Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 16
Luned beloofde gaarne zulks te doen en nadat zij hem nogmaals haar innigen dank had betuigd, reed Iwein verder. Hij kwam echter slechts moeilijk vooruit, want de vele verwondingen, die hij in den strijd had opgeloopen, maakten het hem bijna onmogelijk zich in het zadel overeind te houden en ook de leeuw sleepte zich moeizaam verder. Toen hij dus na korten tijd voorbij de muren van een slot kwam, aarzelde hij niet, daar een onderkomen te verzoeken. De ontvangst, die men hem bereidde, overtrof zijne stoutste verwachtingen. De bewoners omringden hem en zijn leeuw met vriendelijke zorgen, zij ontdeden hem van zijne wapenrusting en kleederen, wieschen zijne wonden en bestreken ze met een pijnstillend middel en geleidden hem toen naar een luchtig vertrek waar hij, na een hartig maal genoten te hebben, eene zachte legerstede vond om zijne vermoeide en stijve ledematen op uit te strekken.
In deze gastvrije omgeving nemen wij tijdelijk afscheid van onzen held om onzen blik te richten op andere gebeurtenissen, welke het land in beroering brachten.
In een naburig graafschap woonden twee zusters, die na den dood van haar vader in strijd waren geraakt over de verdeeling zijner nagelaten bezittingen. De oudste der beiden, eene valsche, begeerige vrouw, was niet tevreden met het deel der goederen, dat haar, rechtens haars vaders laatste beschikkingen, was toegewezen en in alle stilte ging zij naar het hof, om een ridder te zoeken, die de andere helft der bezittingen voor haar zou willen bemachtigen. De beschrijving, die zij den koning van haren toestand en de houding harer zuster gaf, was geheel bezijden de waarheid en zij wist haar verhaal op zulk eene aandoenlijke wijze voor te dragen, dat Walewein, tot wien zij zich richtte, haar beloofde het zwaard voor haar op te nemen. Hij verzocht haar echter onder geene voorwaarde zijn naam te noemen. Intusschen had de jongere zuster ingezien, dat zij zonder geweld van wapenen haar rechtmatig erfdeel nooit zou kunnen behouden; ook zij begaf zich dus naar het hof om de hulp van een ridder in te roepen.
Walewein, wien zij om hulp verzocht, moest haar echter zijn steun ontzeggen, al deelde hij haar de reden zijner weigering niet mede.
Diep teleurgesteld bezon de jonkvrouw zich, tot wien zij zich nu zou wenden, maar geen der andere ridders boezemde haar zóóveel vertrouwen in, als juist Walewein. Toen gebeurde het, dat er aan het hof geruchten doordrongen over den moed en de behendigheid van den Leeuwenridder. De edelman, wiens zonen Iwein uit de handen van den reus had verlost, kwam aan het hof en gaf in geestdriftige bewoordingen uiting aan zijne dankbaarheid jegens den onbekende, die hem en den zijnen onschatbare diensten had bewezen. Hij vertelde Walewein, hoe de vreemde ridder zich zijn vriend had genoemd en hoe hij het heldenfeit gedeeltelijk om zijnentwille volbracht had. Toen de jonkvrouw zooveel hoorde spreken over dezen befaamden Leeuwenridder, die, zoo zeide men, reeds eenmaal eene jonkvrouw van den brandstapel gered had, besloot zij aan hem en geen ander te vragen, of hij haar helpen wilde. Zij verzocht den koning, haar veertig dagen uitstel van vonnis te geven, wat haar werd toegestaan en nog dienzelfden dag besteeg zij haren telganger om haren moeilijken tocht te ondernemen. Dagen achtereen reed zij voort, maar nergens kon zij een spoor ontdekken van hem, dien zij zocht. Wel hadden alle menschen, die zij op haren weg ontmoette, wondere verhalen gehoord over de heldendaden van den Leeuwenridder, maar niemand wist te zeggen, waar hij zich op het oogenblik bevond. Wanhopig vervolgde het arme meisje haren tocht: door bosschen en velden, langs diepe ravijnen en gapende bergkloven. De regen sloeg haar in 't gezicht en doorweekte hare kleederen. de zon verblindde hare oogen en verschroeide hare teedere huid, maar zij sloeg geen acht op dit alles en reed voort, altijd voort, zich slechts terwille van haar paard nu en dan eenige uren rust gunnend. Zoo kwam zij ook aan het kasteel van Laudine, waar men haar vertelde van de bevrijding van Luned en van de vreeselijke straf, die de vreemde ridder haren beschuldigers had doen ondergaan. Toen zij verzocht te mogen vernemen, in welke richting de Leeuwenridder vertrokken was, bracht men haar naar Luned, die haar op vriendelijke wijze te woord stond en zelfs aanbood haar een eindweegs te vergezellen, tot aan de plaats waar zij haren redder vaarwel had gezegd. Toen reed de jonkvrouw weer op goed geluk verder en kwam weldra aan het kasteel waar Iwein zoo liefderijk verpleegd was. Op hare vraag of men aldaar ook een ridder kende, die vergezeld van een leeuw door het land trok op avontuur, kreeg zij tot hare groote vreugde ten antwoord, dat hij, dien zij zocht, slechts eenige uren tevoren, het slot had verlaten en dat de hoefsporen van zijn paard nog duidelijk den weg aangaven, dien hij gekozen had.
Bij het vernemen van deze blijde tijding besteeg de jonkvrouw ijlings weer haren telganger en reed in snellen draf in de aangeduide richting. Weldra bespeurde zij in de verte, een ruiter, die zich slechts langzaam voortbewoog. Spoedig had zij hem ingehaald en gelukkig bleek het de lang gezochte te zijn. In korte bewoordingen legde zij hem haar geval uiteen en terstond beloofde Iwein haar te zullen helpen. Te zamen trokken zij nu op naar het hof van koning Arthur, waar zij korten tijd vóór den afloop van den gestelden termijn aankwamen. Toen de dag was aangebroken, waarop de zaak der zusters beslist zou worden, liet de koning haar beiden voor zich verschijnen en trachtte nogmaals door eene minnelijke schikking het geschil tot eene oplossing te brengen. De jongste zuster was geneigd om hiertoe mede te werken, maar de oudste, die hare verwachtingen bouwde op den sterken arm van Walewein, weigerde hooghartig om met welke schikking dan ook genoegen te nemen. Zij stond er op, dat de zaak, zooals afgesproken was, door een tweestrijd op leven en dood beslist zou worden. Daarbij rekende zij er op, dat hare zuster er niet in geslaagd zou zijn, een beschermer te vinden en indien zij er al een gevonden had, zou hij toch zeker niet opgewassen zijn tegen Walewein. De laatste had zich eenigen tijd tevoren uit de stad verwijderd en kwam nu op het vastgestelde tijdstip het strijdperk binnenrijden, gekleed in eene vreemde wapenrusting. Reeds wilde de oudste jonkvrouw zich smalend tot hare zuster wenden met de vraag, waar nu háár kampioen bleef, toen Iwein, die zich tot dusver in de stad verborgen had gehouden, in fiere houding van de andere zijde het perk binnenreed.
Weldra gaven drie korte bazuinstooten het sein, dat het gevecht een aanvang zou nemen en in gestrekten draf reden de beide ridders op elkander toe. Hadden zij zich slechts aan elkander bekend gemaakt, hoe geheel anders zou dan hunne ontmoeting geweest zijn! Nu sloegen de zwaarden met kletterend gedruisch tegen elkaar, de rossen steigerden en snoven en hulden de strijders in een wolk van opdwarrelend zand, de helmen weerkaatsten de felle zonnestralen en de kleurige schilden zwaaiden van de eene zijde naar de andere. Het scheen of het gevecht eindeloos zou voortduren, nu eens was het of Iwein, dan weer of Walewein de zege zou behalen, maar steeds wist de andere partij zich te herstellen en wierp zich met vernieuwde woede in den strijd. Toen eindelijk de avond begon te vallen en de duisternis de beide helden aan het oog der toeschouwers dreigde te onttrekken, hief Iwein de hand met het schild erin omhoog en sprak: "Wakkere vijand! de vallende schemering maakt het ons onmogelijk, om verder te strijden. Niemand zal het ons ten kwade duiden, indien wij ons gevecht staken. Vóór wij echter scheiden, zeg mij, bid ik u, wie gij zijt want nog nooit heb ik zulk een sterken tegenstander te bestrijden gehad, als op den dag van heden". "Mij gaat het evenzoo", antwoordde Walewein op hoffelijken toon, "nimmer nog had ik zóóveel moeite om mij tegenover mijn vijand staande te houden. Wat nu uw verzoek betreft, ik wil daar gaarne aan voldoen. Mijn naam is Walewein en ik ben de zoon van Lot, koning der Orcadische eilanden." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Iwein wierp zijn zwaard ver van zich af, sprong van zijn paard en snelde op Walewein toe met de woorden: "Walewein, mijn dappere, edele vriend! Welk een afschuwelijk misverstand heeft hier plaats gehad! Zie mij aan, ik ben Iwein, uw neef!" Groot was de vreugde over deze ontmoeting, de beide vrienden omarmden elkander en stortten tranen van aandoening over dit treffend wederzien. Daarna begaven zij zich naar den koning, waar een edelmoedige strijd begon over de vraag, wien de lauweren der overwinning toekwamen. Iwein wilde ze aan Walewein en deze wederkeerig aan Iwein toegekend zien. Eindelijk besloten zij de beslissing aan den koning over te laten en deze sprak in tegenwoordigheid van het gansche hof het eindvonnis uit, waarbij de bezittingen gelijkelijk onder de zusters werden verdeeld.
Daarop gaf hij last, de wonden der beide helden door bekwame heelmeesters te doen onderzoeken en verbinden. Terwijl men hiermede bezig was rende plotseling onder vervaarlijk gebrul de leeuw het paleis binnen. Sinds vroeg in den morgen zocht hij zijn meester, want Iwein had hem in alle stilte en heimelijk verlaten, opdat het trouwe dier zijn vertrek niet zou bemerken. Toen de leeuw zijn heer nu terugvond uitte hij zijne vreugde door in groote sprongen om hem heen te loopen, zijne handen en voeten te likken en een luid gebrul uit te stooten. De hovelingen, die aanvankelijk bij het zien van den leeuw vol schrik waren weggevlucht, maar op eenige geruststellende woorden van Iwein weer naderbij kwamen, riepen vol vreugde uit: "Heil den Leeuwenridder! den dapperen bestrijder van reuzen, den edelen redder van jonkvrouwen!"
Toen Walewein zag, dat de befaamde Leeuwenridder en Iwein één en dezelfde persoon waren, dankte hij hem voor wat hij voor zijne zuster gedaan had; en vervolgens begaven de beide vrienden zich naar de feestzaal van het paleis, waar een rijk voorziene disch hen wachtte.
_Hoe Iwein zich opnieuw naar de bron begeeft en hoe hij zich met Laudine verzoent._ Na eenige dagen rust genoten te hebben, maakte Iwein zich weer reisvaardig, ondanks de dringende smeekbeden van zijne vrienden, die hem althans eenigen tijd aan het hof wenschten te behouden. Hij kon niet langer bevrediging vinden in de afleidingen van het hoofsche leven, zijn hart werd nog steeds verteerd van verlangen naar Laudine en temidden van de vroolijkste jachtpartijen en uitbundigste feestgelagen verviel hij somtijds in een droef gepeins, waaruit zijne vrienden hem slechts met moeite wisten los te rukken.
Daarom maakte hij zich op zekeren morgen, toen alle bewoners van het kasteel nog sliepen, reisvaardig en trok opnieuw de wereld in. Als vanzelf stuurde hij zijn paard in de richting van de bron en niet lang daarna stond hij weer onder de breede takken van den ouden boom. Door nieuwsgierigheid gedreven, greep zijne hand naar den ketting. Wat zou er gebeuren indien hij opnieuw de toovermachten uit de bron opriep? Zou een ander ridder zijn plaats hebben ingenomen en als Laudine's beschermer aan den horizont verschijnen? Hij moest, hij zou zekerheid hebben!
Met vaste hand liet hij den schotel in de bron neerdalen, haalde haar gevuld omhoog en schudde eenige waterdroppels op den steen.
Terstond herhaalden zich de hem bekende natuurverschijnselen. De donder rommelde, de bliksemstralen schoten langs den donkeren hemel en de hagelsteenen kletterden ratelend op hem neer. In spanning wachtte hij het einde van het onweer af. Eindelijk werd de lucht weer blauw, de vogels streken neer op den boom, maar geen ruiter vertoonde zich in de verte.
Terwijl Iwein links en rechts spiedde of er geen ridder ter verdediging van de bron opdaagde, heerschten in het kasteel van Laudine groote angst en verslagenheid. Een vreemde ridder, zoo zeide men, was aan de bron verschenen en had de tooverkrachten, die daarin verscholen lagen, in werking gesteld. Ten gevolge van deze daad dreunde het slot weldra op zijn grondvesten en de angstige bewoners, die in groepen bij de vensters in de groote zaal stonden samengeschoold, tuurden angstig naar buiten, in de onheilspellende duisternis. Nu en dan verlichtte een kronkelende bliksemflits het landschap en toonde aan de bevende toeschouwers, hoe de zware hagelsteenen als een vernieling brengende regen op veld en akker neervielen.
In wanhoop wrong Laudine hare handen en vertwijfeld vroeg zij zich af, wat er straks geschieden zou, wanneer de vreemde ridder niemand vond om hem voor zijn onheilsdaad te straffen. Ten einde raad wendde zij zich om steun tot Luned en deze, die wel vermoedde, wie de vreemde ridder was, gaf haar ten antwoord: "Hooge Vrouwe! het is moeilijk u te raden, want gij verkeert inderdaad in een zeer benarden toestand. Is er dan niet één onder uwe ridders, die den strijd tegen den vreemdeling durft aanbinden?"
"Ach neen, Luned", antwoordde Laudine weenend, "gij weet toch, dat velen hunner afwezig zijn en dat er voor deze onderneming meer moed en zelfopoffering noodig zijn, dan ik onder degenen, die hier zijn, zal kunnen vinden. Één was er, die niet geaarzeld zou hebben, maar hij...." hier werd haar stem door snikken onderbroken en luid klagend sloeg zij de handen voor het gezicht.
"In dat geval ken ik slechts één man, die u helpen kan en dat is hij, dien men den Leeuwenridder noemt", sprak Luned, "en gaarne zou ik hem voor u gaan zoeken, ware het niet dat hij slechts onder ééne voorwaarde u zal willen helpen en ik weet niet, of gij die zult willen vervullen." "Spreek! welke is die voorwaarde", viel Laudine haar in de rede, "indien het in mijne macht staat haar te vervullen, zal ik niet aarzelen dit te doen."
"Welnu dan, luister!" zeide Luned, "deze ridder leeft sinds langen tijd in onmin met zijne gemalin, die hij nochtans boven alles liefheeft. Hij kent geen anderen wensch op aarde dan zich met haar te verzoenen en eischt van elk, wien hij zijn diensten aanbiedt, dat hij of zij alles zullen doen, wat in hun vermogen ligt, om die verzoening tot stand te brengen. Wilt ook gij daartoe uwe medewerking verleenen?" Laudine ademde verruimd op, zij had een moeilijker te vervullen eisch verwacht. "Welzeker wil ik dat", antwoordde zij vriendelijk, "voorwaar, zulk een dapper, edel man verdient niet door eene vrouw verstooten te worden!" "Zweer mij dan op dit heilig boek", sprak Luned, "dat gij uw woord zult houden", en Laudine voldeed aan haar verzoek.
Daarop begaf de trouwe dienares zich in aller ijl naar de bron, waar zij haar vermoeden bewaarheid vond. Iwein zat onder den boom, en staarde peinzend voor zich uit, het hoofd gesteund op de hand. Vóór hem lag de leeuw, met zijn trouwen blik op het gelaat zijns meesters gericht. Toen deze Luned zag naderen, sprong hij verheugd op, want aan de uitdrukking van haar gelaat zag hij, dat zij goede tijding bracht. Nadat hij van haar vernomen had, welke plechtige belofte zij Laudine had afgedwongen, kende zijne blijdschap geene grenzen meer en ontroerd kuste hij haar de hand met tranen van vreugdevolle dankbaarheid in de oogen. Zonder een oogenblik te verliezen begaven zij zich op weg naar het kasteel, waar hunne nadering met vreugdekreten werd begroet. De tijding van hunne aankomst drong spoedig door tot Laudine, die bij het hooren ervan een zucht van blijde verlichting slaakte. Terstond gaf zij bevel, den vreemdeling in hare vertrekken te ontbieden en weldra traden Luned en de Leeuwenridder hare kamer binnen. Toen Iwein voor den zetel was gekomen van haar, die hij zoo innig liefhad, naar wie al zijne verlangens, al zijn denken en streven der laatste jaren waren uitgegaan, viel hij eerbiedig op de knieën voor haar neer en drukte den zoom van haar kleed aan zijne lippen. Laudine echter stak hem vriendelijk de hand toe, deed hem opstaan en zeide: "Heb dank, dat gij gekomen zijt, edele Heer! en weest overtuigd dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen ligt, om de voorwaarde, die ge mij steldet, te vervullen!"
Hier kwam Luned op vroolijken toon tusschenbeide: "Niemand kan dit beter dan gij", sprak zij lachend, "en al moge dit u vreemd toeschijnen, gij zult mijne woorden beter begrijpen, wanneer gij den Leeuwenridder eens goed in 't gelaat ziet!"
Iwein begreep, dat het beslissende oogenblik gekomen was, hij sloeg langzaam het vizier omhoog en zag Laudine smeekend aan. Deze deinsde achteruit met een kreet van schrik en allerlei verschillende gewaarwordingen doorkruisten hare ziel. Een blik op Iweins gelaat deed het geheele verleden in haar ontwaken; zij doorleefde weer het volmaakte geluk der eerste huwelijksmaanden, de smart om de wreede scheiding, het smachtend verlangen naar Iweins terugkomst, gevolgd door het gevoel van bittere vernedering, toen de termijn verstreek, zonder dat hij tot haar wederkeerde. Daarna de lange strijd tusschen haar trots en haar liefde, waarin ten slotte de laatste, naar zij meende, de nederlaag had geleden. Vreemd, nu hij daar vóór haar stond en haar aanzag met dien innigen, smeekenden blik scheen het of de muur van gekrenkten hoogmoed, dien zij met zooveel strijd en moeite tusschen hen beiden had opgetrokken, als sneeuw versmolt voor de zon harer liefde, die haar woorden van vergeving en teederheid naar de lippen drong en die haar de handen naar hem deed uitstrekken in een gebaar van hulpeloos verlangen. Maar neen, zij kon en wilde zich niet zoo gewonnen geven! Had zij dan geen trots meer, was zij vergeten, hoe deze man haar gekrenkt en vernederd had en haar tot een voorwerp van spot en beklag had gemaakt in de oogen harer dienaren? Neen, duizendmaal neen! liever sterven van verdriet en verlangen dan hem toonen, hoe groot de macht was, die hij over haar bezat. Met geweld dwong zij de woorden van liefde terug, welke haar op de lippen zweefden en toen zij sprak, was haar stem ijskoud:
"Wat beduidt dit vreemde spel, Heer ridder? Is het nog niet genoeg, dat gij mij eens voorgelogen hebt? Wilt gij thans ten tweede male misbruik maken van mijn goed vertrouwen? Welnu dan, wees gerust, den eed, dien ik gezworen heb, zal ik houden, maar vraag mij niets meer!" Vóór zij zich evenwel kon afwenden, begon Iwein te spreken. Hij vertelde haar alles, wat hem in de laatste jaren overkomen was; hij smeekte haar om vergiffenis voor wat hij misdreven had en verhaalde haar, wat er sindsdien gebeurd was; hij beschreef haar zijn waanzin, zijn rusteloos zwerven, zijn dwalen van 't eene avontuur naar 't andere en zijne blijdschap, toen hij eene kans zag om zich met haar te verzoenen. Uit dit alles sprak zooveel eerlijk schuldbewustzijn, maar ook zooveel innige liefde, dat Laudine het steeds moeilijker vond, om zich tegen den verzachtenden invloed, die van zijne woorden uitging, te verzetten. Peinzend zag zij op hem neer. Wat zou zij doen? Haar gevoel van eigenwaarde eischte van hem eene volledige boete, welnu, die had hij gedaan. Als een berouwvol zondaar lag hij voor haar nedergeknield, het hing slechts van haar af, of hij eindeloos gelukkig, dan wel diep rampzalig uit die houding zou opstaan.
Nu dan, zij zou goedertieren zijn en ze _kon_ dit zijn, zonder gevaar voor zichzelve. Immers, deze man, dat voelde zij duidelijk, zou haar nooit weer verlaten en haar wil zou voortaan ook de zijne zijn.
Toen Iwein dan ook zijn verhaal beëindigd had en haar met eene stomme vraag in de oogen aanzag, reikte zij hem hare beide handen en liet toe, dat hij haar in zijne armen nam.
Daarmede namen de zwerftochten van den Leeuwenridder een einde. Hij aanvaardde opnieuw het beheer over Laudine's bezittingen en leidde met haar samen een lang en gelukkig leven. Nooit ontstond er meer eenige verwijdering tusschen hen en de liefde, die zij elkander toedroegen, maakte hun leven gelijk aan een klaren, blauwen hemel, zooals wij dien zien, wanneer de storm is uitgewoed en de wind de donkere wolken heeft verjaagd.
INLEIDING TOT DE SAGE VAN TRISTAN EN ISOLDE.
_Wie kent niet de namen van Tristan en Isolde?_ Bij wien roepen zij niet een min of meer volledig beeld in het geheugen van de droeve geschiedenis dier beide gelieven? Of men zich hunne lotgevallen herinnert uit Wagners muzikaal-psychologisch drama, uit het Fransche prozagedicht van Joseph Bédier of uit de schoone verzen van Swinburne's "Tristram of Lyonesse", een ieder kent het verhaal van hartstocht en weemoed, dat door alle eeuwen heen de dichters en schrijvers heeft weten te bezielen.
Wanneer men de sage in haren oorspronkelijken vorm leest, zooals zij in de volgende bladzijden is weergegeven, schijnt het, of het verhaal weinig of niets uitstaande heeft met den kring der Arthur-legenden. Immers, het tooneel der handeling ligt geheel buiten het hof van dien vorst, geen der ridders van de Tafelronde wordt ook zelfs maar genoemd en alleen koning Arthur zelve speelt eene, overigens zeer bijkomstige, rol in het drama. De reden, waarom de sage ondanks dit alles, toch gerekend mag worden te behooren tot den Arthur-cyclus, is hierin gelegen, dat zij de levens- en lijdensgeschiedenis geeft van een held, wiens naam in de Arthur-verhalen veelvuldig voorkomt en wiens lotgevallen daarin steeds eng verbonden zijn met die der andere Arthur-ridders. In de latere werken, die aan de verheerlijking van Tristan gewijd zijn, zien wij zelfs, dat zijne avontuurlijke tochten in gezelschap van andere Arthur-ridders en de rivaliteit tusschen hem en Lanceloet de belangstelling van den schrijver meer hebben bezig gehouden dan het verhaal van zijn noodlottigen hartstocht voor koningin Isolde. In het zoogenaamde Fransche tijdperk van den Arthur-cyclus, toen Chrétien de Troies zijne gedichten schreef en de groote proza-romans ontstonden, werd Tristan geheel beschouwd als behoorende tot de ridders der Ronde Tafel en in bovengenoemde werken wedijvert hij dan ook met Walewein en Lanceloet in daden van moed en ridderlijkheid. Wel dient opgemerkt, dat Tristan in al deze verhalen slechts als gast aan het hof van koning Arthur verkeert. Hij is daar niet thuis, zooals de andere ridders, maar vertoeft er slechts voor korteren of langeren tijd, om deel te nemen aan een steekspel of rust te vinden na een zwaren krijgstocht. Toch is hij geen vreemdeling, wiens naam men eerst op een hoogeren ontwikkelingstrap van de Arthur-sagen met dien van den beroemden vorst verbonden heeft om dezen meerderen luister bij te zetten. Zooals wij zien zullen, wordt hij daarentegen reeds in de oudste overleveringen gerangschikt onder de volgelingen van koning Arthur.
Uit dit alles blijkt wel, dat er een alleszins gegronde reden bestaat, om de sage van Tristan en Isolde te rangschikken onder de in dit boek voorkomende verhalen. Terstond verrijzen nu twee vragen: wat is de oorsprong van deze beroemde legende en hoe is het te verklaren, dat zij, meer dan alle andere sagen uit het grijze verleden, de harten der menschen heeft weten te boeien met eene blijvende bekoring?