dat ik inderdaad het monster gedood heb?"

Maar Tristan lachte spottend en sprak luide:

"Den kop hebt ge het doode monster afgeslagen en dien hierheengebracht, maar zeg mij, waarde drost, waar hebt gij de tong gelaten? Vergis ik mij niet, dan hebt gij die in de haast vergeten!" Fluks snelden de dienaren van den vorst toe en braken den bek van het ondier open en inderdaad, de tong was afgesneden! Tristan haalde haar zegevierend uit zijn zak te voorschijn en riep: "Ziehier, edele heeren! Is het u nu voldoende gebleken, hoe deze leugenaar u trachtte te misleiden? Zoo niet, dan zal ik hem op andere wijze dwingen zijne valschheid te bekennen!" Met deze woorden greep hij naar zijn zwaard en snelde op Agavin toe, deze echter week verschrikt terug en onder het daverend hoongelach van alle aanwezigen verliet hij ijlings door eene zijdeur het vertrek.

Van alle kanten verdrong men zich nu om Tristan, om hem met zijne heldendaad geluk te wenschen en met luider stem verzochten de ridders hem om zich aan hen bekend te maken.

Tristan trad eenige schreden terug, om zich ruimte te verschaffen, hief het hoofd fier omhoog en sprak, zóó luid dat allen het hooren konden: "Mijn naam is Tristan van Ermonie!"

Een oogenblik was het doodstil in de groote zaal, toen scheen het of er eene trilling door de menigte ging en een verward geroep van stemmen brak los. "Weg met den moordenaar! Slaat hem dood! Gedenk Morholt!" Zoo klonk het van alle kanten en dreigend drongen de Ieren op Tristan toe. De ridders en baronnen uit diens gevolg schaarden zich beschermend om hem heen, maar Tristan zelf verloor geen oogenblik zijne kalmte. Rustig trad hij voor den koning en herhaalde zijne woorden.

Toen zagen de Iersche ridders tot hunne groote verbazing, hoe koning Gumurun zich vooroverboog en Tristan den vredeskus gaf. Het roepen bedaarde om plaats te maken voor een toornig gemompel, maar koning Gumurun verhief zich van zijn zetel en riep uit: "Van nu af aan zij er vrede tusschen de rijken van Cornwallis en Ierland. De oude veeten en grieven worden begraven en tot teeken der algeheele verzoening vertrouw ik mijne eenige dochter toe aan dezen ridder, opdat hij haar met zich voere naar zijn land, waar zij de bruid zal worden van zijn heer en meester, koning Mark."

Deze oplossing scheen allen te bevallen, luide toejuichingen barstten los en onder de jubelkreten der aanwezigen legde koning Gumurun de hand van prinses Isolde in die van Tristan als plechtig teeken harer verloving met koning Mark.

_Hoe Tristan en Isolde aan boord van het vaartuig, dat hen naar Cornwallis zou brengen, den liefdesdrank dronken._ Toen nu de dag naderde, waarop Isolde zich aan boord van het schip zou begeven, dat haar naar Cornwallis moest brengen, begaf de koningin, hare moeder, zich naar buiten op de heuvelen rondom de stad en verzamelde daar kruiden tot het bereiden van een liefdesdrank. In haar hart twijfelde zij eraan, of de bejaarde koning er in zou slagen de liefde zijner jonge bruid voor zich te winnen en daarom nam zij al hare kunde en wijsheid in het zoeken van kruiden te baat om de harten dier beiden tot elkander te brengen. Onder het prevelen van tooverspreuken en innige gebeden voor het welzijn en het geluk harer dochter, kookte zij die kruiden tot een drank, welke de kracht bezat, om de harten van hen, die hem dronken, in liefdegloed te doen ontvlammen en door onverbreekbare banden levenslang aan elkaar te snoeren. Toen de drank gereed was, goot zij het kostbare vocht in eene aarden kruik en beval Brangwaine, die hare jonge meesteres naar haar nieuwe vaderland zou vergezellen, den inhoud daarvan over twee bekers te verdeelen en die Isolde en haar echtgenoot op hunnen huwelijksavond ten dronk te reiken. Zij droeg Brangwaine op, de uiterste voorzichtigheid er mede te betrachten, opdat de drank niet in verkeerde handen zou geraken en wees haar op de noodlottige gevolgen, die ontstaan konden, wanneer dit onverhoopt gebeurde.

Het afscheid was genomen en het vaartuig met prinses Isolde aan boord stevende langzaam de haven uit, de open zee tegemoet. Vroolijk klonk het gezang der zeelieden en in opgewekte stemming zaten de ridders van koning Mark bijeen. Het doel hunner reis was bereikt! Wat geen hunner had durven droomen was geschied: de schoone prinses met de blonde haren zou de gemalin van koning Mark worden en daarmede was niet alleen de toekomst van hun rijk verzekerd, maar waren tegelijk ook de aanspraken van Tristan op den troon nietig verklaard. Deze laatste stond zwijgend tegen den mast geleund en tuurde in het blauwe verschiet. In zijne gedachten doorleefde hij opnieuw het afscheidstooneel tusschen Isolde en hare ouders en vrienden. Hij zag, hoe de jonge prinses zich onder bittere tranen vastklemde aan hare moeder en haar smeekte, om in Ierland te mogen blijven, bij allen, die ze liefhad, in plaats van te moeten gaan naar het vreemde land, waar zij niemand kende en waar zij de vrouw zou moeten worden van dien vreemden koning, dien zij nooit te voren gezien had. Maar hare smeekbeden waren vergeefsch geweest. Met zachten drang had de koningin zich los gemaakt uit hare armen en had tot haar gesproken van de hooge plichten, welke haar in haar nieuwe vaderland wachtten. Zij had hare dochter erop gewezen, hoe zij daar het leven van haren toekomstigen gemaal met haar zonnigen lach zou weten op te vroolijken, hoe zij gehuldigd zou worden als vorstin over een machtig en groot land en hoe door haar toedoen een hechte band zou ontstaan tusschen Ierland en Cornwallis, die beide rijken ten goede zou komen.

Nog zag Tristan in zijne verbeelding, hoe de jonge prinses op het oogenblik, dat de ankers gelicht werden en de boot zich langzaam van de kade verwijderde, zich over de verschansing had heengebogen en met uitgestrekte armen om hare moeder had geroepen, hoe zij eindelijk, half bezwijmd in de armen harer trouwe dienares was gevallen en hoe deze haar weggedragen had naar de rijkversierde tent, die te haren behoeve op het dek van het vaartuig was opgeslagen. Sindsdien had Tristan haar niet meer gezien, maar het hartroerend afscheid had de vreugde over het welslagen van zijn tocht vergald en steeds weer vroeg hij zich af, of hij geen onrecht beging door dit jonge meisje in de armen van koning Mark te voeren.

De eerste uren na het vertrek was de reis voorspoedig, maar allengs ging de wind liggen en moesten de zeelieden de riemen ter hand nemen, wilde men het schip in beweging houden. De hitte was drukkend; fel brandden de zonnestralen op het dek en boven Isolde's tent hing de koninklijke standaard slap terneer. Op het middaguur werd de warmte zóó ondragelijk, dat er bevel werd gegeven, het roeien te staken en de uitgeputte zeelieden strekten zich op het dek uit, om te rusten. Onbeweeglijk lag het schip op de blauwe zee; de edellieden en ridders waren meerendeels ingeslapen, alleen Tristan waakte. De gordijnen voor Isolde's tent waren teruggeslagen en door de opening was de gestalte der jonge prinses zichtbaar, uitgestrekt op eene lage rustbank.

Tristan naderde de tent en boog zich eerbiedig voor haar neder. Belangstellend vroeg hij, hoe zij het maakte en trachtte met haar in gesprek te raken; na eenige moeite gelukte hem dit en wist hij haar zelfs zoover te krijgen, dat zij hem eenige vragen stelde over het leven en de gebruiken in haar nieuwe vaderland. Zoo spraken zij eenigen tijd met elkander, tot Isolde, dorstig geworden door de hitte, hem vroeg, haar een teug wijn te brengen. Tristan begaf zich naar de plek, waar de wijn bewaard werd, maar ziet, deze was tot den laatsten droppel door de dorstige zeelieden opgedronken. Wat nu te doen? Hij kon de prinses toch geen beker water aanbieden? Aarzelend zag hij om zich heen, daar ontdekte zijn oog in een hoek eene kleine aarden kruik hij nam haar op, goot den inhoud in een zilveren drinkbeker en tot zijne verbazing was het wijn, diep donkerroode wijn, waaruit een zoete geur omhoogsteeg.

Vol vreugde bood hij den beker aan Isolde, deze nam hem gretig aan, zette hem aan den mond en dronk eruit met lange teugen, daarop bood zij hem op hoffelijke wijze aan Tristan en beduidde hem, den beker te ledigen. Deze voldeed aan haar verlangen, maar nauwelijks was het vocht hem door de keel gevloeid of eene vreemde, zoete bedwelming scheen over hem te komen. Langzaam dronk hij verder en terwijl hij dit deed scheen het of zijne oogen met onweerstaanbare kracht naar Isolde werden getrokken. Of--was dit inderdaad Isolde? dit jonge meisje met de vochtig glanzende oogen, die hem aanzagen, zóó vreemd--zóó innig, als nog nooit eene vrouw hem aangezien had? Haar mond was half geopend, haar adem kwam snel en hijgend. Waarom zag ze hem zoo aan, waarom strekte zij hare handen uit, als om steun te zoeken? Zou zij, evenals hij, dien onweerstaanbaren drang in zich gevoelen, die hem naar haar toe dreef, die hem woorden en klanken deed stamelen van liefde en innigheid, die hem deed hunkeren om haar in zijne armen te nemen en haar te kussen: hare oogen, hare blonde haren en hare roode lippen? Een oogenblik zagen de beiden elkander aan: toen klonk het zacht "Isolde!" en daarna "Tristan!" en Tristan hield de bruid van koning Mark in zijne armen.

Een luide kreet wekte hen uit hun zoeten droom. Met opgeheven handen stond Brangwaine voor hen: "Meesteresse, wat hebt gij gedaan!" riep zij in vertwijfeling; "gij hebt van den tooverdrank gedronken, die u en uwen gemaal door eeuwige liefde te zamen moest binden en ziet, wat nu geschied is!" Van nu af aan klopt uw hart slechts voor dezen vreemdeling en nooit zal koning Mark erin slagen, uwe liefde te winnen! Mijne arme meesteres, het is de dood, dien gij beiden uit dezen beker gedronken hebt!

Tristan en Isolde zagen elkander aan, toen sprak de eerste plechtig: "Indien het waar is, wat ge zegt, zoo zou ik liever duizend dooden sterven, dan voort te leven zonder den troost dezer liefde!" en opnieuw drukte hij Isolde aan zijn hart.

Jammerend en de handen wringend van wroeging en smart verliet Brangwaine de tent. Tevergeefs zon zij op middelen, om de dreigende ramp te voorkomen, de liefdesdrank had zijne uitwerking niet gemist.

Toen de avond viel en de schemering daalde over het breede watervlak, toen alle geluid aan boord verstomd was en slechts het kabbelen der golfjes tegen de kiel van het schip de stilte verbrak, waren de gordijnen van Isolde's tent gesloten. De standaard van koning Mark hing slap en mistroostig omlaag en voor de tent hurkte eene eenzame gedaante: Brangwaine, die met angst en wanhoop in het hart waakte over het eerste samenzijn der twee gelieven.

Na eene voorspoedige reis naderde het schip de rotsen van Cornwallis. Groote vreugde heerschte onder de baronnen, die van den koning eene vorstelijke belooning verwachtten voor het welslagen hunner onderneming en de gevaren, waaraan zij zich om zijnentwille hadden blootgesteld. Onder opgewekten kout bracht men den tijd door, die nog verloopen moest, eer men voet aan wal kon zetten, lach en scherts weerklonken aan alle kanten.

In hare tent zat Isolde en liet zich door hare dienaressen tooien en sieren voor de eerste ontmoeting met haren bruidegom. Zij kleedden haar in een ruim, loshangend gewaad van glinsterende zijde, zij vlochten haar paarlen en robijnen door het blonde haar en voortdurend spraken zij haar van den luister en pracht van Mark's hofhouding en de schitterende feesten, waarmede hij zijn huwelijk dacht te vieren. Nooit nog waren er zulke toebereidselen gemaakt als voor deze gelegenheid, nooit nog waren er zulke festijnen aan het hof gehouden als die, waarmede koning Mark zijne jonge bruid zou huldigen.

Maar zij, die de hoofdpersoon moest wezen op deze feesten, zag er bleek en bedrukt uit; op de opgewonden verhalen harer vrouwen antwoordde zij met een matten glimlach en eerst toen Tristan liet vragen of zij gereed was, daar men de kust naderde, scheen zij uit hare verdooving te ontwaken. Met een gebiedend gebaar zond zij hare dienaressen heen, met uitzondering van Brangwaine, die zij verzocht te blijven. Toen zij beiden alleen waren, stond zij haastig op, greep hare trouwe vriendin bij den arm en fluisterde haar toe: "Brangwaine, ik moet u om een dienst verzoeken, die moeilijker en zwaarder te volbrengen is, dan eenige dienst, dien ge mij ooit bewezen hebt. Nochtans moet ik er u om vragen. Zult ge mij dien dienst weigeren?" "Vrouwe", antwoordde Brangwaine, "indien het in mijn vermogen is, u te helpen, dan zal ik het doen, meer kan ik niet beloven!" "Nu, luister dan", sprak Isolde; "gij en gij alleen weet, wat er is geschied, gij weet dat mijn lichaam en ziel Tristan toebehooren en dat de gedachte aan een anderen echtgenoot mij doet rillen van vrees en afkeer. Niettemin zal koning Mark mij tot zijne vrouw maken. Om die afschuwelijke gebeurtenis te verhinderen moet gij mij helpen. Wanneer de gasten den koning en mij naar het bruidsvertrek hebben geleid en de lichten gedoofd zijn, moet gij mijne plaats aan de zijde des konings innemen, in het duister zal hij uw gelaat niet herkennen en eer de dag aanbreekt, zal ik u aflossen. Spreek, wilt gij dit voor mij doen?"

Langen tijd hield Brangwaine het hoofd gebogen; zij voerde een vreeselijken strijd in haar binnenste, maar eindelijk hief zij het gelaat omhoog, haar oogen stonden vol tranen en een trek van pijn groefde zich om haar mond, toch klonk hare stem vast en kalm, toen zij zeide: "Ik zal doen, wat gij mij vraagt." Daarop vlood zij heen uit vrees, zich niet langer te kunnen beheerschen.

Aan den steiger, die met groen en bloemen was versierd, wachtte een uitgelezen gezelschap de aankomst der boot af. Vooraan stond koning Mark, den gouden kroon op het hoofd en tuurde in onrustige spanning naar het schip. Toen Isolde den voet aan land zette ging er een gemompel van bewondering door de verzamelde menigte, want de jonge prinses was schoon als de morgenstond. De zon verlichtte haar gouden haren en speelde om hare lieflijke gestalte en toen zij op den koning toetrad was het, of er iets van het warme licht, dat haar omstraalde, in zijn eenzaam hart drong.

Tristan zelf voerde Isolde aan zijne hand en bracht haar naar zijn oom; toen zij voor den koning genaderd waren, sprak hij met luider stem: "Sire, ingevolge uwe bevelen breng ik u prinses Isolde van Ierland, die gij als uwe bruid hebt uitverkoren." Daarna liet hij de hand der prinses los, boog en verdween onder de menigte.

Met grooten luister en praal werd het bruiloftsfeest gevierd en alle gasten waren het er over eens, dat men nooit schooner en bevalliger bruid gezien had dan Isolde met de Gouden Haren. Wel vond men haar wat bleek en stil, maar men schreef dit toe aan de vermoeienissen der reis en den indruk, dien haar nieuwe staat en de vreemde omgeving op haar maakten.

Toen de nacht zijne donkere sluiers over de aarde spreidde, werden de lichten in het paleis gedoofd en geleidde men, volgens aloud gebruik, de jonggehuwden naar het rijk versierde slaapvertrek. Spoedig daarna had de verwisseling plaats. In het korte oogenblik, dat Mark zijne jonge vrouw alleen liet, sloop deze heen, om plaats te maken voor Brangwaine en zij, die bevend in zijne armen lag, was niet Isolde met de Gouden Haren, maar hare trouwe dienares.

Vreugde en zonneschijn hadden aan het hof van koning Mark hunne intrede gedaan met de komst van diens jonge gemalin. Een nieuw, jong leven vulde de groote zalen van het paleis met blij geluid; zang en snarenspel weerklonken in den stillen slottuin.

Koning Mark was innig gelukkig met zijne schoone vrouw; zijne oogen straalden blij, zijn gang was veerkrachtig en fier en telkens weer zegende hij de ingeving, die hem had doen toestemmen in den eisch der baronnen, om zich eene bruid te zoeken. Ook Isolde was gelukkig; haar echtgenoot liet haar uit kiesche bescheidenheid volle vrijheid en zoo wist zij elken dag eenige oogenblikken te vinden om met haren geliefde samen te zijn. Die oogenblikken waren haar eigenlijk leven; den overigen tijd leefde zij als in een droom, doorproevend de zaligheid van het doorleefde en reikhalzend uitziend naar eene volgende samenkomst. De menschen om haar heen hoorde en zag zij slechts vaag, zóó zeer waren hare gedachten vervuld van wat zij daar binnen in haar hart voor schoons en heerlijks verborgen hield, maar zij had voor elk een vriendelijk woord en een droomerige, lieve glimlach speelde steeds om haar mond.

En Tristan?--voor hem, den man, die zich niet geheel kon overgeven aan de bedwelmende bekoring van den hartstocht, was het leven eene foltering. Gedreven door een gevoel van schuld tegenover zijn koning, die hem steeds met liefde had omringd, streed hij in zijn binnenste een voortdurenden strijd tegen de alles overheerschende macht der liefde. Slechts in de uren van samenzijn met Isolde kon hij voor een oogenblik de kwellingen van schaamte en wroeging vergeten, die hem het bestaan ondragelijk maakten.