Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 17
Laat ons voorloopig trachten, de eerste dier beide te beantwoorden. De vraag, waar wij de bakermat moeten zoeken van de Tristan-sage, heeft vele pennen in beweging gebracht. Verschillende theorieën zijn daarover opgeworpen, men heeft ze aangenomen, bestreden en na eenigen tijd zijn ze verworpen om plaats te maken voor nieuwe denkbeelden. Vele zijn de artikelen, die geschreven zijn, om de waarheid der verschillende zienswijzen aan te toonen of te weerleggen en eene lijst van de namen der geleerden, die ze hebben samengesteld, zou eene aanzienlijke ruimte beslaan. Het is hier niet de plaats, om in bizonderheden op dit alles in te gaan; een ieder, die belang stelt in het vraagstuk van den oorsprong der Tristan-sage behoef ik slechts te verwijzen naar de verschillende jaargangen van de tijdschriften: "Romania", "Revue de Paris" en "Zeitschrift für Romanische Philologie", om hem ruimschoots gelegenheid te geven, zich met de verschillende meeningen daaromtrent vertrouwd te maken. Toch dienen enkele namen hier genoemd te worden, vóór alles die van Gaston Paris, den beroemden Keltoloog, die in de April-aflevering van de "Revue de Paris" voor het jaar 1894, een schitterend geschreven betoog hield voor den Keltischen oorsprong der Tristan-sage. Volgens hem moeten wij de eerste sporen van het verhaal zoeken onder de oudste Keltische poëzie, waar ons reeds verteld wordt van een liefdesdrank met noodlottige gevolgen. Om dit bestaande gegeven zouden zich dan, volgens Gaston Paris, episodische verhalen hebben gevormd, die door de rondreizende zangers van Wallis en Bretagne gezongen werden met begeleiding van de harp. Deze liederen, de bekende "lais bretons", werden gewijzigd en verspreid door Fransche zangers, tot ze eindelijk in handen vielen van dichters, die ze omwerkten tot een samenhangend geheel. Zoodoende ontstonden de eerste Tristan-romans, waarvan, zooals we zullen zien, fragmenten zijn overgebleven.
Langen tijd hield de theorie van Gaston Paris stand, maar allengs begonnen zich stemmen daartegen te verheffen, die zelfs voortkwamen uit den kring van zijne eigen leerlingen. Deze legden hunne denkbeelden neer in eene reeks artikelen in "Romania" XV en XVI. Vooraan onder hen staat Joseph Bédier, wiens naam door allen, die de Tristan-sage kennen en bewonderen, met eerbied dient genoemd te worden. Zijne theorie omtrent het ontstaan der legende is te vinden in het tweede deel zijner uitgave van een der eerste Fransche Tristan-gedichten, n.l. dat van Thomas, een Normandisch dichter uit de 12e eeuw. Bédier onderscheidt drie tijdperken in den ontwikkelingsgang der sage. Volgens hem stamt onze held uit het hooge Noorden van Groot-Brittannië, waar wij zijn naam onder den vorm van "Drostân" [26] aantreffen als dien van een geliefd held bij de volksstammen der Picten en Schotten. Aan de Kelten uit het Zuiden van Engeland, uit Wallis, komt de eer toe, den naam van dien Schotschen held te hebben verbonden met dien van koning Mark van Cornwallis en daardoor den eersten stoot te hebben gegeven tot de vorming der later zoo beroemd geworden Tristan-sage. Op welke wijze nu geraakte deze bekend onder de Fransche dichters, die haar in de 12e eeuw tot onderwerp hunner verzen maakten? Om Bédier's verklaring hiervoor begrijpelijker te maken, brengt hij ons eerst in herinnering, welk eene nauwe gemeenschap in de 10e en 11e eeuw bestond tusschen Bretagne en Normandië. De regeerende huizen van deze beide landen waren onderling meerdere malen door huwelijken verbonden en jaar in jaar uit waren de Bretonsche "jongleurs", zooals zij genoemd werden, naar het naburige hertogdom getrokken, waar zij eene warme ontvangst vonden in de kasteelen der Normandische edelen. Wie waren die Bretonsche jongleurs? Afstammelingen van de Kelten uit Groot-Brittannië, die in de 6e eeuw de wijk hadden genomen naar Bretagne, om te ontkomen aan de vervolgingen der Angelen en Saksen. Toen dus die "jongleurs" na den slag bij Hastings hunne meesters, de Normandische edellieden, die tot het gevolg van Willem den Veroveraar behoorden, naar Engeland volgden, sloten zij zich daar spoedig aan bij de volksdichters en zangers, aan wie zij zich door hunne afkomst nauw verwant voelden. Zij leerden van hen verscheidene oude legenden en overleveringen, waarmede zij hunne Bretonsche verhalen aanvulden en uit deze vermenging ontstond de beroemde "matière de Bretagne", welke zulk eene hooge plaats inneemt in de middeleeuwsche letterkunde. Zoo ontstond ook volgens Joseph Bédier, de Tristansage, zooals wij die kennen en bewonderen.
Uit het eerste, het Pictische tijdperk der legende, dagteekent, zooals reeds vermeld is, de naam van den held: "Drostân". In het tweede, dat, waarin de Kelten uit Wallis en Cornwallis den grondslag legden tot de eigenlijke sage, vinden wij dien naam terug als "Drystan". Deze "Drystan ab Tallwch" wordt in de Triaden van Wallis genoemd als een der kampioenen van Arthurs hof. [27] Ook wordt hem de twijfelachtige eer toegekend van een der beste zwijnenhoeders van het land te zijn. In een der Triaden wordt beschreven hoe Drystan den zwijnenhoeder van koning March ab Meirchion met een brief naar koningin Essylt zendt. Hijzelve zal in dien tusschentijd zijne taak overnemen en zóó goed kwijt hij zich daarvan, dat nòch Arthur, nòch Mark, nòch Key erin slagen kunnen hem eene zijner zeugen afhandig te maken.
Welke zijn nu de Keltische, welke de Fransche bestanddeelen in de sage, zooals die door de eeuwen heen tot ons gekomen is? In zijne meening hieromtrent wijkt Bédier, en met hem andere geleerden, zooals Golther en Ferdinand Lot, af van de inzichten van Gaston Paris. Één voor één bestrijdt Bédier de vele voorbeelden, die zijn leermeester aanvoerde, om den Keltischen oorsprong der sage te bewijzen, tot er slechts enkele overblijven, welke door hem werkelijk als zoodanig worden erkend. De wijze, waarop hij dit doet en de houding, die hij daarbij tegenover de denkbeelden van zijn geliefden meester aanneemt, spreekt van eerbiedig ontzag voor de fijn gevoelde opvattingen van diens betoog, welken hij echter meer dichterlijke schoonheid dan volkomen betrouwbaarheid toekent.
Volgens Bédier betreffen de Keltische bestanddeelen slechts den uiterlijken vorm der sage. Wat deze aan dichterlijke waarde en innerlijke schoonheid bezit, ligt echter in den zielestrijd der beide gelieven, die zich eensdeels gebonden voelen door de wetten en gebruiken van de samenleving, waarin zij leven, anderdeels, door hunnen hartstocht gedreven, die wetten steeds met voeten treden. Daar nu volgens Bédier de huwelijksband onder de Kelten zeer los was, wat hij bewijst door eene aanhaling uit de wetten van koning Howel den Goeden, moet datgene, wat de sage hare grootste bekoring gaf, eraan toegevoegd zijn in Frankrijk, in eene christelijke samenleving en door iemand met een fijn-besnaard, dichterlijk gemoed. In een volgend hoofdstuk van zijne studie toont Bédier aan, dat, dank zij de verschillende critische uitgaven der oude Tristan-gedichten, de theorie, dat de "lais bretons" de grondstof voor deze gedichten zouden hebben geleverd, meer en meer op den achtergrond wordt gedrongen. Uit eene vergelijking der bestaande gedichten blijkt het verband, dat tusschen deze onderling bestaat en daardoor wordt hunne schijnbare zelfstandigheid aanmerkelijk verminderd. Ten slotte komt de schrijver tot de gevolgtrekking, dat aan al die oude gedichten één enkel, verloren geraakt gedicht ten grondslag moet liggen, dat in het begin der 12e eeuw door een man van genie vervaardigd werd. Ook hierin, zien wij, is hij het oneens met Gaston Paris, die de "lais bretons" als bron voor de Fransche gedichten beschouwde.
Bovenstaande theorie van Bédier, die op heldere wijze door Professor van Hamel is uiteengezet in zijn Gidsartikel, getiteld: "Middeleeuwsche Tristan-romans" (Gids, 1905, 477-516), wordt in hoofdtrekken door vele andere geleerden gedeeld. Zoo pleit ook W. Golther in zijne studie: "Tristan und Isolde in den Dichtungen des Mittelalters und der neueren Zeit" (Leipzig, Hirzel, 1907) voor de stelling, dat de verschillende fragmenten der eerste Tristan-romans terug te brengen zijn tot één oorspronkelijk werk, waar ze alle op berusten.
In de laatste jaren zijn de denkbeelden van Bédier en Golther van verschillende zijden aangevallen. Onder de velen, die over dit onderwerp geschreven hebben, noemen wij slechts M. J. Loth, die in zijne "Contributions à l'étude des Romans de la Table Ronde" (Paris, Champion 1912) met kracht Bédiers bewering bestrijdt, als zouden de huwelijkswetten bij de Kelten weinig bindend zijn geweest. Integendeel, zoo zegt de schrijver, trouwbreuk werd bij hen als een ernstig vergrijp beschouwd en ook zeer streng gestraft. Bovendien tracht hij aan te toonen, dat de Tristan-legende stamt uit Cornwallis; hij verwerpt den Pictischen oorsprong van den naam Tristan, welken hij phonetisch onverklaarbaar acht. Ook de andere eigennamen, die in de sage voorkomen, zoomede het feit, dat men in de bestaande gedichten eene mengeling van Keltische, Angelsaksische en Fransche namen aantreft, bevestigen volgens hem de waarheid zijner stelling. Ten slotte zij hier nog vermeld het werk van Miss G. Schoepperle: "Tristan and Isolt, a Study of the source of the romance", 2 vol., Frankfort en Londen, 1913. In dit lijvige boekdeel komt de schrijfster tot eene slotsom, die het midden schijnt te houden tusschen de theorieën van Gaston Paris en die van Bédier.
In tegenstelling met den laatste kent zij groote waarde toe aan de Keltische elementen in de sage, welke volgens haar veel talrijker zijn dan Bédier meent. Om te bewijzen, dat zij werkelijk aanspraak kunnen maken op den naam van Keltisch, toetst zij ze aan de oud-Iersche handschriften, welke aanmerkelijk ouder en daardoor betrouwbaarder zijn dan die uit Wallis en Cornwallis, welke bijna alle Franschen invloed vertoonen. De schrijfster vindt dan vele punten van overeenstemming tusschen de feiten, vermeld in de Tristan-sage en die, welke zij in de oud-Iersche handschriften beschreven ziet.
Zij komt dan tot de gevolgtrekking, dat de Tristan-legende ontstaan is in de Keltische letterkunde, maar dat zij in de gedaante, waarin zij in de gedichten tot ons is gekomen, beschouwd moet worden als eene zuiver Fransche schepping.
Welke zijn nu die gedichten?
Het oudste, bestaande gedicht over de Tristan-sage is dat van een Normandisch schrijver, Béroul genaamd, en dagteekent ongeveer uit het jaar 1165. Zijn werk bleef onvoltooid, maar werd tegen het einde der 12e eeuw van een slot voorzien door een dichter, wiens naam onbekend is gebleven. Van Béroul's werk is een fragment van ongeveer 3000 regels bewaard gebleven; dit werd de bron voor de eerste bewerking der sage in Duitschland. Hiermede wordt bedoeld het werk van Eilhart von Oberge, een vazal van Hendrik den Leeuw, hertog van Brunswijk, die zijn gedicht geschreven moet hebben tusschen 1190 en 1213.
Belangrijker dan het werk van Béroul is dat van den dichter Thomas, langen tijd genoemd Thomas van Brittannië, die omstreeks 1170 in Engeland zijn beroemd geworden, "poème de Tristan" schreef. [28] Den inhoud van zijn gedicht kennen wij behalve uit de oorspronkelijke fragmenten [29], uit vijf navolgingen. Deze zijn:
1e. eene Noorsche proza-vertaling, geschreven in het jaar 1226 door een zekeren broeder Robert, op verzoek van koning Haakon V van Denemarken (1217-1263). In tegenstelling met de andere navolgingen van het Fransche gedicht is deze vertaling een volledig geheel en geeft ons daardoor het meest getrouwe beeld van den oorspronkelijken tekst.
2e. Het groote romantische dichtwerk van Gottfried von Straszburg, geschreven in de eerste helft der 13e eeuw. Het beschrijft de geschiedenis tot het huwelijk van den held met Isolde van Bretagne. [30] Juist op dit punt beginnen de fragmenten van het oorspronkelijke gedicht, zoodat eene vergelijking tusschen het werk van Gottfried en dat van Thomas slechts over een honderdtal regels gemaakt kan worden.
3e. Als derde groote navolging van het Fransche werk dient genoemd het Middel-Engelsche gedicht: "Sir Tristrem", dat geschreven werd in het Noorden van Engeland tegen het einde der 13e eeuw. Het werd voor de eerste maal uitgegeven in 1804 door niemand minder dan Sir Walter Scott. Hij gaf het den voormelden naam, verdeelde het in drie afdeelingen, voegde het ontbrekende slot er aan toe, geschreven in dezelfde versmaat als het overige gedeelte--en verklaarde ten slotte, dat de schrijver ervan was: Thomas van Ercildoune, ook wel genoemd Thomas de Rijmer. Deze verklaring is later meermalen in twijfel getrokken en thans neemt men algemeen aan, dat de schrijver onbekend gebleven is en dat de naam Thomas, die tot drie maal toe in het gedicht voorkomt, betrekking heeft op den Franschen schrijver.
De beide overige navolgingen zijn van minder belang dan de drie bovengenoemde.
Het zijn: 4e een kort gedicht, getiteld: "La Folie Tristan" (bewaard in het z.g. Douce H. S.) en eenige hoofdstukken [31] in het Italiaansche proza-werk "La Tavola Ritonda".
Eene vergelijking tusschen de gedichten van Béroul en Thomas zou buiten het bestek dezer inleiding gaan, toch dient hier met een enkel woord vermeld, dat zij een geheel verschillenden geest ademen. Bérouls opvatting van het gegeven is eenvoudiger, primitiever dan die van Thomas. De eerste gevoelt eene behoefte om de beide gelieven te beschermen tegen de beschuldigingen, waaraan hunne zondige liefde hen blootstelt. Daarom laat hij den noodlottigen invloed van den liefdesdrank slechts vier jaren duren; nadien, ontslagen van den bovennatuurlijken dwang, die op hen werd uitgeoefend, krijgen zij beiden berouw over wat zij gedaan hebben en beginnen een nieuw leven.
In het werk van Thomas daarentegen vinden we geen spoor van eenige poging tot verontschuldiging der beide hoofdpersonen. Zijn gedicht is eene verheerlijking der liefde, de liefdesdrank is het zinnebeeld van haar goddelijk recht. Ook spreekt er uit dit dichtwerk een geest van beschaving en hoofschen sier, die geheel ontbreekt in den eenvoudigen verhaaltrant van Béroul. Al wat ruw en onbeholpen was in de oude sage heeft Thomas zorgvuldig eruit verwijderd en de dichter verdiept zich met wellust in de spitsvondige woordspelingen en nauwkeurige gevoelsontledingen, welke zoo kenschetsend zijn voor den tijd, waarin hij schreef. Dat daardoor het verhaal dikwijls iets van zijn roerenden eenvoud en innige bekoring inboet, is licht te begrijpen, al staat daartegenover, dat het wint aan duidelijkheid en waarschijnlijkheid van gegeven.
Men kan zich voorstellen, dat de sage van Tristan en Isolde, de ontleding en beoordeeling van hunne gevoelens, spoedig na het verschijnen van het gedicht van Thomas, een geliefd onderwerp moet zijn geworden voor eindelooze besprekingen en beschouwingen. Dat velen aan het verhaalde aanstoot namen blijkt uit het feit, dat Chrétien de Troies, de beroemde Fransche hofdichter, een gedicht schreef: "Cligés", waarin hij aantoonde, hoe Tristan en Isolde hadden behooren te handelen. [32] Zooals reeds elders vermeld staat, [33] deelde Chrétien, hoewel hij leefde aan het hof van gravin Marie van Champagne, niet de inzichten zijner meesteres, die meende, dat ware liefde onvereenigbaar was met het huwelijk. In zijne beste gedichten verheerlijkt Chrétien dan ook de echtelijke liefde, of die, welke hare hoogste volmaking in het huwelijk vindt. Wel kunnen zijne bezwaren tegen het thema der Tristan-sage ook gedeeltelijk zijn voortgekomen uit eene zekere "jalousie de métier", want ook hij had een gedicht over dit onderwerp geschreven, dat niet veel opgang schijnt te hebben gemaakt. Dit gedicht zelf is helaas verloren gegaan, wij vinden er slechts eenige toespelingen op in "Erec", het eerste bestaande gedicht van Chrétien's hand.
De werken van Béroul en Thomas vormen de bestaande dichterlijke vertolkingen van de Tristan-sage in de Fransche letterkunde der middeleeuwen. [34]
Daarnaast staat de groote Fransche proza-roman: "Tristan". Hier wordt alle aandacht van den lezer gevraagd voor den wedijver tusschen Lanceloet en Tristan en voor een verward relaas van de avonturen dezer beide helden, waarin de meest aandachtige lezer meermalen den draad van het verhaal dreigt te verliezen.
De karakters der hoofdpersonen, vooral dat van koning Mark, hebben in den proza-Tristan eene merkbare verandering ondergaan. Isolde's echtgenoot wordt erin beschreven als een booze tiran, die zich door lafhartig bedrog en slinksche streken den haat en verachting van zijne onderdanen op den hals haalt. Ook onze held wordt er eenigszins anders in voorgesteld, hij is niet zoo standvastig in zijne liefde voor Isolde als in de andere werken, de vijandschap tusschen hem en zijn oom ontstaat gedeeltelijk uit hun beider wedijver om de gunsten van de schoone vrouw van Heer Segwarides. Door deze veranderingen verliest de liefde tusschen Tristan en Isolde veel van hare noodlottige schoonheid, maar zij bekleedt ook niet langer eene eerste plaats in het verhaal, Tristans heldendaden en krijgsavonturen hebben haar daarvan verdreven. In den proza-roman missen we ook de ontroerende beschrijving van Tristans dood. Zijn einde vindt hier plaats onder geheel andere omstandigheden dan in het oude verhaal; hij wordt door koning Mark in den rug gedood, terwijl hij op de harp zit te spelen voor koningin Isolde.
Onder de Middel-Engelsche gedichten is "Sir Tristrem" vreemd genoeg het eenige, dat aan de lotgevallen van onzen held gewijd is, alleen beslaat het verslag van zijne lotgevallen een belangrijk deel van de "Morte d'Arthur" van Thomas Malory, die zijne wedergave van de legende ontleent aan den Franschen prozaroman. Hij verhaalt echter slechts de helft van het verhaal, dan breekt hij den draad plotseling af om zich te verdiepen in de geschiedenis van den Graal. Eenige hoofdstukken verder vinden wij dan terloops het treurig einde van den held in een paar regels vermeld.
Na de 15e eeuw valt er over geheel Europa eene vermindering van belangstelling waar te nemen voor de oude ridderverhalen. [35] In dit lot deelde ook de Tristan-sage; gedurende eenige eeuwen wordt het oude verhaal door de dichters en schrijvers veronachtzaamd. Toen echter gedurende de 18e eeuw de belangstelling voor alles wat de Middeleeuwen betrof, allengs herleefde, werden ook de oude sagen en legenden opnieuw ter hand genomen. Zoo mogen wij in de 19e eeuw spreken van eene wedergeboorte der Tristan-sage en de gelieven van Cornwallis werden op velerlei wijze door dichters van verschillenden landaard bezongen.
Het zou onmogelijk zijn, eene volledige opsomming te geven van alles, wat er in de afgeloopen eeuw over deze sage geschreven is, daarom noemen wij hier slechts een enkele onder de velen, die haar tot het onderwerp hunner scheppingen hebben gemaakt.
In Duitschland verschenen in de 19e eeuw niet minder dan drie vertalingen van Gottfried von Straszburg's meesterwerk. De schrijvers hiervan zijn Karl Simrock, Hermann Kurz en Wilhelm Herz; vooral deze laatste moet geprezen worden om de meesterlijke wijze, waarop hij zich van zijne taak heeft gekweten. Ook dient hier melding gemaakt van eene Engelsche prozavertaling van Gottfrieds werk, van de hand van Jessie Weston, welke bij David Nutt, Londen, in eene zeer aantrekkelijke uitgave is verschenen. De groote belangstelling, die men in de afgeloopen eeuw in Duitschland voor de Tristan-sage voelde, kwam op edele wijze tot uiting in Richard Wagner's muziekdrama: "Tristan und Isolde", waarvan de eerste opvoering in 1859 plaats vond. Met een te bewonderen inzicht heeft de dichter-componist drie episodes uit het oude verhaal gekozen en is erin geslaagd om ons in drie akten niet slechts de uiterlijke feiten van eene noodlottige liefdesgeschiedenis voor oogen te voeren, maar ons tevens een blik te doen slaan in den strijd en de aandoeningen van eene menschelijke ziel, die tot in haar diepste wezen geroerd wordt door de macht van eene allesoverheerschende liefde. Het nauwe verband tusschen die liefde en den dood kan beschouwd worden als het "Leitmotif" van deze kunst schepping. Als Isolde stervend neerzinkt op het doode lichaam van haren geliefde en hare ziel uitstort in een laatste lied van hartstochtelijke liefde, voelen wij, dat dit het hoogtepunt is van de handeling, waar al het gebeuren van den aanvang af op gericht is geweest.
In de Engelsche letterkunde vinden wij in de 19e eeuw de geschiedenis van Tristan en Isolde terug onder Tennyson's Koningsidyllen. De wijze, waarop hij het schoone gegeven behandelt, doet den smaak en het letterkundig gevoel van den dichter geen eer aan. Hij gebruikt de legende om aan te toonen tot welk een toestand van verval en verdorvenheid het hof van koning Arthur is afgedaald en daarom beschrijft hij de liefde tusschen Tristan en Isolde als eene van die zondige verhoudingen, waartoe het slechte voorbeeld van Lanceloet en Ginevra aanleiding had gegeven. Dat hij het noodig heeft gevonden om daartoe eene der schoonste en teederste liefdesgeschiedenissen, die de wereld ooit gekend heeft, te verminken en te bederven, wekt niet alleen onze verbazing, maar ook onze verontwaardiging op.
Twee andere Engelsche dichters hebben in de afgeloopen eeuw de liefde van Tristan en Isolde bezongen: Matthew Arnold in zijn gedicht: "Tristram and Iseult" en Algernon Charles Swinburne in "Tristram of Lyonnesse". Onder hun bijna overeenstemmende titels vertoonen deze beide gedichten groote verschilpunten, die te verklaren zijn uit den verschillenden aanleg der beide dichters. Arnold's gedicht is slechts een fragment; het beschrijft de laatste levensdagen van den held in zijn eenzaam slot aan de kust van Bretagne, de komst van Isolde van Ierland, het sterven der beiden en het eenzaam achterblijven der jonge weduwe: Isolde van Bretagne. Zijne opvatting van het oude verhaal wijkt af van die, welke algemeen door de dichters gehuldigd is. Arnold's strenge opvatting van 's menschen zedelijke plichten maakt het hem onmogelijk om deelneming te gevoelen voor het lijden en de smart der beide gelieven, zijne sympathie is geheel aan de zijde der andere Isolde, die hij beschrijft als eene zachte, teedere vrouw en eene liefhebbende moeder voor hare twee kinderen. Arnold's pessimistische levensbeschouwing draagt er toe bij, dat hij ons niet den tijd voor oogen voert, toen de liefde het leven van Tristan en Isolde ondanks al hunne moeilijkheden tot iets schoons en heerlijks maakte, maar veeleer hun treurig einde toont als een bewijs, waartoe de mensch gedreven wordt, die zijne lusten en begeerten den vrijen teugel laat.
Geheel verschillend van opvatting is Swinburne's "Tristram of Lyonesse". Het gedicht bestaat uit negen zangen, voorafgegaan door eene inleiding, eveneens in dichtmaat, welke ons eene verheerlijking der liefde geeft.
Het gegeven is er een, dat bij uitstek geschikt is om door dezen dichter bezongen te worden. Met wellust stort hij er al den gloed en kleurenrijkdom van zijn woordenschat, de verrassende schoonheid zijner beeldspraak op uit. Het gedicht begint met Tristan's reis van Ierland naar Cornwallis; van wat er daarvóór is geschied hooren wij niets, al de belangstelling van den lezer wordt samengetrokken op de liefdesgeschiedenis van den held. In regels van groote schoonheid beschrijft hij de gevoelens der verschillende hoofdpersonen en door alle gebeurtenissen heen voelen wij hoe de invloed van den noodlottigen liefdesdrank hen voortdrijft door een leven van lijden en smart naar een ontijdigen dood, uiting van Swinburne's fatalisme. Door het gansche gedicht klinkt als een achtergrond voor den zielestrijd der beide gelieven het ruischen der machtige zee, die de dichter boven alles liefhad. Dat hij dit motief telkens en telkens weer in zijn werk bezigt, is niet meer dan natuurlijk, want de zee speelt eene groote rol in het drama van Tristan en Isolde. Daarom is het zeer goed gezien van Swinburne, dat hij hen ten slotte laat rusten in den schoot der golven, grootscher en waardiger rustplaats zouden wij ons moeilijk kunnen voorstellen.