Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 20
Eenigen tijd zette het vaartuig zijne reis naar het Noorden zonder verhindering voort, maar toen de duisternis gevallen was, wakkerde de wind aan tot een stevigen bries, die weldra overging in een hevigen storm. Den ganschen nacht loeide en kraakte het, als ware een leger van booze geesten rondom het vaartuig losgelaten; de masten steunden en bogen onder den druk van den wind, de riemen braken door de aanzwellende kracht van het water en de zeilen scheurden van de touwen af. Bij het eerste morgenschemeren dreef het schip als een ontredderd wrak rond op de baren, de storm woedde met onverflauwde hevigheid en het scheepsvolk school in angstige groepjes bijeen en mompelde iets over eene gerechte straf, die God hun oplegde voor hunne zonden. Dit onderdrukt gemompel werd langzaam aan luider en verspreidde zich ook onder de roeiers, tot eindelijk eenigen onder hen zich naar den kapitein begaven en van hem eischten, dat hij hun gevangene de vrijheid zou weergeven om de woede van het Opperwezen over dezen wreeden roof te doen bedaren. Hoezeer het den kapitein speet, zijn kostbaren buit te moeten laten ontsnappen, hij moest wel toegeven en zoo gaf hij order een der scheepsbooten in gereedheid te brengen en van proviand te voorzien. Zoodra hij daartoe bevel had gegeven, bedaarde als door een tooverslag het woeden der elementen. De wolken verdwenen van den hemel, de zon brak door en de lucht werd helder blauw; de wind ging liggen en het bruisen der golven bedaarde. Het scheepsvolk viel op de knieën en dankte God voor de wonderbare redding, daarna haastte een ieder zich om de geleden schade te herstellen en weldra sloegen de riemen weer met geregelden slag in het water en zwollen de nieuwe zeilen in de frissche morgenbries.
Het spreekt van zelf, dat men door den nachtelijken storm een flink eind uit den koers was geraakt en niemand kon dan ook zeggen op welke hoogte men zich bevond. Toen men echter aan den horizon land ontdekte, achtte men het oogenblik gekomen om zich van den onheilbrengenden gast te ontdoen; men plaatste daarom Tristan in de gereed gemaakte boot, gaf hem een paar riemen in de hand en beval hem in de richting van het land te roeien, daarop liet men hem aan zijn lot over en beijverde zich, om door sneller roeien en het bijzetten van meer zeil den verloren tijd in te halen. Met angst en vrees in het hart stuurde onze jonge held intusschen aan op het vreemde land, waar zijne eenige, zij het ook onzekere, redding was gelegen.
Bij nadering bleek het eene steile, rotsachtige kust te zijn, waarvan de grijze klippen loodrecht uit zee omhoogrezen. Na eenig zoeken ontdekte Tristan echter eene kleine baai, waar hij zijn bootje veilig in kon sturen en zoo duurde het niet lang, of hij zette voet op den vasten wal. Toen rees echter de vraag: waar ben ik en waar moet ik heen? Huiverend zag de arme knaap om zich heen in het doodsche, verlaten landschap, dat door zijne verbeelding bevolkt werd met verschillende dieren en wilde volksstammen, zooals hij ze in avontuurlijke jachtverhalen had hooren beschrijven. Maar na eenigen tijd kregen zijn moed en ondernemingsgeest opnieuw de bovenhand en besloot hij te gaan onderzoeken, wat achter die hooge rotsen verborgen lag. Behendig klauterde hij omhoog en op den top aangekomen kreeg hij een ruimeren blik op het land en ontdekte hij op eenigen afstand een breeden heirweg, die zich als een lint door het landschap slingerde. Zonder veel moeite wist hij dien te bereiken en, zich aan den kant van den weg nederzettend, besloot hij de komst van voorbijgangers af te wachten, om zich door hen op de hoogte te laten brengen omtrent de streek, waar hij zich bevond. Hij behoefde niet lang te wachten. Na enkele oogenblikken verschenen aan de kromming van den weg twee gedaanten, die langzaam naderden en die Tristan weldra als pelgrims herkende. Zij droegen breedgerande hoeden, om zich tegen de hitte der zonnestralen te beschutten, hun lange, linnen kleederen waren bestikt met zeeschelpen en vreemde teekenen en op den rug droegen zij een palmtak, om aan te duiden, dat zij naar het Heilige Land waren geweest. Hunne lange baarden golfden hun over de borst en onder het voortgaan leunden zij op hun staf en zongen pelgrimsliederen, die zij afwisselden door het prevelen van gebeden.
Toen Tristan zag, dat het vreedzame lieden waren, ging hij hen tegemoet, kruiste zijne handen voor de borst en boog eerbiedig voor hen neer. Daarna zeide hij: "Vrome vaders! Op de jacht zijnde ben ik van mijne metgezellen afgedwaald, mijn paard is met mij van een rots gevallen en ligt ginds met een gebroken rug; kunt gij mij zeggen, waar ik ben en waar deze weg heenleidt?" "Deze weg", antwoordden de pelgrims, "voert naar Tintagel, het slot van koning Mark. Indien uw pad ook in die richting voert, kunnen wij een eindweegs samen gaan." Vol vreugde nam Tristan hun aanbod aan en de drie vervolgden gezamenlijk hun weg. Nauwelijks hadden zij echter eenige schreden afgelegd, of vanuit het bosch weerklonk luid hoorngeschal, vermengd met hondengeblaf. Bij het hooren daarvan begon Tristan's hart luider te kloppen en haastig sprak hij: "Hoort! daar zijn mijne metgezellen, die ik verloren had. Ik wil trachten ze zoo spoedig mogelijk in te halen!" Daarop wendde hij zich om en liep in de richting, vanwaar het geluid kwam. Toen hij het bosch een eind was binnengedrongen, ontwaardde zijn oog een bont jachttafereel. Op eene open plek in het woud streed een edel hert den doodsstrijd met de hem omringende honden. Onder luid gejubel omringden de jagers den kostbaren buit; met een behendigen speerstoot brachten zij het dier den doodsteek toe en reeds wilde de jagermeester met zijn dolk het wild den hals afsnijden, toen Tristan, die dit vol afschuw bemerkte, tusschenbeide sprong met den uitroep: "Houdt op, houdt op! een hert is toch geen wild zwijn, dat men eerst worgt en dan den kop afsnijdt! Hoe kunt gij zulk een edel wild zóó behandelen!" Vol verbazing zagen de jagers om bij het hooren van die stem en toen zij Tristan bemerkten, werden zij zóó getroffen door zijne jeugd en schoonheid, dat zij hunne honden terugriepen en hunnen arbeid staakten. De jagermeester, een bedaard en vriendelijk man, trad op Tristan toe en sprak: "Wij behandelen het wild, zooals ons dat geleerd is; kunt gij ons eene betere wijze aan de hand doen, zoo spreek en toon ons die!" Tristan liet zich niet lang bidden. Hij kwam eenige passen naderbij, knielde bij het hert neer en begon met vaste hand het in stukken te snijden, zooals hij dit in zijn vaderland geleerd had. Eerst ontdeed hij het dier van de huid, welke hij ter zijde legde en waarop hij achtereenvolgens de verschillende deelen stapelde, welke hij van den romp afsneed. Aan de ademloos toeziende omstanders toonde hij, welke stukken volgens aloud jachtgebruik aan de honden werden gegeven, welke het eigendom bleven van den heer van de jacht, welke aan de jagers en welke aan de armen toekwamen. Daarna rangschikte hij de afgesneden stukken naar hunne waarde en verdeelde ze onder de dragers. Toen zij allen hun aangewezen deel van den buit in ontvangst hadden genomen, stelde hij op verzoek van de jagers den jachtstoet op, zooals men dat in zijn vaderland gewoon was en wilde toen afscheid van hen nemen. De jagers wilden hem echter niet laten gaan en verzochten hem, hen naar het hof te vergezellen. Op weg daarheen vroegen zij Tristan hun te zeggen, waar hij vandaan kwam en hoe hij heette, maar de knaap was zoo voorzichtig om hun niet dadelijk te vertellen, wat er met hem was geschied en dus zeide hij slechts, dat hij, een koopmanszoon uit Ermonie, gevlucht was uit zijn vaderlijk huis om vreemde streken te bezoeken. Zijne metgezellen verbaasden er zich over, dat een eenvoudig koopmanszoon zóó bedreven was in ridderlijke gebruiken en zij prezen het land, waar de zonen der burgers tot zoo schoone en hoffelijke jongelingen opgroeiden.
Onder het voortrijden--één der ridders had Tristan zijn paard afgestaan--brak deze de jonge twijgjes af van de lindeboomen langs den weg en vlocht zich een krans in het blonde haar, zoo naderden zij onder scherts en lach den trotschen burcht van Tintagel. Toen zij in het gezicht van het kasteel waren gekomen, vroeg één der ridders aan den knaap, onder welken naam men hem aan den koning moest voorstellen. Deze antwoordde: "Mijn vader en mijne broeders noemen mij Tristan!" Zijne woorden werden met uitroepen van verbazing en spot begroet. "Hoe dwaas en zinneloos!" riepen allen uit."Jeugd, vreugde, schoonheid! zoo moest gij heeten, maar niet Tristan--dat klinkt als rouw en eeuwige smart!" Zoo waren zij tot aan de poorten van het kasteel genaderd. Plotseling nam Tristan zijn jachthoorn en blies daarop een jachtlied, zóó lustig en vroolijk, dat alle jagers met hunne hoorns in het refrein meestemden. De slotbewoners liepen vol verbazing de poort uit, zóó hadden de jagers nog nooit hunne thuiskomst aangekondigd en zij zagen met verwondering naar den welgeordenden stoet, die onder vroolijk hoorngeschal de brug overreed. Koning Mark was ook naar buiten gekomen; zijne gestalte was nog schraler geworden dan vroeger en hoewel hij eerst den middelbaren leeftijd had bereikt, waren zijne haren vergrijsd aan de slapen en liep hij gebogen als een oud man. Zijn scherpe blik trof dadelijk den blonden knaap, die daar temidden der jagers kwam aanrijden en terstond wendde hij zich tot den opperjagermeester en vroeg hem, wie die vreemdeling was. Deze antwoordde eerbiedig: "Sire, het is een koopmanszoon uit Ermonie, dien wij in het bosch gevonden hebben en die ons velerlei omtrent de edele jachtgebruiken geleerd heeft. Ondanks zijne eenvoudige afkomst is hij even hoffelijk in taal en manieren als de edelste onder ons en zelfs een koningszoon zou hem daarin niet tot schande brengen!" Daarop beval de koning Tristan vóór hem te brengen en vol edelen zwier knielde de knaap voor hem neder. Geen van beiden vermoedde daarbij, hoe nauw de band was, die hen tezamen bond, maar wel werd het koning Mark wonderlijk te moede, toen hij in de heldere kinderoogen zag, die zoo vol vertrouwen naar hem werden opgeslagen. Met zacht gebaar legde hij zijne hand op Tristan's schouder en deed hem opstaan, terwijl hij tot hem sprak: "Men heeft ons veel goeds van u verteld, knaap, en wij hebben jongelingen als gij zijt noodig. Wanneer gij zulks verlangt, kunt gij in onzen dienst treden." Dankbaar en verheugd nam Tristan's konings aanbod aan en zoo werd hij opgenomen onder de jagermeesters van den koning.
Nu brak er een schoone tijd aan voor den jongen held. Slechts zelden gingen zijne gedachten terug naar zijn geboorteland, het verleden was als een gesloten boek voor hem, maar van het heden, het wonderschoone heden, genoot hij met volle teugen. Weldra gevoelde hij zich geheel thuis aan het schitterende hof, waar hij aller lieveling was en waar de koning hem slechts zelden uit zijne nabijheid duldde.
Eens op een avond was het gansche hof bijeen verzameld om te luisteren naar de liederen van een vreemden zanger, die van ver over de zee gekomen was. Onder zijne liederen was dat van Graaf Gurun en zijne geliefde, wie de verraders het hart haars minnaars te eten gaven en die van smart en kommer omkwam. Tristan luisterde met de anderen samen, hij was geheel verzonken in de weemoedige tonen van het lied, maar toen de zanger zweeg, sprong hij overeind en riep met luider stem: "Bravo, meester! Gij hebt goed gezongen: uwe stem klinkt helder en krachtig, en weet op waardige wijze het lot der helden te bezingen. Ook de tonen uwer harp zijn rein en edel. Gij hebt de oude zangwijzen goed bewaard en ze geen geweld aangedaan".
De zanger verbaasde zich over dit kundig oordeel; wat kon zoo'n jonge knaap van zang en snarenspel weten? Nieuwsgierig vroeg hij Tristan of deze wellicht ook een lied ten beste kon geven. Zonder aarzelen greep Tristan de harp. Hij zong en zijne stem was van zulk eene innige schoonheid, dat de harten van alle aanwezigen tot in 't diepst geroerd werden. Zij, die zóó zingen kunnen, zijn een zegen der menschheid; de schoonste droomen uit verleden en toekomst tooveren zij ons voor den geest, de gestalten van dierbare afgestorvenen doen zij in onze ziel herleven en de harten der toehoorders doen zij opengaan om visioenen van teedere schoonheid binnen te laten. Toen Tristan ophield met zingen, greep Koning Mark hem bij de hand; zijne oogen stonden vol tranen en zijne stem beefde toen hij sprak: "Kind, van nu af aan moogt gij mij nooit meer verlaten. God heeft u hierheen gezonden om eene ledige plaats in mijn huis te vullen en mijn hart, dat somber en treurig was, tot nieuwen levensmoed op te wekken. Van nu af aan zal er weer licht en vroolijkheid aan mijn hof heerschen."
De koning hield woord; van dien dag af moest Tristan steeds in zijne nabijheid zijn, op de jacht, zoowel als in huis en de eenzaam levende man hechtte zich met al de kracht zijner natuur aan den blonden knaap, dien hij liefhad als zijn eigen zoon.
Zoo groeide Tristan op tot een kloeken jongeling, den trots van het gansche hof. Toen hij den leeftijd van negentien jaren bereikt had, gebeurde het, dat zijn pleegvader Rohand op zijne omzwervingen aan het hof van koning Mark kwam. Hem was ter oore gekomen bij monde van de beide pelgrims, die Tristan den weg hadden gewezen en die Rohand toevalligerwijze in Denemarken had ontmoet, dat zijn dierbare pleegzoon zich te Tintagel bevond, waar hij door den koning in dienst was genomen.
De lange jaren van zwerven en trekken hadden hunne sporen nagelaten op het lichaam van den trouwen Rohand; de doorgestane ontberingen hadden zijne leden stram en zijne haren grijs gemaakt en niemand zou in den verwaarloosd uitzienden vreemdeling, die toegang vroeg tot het kasteel, den fieren, kloeken man van weleer hebben herkend. Het was dan ook slechts met moeite, dat hij de wachters wist te overreden, hem door te laten, maar toen hij zeide, de brenger te zijn van eene tijding, welke Tristan genoegen zou doen, en hij hun bovendien eene ruime gift in de hand drukte, openden zij, hoewel aarzelend, de poort en lieten hem binnen.
Het liep juist tegen het uur van het middagmaal en in de groote zaal van het kasteel heerschte de gewone bedrijvigheid, welke daaraan voorafgaat. Juist schikten de gasten zich aan tafel, toen Rohand ongemerkt door eene zijdeur het vertrek binnentrad. Vol spanning zwierf zijn blik door de zaal en ziet--ginds! aan de linkerzijde van den grooten koning zelf, zat hij, dien hij zocht: veranderd en tot jongeling gerijpt, maar met al de schoonheid en minzaamheid, die hem reeds als kind kenmerkten. Verrukt hingen de oogen van den trouwen dienaar aan de gestalte van zijn pleegzoon; hij raakte maar niet uitgekeken. Wat was hij groot geworden en krachtig, hoe fier en vrijmoedig zag hij om zich heen en wat scheen hij zich thuis te gevoelen onder deze hooggeplaatste edellieden! Trouwens, rijk en machtig konden zij zijn, de trotsche hovelingen, geen van hen kon wedijveren met Tristan in schoonheid en adeldom van houding en gelaat! Toen de brave Rohand zich dit vol trots en vreugde had bekend, drong het plotseling tot hem door, hoezeer hij zelf, in zijne eenvoudige kleedij, welke bovendien door de reis was bevlekt en bestoven, moest afsteken bij de rijk gekleede ridders van het hof en eene stem in zijn binnenste zeide hem, dat hij wellicht beter deed, heen te gaan, om Tristan de noodzakelijkheid te besparen, zich over hem te moeten schamen. Na een laatsten blik op zijn lieveling geworpen te hebben, wendde hij zich om, ten einde het vertrek te verlaten, toen Tristan plotseling zijne richting uitkeek. Een oogenblik staarde hij zijn pleegvader aan, zonder hem te herkennen, toen drong een straal van blijde verrassing uit zijne oogen en met den uitroep: "Vader!" sprong hij overeind, liep op Rohand toe en omhelsde hem hartelijk. Daarna trok hij hem met beide handen naar de plaats, vanwaar koning Mark in stomme verbazing dit wederzien had gadeslagen en riep met juichende stem: "Sire, dit is mijn vader, die uit verre landen is gekomen om mij te zoeken. Mag ik hem uit Uw naam hier welkom heeten?"
Tranen van vreugdevolle ontroering kwamen Rohand in de oogen. Dit was zijn eigen, dierbare pleegzoon, dien hij wedergevonden had en die temidden van de pracht en praal zijner nieuwe omgeving den eenvoud van zijn kinderlijk gemoed had weten te bewaren. Hoe zegende hij dit oogenblik, dat hem ruimschoots alle gevaren en ontberingen vergoedde, welke hij om zijnentwil doorstaan had.
Koning Mark heette den verren gast hartelijk welkom aan zijn hof; hij liet hem zelfs eene plaats aan zijne zijde inruimen en bediende hem met gulle hand van de spijzen, die voor hem werden aangedragen. Na afloop van den maaltijd begaf het gezelschap zich naar een aangrenzend vertrek, waar de vorst zijn gast verzocht, om verslag uit te brengen over zijn wedervaren. Nu was het oogenblik gekomen, dat Rohand zoo lang verbeid had; de trouwe dienaar zag om zich heen in den kring van aandachtig luisterende toehoorders, haalde diep adem en begon: "Sire, het moge u bevreemden, dat ik zoo langen tijd van huis en haard ben weggebleven om dezen, mijn zoon te zoeken, vooral waar thuis nog drie andere zonen mijne vaderzorgen behoeven, maar meer nog zal het u bevreemden, wanneer ik u vertel, dat hij, voor wien ik mij al deze moeite en last hebt getroost, niet eens mijn zoon, maar feitelijk een vreemde voor mij is!" Toen hij deze woorden gesproken had, sprong Tristan, die zich aan zijne voeten had neergezet, ontsteld op en riep uit: "Vader, weet gij wel, wat gij daar zegt? Ben ik uw zoon niet? Wie zou ik anders zijn en waarom hebt ge mij dat nooit eerder gezegd?" Maar Rohand legde bedarend zijne hand op het blondgelokte hoofd van den opgewonden knaap en sprak: "Dat zal ik u zeggen, mijn kind, maar vóór ik verder ga, dient gij te weten, dat geen vader zijn zoon meer lief kan hebben dan ik u doe en dat gij eene plaats inneemt in mijn hart naast die van mijne eigen kinderen." Daarna wendde hij zich opnieuw tot koning Mark en vervolgde: "Wat ik u nu ga vertellen, Heer koning, is van grooter belang voor u, dan gij kunt vermoeden, en reeds vooraf moet ik u om vergeving vragen, wanneer ik mogelijk eene pijnlijke snaar bij u aanroer. Zooals ik u reeds zeide, is Tristan nòch mijn zoon, nòch mijn bloedverwant, maar hij werd mij toevertrouwd door mijn gestorven meester: Rivalin van Ermonie." Op het hooren van dien naam rees Mark als door een pijl getroffen omhoog uit zijn zetel, zijn voorhoofd trok samen in diepe rimpels en zijne oogen schoten dreigende vonken, maar nog eer hij den mond tot spreken kon openen, ging Rohand haastig voort: "Zwijg, Sire! want de woorden, die ge wilt zeggen, zouden de nagedachtenis van een dapper en edel man ten onrechte beleedigen. Ik weet, dat de naam van Rivalin bij u pijnlijke herinneringen opwekt, maar wat gij vreest, is niet waar. De moeder van Tristan was inderdaad uwe zuster Blanchefleur, maar zij was ook de voor God en de menschen wettig erkende echtgenoote van mijn gestorven heer."
Deze woorden maakten diepen indruk en vooral op den koning hadden zij eene geweldige uitwerking. Hij kon het zich bijna niet indenken, dat zijne bittere schaamte, over wat zijne zuster gedaan had, van allen grond ontbloot was geweest. Toen hij echter den ring zag, dien Blanchefleur aan Rohand had toevertrouwd, verdween de laatste schaduw van twijfel uit zijn ziel en luid jubelend sloot hij Tristan in de armen. Nu eerst besefte hij, waarom hij reeds bij den eersten aanblik zulk eene warme genegenheid voor den knaap had opgevat, het was de stem des bloeds, die gesproken had.
Wat Tristan betreft, ook hij kon aanvankelijk niet begrijpen, wat Rohand's woorden voor hem beduidden. Zijn eerste gevoel was er een van smart, toen hij vernam, dat hij geen vader of moeder in de wereld bezat en dat hij, dien hij als een vader liefhad, feitelijk een vreemde voor hem was. Maar toen hij alle bijzonderheden over zijne geboorte vernomen had, verdwenen die gevoelens allengs uit zijn binnenste om plaats te maken voor eene innige dankbaarheid jegens den man, die hem zoo trouw en liefderijk had verzorgd. Ook zegende hij het toeval, dat hem naar Tintagel had gevoerd en hem in staat had gesteld om de genegenheid te winnen van den eenigen bloedverwant, dien hij op aarde bezat. Diep geroerd viel hij op de knieën voor de beide mannen, die hem zoo dierbaar waren: den machtigen koning en den eenvoudigen edelman, maar koning Mark deed hem opstaan en zeide met plechtige stem: "Van nu af aan beschouw ik u als mijn eigen zoon, want niet alleen om uws zelfs wil, maar ook terwille van haar, die gestorven is, zal ik u voortaan liefhebben. Als mijn zoon zult gij aan mijn hof verkeeren en na mijn dood zult gij heer worden over mijne bezittingen, dat zweer ik bij al wat mij heilig is!"
De koning hield woord; reeds den volgenden dag maakte hij in eene plechtige bijeenkomst van al zijne vazallen bekend, dat hij Tristan aanwees als zijn wettigen erfgenaam en geen was er onder de aanwezigen, die hem die onderscheiding misgunde.
De eerste gunst, die de jonge held zijn koninklijken oom verzocht, was om heen te mogen gaan naar zijn eigen land om zich aldaar op hertog Morgan te kunnen wreken voor den dood van zijn vader. Gaarne gaf Mark hiervoor zijne toestemming, want ook hij wenschte niets liever dan den man, die de oorzaak was geweest van den dood zijner dierbare zuster, zijne gerechte straf te zien ondergaan. Weinige dagen daarna vertrok Tristan in gezelschap van den trouwen Rohand naar Ermonie, waar al ras de waarheid omtrent zijne afkomst onder het volk bekend werd. Van alle zijden ontving hij bewijzen van trouw en aanhankelijkheid en toen men vernam, dat hij besloten was om den dood zijns vaders met geweld van wapenen te wreken, stroomden van alle zijden aanhangers toe, die zich bereid verklaarden, hem in zijn pogen bij te staan.
Tegen een opstand, die zich zóózeer in de gunst van het gansche volk mocht verheugen, vermochten de huurlingen van Hertog Morgan niets uit te richten. Na een korten, maar hevigen strijd, waarin Tristan den hertog eene doodelijke wond wist toe te brengen, gaven zij zich gewonnen. Rivalin's dood was gewroken en onder het gejuich der bevolking hield Tristan zijne blijde intocht in de stad zijner vaderen. Het was echter zijn plan niet om langen tijd daar te blijven, zijn hart trok hem naar de bergen van Cornwallis, waar hij in den dienst van zijn oom zich meer zou kunnen onderscheiden dan in het kleine Ermonie. Daarom vaardigde hij een besluit uit, waarin hij het bestuur over zijn graafschap opdroeg aan den oudsten van Rohand's zonen, hijzelf echter scheepte zich met eenige getrouwen, waaronder ook zijn dienaar Gouvernail, dien hij na al die jaren gezond en wel had teruggevonden, in, om naar Cornwallis terug te keeren.