Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

Chapter 21

Chapter 213,676 wordsPublic domain

_Van Tristan's strijd tegen den Ierschen Morholt._ Toen Tristan in het kasteel van Tintagel terugkeerde, werd hij verbaasd door de sombere gezichten, die hij overal om zich heen zag. Uit de vertrekken der vrouwen drong onderdrukt gesnik tot hem door en de ridders schoolden in groepjes bijeen en spraken met gedempte stem onder elkander. Toen Tristan naar de oorzaak vroeg van deze droeve stemming, deelde men hem mede, dat de gevreesde Iersche krijger, Morholt, in het land gekomen was, om in naam zijns konings eene schatting te eischen, bestaande uit driehonderd knapen en meisjes, aan te wijzen uit de nakomelingschap der edelsten uit den lande. Op zijn verder vragen vernam hij, dat het betalen der jaarlijksche schatting dagteekende uit den tijd, toen Cornwallis, door binnenlandsche twisten verzwakt, niet opgewassen bleek tegen den machtigen koning van Ierland, wiens harde voorwaarden het daarom moest aanvaarden. Zoo werd het arme, geteisterde land eene schatting afgedwongen, welke het eerste van elke vier jaren bestaan zou uit driehonderd ponden koper, het tweede uit driehonderd ponden zilver en het derde uit hetzelfde gewicht aan goud. Het vierde jaar echter, en dit was wel het vreeselijkst van alles, moest de schatting bestaan uit driehonderd jongelingen en meisjes uit de edelste families van Cornwallis, die als knechten en dienstmaagden naar Ierland gevoerd werden.

Reeds eenige malen was die zware schatting betaald geworden en onder bitter geween had men de hoop van het vaderland in ballingschap zien gaan, maar toen het rijk onder het bestuur van koning Mark allengs machtiger werd, begon men meer en meer het vernederende van een dergelijken eisch in te zien en elk jaar werd het gemor en geklaag, waaronder men de gevraagde som bijeenbracht, luider. Toen nu eenige jaren tevoren het oogenblik gekomen was, waarop de levende schatting moest worden uitbetaald, hadden de edelen uit het rijk rondweg geweigerd om hunne zonen en dochteren af te staan en op hoogen toon had men de Iersche boodschappers teruggezonden naar hun land. Drie jaren achtereen had de koning van Ierland zijn harden eisch herhaald, drie jaren achtereen had koning Mark, hoe bevreesd hij ook inwendig zijn mocht voor de gevolgen, geweigerd dien eisch in te willigen en nu was Morholt gekomen, om ten laatsten male de verplichte schatting op te eischen. Werd die niet betaald, dan zou de koning van Ierland een machtig leger zenden om zijnen bedreigingen kracht bij te zetten. Wat dit zeggen wilde, wisten de bewoners van Cornwallis slechts al te wel. Trouwens de ouden van dagen konden hen, die den ernst van een dergelijk dwangbevel niet inzagen, nog voldoende inlichten omtrent de gruwelen van een Ierschen inval, zooals zij dien in hunne jeugd hadden meegemaakt. Maar wat dan te doen? moest men dan de keur der jongelingschap, de bloem der jonge maagden goedschiks overleveren aan een vreeselijk lot? In spanning wachtte men de komst van den gevreesden Morholt af. Deze was de broeder der Iersche koningin, wijd en zijd geducht en gevreesd om de kracht zijner vuisten en het ruwe, bijkans dierlijk geweld, waarmede hij in den strijd zijn tegenstander wist aan te vallen.

Met eene uitdrukking van hoon op het gelaat was hij het paleis van koning Mark binnengetreden; spot en minachting spraken uit den toon, waarop hij den edelen toeriep: "Indien er één is onder ulieden, die uw land van dezen smaad wil bevrijden, ben ik bereid jegens hem in het perk te treden. Mocht hij in den strijd overwinnen, dan zijt gij voor altijd van uwe verplichtingen ontslagen. Indien het lot te mijnen gunste beslist, zoo is het niet meer dan billijk, dat uwe kinderen tot knechten worden. Maar ik zie het al, geen uwer waagt het den strijd met mij aan te binden!" en luid schalde zijn spotlach door de zaal.

Bevend van woede en toorn had Tristan naar de woorden van Morholt geluisterd. Nu sprong hij overeind en riep met trillende stem den edelen toe: "Schaamt u, gij lafaards! Een dier doet nog meer om het leven zijner jongen te redden, dan gij doet om uwe kinderen datgene te besparen, wat nog erger is dan de dood!" Toen liep hij op Morholt toe, slingerde hem zijn handschoen in het gelaat en riep: "Ik zal met u strijden voor de eer van mijn land, en het behoud mijner vrienden en stamgenooten. Noem slechts plaats en uur!"

Morholt nam lachend den handschoen van den grond op en sprak: "Wat wil die knaap van mij? Moet ik soms een houten zwaard gebruiken, wanneer ik met hem vecht?" Maar niettegenstaande zijne snoevende minachting moest Morholt Tristan's uitdaging wel aannemen en zoo werden dag en uur van den strijd bepaald. Het gevecht zou plaats vinden op een eilandje, dat niet ver van Tintagel op eenigen afstand van de kust was gelegen. Reeds vroeg in den morgen van den vastgestelden dag had zich eene groote menigte aan het strand verzameld, die getuige wilde zijn van dezen spannenden strijd, welke over het wel en wee van het vaderland zou beslissen. Tegen den middag kwam Morholt, op een zwart ros gezeten, uit de richting der stad aanrijden. Onder de dreigende blikken der toeschouwers nam hij met zijn paard plaats in een bootje, dat hij met eenige krachtige slagen naar het eiland roeide; daar aangeland, meerde hij zijn vaartuig vast aan een steiger, steeg aan wal en wachtte, te paard gezeten, de verdere gebeurtenissen af.

Korten tijd daarna verscheen Tristan op het strand, onder het daverend gejuich der menigte. Zijne gestalte was gehuld in een stalen harnas, dat blonk als zilver, het vizier van zijn helm was opgeslagen en met vriendelijk lachend gelaat dankte hij voor de hem betoonde hulde. Zijne vrienden verdrongen zich om zijn sneeuwwitten schimmel en wedijverden met elkander in het geven van goeden raad en heilwenschen. Op dezelfde wijze als Morholt bereikte hij het eiland, maar toen hij aan land was gestapt, stiet hij met den voet het vaartuig, waarin hij gekomen was, van den oever af, zoodat het met den stroom naar zee dreef. Op Morholt's vraag, waarom hij dit deed, gaf hij ten antwoord: "Één van ons beiden zal dit eiland niet levend verlaten en voor hem, die terugkeert, is één vaartuig voldoende."

Kort daarop begon de strijd, die vele uren duurde. Zij, die vanaf het strand in angstige spanning naar het eiland tuurden, om den loop van het gevecht te kunnen volgen, zagen, hoe de krijgskansen steeds wisselden. Wat Morholt boven zijn tegenstander voor had, waren zijne meerdere kracht en zijne jarenlange ervaring in het vechten. Tristan daarentegen won het van hem in behendigheid en vlugheid van beweging. Daar trof Morholt's zwaard den jongen held diep in de linkerzijde; één oogenblik scheen het, of hij den strijd zou moeten opgeven, zóó fel brandend was de pijn, maar dadelijk herstelde hij zich weer. Morholt had echter zijne aarzeling bemerkt en zijn zwaard terughoudend riep hij uit: "Houd op, knaap, eer het te laat is. Wat maalt gij om die menschen daar ginds op het strand? Uw moed en behendigheid bevallen mij en ik wensch niet langer uw dood. Weet dan, dat de punt van mijn zwaard in gif gedrenkt is en dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen dan mijne zuster, koningin Isolde. Daarom leg uwe wapens neer en ga met mij naar Ierland, waar gij genezing zult vinden en waar men u gelegenheid zal verschaffen, u roem en eer te verwerven!"

Tristan luisterde echter nauwelijks naar zijne woorden. Woedend sprong hij op Morholt toe, terwijl hij uitriep: "Mijne eer en de vrijheid van mijn land zijn mij meer waard dan mijn leven. Ik heb ze beide in mijne hand en zal ze verdedigen tot mijn laatsten ademtocht!" Met vernieuwde onstuimigheid drong hij op zijn tegenstander in en slechts weinige oogenblikken later gelukte het hem, met een krachtigen zwaardslag Morholt's schedel te doorklieven. Met een doffen slag stortte de reus op den grond. Tristan steeg van zijn paard en trok met moeite zijn wapen uit de gapende wond. Zóó diep was het lemmer van het zwaard in het been doorgedrongen, dat een splinter van het staal in den schedel bleef steken.

Toen Tristan zich overtuigd had, dat Morholt inderdaad niet meer tot de levenden behoorde, begaf hij zich aan boord van diens vaartuig en roeide naar de kust. Zij, die daar stonden en den vorm van het vaartuig herkenden, sloegen de handen in elkaar en begonnen luide te weeklagen, want zij meenden niet anders, of Tristan was in den strijd gevallen. Wie beschrijft dus hunne vreugde, toen de geliefde held uit het vaartuig aan den wal sprong, ongedeerd naar het scheen, want de vreugde der overwinning deed hem voor het oogenblik de pijn vergeten, die hem in de zijde brandde. Met fieren tred trad hij op de kleine groep van Morholt's metgezellen toe en riep, zóó luid, dat alle omstanders het hooren konden: "Gaat heen naar uw land en breng uw vorst als schatting, hem, dien ge op gindsch eiland zult vinden. Zeg hem, dat, zoo de aard dier schatting hem bevalt, hij slechts nieuwe boodschappers behoeft te zenden, om er nog meer van te ontvangen."

Van bange voorgevoelens vervuld, roeiden Morholt's vrienden naar het eiland, waar zij het lijk van hun makker vonden. Zij wikkelden het doode lichaam in fijn linnen doeken en voerden het met zich mee naar Ierland. Groot was aldaar de rouw bij het vernemen der smartelijke tijding. De trotsche koning van Ierland beet zich op de lippen van woede en schaamte, maar hij zond geen nieuwe boodschappers naar Cornwallis. De koningin echter en hare dochter, de schoone Isolde, stortten bittere tranen over het ontzielde lichaam; zij wieschen en balsemden het en hulden het in een kostbaar doodskleed. Zoo ontdekten zij ook de stalen zwaardpunt, die in de wonde was blijven steken. Zorgvuldig legden zij het kostbare bewijsstuk ter zijde en zij zwoeren een duren eed, dat hij, aan wien het toebehoorde, zijne straf niet zou ontgaan.

Degene, tegen wien deze bedreigingen geuit werden, lag intusschen weg te kwijnen op zijne legerstede in een der zijvleugels van het paleis van koning Mark. Onder het oorverdoovend gejubel der saamgepakte menigte had Tristan de terugreis naar Tintagel ondernomen. Van alle kanten drongen de menschen op hem aan om hem te danken voor hetgeen hij voor hen en hun land gedaan had. Vreemde ridders drukten hem de hand, schoone edelvrouwen vielen hem te voet en stamelden hun dank onder snikken en tranen, jonge meisjes strooiden bloemen op zijn pad en allen huldigden hem als den held van den dag. Voor den hoofdingang van zijn paleis stond koning Mark en toen Tristan hem naderde, strekte hij beide armen naar den jongeling uit en drukte hem aan zijn hart, te zeer ontroerd, om een woord uit te brengen.

Maar nu was het ook met Tristan's krachten gedaan; met een kreet van pijn drukte hij zijne hand in de zijde en zonk bewusteloos ineen.

Van alle kanten snelde men toe, om hem te helpen en met de grootste omzichtigheid droeg men hem naar een koel en rustig vertrek, waarheen de koning weldra de bekwaamste geneesheeren liet ontbieden om zijne wonden te onderzoeken. Maar niettegenstaande al hun pogen, kon geen van hen er in slagen, hem de zoo vurig begeerde genezing te brengen. Alle middelen faalden; dieper en dieper woekerde het gif in zijn bloed; zijn lichaam nam eene onheilspellende, donkere kleur aan en uit zijne wonden kwam eene vreeselijke lucht, die het den omstanders onmogelijk maakte om langeren tijd in het vertrek te vertoeven. Zoo gingen de weken voorbij; de geneesheeren schudden hunne wijze hoofden en mompelden Latijnsche namen, maar het angstig smeeken van koning Mark beantwoordden zij slechts met een weifelend schouderophalen en Tristan lag onder dit alles onrustig woelend terneer en voelde, hoe de koorts in zijne aderen brandde en zijne krachten verteerde.

Door alle koortsvisioenen heen, die zijn brein benevelden hoorde hij de stem van Morholt, die hem toeriep: "Weet dan, dat er niemand is, die u van uwe wonde kan genezen, dan mijne zuster, koningin Isolde." Inderdaad, dit scheen maar al te waar te zijn, want hij voelde, dat zijne krachten met den dag afnamen en dat de beroemde geneesmiddelen, die men hem toediende, niets vermochten tegen het sloopend gif, dat hem verschroeide als een inwendig vuur. Hoe zou hij dan nog op genezing kunnen hopen, hij, die zich nooit in Ierland zou kunnen vertoonen, zonder zeker te zijn, dat men hem als den moordenaar van den broeder der koningin, een vreeselijken dood zou doen sterven? En hoe zou hij trouwens hulp mogen verwachten van haar, wier naasten bloedverwant hij om het leven gebracht had?

Eens op een morgen, toen eene tijdelijke opklaring van zijn brein hem het denken mogelijk maakte, lag hij te peinzen over zijn toestand. Of het kwam, dat het afnemen der koorts hem nieuwe hoop gaf, of doordat de zonnestralen, welke door het venster vielen, hem er aan herinnerden, hoe schoon de wereld daarbuiten was,--hoe het ook zij, zijn heele wezen kwam in opstand tegen den naderenden dood en met inspanning van al zijne denkvermogens zon hij op een middel, dat hem, trots alle in den weg staande moeilijkheden, de zoo vurig gewenschte genezing zou doen verkrijgen.

Langzaam rijpte toen in zijne hersenen het plan, dat, hoe gevaarlijk ook, hem althans eene kans op redding bood. Na overleg gepleegd te nebben met koning Mark liet Tristan zich op een mooien zomermorgen aan boord dragen van een vaartuig, waarop zich niemand anders bevond dan Gouvernail en de noodige bemanning, die geheel uit vertrouwde dienaren bestond. Van al zijne schatten en kostbaarheden nam hij niets met zich mede dan zijne harp en zoo begon hij zijn gevaarvollen tocht onder de zegewenschen van zijn vorst. Daar hij vreesde, dat de mare van zijne komst Ierland zou bereiken, nog vóór hij zelve daar kwam, bewaarde hij een diep stilzwijgen over het doel zijner reis en aan vrienden en belangstellenden deed hij voorkomen als ging hij naar Salerno, om daar de hulp van een beroemd heelmeester in te roepen. Niemand dan koning Mark vermoedde waar hij werkelijk heenging.

Vele dagen duurde de tocht, want de wind was ongunstig en dreef het schip uit zijn koers. Tristan lag op dek, rustend op zijden kussens en wanneer zijne pijnen het hem toelieten, speelde hij op zijne harp de oude, lang vergeten wijzen uit zijn vaderland. Zacht en droomerig klonken de tonen van het instrument over het wijde watervlak en vergleden in de onmetelijke ruimte. Zoo naderde het schip de groene kustlijn van Ierland, waar voor Tristan de redding, maar ook het gevaar schuilde.

Vroeg in den morgen waren eenige visschers buiten de haven van Dublin bezig hunne netten uit te werpen, toen hun oor plotseling getroffen werd door de klanken van een zoetvloeiend lied, die uit zee tot hen kwamen aandrijven. Verbaasd zagen zij om zich heen. Vanwaar kwam die stem, die zoo schoon en innig wist te zingen, dat men ernaar luisteren moest of men wilde of niet? Toen bemerkten zij op eenigen afstand een vreemd vaartuig, dat anders van bouw was dan de hunne. Fluks roeiden zij er heen en daar, op het dek, uitgestrekt op een bed van kussens, ontwaarden zij den zanger, een jongen man, wiens fijne, edele gelaatstrekken door de pijn verwrongen waren en den grauwen doodstint reeds schenen te hebben aangenomen. Nochtans gleden zijne vingers over de snaren en ontlokten daaraan tonen van zulk eene roerende schoonheid, dat zelfs de ruwe harten der visschers er door geboeid werden. Nieuwsgierig vroegen zij naar naam en herkomst van den vreemden zanger en deze, die op een dergelijk verhoor was voorbereid, vertelde hun, dat hij Tantris heette en dat hij, op weg naar Spanje, door zeeroovers was overrompeld, die zijn schip hadden geplunderd en hemzelf eene gevaarlijke wonde hadden toegebracht. Op zijne wedervraag, waar hij zich thans wel bevinden mocht, antwoordden de visschers hem, dat gindsche stad Dublin was, de hoofdstad van het machtige Iersche rijk. Getroffen door het lijdend voorkomen van den jongen vreemdeling boden zij hem gastvrijheid in hunne eenvoudige woning aan, welk aanbod gretig door hem werd aanvaard.

Al spoedig verspreidde zich het gerucht door het land van den jongen zanger, die lag weg te kwijnen aan eene doodelijke wonde, doch wiens zang en harpspel zóó schoon waren, dat een ieder, die ze hoorde, onder de betoovering kwam. Ook roemde men den vreemdeling om zijne hoffelijke, vriendelijke manieren en de kalmte en geestkracht, waarmede hij zijn vreeselijk lijden droeg. Tot in het koninklijk paleis drongen deze geruchten door en de jonge prinses Isolde bad en smeekte hare moeder om den vreemdeling aan het hof te ontbieden en hem op te dragen, haar in de kunst van het harpspelen te onderrichten. Zoo gebeurde het en toen de koningin den schoonen jongeling zag, die ondanks zijne onduldbare pijnen toch zijne kalmte en levensmoed wist te bewaren, besloot zij al hare krachten aan te wenden, om hem van zijne kwaal te genezen. Met eigen hand bereidde zij toen eenige geneesmiddelen, volgens een geheim en oud recept, dat zij nog van hare moeder had medegekregen; zij wiesch zijne wonden met eene zuiverende vloeistof, die het gif uit het bloed wist te trekken en ziet, binnen weinige dagen was er reeds eene verandering ten goede merkbaar in het voorkomen van den zieke. Zijne oogen werden helderder, zijne gelaatstint werd weer gezond en de pijnen namen af in hevigheid. Vóór er drie weken verstreken waren, was Tristan geheel genezen en gedreven door innige dankbaarheid jegens haar, die hem het leven gered had, wijdde hij zich geheel aan zijne nieuwe taak, om de jeugdige prinses te onderwijzen in alles, wat de edelvrouwen van zijn land zoo hoog deed uitsteken boven hare tijdgenooten. Hij leerde haar schoone liederen zingen en die op de harp begeleiden; ook onderrichtte hij haar in het zeggen van verzen en het onderhoudend vertellen van oude sagen en legenden. Daarbij zag hij nauwkeurig toe, dat houding, gelaatsuitdrukking en stembuiging alle in overeenstemming waren met den inhoud van het verhaalde. Ook toonde hij Isolde, hoe in zijn land de vrouwen met hoofsche nijgingen en vriendelijk handgebaar den vreemdeling begroetten, die in hare woning binnentrad, hoe zij met sierlijken zwaai den langen sleep van haar rijkleed over den schouder wierpen, zoodra zij van het paard gestegen waren en hoe zij, voor het vuur gezeten, eene slip van haren hoofddoek gebruikten, om zich tegen de hitte der vlammen te beschutten. Al deze dingen maakte Isolde zich eigen en haar ouders verheugden zich, wanneer zij zagen, hoe hunne dochter dagelijks toenam in gratie van houding en manieren. Isolde zelf zag hoog op tegen haren leermeester en bewonderde hem als een toonbeeld van beschaving en ridderlijkheid. Ook hij voelde zich getroffen door het lieftallig wezen der jonge prinses, maar zijn hart was nog vrij van alle gedachten aan liefde en vrouwengunst, dus leefden deze beide jonge lieden gelukkig en tevreden bij en met elkander voort, zonder aan andere dingen te denken dan aan de fraaie klanken van een lied of de schoonheid van een zomermorgen aan het strand van Dublin.

Toen de maanden verliepen en Tristan weer geheel hersteld was, begon hij terug te verlangen naar zijn vaderland, waar zijn oom in bange onzekerheid zijne terugkomst verbeidde.

Al werd hij door gevoelens van dankbaarheid aan het Iersche hof gebonden, zijn plicht riep hem terug naar Cornwallis en bovendien, hij verkeerde steeds in angst, of de metgezellen van Morholt hem ook zouden herkennen. Daarom begaf hij zich eens op een dag naar koningin Isolde en vroeg haar verlof, om naar zijn land terug te keeren. "Mijne vrienden en bloedverwanten", zoo zeide hij, "verkeeren steeds in onzekerheid omtrent mijn lot, daar zij sedert mijn vertrek niets meer van mij vernomen hebben. Het wordt tijd voor mij, om tot hen terug te keeren. Nooit echter zal ik vergeten, wat gij voor mij gedaan hebt en mijn leven lang zal ik uw getrouwe dienaar blijven, over wien gij vrijelijk zult kunnen beschikken, waar en wanneer u dit goed dunkt."

Na eenig beraad gaf de koningin hare toestemming tot zijn vertrek; het viel haar niet gemakkelijk, om Tristan te laten gaan, want zij was hem gaan liefhebben als haar eigen zoon, zoowel ter wille van hemzelf, als ter wille van dat, wat hij voor haar kind gedaan had.

Korten tijd daarna stak het vaartuig, waarin Tristan gekomen was, weer in zee en landde, na eene voorspoedige reis, in de haven van Tintagel.

De blijdschap van koning Mark, toen hij zijn geliefden neef gezond en krachtig terugzag, kende geene grenzen en ook Tristan's vrienden en bekenden verheugden zich hartelijk over zijn veiligen terugkeer. Zij konden hunne oogen bijna niet gelooven toen zij hem, dien zij doodelijk krank en lijdend hadden zien vertrekken, nu zoo frisch en gezond terugzagen en er waren er onder de ridders, die iets mompelden van tooverij en booze geesten. Dit gerucht verspreidde zich allengs en vond gretigen ingang bij hen, die sinds langen tijd naijverig waren op Tristan's roem en op de gunsten, die koning Mark hem betoonde. Het was duidelijk, zoo zeiden zij, dat er hoogere machten in het spel waren geweest, die tot Tristan's genezing hadden bijgedragen. Hoe zou het ook anders mogelijk zijn, dat men in Ierland hem niet herkend had en dat hij koningin Isolde had weten te bewegen, om hem te genezen, hem, dien zij toch meer dan alle menschen op aarde moest haten. Nu eerst zag men, welk een gevaarlijk mensch deze Tristan was en hoe hij met den Booze in nauwe gemeenschap stond! Trouwens, was hij niet ook in andere opzichten een geheimzinnig wezen, was er wel één, die de waarheid wist omtrent zijne afkomst en de wijze, waarop hij in het land gekomen was?

Zoo praatten en stookten de jaloersche baronnen en ontzagen zich zelfs niet om in Tristan's tegenwoordigheid bedekte toespelingen te maken op de verdachte omstandigheden, waaronder hij aan het hof gekomen was en de slimme wijze, waarop hij zich in de gunsten des konings had weten te dringen. Tristan voelde maar al te duidelijk de vijandige stemming, die hem omringde, maar hij stoorde er zich weinig aan en ging kalm zijns weegs, overtuigd van zijn goed recht.