Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 22
Naarmate de weken verliepen en onze held weer geheel zijne vroegere plaats aan het hof had ingenomen, groeiden de nijd en afgunst van de baronnen en konden zij zich hoe langer hoe minder vereenigen met het feit, dat Tristan eens hun heer en vorst zou zijn. Wat, deze vreemdeling, deze bastaard, zou hun koning worden en regeeren over het schoone land van Cornwallis? Waarom konden zij geen rechtmatigen erfgenaam van den troon hebben? het was immers de plicht van ieder vorst om daarvoor te zorgen! Nog was het niet te laat, koning Mark was weliswaar niet jong meer, maar toch nog niet te oud om een huwelijk aan te gaan en dat er geen prinses te vinden zou zijn, die den troon met hem wilde deelen, dat kon men toch niet aannemen! Op grond van deze overwegingen begaven zij zich naar koning Mark en verzochten hem, ter wille van zijn volk en zijn land, uit te zien naar eene jonge bruid, die hem een erfgenaam voor den troon zou schenken. De koning hoorde hen met verbazing aan en sprak: "Wat wilt gij van mij? Weet ge dan niet, dat Tristan, het kind mijner gestorven zuster, mijn erfgenaam zal zijn en kunt gij u een wijzer en dapperder koning wenschen dan hij zijn zal?" Maar de baronnen lieten niet af. Tristan, zoo beweerden zij, was en bleef een vreemdeling en wanneer hij na 's konings dood den troon wilde bestijgen, zouden diens verre bloedverwanten hem het recht daartoe betwisten, waardoor het rijk ten prooi zou vallen aan binnenlandsche twisten en oorlogen. Wanneer daarentegen de koning een huwelijk wilde aangaan, was de erfopvolging verzekerd en zou het land de rust blijven genieten, welke noodig was voor zijn verderen bloei en welvaart. Aanvankelijk bleef de koning doof voor hunne inblazingen. Zijn eens gegeven woord wilde hij niet breken en geene vrouw zou de plaats aan zijne zijde innemen, zoolang Tristan aan het hof verkeerde. Maar ook deze begon te bemerken, wat de baronnen wenschten en liever dan voort te leven onder dien druk van haat en afgunst, wenschte hij afstand te doen van alle rechten, die zijn oom hem had geschonken. Daarom begaf hij zich naar den koning en smeekte hem, de eischen zijner baronnen in te willigen, daar hij zich anders genoodzaakt zou zien, het hof te verlaten en als een arm, maar vrij man de wereld in te trekken. Koning Mark zag, dat hem niets anders overbleef, dan toe te geven, maar hij nam zich voor, zijne eischen zoo zwaar mogelijk te maken, opdat hij nog eene kans zou hebben, zijne vrijheid te behouden en Tristan de plaats te geven, die dezen volgens zijne koninklijke belofte toekwam.
Hij riep dus zijne baronnen in plechtige vergadering bijeen en sprak: "Na rijp beraad ben ik besloten, om, ingevolge uw verlangen, een huwelijk aan te gaan. Er is echter slechts ééne enkele prinses, die ik tot vrouw begeer en zij en geene andere zal den troon van Cornwallis met mij deelen. Luistert! Toen ik vanmorgen vroeg te peinzen lag, vlogen twee zwaluwen door het open venster van mijn slaapvertrek naar binnen. In hunne snavels droegen zij een lang, goudblond vrouwenhaar, dat glinsterde in de morgenzon. Toen zij boven mijn rustbed gekomen waren, lieten zij plotseling het haar vallen, dat neerdwarrelde op mijne legerstede. Voorzichtig nam ik het op om het te bekijken en terwijl ik dit deed, schoot mij plotseling te binnen, hoe Tristan steeds de lange, gouden haren van prinses Isolde van Ierland geprezen had. Sindsdien heb ik haar beeld niet meer uit mijne gedachten kunnen verbannen en begon ik het brengen van het vrouwenhaar door de zwaluwen als eene aanduiding te beschouwen, dat zij en niemand anders dan zij, mijne gemalin moest worden." Hier zweeg de koning en zag triomfantelijk rond. Hoe zouden de baronnen aan zijn verlangen kunnen voldoen, om eene prinses uit een hem vijandig rijk voor zijne hand te winnen? Het was immers onmogelijk dat de koning van Ierland ooit de hand zijner dochter zou schenken aan den man, die de indirecte oorzaak was geweest van Morholts dood. Welnu, de baronnen zouden, wanneer hij slechts voet bij stuk hield, ten slotte wel het onmogelijke van hun plan inzien en de troon zou, bij gebrek aan een rechtstreekschen erfgenaam, vanzelf aan Tristan vervallen. Inderdaad zagen de edellieden elkander eenigszins bedrukt en teleurgesteld aan, want zij begrepen, dat het bijna onmogelijk zou zijn, om de hand van prinses Isolde voor hun vorst te winnen. Zij poogden Mark het onredelijke van zijn verlangen onder het oog te brengen; zij wezen op de vijandschap tusschen de beide landen en prezen de schoonheid en lieftalligheid van andere prinsessen. Alles tevergeefs! Koning Mark bleef bij zijn eisch: Isolde van Ierland moest zijne vrouw worden, of hij zou tot zijn dood toe ongehuwd blijven en Tristan zou hem opvolgen. Wanhopig zagen de baronnen elkander aan en menige booze blik trof Tristan, dien men als de oorzaak van 's konings koppigheid beschouwde. Zeker was hij het, die Mark een dergelijk voorstel aan de hand had gedaan, om daardoor zijne eigen rechten op den troon verzekerd te zien. Zoodra Tristan zich van dit nieuwe blijk van wantrouwen bewust werd, was zijn besluit genomen en temidden der pijnlijke stilte die op eene hernieuwde weigering des konings gevolgd was, riep hij uit: "Lafaards zijt ge, om eene taak onuitvoerbaar te beschouwen, nog eer gij uwe krachten daaraan beproefd hebt. Ik zelve Sire, zal u Isolde van Ierland brengen, of het moest mij mijn leven kosten. Geef mij slechts twintig edelen mede om uw aanzoek te ondersteunen. Bovendien zal ik honderd ridders kiezen, die mij in den nood terzijde zullen staan en tezamen zullen wij de prinses voor u veroveren, al moesten we haar aan de klauwen van een draak ontrukken!" De baronnen kregen den schrik over deze overmoedige woorden en beefden bij de gedachte, dat zij Tristan op zijn gevaarlijken tocht zouden moeten vergezellen. Andermaal wendden zij zich smeekend tot hun vorst en verzochten hem eene andere keuze te doen, maar nog vóór hij antwoorden kon, riep Tristan uit: "Er is slechts ééne vrouw ter wereld, die waard is om de gemalin van koning Mark te worden en dat is prinses Isolde met de gouden haren! Haar wil ik voor hem zien te veroveren of in het pogen den dood vinden!"
In allerijl rustte Tristan nu een schip uit, dat hij belaadde met allerhande kostbare waren, zooals vreemde kooplieden gewoon zijn, van hunne reizen mede te brengen. Vergezeld van het vastgestelde aantal edelen en ridders zette hij koers naar Ierland en weldra dook de hem bekende kustlijn aan den horizon op. Toen zij de landingsplaats van Dublin naderden, gaf hij zijnen reisgenooten bevel, zich in het ruim van het schip te begeven en aldaar verborgen de verdere gebeurtenissen af te wachten. Hij zelf, zoo zeide hij, was van plan, om in de stad te gaan en te zien, wat hij doen kon. Wanneer hij na verloop van drie weken niet terug was gekomen, raadde hij zijne metgezellen aan, terug te keeren naar hun land en eene andere bruid voor koning Mark te zoeken. Zij konden dan aannemen, dat hij zijn leven in de onderneming gelaten had.
Aan het strand van Dublin heerschte intusschen onder de samengestroomde menigte groote nieuwsgierigheid aangaande het vreemde vaartuig, dat op eenigen afstand buiten de haven voor anker was gaan liggen. Ook de maarschalk, in wiens handen het bestuur over de stad berustte, kwam met zijne dienaren naar den waterkant, om te onderzoeken, wie wel de eigenaar van het schip kon zijn en met welke bedoelingen hij gekomen was.
Tristan naderde de aanlegplaats in een klein bootje. Over zijne wapenrusting droeg hij een langen koopmansmantel en eene ruig wollen muts bedekte zijne blonde haren. Toen hij den voet aan wal zette drong het volk naderbij en bij het zien van zijne uitheemsche kleedij, gingen er scheldwoorden en uitroepen van spot onder de menigte omhoog. Tristan stoorde zich echter niet aan de vijandige houding der bevolking; met kalmen tred ging hij op den maarschalk toe en sprak: "Heer maarschalk, wat beduiden die dreigende uitroepen en gebaren? Toen ik hierheen voer, waar ik zoo vele jaren achtereen mijne kostbare koopwaar van de hand heb gedaan, was ik niet op eene dergelijke ontvangst voorbereid. Wanneer men mij echter liever ziet vertrekken, zoo zeg mij dit ronduit; ik keer dan terug naar mijn schip en zal trachten in een gastvrijer oord dan dit eene afzetplaats voor mijne waren te vinden. Vergun mij echter u dezen beker aan te bieden, dien ik voor u uit het Frankenland, waar mijne geboorteplaats is, heb medegebracht". Daarbij bood hij den maarschalk een zwaar gouden beker aan. Deze nam vol vreugde de kostbare gift in ontvangst en sprak vriendelijk: "Duid het den menschen niet ten kwade, wat ik u bidden mag, dat zij u minder vriendelijk bejegenen, dan gij verwacht hadt. De reden daarvan is, dat ons een groot leed is wedervaren. De broeder onzer geliefde vorstin, een dapper en edel ridder, is in den vreemde op sluwe wijze ten val gebracht en sindsdien verdenkt men iederen vreemdeling van booze plannen te onzen opzichte. Het land, waar Morholt zijn dood vond, was Cornwallis en zoo gij uit Frankenland herwaarts zijt gekomen, zal u hier geen leed geschieden; integendeel, men zal uwe waren koopen als voorheen, indien zij even schoon en kostbaar zijn als deze beker".
Zoodoende kon Tristan vrijelijk de stad betreden, waar prinses Isolde woonde, en behoefde hij slechts eene gunstige gelegenheid af te wachten om haar te naderen.
Deze gelegenheid deed zich spoedig voor. In de bosschen bij Dublin huisde een vreeselijk monster: een draak, die mensch en dier bedreigde, die boom en struik verzengde met het vuur, dat hij spuwde, en wiens wandaden hem tot schrik der gansche bevolking maakten. Steeds dichter waagde het ondier zich bij de muren der stad, steeds talrijker werden zijne slachtoffers, tot eens op een dag de koning, die ten einde raad was, op plechtige wijze liet bekend maken, dat hij hem, die den draak wist te dooden, zijne dochter Isolde tot vrouw zou geven.
Van heinde en ver kwamen nu de ridders opdagen, die, aangelokt door den hoogen prijs, het waagstuk wilden beproeven, maar geen hunner slaagde erin, het ondier te dooden en velen verloren in den strijd het leven. Ook Tristan was de belofte des konings ter oore gekomen en hij besloot op zijne beurt eene kans te wagen, om zoodoende de hand der schoone prinses voor zijn oom te winnen.
Op een vroegen morgen liet hij in alle stilte zijn paard zadelen en begaf zich op weg in de richting van het woud, waar de draak zich ophield. Even buiten de stad gekomen, ontmoette hij drie ruiters, die hem in suizende vaart voorbijjoegen, onder het roepen van: "De draak, Heer! de draak!" Toen hij hun vroeg: "Waar is de draak?" wezen zij met den vinger achterwaarts en riepen: "Hij volgt ons op de hielen"; het volgend oogenblik waren zij in eene wolk van stof verdwenen.
Behoedzaam om zich heen speurend, vervolgde Tristan zijn weg en het duurde niet lang, of hij ontmoette hem, dien hij zocht. Het monster was inderdaad vreeselijk om aan te zien en een minder stoutmoedig man dan Tristan zou bij zijn aanblik de moed in de schoenen zijn gezonken; onze held echter reed onversaagd op den draak toe en het gevecht begon. Het was een zware strijd, waarin Tristan al zijne kracht en behendigheid noodig had, om niet het onderspit te moeten delven. Het bloed stroomde hem uit de gapende wonden, welke het ondier hem met zijne klauwen geslagen had, en bovendien kon hij nauwelijks ademhalen door den heeten, verstikkenden adem, dien de draak hem in het gelaat blies. Zijn paard zonk doodelijk gewond ter aarde, waarop hij te voet, gedekt door zijn schild, den ongelijken strijd voortzette. Eindelijk gelukte het hem met eene behendige zwenking van zijn arm, zijne lange speer zóó diep in den muil van het monster te stooten, dat de punt tot bijna in het hart doordrong. Onder een vreeselijk gebrul rende de draak in de richting van zijn hol, de grond besproeiend met een verzengenden vuurregen en een spoor van donker bloed achterlatend. Tristan vervolgde hem zoover zijne uitgeputte krachten hem dit toelieten en bracht hem steeds nieuwe wonden toe. Vóór zijn hol gekomen, wendde het monster zich om tot een laatsten, wanhopigen kamp, maar uitgeput door bloedverlies kon hij niet lang meer weerstand bieden en weldra bracht Tristan hem den doodsteek toe. Vreeselijk was het gerochel, waarmede de draak ineenzonk; het vuur, dat uit zijn opengesperden muil kwam, spatte uiteen tot een regen van vonken en de lucht werd verpest door den vreeselijken stank van het gif, dat hem uit de keel vloeide. Tristan echter greep met vaste hand de tong van het monster, die hem uit den bek hing en sneed die af om haar als bewijsstuk mede te nemen. Daarna verzamelde hij zijne laatste krachten en begaf zich met wankelende schreden in de richting van een beekje, dat hij niet ver van de plaats des gevechts hoorde klateren, om zijn brandenden dorst te lesschen. Toen hij echter, daar aangekomen, zich voorover wilde buigen om te drinken, werd hij zoodanig bedwelmd door de giftige dampen, die door de tong, welke hij in zijn zak geborgen had, werden uitgewasemd, dat hij zijn bewustzijn verloor en als levenloos in het struikgewas ter zijde van de beek, neerviel.
Terwijl hij daar zoo lag, had zich een ander ridder in de nabijheid van den draak gewaagd. Dit was Agavin met de Roode Haren, de drost van koning Gumurun, een dwaas en ijdel man. Sinds langen tijd beminde hij prinses Isolde in stilte en poogde door het dragen van fraaie kleederen en glinsterende edelsteenen hare aandacht te trekken. Wanneer zij hem dan spottend vroeg, om medelijden te hebben met de arme vrouwen en meisjes, wien hij door zijne schoonheid het hart ontstal, meende hij, dat zij in ernst sprak en verheugde zich over den indruk, dien hij op haar gemaakt had. Toch waagde hij het niet, haar zijne liefde te bekennen en wachtte, tot er zich eene gunstige gelegenheid zou voordoen, om te spreken. Toen nu koning Gumurun wijd en zijd liet bekend maken, dat hij den ridder, die den draak om het leven zou brengen, de hand zijner dochter Isolde tot belooning zou geven, besloot Agavin terstond, eene kans te wagen, om dien hoogen prijs te veroveren.
Verscheidene malen had hij zich reeds buiten de stad gewaagd, maar wanneer hij dan in de verte het monster hoorde brullen, ontzonk hem telkenmale alle moed en haastte hij zich, binnen de veilige muren der stad terug te keeren.
Ook dezen morgen had hij na eene nieuwe poging het hazenpad gekozen en bevond zich onder de drie vluchtende ridders, die Tristan op zijn weg was tegengekomen. Toen hij zag, dat de vreemde ridder hunne raadgevingen om met hen terug te keeren, in den wind sloeg en zich toch in het gevaar waagde, besloot hij, door nieuwsgierigheid gedreven, op veiligen afstand den uitslag van het gevecht af te wachten. Hij twijfelde er geen oogenblik aan, of Tristan zou in den strijd tegen het monster den dood vinden en wie weet, welk voordeel er dan nog voor hem uit deze onderneming te behalen zou zijn. Zoo sloop hij, bevend van angst, langs den zoom van het woud, waaruit de afschuwelijke kreten van het monster tot hem doordrongen en hem met vrees en ontsteltenis vervulden. Na eenigen tijd verstomde het gebrul en Agavin besloot zich, van de juiste oorzaak hiervan te overtuigen. Al zijn moed bijeenzamelend, besteeg hij zijn paard en reed het bosch in, naar alle kanten spiedend, of soms gevaar dreigde. Plotseling hield hij met heftigen ruk de teugels in. Daar vóór hem op den grond lag het monster, dat hij zocht, met zijne vreeselijke klauwen uitgestrekt op den woudbodem en zijne vurige oogen wijd opengesperd. Zonder zich te overtuigen, of de draak levend of dood was, sprong Agavin ijlings uit het zadel en rende de struiken in, waar hij sidderend over lijf en leden den verderen loop der gebeurtenissen afwachtte. Maar tegen zijne verwachting in, bleef alles rustig: geen monster baande zich een weg door het struikgewas, om hem te zoeken en de stilte van het woud bleef onverstoord. Met kloppend hart waagde Agavin zich opnieuw in de nabijheid van het gevreesde ondier en eerst toen hij zag, dat zijn paard ongedeerd was gebleven en kalm aan het grazen was, begreep hij, dat de draak werkelijk dood was. Voorzichtig boog hij zich over hem heen en beschouwde hem vol afschuw; daar ontdekte hij het half verkoolde lichaam van Tristan's paard en diens schild, dat hij na afloop van den strijd ter zijde geworpen had. Een glans van boosaardig genoegen gleed over Agavin's gelaat, toen zijn zoeken naar het lichaam van den dapperen vreemdeling tevergeefsch bleek te zijn. Het leed geen twijfel, of het monster had hem met huid en haar verslonden, zooals het zoo velen vóór hem had gedaan en de belooning voor zijne wakkere daad zou hij nooit deelachtig worden. Plotseling schoot hem iets te binnen. Waarom kon hij zich niet de verdienste toeëigenen den draak gedood te hebben en daardoor zijn hartewensch in vervulling zien gaan? Wie zou ooit kunnen bewijzen, dat niet hij, maar de onbekende, die zich zoo roekeloos in het gevaar begeven had, het stoute feit had volbracht? Nogmaals keek hij behoedzaam om zich heen, om zich te overtuigen, dat geen ander getuige was geweest van zijne ontdekking, maar nergens kon hij een spoor van menschelijk leven ontdekken; toen bezag hij vol vreugde het monster aan zijne voeten, dat hem de verwezenlijking zijner stoutste droomen brengen zou. Daarop overlegde hij snel, hoe hij zijn plan het best ten uitvoer kon brengen. Met een enkelen zwaardslag sloeg hij den draak den kop af; toen besteeg hij zijn paard en reed terug naar de stad, iedereen, dien hij op zijn weg ontmoette, toeroepend: "Gaat heen naar het bosch en ziet, wat daar is geschied! Met het zwaard, dat ik hier in de hand draag, heb ik het land bevrijd van het monster, dat de omgeving onveilig maakte. Voortaan kunnen de burgers van Dublin zich veilig buiten de stad begeven, want de draak, die hunne levens bedreigde, is dood, gevallen door mijne hand! Daarvoor wacht mij de schoonste belooning, die men zich denken kan: de hand van prinses Isolde!"
Als een loopend vuur verbreidde zich de mare, dat Agavin met de Roode Haren den draak had gedood en weldra drong het bericht ook door binnen de muren van het vorstelijk paleis. Toen Isolde vernam, wie het stoute stuk had volbracht, lachte zij eerst luide, en verklaarde, dat dit de beste grap was, die zij in langen tijd gehoord had! Toen men haar echter vertelde, dat er eenige burgers met eene kar uit de stad waren gereden om den kop van den draak te halen en dat Agavin een onderhoud met den koning had verzocht, betrok haar gezicht en toornig riep zij uit: "Wil men mij dan werkelijk wijs maken, dat een man als Agavin, die bekend staat als de grootste lafaard van het land, een dergelijk feit zou hebben bedreven? Nooit zal ik gelooven, dat hij inderdaad den draak overwonnen heeft, het is een valstrik, dien hij ons spant om mij tot zijne vrouw te maken. Dit zal hem echter nooit gelukken; liever dan zijne echtgenoote te worden, zou ik mij zelve van het leven berooven!"
Daarop begaf zij zich naar hare moeder, koningin Isolde en smeekte haar om mede te gaan naar de plaats des gevechts, ten einde te trachten de oplossing van het raadsel te vinden. De koningin stemde hierin toe en den volgenden morgen begaven de beiden zich in alle vroegte op weg, slechts vergezeld door Brangwaine, Isolde's vertrouwde dienares. Toen zij bij de plaats van den strijd gekomen waren, vonden zij daar het lijk van Tristan's paard en zijn schild, dat, hoewel deerlijk gehavend, toch nog sporen vertoonde van zijne vroegere pracht. Verheugd nam Isolde het op van den grond en riep uit: "Ziet gij nu wel, dat mijne vermoedens juist waren? Niemand anders dan de ridder, wien dit schild toebehoort, heeft het ondier gedood. Laat ons trachten, hem te vinden, hij kan niet ver van hier zijn."
De drie vrouwen doorzochten nu ijverig den ganschen omtrek en na eenigen tijd ontdekte Isolde het lichaam van Tristan, half verborgen tusschen het struikgewas aan den oever van het beekje. Met een kreet van vreugde, die hare gezellinnen naar de plaats deed snellen, waar zij zich bevond, bukte zij zich over hem heen en nauwelijks had zij zijn gelaat gezien, of zij riep verwonderd uit: "Dit is niemand anders dan Tantris, de speelman, die mij eenige jaren geleden in het harpspelen onderwees. Hoe komt hij plotseling hier en dan in zoo'n toestand?" Behoedzaam tilden de vrouwen hem op en droegen hem naar den waterkant, daargekomen, maakten zij zijne wapenrusting en kleederen los en wieschen zijne wonden met het heldere bronwater. Spoedig werd hunne moeite beloond en sloeg Tristan de oogen op. Toen hij het schoone gelaat van Isolde over zich heen gebogen zag, scheen het hem toe als een droom, waaruit hij spoedig zou ontwaken. Maar neen, daar hoorde hij hare stem, die hem Tantris noemde en hem vroeg, hoe hij hier gekomen was en of inderdaad hij het was, die den draak gedood had. Opnieuw moest hij een leugen verzinnen, die zijne aanwezigheid in Ierland verklaarbaar zou maken en zoo sprak hij. "Ja, schoone prinses, ik ben het, de speelman Tantris, dien uwe moeder jaren geleden uit het doodsgevaar redde. Sinds ik u vaarwel zegde, heb ik verre reizen gedaan en vreemde landen bezocht. Overal roemde men mijne kunst, maar toch voelde ik, hoe men mij beschouwde als een dwaas, die de vreugden en smarten des levens bezingt zonder dat hij ze zelf doorleefd heeft, wiens liederen den trots om eene volbrachte krijgsmansdaad beschrijven, zonder dat hij dien ooit zijn lichaam heeft voelen doorgloeien en wiens roemrijkste wapenfeit bestaat in eene schermutseling met een landlooper of struikroover, die het hem op zijne tochten lastig maakt. Daarom besloot ik om mijzelven roem en naam te verwerven en toen ik dus hoorde van den draak, die de omgeving hier onveilig maakte, en vernam, welken hoogen prijs koning Gumurun op zijn hoofd had gesteld, was mijn besluit genomen en reisde ik hierheen om mijne kans te wagen. Hoe ik hierin slaagde, is u reeds bekend en ook, hoe ik zonder uwe hulp, wellicht den dood gevonden zou hebben. Ten tweeden male hebt ge mij het leven gered!"
Toen hij deze woorden gesproken had, viel Tristan uitgeput achterover en verloor opnieuw zijn bewustzijn. Koningin Isolde echter, zond ijlings Brangwaine terug naar Dublin om hulp te halen en nog vóór het dagelijksche leven in de stad begonnen was, had men Tristan in alle stilte het koninklijk paleis binnengedragen en hem in de vertrekken der koningin op eene zachte legerstede neergevlijd. Daar genoot hij eene uitmuntende verpleging onder de persoonlijke zorgen van de koningin en de jonge prinses, die zich beijverden, om hem van dienst te zijn. Door hare toewijding en de heilzame middelen, welke zij hem toedienden, herstelde hij spoedig van zijne wonden en werd weldra weer geheel de oude. Intusschen had Agavin bij den koning aanzoek gedaan om Isolde's hand en daarbij den kop van den draak overgelegd als bewijsstuk, dat hij inderdaad het recht had, de schoone prinses te huwen. De koning gevoelde weinig lust om zijne dochter af te staan aan een man, die steeds het mikpunt was van aller hoon en spotternij; ook twijfelde hij in zijn hart aan de waarheid van Agavin's woorden. Daar hij echter geen bewijzen tegen hem had, moest hij wel in zijn verzoek toestemmen, wilde hij zijn gegeven woord gestand doen. Hij besloot daarom een dag vast te stellen, waarop Agavin zijn aanzoek in alle plechtigheid en in tegenwoordigheid van het geheele hof zou herhalen. Had de koning vóór dien tijd niets naders omtrent de ware toedracht der zaak vernomen, dan moest men aannemen, dat Agavin werkelijk den draak had gedood en dan zou ook Isolde's vader zijne belofte getrouw blijven en hem zijne dochter tot vrouw geven.
Toen Isolde hoorde, wat er geschieden zou, liep zij vol schrik naar Tristan om zijn raad in te winnen; deze echter glimlachte fijntjes en sprak: "Wees niet bezorgd, schoone prinses! Ik beloof u hierbij plechtig, dat een edeler man dan deze ijdele dwaas, uw echtgenoot zal worden. Vertrouw slechts op mij!"