Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 18
Voor een laatsten blik op het leven van onzen held keeren wij een oogenblik terug naar Frankrijk, het land, waar zijne lotgevallen voor het eerst werden bezongen. In 1900 verscheen aldaar een werk geschreven door denzelfden Joseph Bédier, wiens naam hierboven reeds meermalen vermeld werd, hetwelk een ieder in staat stelt de schoonheid der oude legende volop te genieten. De schrijver heeft getracht, en is er meesterlijk in geslaagd, om uit de verschillende middeleeuwsche fragmenten een proza-roman samen te stellen, geschreven in hedendaagsch Fransch, maar in den geest der oude tijden. Wie het werk niet kent, herstelle dit verzuim zoo spoedig mogelijk, want de schoone taal en inhoud maken het lezen ervan tot een hoog genot. [36]
Het boek bevat eene voorrede van Gaston Paris, waarin de belangstellende lezer eene uiteenzetting vindt van de wijze, waarop het werk tot stand is gekomen. Naar die inleiding verwijzen wij ook diegenen, die een antwoord verlangen op onze tweede vraag, waarom deze legende, meer dan alle andere verhalen uit vervlogen tijden, de bewondering der menschen telkens weder opnieuw voor zich heeft weten te winnen. Wie zou hare zaak waardiger en schooner weten te bepleiten dan de man, die zich zoo zeer beijverd heeft om haar aan de vergetelheid te ontrukken en de belangstelling zijner tijdgenooten voor haar wakker te maken?
In de volgende bladzijden wordt de Tristan-sage in hoofdzaak weergegeven, zooals zij in de gedichten van Thomas en diens navolgers te vinden is.
De beschrijving, hoe Tristan, als nar vermomd, na zijn huwelijk naar Tintagel terugkeert, om Isolde nog eenmaal te zien, is eene toevoeging uit andere bron; dit feit wordt slechts vermeld in twee episodische gedichten, in het werk van Eilhart von Oberge en in den proza-roman.
DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.
"Iseult ma drue, Iseult m'amie, En vus ma mort, en vus ma vie."
(Thomas: "Roman de Tristan").
_Hoe graaf Rivalin van Ermonie naar het hof van koning Mark kwam, om zich de hoofsche gebruiken eigen te maken._ Lange jaren geleden leefde er in Ermonie, eene landstreek van het hertogdom Bretagne, een jong en dapper edelman, Rivalin genaamd. Ondanks zijn jeugdigen leeftijd werd hij alom geprezen als een toonbeeld van ridderlijke deugden en vele ridders trokken op naar zijn burcht, om onder zijne leiding zich te bekwamen in de kundigheden, die het een ridder past, zich eigen te maken. Behalve over het erfdeel zijner vaderen, voerde de jonge graaf het bestuur over een aanzienlijk grondgebied, dat behoorde aan zijn leenheer, hertog Morgan. Deze laatste nu werd door het gansche volk gehaat en gevreesd om zijne hardheid en wreedheid, geen wonder dus dat Rivalin steeds op middelen zon, om zich van den drukkenden last van zijn leenmanschap te bevrijden. Toen hij daarom den volwassen leeftijd had bereikt en zag, hoe zijne ridders en dienaren hem aanhingen in trouw en genegenheid, besloot hij eene kans te wagen om dien gehaten druk van zijne schouders te werpen. In alle stilte maakte hij zich op ten strijde en toen hij de kans schoon zag, deed hij geheel onverwachts een inval in het land van hertog Morgan. Zoozeer waren zijne volgelingen bezield met moed en bewondering voor hunnen jongen heer en zóózeer haatten zij den boozen hertog, dat de in aantal veel sterkere strijdkrachten van dezen laatste in verwarring op de vlucht sloegen voor hun onstuimigen aanval. Weldra was Rivalin met zijn leger genaderd tot voor de poorten der hoofdstad en hertog Morgan, wilde hij eene smadelijke overgave voorkomen, moest wel toestemmen in de voorwaarden, die zijne belegeraars hem oplegden. Uiterlijk kalm, maar inwendig kokend van woede en wraaklust, teekende hij het gezegeld document, dat Rivalin's onafhankelijkheid bekrachtigde. Daarop trok deze met zijn leger terug naar Ermonie, waar hij met gejuich en eerbetoon door het volk begroet werd.
Na eenige jaren rustig over zijn land geregeerd te hebben, voelde Rivalin een drang in zich ontwaken, om de wereld in te trekken en vreemde landen en volkeren te leeren kennen. Hij gevoelde zich beklemd door de enge grenzen van zijn graafschap en eene kwellende onrust maakte zich meester van zijn gemoed, waar tot heden slechts geluk en tevredenheid hadden gezeteld. De hulde en eerbied van zijne onderdanen voldeden hem niet langer; het verdroot hem om steeds de eerste te zijn, voor wien alles zich boog in nederige onderworpenheid, ook hij wilde op zijne beurt dienen, maar dan één, die hooger, machtiger en sterker was dan hij.
Daarom besloot hij het bestuur over zijn land voor eenigen tijd toe te vertrouwen aan Rohand, zijn trouwsten dienaar en zich met eenige volgelingen op reis te begeven naar het rijk van koning Mark van Cornwallis, aan wiens hof, zoo zeide men, de dapperste ridders ter wereld te vinden waren.
Hij koos dus een twaalftal zijner meest geliefde ridders uit en beval hen, zich reisvaardig te maken, tevens liet hij een schip uitrusten en bevrachtte het met eene lading van kostbare geschenken. Op een mooien lentemorgen ging het gezelschap aan boord en stevende met een gunstigen wind de haven uit. Na eene voorspoedige zeereis kondigden de wachters tegen het vallen van den avond aan, dat er land in 't zicht was, men liet het anker vallen, daar het onmogelijk was om in de vallende duisternis eene veilige landingsplaats te vinden, en eerst den volgenden morgen vroeg werd de reis voortgezet.
Steil en ongenaakbaar rezen de hooge rotsen van Cornwallis omhoog uit de zee, die zich als een onmetelijk blauw vlak tot aan den horizon uitstrekte. Geen windje beroerde den waterspiegel, slechts aan den voet der grijze rotswanden krulde een witte rand schuim. Hoog boven de zee op een der hoogste klippen, wier wanden schier loodrecht uit het water oprezen, lag het kasteel van Tintagel, waar koning Mark den langsten tijd van het jaar verblijf placht te houden. Trotsch en ontoegankelijk als de rots, waarop het rustte, bood het slot inderdaad eene geschikte woning aan voor een machtig vorst. De hooge muren waren opgetrokken uit den grijzen rotssteen, waarmede zij één geheel schenen uit te maken, de smalle vensters waren verscholen in diepe nissen en reeds bij den eersten aanblik zag men, dat noch de woede der elementen, noch de stormrammen van vijandelijke aanvallen in staat zouden zijn, om deze muren te doen bezwijken.
Eerbiedig staarden de schepelingen omhoog naar het fiere slot, van welks hoogsten toren de koninklijke standaard uithing. Nadat zij eenigen tijd heen en weer gekruist hadden, bemerkten zij, hoe op één punt, waar de rotsen een natuurlijken inham vormden, eene breede trap was uitgehouwen, welke toegang tot het kasteel scheen te verleenen. Weldra lag het schip voor anker en zond Rivalin twee boodschappers omhoog, die koning Mark zijn bezoek moesten aankondigen. Na verloop van eenigen tijd keerden zij terug, gevolgd door een aantal ridders, die den jongen graaf op de meest hoffelijke wijze verzochten, hen naar den koning te volgen.
Gaarne gaf Rivalin gehoor aan dat vriendelijke verzoek en steeg met zijne begeleiders langs de breede trappen omhoog. Hoe klopte daarbij zijn hart van vreugdevolle verwachting, nu hij op het punt stond zijne droomen en verlangens der laatste jaren in vervulling te zien gaan!
Op het ruime voorplein van het koninklijk slot stond een uitgelezen gezelschap van hovelingen en ridders geschaard om den jongen koning, wiens tengere gestalte gehuld was in een ruim kleed van purperen zijde. Zijne gelaatstrekken waren scherp en onregelmatig, onder de zware, donkere wenkbrauwen lichtten de oogen met een onrustigen glans en om de smalle lippen speelde een weemoedige glimlach. Eerbiedig naderde Rivalin zijn koninklijken gastheer, wiens roem ook tot zijn afgelegen graafschap was doorgedrongen. Dit was dus koning Mark, hij, van wiens dapperheid en moed de rondreizende zangers plachten te gewagen en wiens hoffeesten zij in hunne gedichten in gloeiende kleuren bezongen.
In leeftijd verschilde hij niet veel van Rivalin, maar toch groefden zich reeds diepe lijnen om den mond van den jongen vorst, die schenen aan te duiden, dat eene kroon soms zwaarder drukken kan, dan men wel zou gelooven en dat de strijd en de zorgen van het leven ook een koning niet bespaard blijven. Thans echter, nu hij naar voren trad om zijn gast te begroeten, verdreef een vriendelijke glimlach den bitteren trek van Mark's gelaat en zijne stem klonk opgewekt, toen hij Rivalin welkom heette in zijn kasteel.
Half beschroomd, half vrijmoedig, verhaalde deze toen, wat de reden was van zijne komst. Hij zeide, dat hij niet langer tevreden was geweest met de trouwe onderdanigheid zijner landgenooten, omdat zijne ziel wegkwijnde van verlangen naar ruimer landstreken, waar hij zich het gezelschap van dapperder, wijzer en hoffelijker mannen dan hij was, ten nutte zou kunnen maken.
Toen hij ophield met spreken, voerde Mark hem aan de hand naar binnen in het slot en verzocht hem aan zijne zijde plaats te nemen. Op een wenk van Rivalin droegen toen zijne dienaren de koffers met geschenken naderbij, die hij van zijn land had medegebracht. Gehoor gevend aan zijn bevel, stalden zij een schat van kostbare voorwerpen aan de voeten des konings uit: rijk geborduurde mantels en zijden stoffen; kannen en drinkbekers van het zuiverste goud; zwaardscheeden, bezet met fonkelende edelsteenen, alles hoopte zich op tot eene glinsterende massa. Nadat de vorst zijne keuze gedaan en den gever zijn minzamen dank betuigd had, deelde Rivalin met kwistige hand de overigen geschenken uit onder de aanwezige vrouwen en ridders en deze mildheid, gevoegd aan het vriendelijk bescheiden optreden van den jongen graaf deden hem terstond een gunstigen indruk maken bij de volgelingen des konings. Met algemeene instemming begroetten zij dan ook Mark's uitnoodiging aan Rivalin, om voor onbepaalden tijd op het slot te gast te zijn.
De weken vlogen om en allengs begon men toebereidselen te maken voor het Meifeest, dat steeds met grooten luister aan het hof gevierd werd. Naar alle zijden waren uitnoodigingen verzonden om de ridders op te wekken tot deelname aan het steekspel, dat de hoofdgebeurtenis der feestelijkheden was. Ten einde hierin uit te blinken oefenden de hovelingen zich iederen dag op het voorplein van het kasteel, waar zij door proeven in het schijfschieten en speerwerpen hun oog vast en hunne spieren krachtig en los poogden te maken. Rivalin was met hart en ziel betrokken bij de voorbereidselen tot dit groote feest; zijn vurigste wensch was om zich in het komende steekspel te onderscheiden en onvermoeid begaf hij zich elken dag opnieuw naar het terrein, waar de oefeningen gehouden werden. Wanneer hij dan des avonds met de andere ridders tezamen zat in de ruime slotzaal, schitterden zijne oogen van kracht en levenslust, een blos van gezondheid kleurde zijne wangen en zijn scherts en vroolijkheid sleepten het gansche gezelschap mede. Menige verstolen blik werd hem toegezonden vanuit den hoek der zaal, waar de edelvrouwen bijeen zaten, maar geene, die zóó vaak en zóó lang naar hem keek als Blanchefleur, de zuster des konings.
Fijngebouwd en slank was zij, de jonge prinses, en donker van haar, gelijk haar broeder, maar hare gelaatstrekken waren zacht en vriendelijk en hare oogen spiegelden in hunne kalme onschuld de reinheid harer ziel. Na den vroegtijdigen dood harer ouders, die zij nauwelijks gekend had, leefde zij aan het hof van haren broeder, waar zij in onbezorgde tevredenheid hare kinderjaren gesleten had onder de trouwe zorg harer voedster. Steeds was zij gelukkig en tevreden geweest en had zij voldoening gevonden in de kalme genoegens van haar afgezonderd bestaan: de lange ritten te paard aan de zijde van haar broeder, die meestal zwijgend voor zich uitstaarde en haar vroolijk gepraat maar half scheen te hooren; het balspel in de tuinen van het kasteel met hare vrienden en vriendinnen, die de koning zorgvuldig voor haar uitkoos onder de jongere leden der hofhouding en--waar zij misschien nog 't meest van genoot--de lange winteravonden, als zij in haar torenkamertje zat en luisterde naar de verhalen uit lang vervlogen tijd, die hare trouwe verzorgster haar placht te vertellen. Dan, terwijl de wind gierde en raasde om de muren van den ouden toren, terwijl de meeuwen krijschten en de golven tegen de rotsen van Tintagel beukten, zat Blanchefleur aan de voeten der oude vrouw en luisterde in gespannen aandacht naar de wonderverhalen over lang gestorven ridders en hunne geliefden. Wanneer de vertelster zich dan uitputte in wijdloopige beschouwingen over de ongehoorde dapperheid en volmaaktheid harer helden, gebeurde het wel eens, dat de gedachten van het jonge meisje afdwaalden naar de toekomst, waarin ook zij woorden van liefde zou hooren uit den mond van een schoon en edel ridder, die om harentwil zou wenschen uit te blinken door daden van grooten moed.
Zoo waren hare kinderjaren verloopen en nu was zij volwassen en sinds eenigen tijd had haar broeder haar toegestaan, om deel te nemen aan het hofleven met zijne feesten en partijen. Van het oogenblik af, dat zij voor de eerste maal, schuchter en blozend, aan de hand des konings in het openbaar was verschenen, had men haar gehuldigd zooals men dat aan haren rang verschuldigd was, maar het duurde niet lang, of zij had bovendien aller harten gewonnen door hare eenvoudige lieftalligheid. Spoedig waren van wijd en zijd mededingers naar hare hand komen opdagen, maar tot nu toe had zij ze allen vriendelijk, maar beslist afgewezen. Zij voelde zich volmaakt gelukkig in het slot te Tintagel, waar iedereen zich vriendelijk en welwillend jegens haar betoonde en waar zij in kalme tevredenheid voortleefde, bewaakt en verzorgd door de vrienden harer kindsheid.
Maar vreemd, sinds eenigen tijd scheen het, of die rust en kalmte haar niet langer bevredigden. Wanneer zij met haar borduurraam was gezeten onder de groote boomen van het slotpark, dat aan de achterzijde van het kasteel langs de berghelling omlaag glooide, en luisterde naar de eentonige stem harer voedster, die de levensgeschiedenis van den een of anderen heilige voorlas, gebeurde het soms, dat zij, gedreven door een plotselingen tegenzin, het werk van haar schoot wierp, in eene bui van uitgelatenheid de arme vrouw om het middel greep en een wilden rondedans met haar uitvoerde. Dan weer kon zij urenlang met de handen in den schoot zitten peinzen, zij, die anders de ziel van het gezelschap was. Hare vrienden en bloedverwanten verbaasden zich weliswaar over de verandering, die in Blanchefleur had plaatsgegrepen, maar schreven die toe aan uiterlijke omstandigheden, zonder de ware oorzaak te vermoeden. Ook het jonge meisje zelve verkeerde daaromtrent geheel in 't duister, zij gaf zich geen rekenschap van wat er in haar omging en liet zich slechts gaan op de stemming van het oogenblik.
Zoo brak de morgen van den eersten Meidag aan, den dag, waarop het groote steekspel zou beginnen. De rotsen van Tintagel baadden zich in het heldere morgenlicht, de zon goot hare stralen over den helderblauwen zeespiegel en over de groene weiden, die tusschen de rotsen waren gelegen, boven de glinsterende golfjes en tegen de kale rotswanden zwenkten de zeevogels en in de omgeving van het koninklijk slot heerschten leven en bedrijvigheid. Het middelpunt van al die ongewone drukte op dit vroege morgenuur was een groot veld, dat op eenigen afstand van het kasteel op de hoogvlakte lag. Daar draafden en zwoegden de knechten en werklieden, om het terrein voor het steekspel in gereedheid te brengen; daarheen begaven zich ook de poorters van de naburige kasteelen, die met hunne gezinnen naar het schouwspel kwamen kijken. In het midden van het veld was een vierkant stuk land opengehouden, dat als strijdperk dienst zou doen, terwijl aan alle klanten eene flinke ruimte voor de toeschouwers beschikbaar bleef. In die ruimte, langs één der zijden van het strijdperk, werden de tenten opgeslagen voor de leden der hofhouding. In het midden prijkte die van den vorst, waar het purperen tentdoek het koninklijk wapen, in goud geborduurd, te zien gaf, aan weerszijden stonden de tenten der ridders en hovelingen. Toen te twaalf ure de herauten het sein gaven, dat de strijd zou beginnen, had zich eene dichte haag van toeschouwers rondom het strijdperk opgesteld en ook bij de tenten der hofhouding was het een gekrioel van belang. De edelvrouwen hadden zich op het gras buiten hare tenten neergezet en geleken in hare kleurige kleederen op bontgetinte bloemen. De ridders, die niet aan het tournooi deelnamen, of die eerst later op den middag in het perk zouden treden, hadden zich aan hare voeten uitgestrekt en poogden door onderhoudende scherts hare gunsten te winnen. Hier en daar schoolden eenige jonge knapen bijeen en bespraken ijverig de kansen der strijdenden, of betastten de wapenrusting der ridders met een gevoel van naijver en bewondering. Dichtbij de koninklijke tent troonde Blanchefleur temidden harer vrouwen. Nooit had de jonge prinses er schooner en lieftalliger uitgezien dan op dezen dag, nu de opwinding over den komenden strijd hare wangen zachtrood kleurde en hare oogen heller deed glanzen. Hare donkere lokken werden bijeengehouden door een krans van witte rozen en een tuiltje van dezelfde bloemen stak tusschen de plooien van haar lichtgroen kleed. Vroolijk praatte en lachte zij met hare vriendinnen; alle onrust en neerslachtigheid schenen uit hare ziel verdwenen te zijn. Indien hare oogen ook gedurig afdwaalden naar het strijdperk, vanwaar het gekletter der wapenen en het gestamp der paardehoeven tot haar doordrong, welnu, dan was dit toch slechts eene zeer verklaarbare belangstelling in den strijd, die aller aandacht vroeg en gold die belangstelling ook niet alle dappere helden, die eraan deel namen? Zoo sprak en redeneerde het jonge meisje met zich zelve en wilde het zich niet bekennen, dat hare oogen onder de strijdenden slechts één ruiter zochten, dat hare ooren onder de uitroepen, waarmede de omstanders de vechtende ridders poogden aan te moedigen, slechts één naam onderscheidden, dien van Rivalin van Ermonie. Zij wilde zich verzetten tegen dien onweerstaanbaren drang van haar hart, die haar dwong om bij een jachtrit haar paard te sturen in de richting van het zijne, om zijne meening te stellen boven die der andere ridders en die haar elk feest, elk samenzijn doodsch en vervelend deden voorkomen, wanneer hij daarbij niet aanwezig was. En toch, naarmate de strijd in hevigheid toenam en ook het gevaar voor de deelnemers grooter werd, kon zij hare aandacht al minder en minder bepalen bij de luchtige gesprekken der toeschouwers. In angstige spanning hingen hare oogen aan die ééne ridderfiguur, wier wuivende vederbos hoog boven de verwarde kluwen van vechtende edellieden uitstak. Wanneer hij een oogenblik door de opjagende stofwolken aan het oog onttrokken werd, kromp haar hart ineen van angstige pijn en ademde zij eerst weer verruimd op, wanneer zij hem nog ongedeerd te paard bespeurde. Wat zij de laatste weken als eene kwellende onrust gevoeld en bestreden had, werd haar met het verstrijken der uren allengs duidelijker. Als eene heldere zekerheid drong zich de wetenschap aan haar op, dat zij dezen man lief had, zóó lief, dat, wanneer hij in den strijd den dood mocht vinden, het leven voor haar alle waarde verloren zou hebben.
Ten slotte was het gevecht beslist en onder de luide juichkreten der omstanders verliet Rivalin als overwinnaar het strijdperk. Minzaam buigend nam hij de huldebewijzen in ontvangst, en hoewel zijn hart onstuimig klopte van trots en voldoening, bleef zijn optreden kalm en bescheiden. Toen hij uit de handen des konings den kostbaren gouden beker in ontvangst had genomen, die als prijs voor den overwinnaar was uitgeloofd, moest hij op weg naar zijne tent voorbij de plek komen, waar Blanchefleur gezeten was. Een regen van bloemen begroette hem, toen hij langs de groep van edelvrouwen ging en Blanchefleur, die hem in spanning had zien naderen, riep hem toe, half ernstig, half schertsend: "Heil u! overwinnaar, die den sterksten onder onze ridders te sterk is geweest! Vóór gij echter verder gaat, zeg mij één ding, waarom gij mij, arme, zwakke vrouw hebt willen kwetsen?" "Ik u kwetsen!" herhaalde Rivalin op verbijsterden toon, "wanneer en hoe zou ik dat gedaan hebben? Spreek, zoo bid ik u en zeg mij, hoe ik dit kwaad, zoo ik het wellicht onbewust bedreven heb, ongedaan kan maken!" "Het kwaad is geschied", hernam Blanchefleur, "en geene macht ter wereld kan het ongedaan maken, maar let niet op mijne woorden, en ga kalm uws weegs. God zegene en behoede u!" Deze laatste woorden sprak zij op zachten, innigen toon, daarop boog zij het hoofd en Rivalin reed verder. Het was den jongen graaf, alsof hij droomde. Wat kon wel de beteekenis zijn van deze geheimzinnige woorden, waarin kon hij de prinses, zij die in zijne oogen boven alle vrouwen uitstak in liefelijke bekoorlijkheid, gekwetst hebben? En dan die zegewensch, op zoo teederen toon uitgesproken, die bijna klonk als een afscheid! Peinzend ontdeed Rivalin zich van zijne wapenrusting, en zijne vrienden, die naar de tent waren gekomen om hem met zijne overwinning geluk te wenschen, vonden hem verstrooid en afgetrokken.
Van dien dag af zocht Rivalin bij alle voorkomende gelegenheden het gezelschap van Blanchefleur en het duurde niet lang, of de eerbiedige bewondering, welke hij voor de schoone prinses koesterde, groeide aan tot liefde. Nog werd er tusschen hen met geen woord gesproken over den aard hunner gevoelens, maar nochtans wisten beiden met stellige zekerheid, dat hunne harten elkaar toebehoorden. Elke blik, elk woord, dat zij wisselden, kreeg eene nieuwe, diepere beteekenis en zoo leefden zij voort in een schoonen droom, zonder er zich rekenschap van te geven, dat op elken droom, hoe schoon hij ook zijn moge, een ontwaken volgt.
Ook bij hen bleef dit niet uit.
Eens op een dag werd koning Mark ontsteld door het bericht, dat een zijner machtigste vijanden een verraderlijken inval in zijn land had gedaan, waar hij alles verwoestte, wat hem in den weg kwam. Indien de koning niet spoedig ingreep, zouden een groot aantal zijner onderdanen gedood en het grootste deel zijner bloeiende steden en dorpen in de asch gelegd worden. Met bekwamen spoed liet de vorst alles voor den veldtocht in gereedheid brengen en begaf zich in allerijl op weg om den indringer te weerstaan. Onder de ridders, die zich vol geestdrift hadden aangemeld om aan den komenden strijd deel te nemen, bevond zich ook Rivalin. Hij was het, die door zijne onweerstaanbare geestdrift de anderen wist te bezielen, en die zich, toen het tusschen de beide legers tot een treffen kwam, zonder aarzelen in het dichtst van het strijdgewoel waagde. Na een heet gevecht, hetwelk den ganschen dag duurde, slaagde het leger van koning Mark er in, om den vijand tot de vlucht te nopen. Een tijdlang zetten de ridders de vervolging voort, aangevoerd door Rivalin, en ziet, juist op het oogenblik, dat zij terug wilden keeren, trof een der door de vluchtenden achterwaarts geschoten pijlen, den jongen graaf in de borst. Doodelijk gewond stortte hij van zijn paard op den grond, hij, wiens leven den ganschen dag als door een wonder gespaard was gebleven.