Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 19
In een oogwenk werd hij omringd door zijne vrienden, die hem voorzichtig opbeurden en hem, in zijn mantel gewikkeld, naar het slot van Tintagel terugdroegen. Daar heerschte inmiddels reeds eene feestelijke stemming over den goeden uitslag van den veldslag. In klinkende feestredenen en schallende krijgsliederen werd de overwinning gevierd, en de stemming werd steeds uitgelatener. In hun overwinningsroes vergaten de feestvierenden allengs hen, die in den strijd het leven hadden gelaten en ook over het lot der gewonden en stervenden bekommerden zij zich weinig. In een klein vertrek, in een afgelegen vleugel van het groote kasteel, lag Rivalin, verpleegd door een trouwen dienaar, te strijden met den dood. Zijn lichaam brandde van den koortsgloed, zijn hoofd bonsde en klopte en zijn adem kwam hijgend en moeilijk. Dof staarden zijne oogen voor zich uit en tevergeefs beproefde hij zich in de herinnering te roepen, wat er met hem geschied was en wat de oorzaak was van deze duldelooze pijnen. Maar hij was het niet alleen, die uren van foltering doorleefde. In haar hooggelegen torenvertrek zat Blanchefleur en wrong hare handen in wanhoop. Toen zij Rivalin niet zag terugkeeren in den stoet van zegevierende ridders, was haar hart samengekrompen van angst en vrees, maar zij had zich staande weten te houden en eerst toen zij volkomen zekerheid had over het lot van haren geliefde, was zij heengevlucht naar hare eigen vertrekken om daar, waar zij hare schoonste toekomstdroomen gedroomd had, nu hare bitterste droefheid uit te weenen.
In den dollen feestroes had men hare afwezigheid niet opgemerkt en zoo kon zij dus ongestoord hare smart den teugel vieren en peinzen, wat haar te doen stond. Dat er voor Rivalin geene hoop op herstel was, had zij maar al te goed begrepen uit de berichten, die zij van de terugkeerende strijders vernomen had, en dus zou zij hem voortaan moeten missen, hem, die het geluk in haar leven had gebracht. Wat haar het meeste kwelde, was de gedachte, dat zij het hem nooit had gezegd en het hem nu ook nooit meer zou kunnen zeggen, hoeveel hij voor haar geweest was en dat hij aldus heen zou gaan met slechts eene vage hoop in 't hart, dat hare liefde hem toebehoorde. Maar neen, dat was niet noodig! Nog leefde hij en daarom, vóór hij stierf en haar achterliet in eene wereld, waaruit alle zon en glans voorgoed verdwenen zouden zijn, kon zij hem nog zeggen, hoezeer zij hem liefhad en hoe haar gansche wezen hem voor altijd, ook na zijn dood, zou toebehooren. De grootste spoed was echter vereischt, elk oogenblik kon de dood hem aan haar ontnemen; daarom was er geen oogenblik te verliezen. In koortsachtige haast sloeg het jonge meisje zich een wijden, donkeren mantel om de schouders, die hare lichte feestkleederen geheel bedekte, daarop riep zij eene trouwe dienares en beval deze met haar mede te gaan en haar te brengen naar de plaats, waar men den gewonden graaf had nedergelegd. Als twee donkere schimmen gleden de beide vrouwen door de gangen van het kasteel en kwamen weldra aan de deur van het vertrek, vanwaar het kreunen van den stervende tot haar doordrong. Blanchefleur gebood toen hare dienares om naar binnen te gaan en alle aanwezigen uit de kamer te verwijderen, onder voorwendsel, dat de prinses den held van dien dag alleen wenschte te spreken, om hem vóór zijn dood dank te zeggen voor wat hij gedaan had. Tegen den deurpost geleund, met kloppend hart en bevend over al hare leden wachtte Blanchefleur tot de deur opnieuw openging en hare dienares haar wenkte om binnen te treden. Even daarna was zij met den gewonde alleen. Een oogenblik staarde Blanchefleur in bange onzekerheid naar den hoek van het vertrek, vanwaar het zwakke gekreun tot haar doordrong en waar zij in het bleeke maanlicht, dat door de hooge vensters in het vertrek binnendrong, de gestalte van Rivalin ontdekte, uitgestrekt op eene smalle legerstede.
Het volgend oogenblik lag zij naast hem op de knieën, hare handen in de zijne en poogde door woorden van innige teederheid hem als het ware in het leven terug te roepen. En ziet, het was of hare stem inderdaad eene toovermacht bezat, die den held belette de grenzen te overschrijden van die duistere vallei, waaruit niemand terug kan keeren. Reeds bij de eerste woorden, die zij sprak, kwam er een glimp van bewustzijn in de oogen van den lijder, zijn adem werd rustiger en zelfs voelde Blanchefleur, hoe hij, schoon zacht, den druk van hare handen poogde te beantwoorden. Haast buiten zich zelve van vreugde, wist het jonge meisje zich toch in zooverre te beheerschen, dat zij alle middelen aanwendde, om dit vonkje van opflikkerende levenskracht aan te wakkeren. Zij goot den zieke een teug versterkenden wijn tusschen de tanden, zij wreef zijne slapen en handen om het langzaam stroomende bloed in snellere beweging te brengen en zij wiesch zijne wonden met een pijnstillend middel, van wonderbaarlijke genezingskracht, waarvan het geheim slechts aan weinigen bekend was. Spoedig reeds werd hare moeite beloond, Rivalin's blik werd helderder en na eenige oogenblikken drong het licht van blijde herkenning de laatste nevelen van zijne oogen terug. Met een kreet van: "Liefste, gij hier!" strekte hij de armen uit naar het jonge meisje, dat eenige schreden van het bed was teruggetreden en toen zij zich, half schuchter, half toegevend aan een innerlijken drang over hem heenboog, trok hij haar tot zich omlaag in eene hartstochtelijke omarming. Zoo vierden zij in den nacht, die zijn stervensnacht had dreigen te worden, het feest hunner liefde. Eerst tegen den morgen sloop Blanchefleur door het slapende slot naar hare eigen vertrekken terug.
De bezielende kracht der liefde had Rivalin in het leven gehouden; rust en eene goede verpleging deden het overige, zoodat hij na eenige weken weer geheel hersteld was. Toen volgden vele maanden van stil genieten voor de beide jonge menschen. In alle heimelijkheid--want niemand was er, die hun zoet geheim vermoedde--kwamen zij samen en steeds weer vonden zij nieuwe bekoring in elkanders gezelschap, telkens weer ontdekten zij nieuwe woorden om elkander hunne liefde toe te fluisteren. Zij leefden slechts in het heden; aan de toekomst, aan Rivalin's plichten tegenover zijn land en volk en aan de gevoelens van koning Mark, wanneer hij het geheim hunner verhouding zou ontdekken, dachten zij niet, tot eindelijk de werkelijkheid hen met harde hand uit hun zoeten droom deed ontwaken.
_Hoe Rivalin naar zijn land wordt teruggeroepen en van de geboorte van Tristan._ Op een schoonen morgen landde een schip uit Frankrijk aan de rotsen van Tintagel, waarop zich eenige boodschappers uit Ermonie bevonden. Zij zeiden gewichtige mededeelingen te brengen aan graaf Rivalin en in het hun toegestane onderhoud meldden zij hem dan ook de onrustbarende tijding, dat hertog Morgan met een groot leger zijn graafschap was binnengedrongen, om zich over de hem aangedane beleediging te wreken. Er stond onzen held niets anders te doen dan zich in aller ijl voor de thuisreis gereed te maken en afscheid te nemen van zijn koninklijken gastheer en al degenen, die hem in de maanden van zijn verblijf aan het hof tot trouwe vrienden waren geworden. Viel hem dit afscheid al niet licht, wie zal zijne gevoelens beschrijven, toen hij zich ten slotte naar het vertrek der prinses begaf, om ook haar vaarwel te zeggen. Blanchefleur wachtte hem geheel alleen in hare kamer; hare oogen waren rood van de tranen, die zij geschreid had, sinds zij het bericht van Rivalin's vertrek had vernomen. Nu weende zij echter niet meer; in stomme wanhoop lag zij in zijne armen en kon geen woord spreken, zoo werd haar de keel dichtgesnoerd van angst en smart. Rivalin poogde haar te troosten door bezweringen van onwankelbare liefde en trouw; hij beloofde tot haar terug te zullen keeren, wanneer hij in de naderende gevaren het leven mocht behouden en spoorde haar aan, zich dapper te houden, opdat nòch haar broeder, nòch één der hovelingen iets van hare smart zouden bespeuren. Blanchefleur echter bleef als versteend van droefheid onder zijne vurige kussen en teedere woorden en eerst toen hij haar eindelijk bad en smeekte om hem ook eenige woorden van afscheid mede te geven, hief zij het hoofd op en sprak: "Geliefde! meen niet, dat ik als eene zwakke vrouw toegeef aan mijn verdriet, zonder daartegen te strijden; het is niet enkel de smart om uw heengaan, die mij het hart verstijft en het spreken belet, maar wat ik sinds eenigen tijd vreesde, is nu zekerheid geworden. Onze verhouding kan niet langer geheim blijven en de gedachte aan het kind, dat ik in smart en schande ter wereld zal brengen, doet mijne ziel ineenkrimpen van schaamte en wroeging. Wanneer mijn broeder ons geheim ontdekt, wacht u een smadelijke dood en ook mij en ons kind kan de toekomst slechts grondelooze verachting en groote ellende brengen. Daarom, hoeveel het mij ook kost, om u te laten gaan, toch verblijdt mij de gedachte, dat gij althans voor dit vreeselijk lot gespaard zult blijven en in eer en veiligheid naar uw land zult terugkeeren, waar een lang en roemrijk leven uw deel moge zijn. Ik zelve kan slechts afwachten, wat er met mij geschiedt". Na deze woorden gesproken te hebben, viel zij half bewusteloos in Rivalin's armen. Deze had in klimmende ontroering toegeluisterd, nu echter overdekte hij haar gelaat en hare gesloten oogen met kussen en riep uit: "Geen gedachte werp ik verder van mij af, dan u hier alleen in het gevaar achter te laten! Wat ge mij verteld hebt, maakt u nog dierbaarder in mijne oogen, dan ge mij reeds waart. Kies! wat wenscht gij? óf wij blijven hier en ik zelve zal naar uw broeder gaan, om hem ons geheim te openbaren en den eersten storm van zijn toorn te trotseeren, of ik neem u mee naar mijn land, waar ik u voor de oogen van geheel mijn volk tot mijne wettige gemalin zal maken en met mijn leven voor uwe veiligheid zal waken! Wat is hierop uwe beslissing?"
Onmogelijk ware het, den indruk te beschrijven, dien Rivalin's woorden maakten op het hart van Blanchefleur. Het was haar, of wat hij zeide een zwaren steen van haar gemoed wegnam. Weg angst en vrees! in plaats van smaad en verachting, wachtte haar nu een leven vol blijdschap en geluk, aan de zijde van den geliefden man. Zóó groot was de overgang tusschen den stijgenden angst der laatste weken en het geluk van dit oogenblik, dat zij zich moest vastklemmen aan Rivalin, om niet te vallen. Op fluisterenden toon spraken zij nu af, dat Blanchefleur, die heengaan verkoos boven blijven, den avond van Rivalin's vertrek, hem heimelijk aan boord van zijn schip zou volgen en zoo geschiedde het. Zoodra het duister was gevallen slopen twee gesluierde gedaanten het kronkelend rotspad af, dat langs de klippen omlaag voerde en een oogenblik later werden de zeilen geheschen en verdween het schip in het nachtelijk donker. Groot was de vreugde in Ermonie, toen de tijding van Rivalin's thuiskomst bekend werd en nog grooter werd zij, toen men vernam, dat de graaf van zijne reis eene schoone jonge vrouw, een prinses van vorstelijken bloede nog wel, had medegebracht.
Alvorens hij uittrok met zijn leger tegen hertog Morgan, liet de graaf in de groote slotkerk op plechtige wijze zijn huwelijk inzegenen en toen hij aldus Blanchefleur voor de oogen der gansche wereld tot zijne vrouw had gemaakt, vertrouwde hij haar toe aan de zorgen van Rohand met de woorden: "Waak over haar, alsof zij uwe eigen vrouw was en mocht mij iets overkomen, wees gij dan haar trooster en beschermer."
Na een hartroerend afscheid reed Rivalin heen aan het hoofd van zijn leger en nog geen drie dagen later kwam het tusschen hem en hertog Morgan tot een treffen, waarin de laatste de overwinning behaalde. De mannen van Rivalin's leger vluchtten in wanorde terug naar hunne hoofdstad en helaas! met zich droegen zij het lijk van hun jongen meester.
Wie zal de smart beschrijven van Blanchefleur, toen haar de vreeselijke tijding bereikte? Waar bleven nu al hare droomen van toekomstig geluk? leeg en koud lag het leven voor haar, haar bestaan had allen inhoud verloren, nu Rivalin er niet meer was, om het te vullen. Kreunend van wanhoop lag zij op hare legerstede, half bezwijmd van verdriet. Deze toestand duurde eenige dagen en op den derden dag na Rivalin's dood, bracht zij onder hevig lijden een zoon ter wereld. Toen was het echter met hare krachten gedaan en daar zij voelde, dat zij sterven ging, liet zij den trouwen Rohand tot zich roepen en sprak tot hem: "U, die de vriend en vertrouwde zijt geweest van mijn dierbaren echtgenoot, u vertrouw ik zijn zoon toe. Terwille van de liefde, die gij voor zijn vader koesterdet, smeek ik u, wees goed voor hem en neem hem aan als uw eigen kind. Ten slotte geef ik u dezen ring, mijn vader gaf hem aan koning Mark en deze schonk hem mij. Mocht er ooit een oogenblik komen, waarop gij mijns broeders hulp voor mijn zoon noodig mocht hebben, toon hem dan dezen ringen hij zal den jongen dadelijk herkennen als het kind zijner zuster." Na deze woorden gesproken te hebben viel Blanchefleur uitgeput achterover en nog dienzelfden avond gaf zij den geest.
Getrouw aan zijne opdracht nam Rohand het kind van zijn heer als het zijne aan en hield zelfs zijne geboorte een diep geheim, vreezend, dat hertog Morgan booze plannen jegens den zoon van zijn vijand zou kunnen smeden. Tegenover de menschen liet hij het voorkomen, als ware hem zelf een zoon geboren en hij omringde het kind met liefderijke zorgen. Toen de priester kwam om hem te doopen en Rohand den jonggeborene een naam moest geven, zag hij langen tijd zwijgend op hem neer en sprak toen ernstig: "Voor allen rouw en droefheid, waaronder hij geboren is, voor de smarten en beproevingen, die zijne komst op deze wereld voorafgingen, geef ik hem den naam van Tristan: dat is een mensch, die in droefheid leeft."
Niemand, die het kind zag, wist, hoe toepasselijk die naam was en hoe hij reeds het grootste verlies had geleden, dat een kind treffen kan, dat zijner ouders. En zelfs hij, die hem zijn naam geschonken had, vermoedde niet, dat zijn gansche leven dien waar zou maken; dat hij, die onder lijden en smart ontvangen en geboren was, ook in lijden en smart de dagen zijns levens zou moeten slijten, tot de dood hem verloste. Slechts zij, die deze geschiedenis teneinde lezen, zullen ten volle beseffen, hoezeer deze naam voor hem geëigend was.
Jaren verliepen en Tristan groeide onder de liefderijke hoede van Rohand en zijne vrouw op tot een aanvalligen, schoonen knaap. Toen hij zes jaren oud was, koos zijn pleegvader met zorg een leermeester voor hem uit, die hem moest onderrichten in alles, wat de zoon van een edelman behoort te weten. Deze leermeester was Gouvernail, een braaf en edel mensch, die zijne taak met liefde en plichtsbetrachting vervulde. Hij onderwees Tristan in alle kunsten, die een ridder uit die dagen placht te beoefenen: hij onderrichtte hem in het schieten met pijl en boog, in het speerwerpen en zwaard vechten en leerde hem rijden, tot zelfs de meest wilde en ongetemde paarden tam en volgzaam werden onder zijne hand. Ook ging hij met hem op jacht, met valken of honden en wees hem, hoe hij volgens jagersgebruik den buit moest ontleden en behandelen. Maar niet alleen in vechten, rijden en jagen onderwees Gouvernail zijn leerling, ook in de zangkunst en het harpspelen gaf hij hem onderricht en weldra was er in gansch Ermonie geen, die zóó schoon kon spelen en zingen als Tristan, de zoon van Rohand. Deze zag met genoegen hoe zijn pleegzoon alle deugden zijner ouders in ruime mate scheen te bezitten; hij was eerlijk en bescheiden, dapper en hoffelijk en door zijn minzaam optreden en zijn innemend uiterlijk nam hij allen, die hem zagen, terstond voor zich in. Elken dag ontdekte zijn trouwe verzorger nieuwe eigenschappen van geest en hart in den jongen Tristan, die hem herinnerden aan zijne overleden ouders en zoo kon het niet anders, of uit de houding, die hij tegenover zijn jeugdigen pleegzoon aannam, sprak zoowel eene vaderlijke genegenheid als een zekere eerbied jegens den zoon zijns meesters. Dat de andere zonen van Rohand zich somtijds beklaagden over de onderscheiding, waarmede hun jongere broeder door hem behandeld werd, spreekt van zelf, maar geen hunner vermoedde ook maar in 't minst, dat deze uit iets anders voortsproot dan uit eene onbewuste voorliefde, welke men wel meer bij ouders aantreft. Wanneer zij dan ook den een of anderen wensch door hun vader wenschten ingewilligd te zien, waren zij gewoon om Tristan te verzoeken hunne zaak bij Rohand te bepleiten en meestal deed de jongeling, vriendelijk en welwillend als hij was, wat zij van hem verlangden, vaak met het gewenschte gevolg.
Op zekeren dag werd de stad in beroering gebracht door het bericht, dat een Noorsch schip, beladen met rijke en veelsoortige koopwaar in de haven was binnengeloopen en dat de vreemde handelaars reeds bezig waren, hunne waren ter bezichtiging uit te stallen. Daaronder behoorde ook, zoo zeide men, naast vele schoone en kostbare zaken, eene partij fraaie valken en haviken, welke voor de jacht waren afgericht.
Toen Rohand's zonen, die hartstochtelijke jagers waren, deze tijding vernamen, begaven zij zich naar Tristan en smeekten hem hun vader vergunning te vragen, om een bezoek aan het schip te mogen brengen en daar eenige vogels te koopen. Rohand gaf gaarne zijne toestemming en de jongelingen begaven zich in gezelschap van Gouvernail naar de haven, waar het vreemde vaartuig lag vastgemeerd. Aan boord vergaten zij weldra uur en tijd, zóó veel was er te zien en te bewonderen. De Noorsche kooplieden hadden hunne waren met smaak en overleg ten toon gespreid en menige koop werd er dan ook in den loop van den middag gesloten. Daarbij maakte Tristan zich steeds zeer verdienstelijk, daar hij tot de weinigen behoorde, die de Noorsche taal meester waren, en dus als tolk kon dienen tusschen de vreemdelingen en zijne landgenooten. Plotseling werd zijn oog getroffen door een schaakbord, waarvan de stukken uit blank ivoor gesneden waren. Verrast zag hij om zich heen en vroeg of wellicht een der vreemdelingen het spel verstond en eene partij met hem wilde spelen. Een der Noren verklaarde zich gaarne bereid en weldra zaten beiden onder een scherm van tentdoek, dat hen tegen de zonnestralen moest beschutten, in hun spel verdiept, omringd door een kring van nieuwsgierige toeschouwers.
De middag was nu allengs verstreken en het werd tijd om huiswaarts te keeren. Een der pleegbroeders van Tristan, ziende dat deze nog met alle aandacht bij het spel was, tikte hem op den schouder en zeide: "Broeder Tristan, het wordt tijd voor ons, om naar huis te gaan en wij hebben bovendien alles bezichtigd, wat wij wenschten te zien. Daarom gaan wij reeds vooruit, gij zult ons dan wel volgen, zoodra uw spel is afgeloopen." Daarop namen zij afscheid van hem en verlieten het schip, slechts de trouwe Gouvernail bleef aan boord achter.
Toen nu alle koopers verdwenen waren, begonnen sommigen onder de kooplieden hunne hoofden bijeen te steken en te spreken over de buitengewone kundigheden van den jongen edelman, die daar in het schaakspel verdiept was. Zij prezen zijn aangenaam voorkomen, zijn vrijmoedig optreden en zijne hoofsche manieren en uitten hunne verwondering over het feit dat hij, ondanks zijn jeugdigen leeftijd, toch reeds hunne taal machtig was en met kennis van zaken de verschillende koopwaren wist te schatten. Zulk een begaafde knaap, zoo meenden zij, zou beter op zijne plaats zijn aan het hof van een machtig vorst, die zijne diensten zou weten te gebruiken. Waarom zouden zij niet trachten, hem die plaats te verschaffen door hem weg te voeren uit zijne omgeving en hem tegen een hoogen losprijs aan den een of anderen rijken koning af te staan?
Dit plan vond algemeene instemming en toen zij zagen, dat Tristan slechts oog en oor had voor zijn spel, beval de kapitein, in alle stilte het anker te lichten en zee te kiezen. Zoo gezegd, zoo gedaan. De zeilen werden geheschen, de roeiriemen in het water nedergelaten en het schip zette zich langzaam in beweging. Nog bemerkte Tristan niets, maar toen zij reeds op eenigen afstand van de kust waren, deed eene plotselinge windvlaag het doek boven zijn hoofd klapperen en opziende van zijn spel werd hij tot zijne ontzetting gewaar, dat het schip zich in volle zee bevond en eene vage lijn aan den horizon het eenige was, wat er van zijn vaderland te bespeuren viel. Met een luiden kreet sprong hij overeind van zijn zetel en op de knieën vallend voor den kapitein, smeekte hij dien om hem terug te brengen naar zijne ouders en broeders. Maar deze bracht hem aan het verstand, dat zulks onmogelijk was en maande hem aan, zich kalm en rustig te gedragen, daar hem dan geen leed zou geschieden. Tristan echter hield niet op met klagen en weenen en ook Gouvernail stemde met zijne smeekbeden in. Toen hun geklaag den kapitein begon te vervelen, gaf hij bevel om Gouvernail in eene kleine boot, voorzien van eenige levensmiddelen, te plaatsen en hem aldus eene kans te geven, de kust te bereiken; den jongen Tristan echter beval hij aan boord te houden, zulk een kostbaren buit mocht men niet laten ontsnappen.
Het baatte niet, of Gouvernail al weigerde, zijn jongen meester alleen achter te laten, met ruwe handen grepen de matrozen hem vast en plaatsten hem in eene kleine boot. Daarop gaven zij hem een paar riemen en stieten hem van het schip af.
Men kan nagaan, onder welke gewaarwordingen Tristan zijn trouwen vriend zag vertrekken; luid weenend strekte hij de handen naar hem uit en bad hem om hem niet alleen te laten. Tevergeefs!--Steeds wijder werd de afstand, die hem van den laatsten zijner landgenooten scheidde en weldra zag hij nog slechts een donker stipje, dat de plaats aanduidde, waar Gouvernail met de golven kampte. Ook dezen liepen de tranen over de wangen, toen hij bedacht, aan welk een onzeker lot hij zijn beschermeling moest overlaten, maar met alle macht verzette hij zich tegen zijne aandoeningen en trachtte het land te bereiken, vanwaar hij tenminste eenige kans had om Tristan te hulp te komen. Inderdaad gelukte het hem na groote inspanning, nog dienzelfden avond roeiend de haven binnen te loopen. Hier vond hij reeds Rohand met zijne zonen en vele andere bekenden in grooten angst heen en weder loopen; een kreet van vreugde steeg omhoog, toen zij in het vallend duister Gouvernail uit het ranke bootje zagen stijgen, maar bitter was hunne teleurstelling, toen zij vernamen, dat hij slechts alleen was. Deze teleurstelling nam nog toe, toen zij hoorden, welk een droevig lot hun geliefden Tristan was overkomen. Vooral Rohand was troosteloos van smart en wroeging; hij herinnerde zich de plechtige belofte, welke hij aan zijn gestorven meester en aan diens gemalin gedaan had. Hij had beloofd om steeds over hun zoon te blijven waken en nu was door zijne nalatigheid, doordat hij dien kostbaren schat aan de hoede van anderen had overgelaten, dit vreeselijke feit geschied en wachtte den knaap daarginds in het vreemde land eene bittere ballingschap en wellicht een gewelddadige dood. Zijn geweten liet hem geen vrede en hij rustte niet, alvorens hij een schip had uitgerust om Tristan te gaan zoeken. Na weinige dagen vertrok hij aan boord van dit vaartuig, vergezeld door de beste wenschen der achterblijvenden en zette koers naar vreemde streken in de hoop zijn pleegzoon terug te vinden. Eerst na lange jaren mocht hem dit gelukken. Waar en onder welke omstandigheden hun wederzien plaats vond, zullen wij later vernemen. Voorloopig keeren wij terug naar onzen jeugdigen held, zooals hij tegen den mast geleund, met betraande oogen naar den gezichteinder staart, waar het laatste stipje van zijn geboorteland allengs achter de golven verdwijnt.