Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 2
Toch blijft hij een man van de wereld in den volsten zin des woords en talloos zijn dan ook de beschrijvingen van vroolijke feestgelagen, van zang en dans en schitterende hoffeesten, welke wij in de ridderromans aantreffen.
Om nu de voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de Arthur-sagen te verklaren, toont de schrijver aan, hoe van de drie groote kringen van ridder-romans in dien van Karel den Grooten het kerkelijke bestanddeel de overhand heeft. De romans van Alexander daarentegen, hoezeer zij ook getuigenis afleggen van de groote bekoring, welke de glans en pracht van het Oosten steeds voor de Westersche volkeren bezeten heeft, bevatten te weinig dieperen zin om op den duur te kunnen boeien.
In de Arthur-romans, zoo besluit Maccallum zijn betoog, worden de beide stroomingen vereenigd tot een harmonisch geheel.
Koning Arthur, wiens wonderbaarlijke heldendaden, beschreven in de gloeiende bewoordingen der oude Keltische verhalen, hem bij uitstek geschikt maakten om als held te worden vereerd, voldeed door zijn strijden voor het Christelijk geloof aan de eischen van hen, die vóór alles eene godsdienstige strekking zochten in de oude verhalen.
Het einde der 15e eeuw bracht het einde der Middeleeuwen en het verval der ridderschap.
Twee gebeurtenissen, hoe weinig zij ook op het eerste gezicht verband houden met het bestaan der ridderlijke samenleving, maakten er plotseling een einde aan. Ik doel hier op de uitvinding van het buskruit en die der boekdrukkunst. De eerste maakte het beeld van den ridder, die zich roem verwierf in den strijd met zijn lans en schild, tot eene onmogelijkheid. De tweede, welke eene snel toenemende bekendheid van andere landen en volkeren met zich mede bracht, doodde de illusie van de onbekende, gevaarvolle landstreken, waarin de ridder zich waagde, zoodra hij buiten de naaste omgeving van het kasteel was gekomen.
Nieuwe onderwerpen begonnen de menschen te boeien; de vele ontdekkingen en uitvindingen eischten al hunne aandacht op en het gevolg was, dat de algemeene belangstelling voor de romantische verhalen uit den riddertijd begon te verflauwen.
Op het oogenblik zelve, dat de oude verhalen van koning Arthur in de vergetelheid dreigden te geraken, werden zij, wat Engeland betrof, van den ondergang gered en neergelegd in een werk van blijvende waarde en bekoring.
Een ieder, die zich met het bestudeeren der Arthur-sagen heeft beziggehouden, zal begrijpen, dat ik hier doel op de "Morte d'Arthur", het standaardwerk van Sir Thomas Malory.
Dit werk, dat geschreven werd omstreeks het midden der 15e eeuw (1469), bevat eene verzameling Arthur-sagen, nagenoeg alle ontleend aan de Fransche ridderromans [18] en naverteld op eene wijze, welke ons thans nog evenzeer weet te bekoren als het publiek, waarvoor het geschreven werd. Malory's boek zal altijd een der standaardwerken blijven van de Arthuriaansche letterkunde en dichters, zooals Alfred Tennyson, musici, schilders en geleerden op het gebied der folk-lore hebben door alle tijden heen steeds daaruit hunne kennis geput.
Vanaf het einde der 15e eeuw komen, zooals hierboven reeds werd aangeduid, andere onderwerpen de aandacht der schrijvers en dichters opeischen. Gedurende de volgende drie eeuwen hooren wij weinig over Koning Arthur en zijne ridders, hoewel het feit, dat, om bij Engeland te blijven, dichters als Spenser, Milton en Dryden het onderwerp hunne aandacht waardig keurden, als een bewijs mag dienen, dat de belangstelling voor de oude sagen niet geheel verdwenen was.
In de 19e eeuw valt eene opleving van de waardeering voor de Arthur-legenden waar te nemen.
De romantiek had eene algemeene belangstelling voor de Middeleeuwen wakker gemaakt en zoo kwamen ook de oude ridderverhalen weer voor het voetlicht.
Niet alleen, dat geleerden van alle landen zich beijverden om de oude gedichten door critische uitgaven en verklarende aanteekeningen genietbaar te maken voor hen, die met de oude taal onbekend waren, niet alleen, dat er eene gansche letterkunde ontstond van belangrijke studies en beschouwingen over die sagen, ook de dichters van alle landen namen de oude verhalen ter hand en verwerkten ze in hunne verzen.
In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik gelegenheid hebben op de namen van die dichters en schrijvers terug te komen, ik zal ze hier dus niet noemen. Zij allen bewijzen, dat de belangstelling voor de verhalen der Tafel Ronde thans bijkans even levendig is, als toen de Middeleeuwsche dichter Jean Bodel uitriep:
"Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!"
Moge de volgende bladzijden er toe bijdragen om die belangstelling gaande te houden.
Houten, (U.), 1920. N. M.--d. F.
ARTHURS KOMST. [19]
_Van de geboorte van koning Arthur._ In lang vervlogen tijden werd het volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop te dragen.
Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eene beslissende nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen.
Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken, stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren.
Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen.
Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied, dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek, maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te wenschen over.
Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden benevelde, gingen de blikken van den vorst steeds vaker naar de overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat.
Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen.
Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde hij het niet, tusschenbeide te komen.
Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land.
De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren, maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht voor de schoone hertogin liet hem geen rust; 's nachts kon hij den slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar te bevredigen.
Eindelijk had hij een besluit genomen--hij moest, hij zou Igerna de zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet zonder Igerna huiswaarts te keeren.
Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen, om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende, of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte de zware muren met zijne balken en stormrammen.
Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem te vragen, wat hem thans te doen stond.
Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam, met plechtige stem:
"Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, die diepe wonden slaat in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden, o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft, dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen."
Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens een volgeling van Gorlois.
Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had, de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon, die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden.
Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den strijd op de wallen gedood. De burcht werd door de belegeraars geheel verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers, toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk, dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen.
Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd.
Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend.
Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig, rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene als haar eigen kind opnam en verzorgde.
_Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen._ Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen, dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag, om de orde in het rijk te herstellen.
Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te spotten viel.
Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen.
Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hun vorst gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen, die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou weten te beschermen.
Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de nedergeknielde menigte.
Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.
Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot, grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het, dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde in de morgenzon.
Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen, welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in.
Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den maaltijd.
Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend, wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen, dat hem als 't ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep en ziet--zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen, van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. "Van wien?" herhaalde de jongeling lachend, "wel, van niemand! Toen ik op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!"
In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde er iets wonderlijks.
_Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd._ De bejaarde ridder viel voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde van aandoening: "Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt, om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen van roem en eer!"
Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer, wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last, dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak ten deel zou vallen.
Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk, dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning.
Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en stroomde het veld binnen onder de kreten van: "Den koning heil! Leve Arthur! Leve de koning!" Het was een grootsch oogenblik in het leven van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn volk in ontvangst mocht nemen.